(Vervolg van bladz. 297.)
13. - Waarop is de gegeven regel gesteund?
Hij is gesteund 1o gelijk het reeds klaar is, op de innige en eenig ware beteekenis der wederkeerige werkwoorden.
2o Op het bijna algemeen gebruik der ouden. Lees de schriften vooral der 12de, 13de, 14de en 15de eeuw, en ik verzeker u dat gij niet veel uitzonderingen zult aan te teekenen hebben.
Hieronder schrijf ik mijne aanmerkingen af op eenige oude schrijvers die ik nopens het besproken punt onderzocht.
a) In Beatrijs, (1038 verzen), geen éene uitzondering. Integendeel, onder andere zinnen:
b) In Carel ende Elegast, (1414 verzen), geen éene uitzondering. Integendeel:
c) In De Trojaensche Oorlog van Seger Dieregodgaf, (3309 verzen), geen éene uitzondering. Integendeel:
d) In de Reize van S. Brandaen (naar het Comburger handschrift, 2284 verzen), geen éene uitzondering. Integendeel:
e) In de Fabelen van Esopus, (1558 verzen), geen éene uitzondering.
f) In S. Geerden Minne, (448 verzen), geen éene uitzondering.
g) In den vijfden boek, (3956 verzen), 1ste partie, Spiegel Historiael van Maerlant, geen eéne uitzondering.
h) In den 1sten boek, (2752 verzen), zelfde partie, waar hij gedurig spreekt over landen, bergen en stroomen, vond ik éene uitzondering en misschien is zij toe te schrijven aan Maerlants al te letterlijk vertalen uit het Latijn van Vincentius Bellovacensis:
Daarentegen heb ik aangeteekend:
I) In het Leven van Sinte Christina, (1949 verzen), zou men als eene uitzondering kunnen aanzien:
Maar wie deze geschiedenis gelezen heeft, weet dat het lichaam van Christina buitengewone krachten en voorrechten had en, om zoo te zeggen, subtiel geworden was.
Daarentegen:
Hier staak ik mijn onderzoek nopens de oudheid: te zamen achttien duizend en zevenhonderd verzen waarin ik eigenlijk maar eéne uitzondering aan mijnen regel
vond. Mag ik dan niet vaststellen dat hij steunt op het bijna algemeen gebruik der ouden?... Ik peins, er zullen veel lezers zijn die zeggen zullen: Na uwe aanhalingen gelezen te hebben, houden wij staan dat uw regel overeenkomt met het eenparig gebruik der ouden; want 1o die uitzonderingen, indien er hier of daar voorkomen, bevestigen den regel; 2o in de verzen komen vrijheden die in gewone taal zouden misstaan, en 3o de ouden kosten ook eens zondigen.
Onze regel steunt 3o op de gesproken taal.
Luister naar eenen werkman die nooit Fransch leerde en weinig of geen boeken las, en ge zult hooren hoe regelmatig, hoe verstandig hij den gegeven regel toepast.
Eenige voorbeelden. 1o Op bezielde wezens:
Van eenen verdronkene: Hij heeft hem versmoord (vrijwillig); hij is versmoord (bij toeval).
Van een kind: Het betert hem (voor zijn gedrag); het betert (voor zijne gezondheid).
2o Op bezielde en onbezielde wezens:
De slang krult haar rond den boom; het haar krult.
De mensch rekt hem; de koorde rekt.
De mensch buigt hem, de boom buigt.
3o Op onbezielde wezens:
Van het water: het wast, valt, loopt, drijft, ziedt, komt op, loopt over, stroomt, vloeit, vervriest, ontdooit.
Van de dagen: zij korten, lengen, vliegen, loopen, gaan voorbij.
Van een kleed: het rekt, krimpt, spant, verschiet, gaat af, slijt, verslijt, scheurt.
‘Zoo zeggen de boeren dat de melk scheidt, stremt, klontert of runt, en 't is alles even goed nederduitsch.’ (J. David.)
Waar beter dan in de spreekwoorden kan men den geest der taal nagaan en vinden?.... Ik heb de twee duizend die ik bijeengekregen heb, zorgvuldig onderzocht en alle bevestigen luidop onzen regel. Enkel twee die ik straks verklaren zal, wil ik hier aanstippen:
a) Zijn er geene uitzonderingen aan den regel te geven?
Eigenlijk geen éene; in schijn twee.
1o Zoo in 't spreken als in het schrijven, maken wij van veel onovergankelijke, wederkeerige werkwoorden met bij het werkwoord eene bepaling te voegen die het gevolg van de daad uitdrukt, of den toestand waarin het onderwerp, 't zij bezield of onbezield wezen, door de daad gebracht wordt. Zoo: die boom groeit hem (zich) dood: de bode heeft hem (zich) moe gewandeld.
Doch iedereen ziet aanstonds dat die wondere zinnen uit eene verkorting ontstaan: die boom groeit zoodanig dat hij er van sterven zal; de bode heeft zoodanig gewandeld dat hij vermoeid is.
In dees geval mogen wij stout, ja, moeten wij geerne het wederkeerig werkwoord gebruiken, wat voor een wezen het ook tot onderwerp hebbe; want al deze uitdrukkingen zijn ons eigen en hebben, door hunne bondigheid, eene bijzondere kracht.
2o In de verpersoonlijking, dat is, als de verbeelding des schrijvers aan het onbezielde wezen leven, gevoel, gedacht geeft en er zoo een bezield wezen van maakt.
Hierover zou ik geerne wat meer zeggen.
a) De verpersoonlijking is eene buitengewone figuur; zelfs de dichters mogen er niet mede te koop loopen en in proza kan ze maar, om bijzondere redens, in den verheven schrijftrant aangewend worden.
Dat verschil voor poezie en proza vind ik bij Vondel ten volle bewaarheid; want, al vertaalt hij verzen, toch heb ik, in gansch zijne onberijmde overzetting van Virgilius' AEneïs, maar 24 wederkeerige werkwoorden gevonden die een onbezield wezen tot onderwerp hebben.
b) De verpersoonlijking mag niet enkel liggen in zich, maar eerst en vooral in het werkwoord. Dat vinden wij in:
en in honderden voorbeelden van onze goede dichters.
In het werk van Oomen: Reis naar Jeruzalem en Rome, vond ik zich vertoonen 33 keeren, zich verheffen 49 keeren met een onbezield wezen gebruikt. Maar wie zal zulke zinnen door verpersoonlijking willen uitleggen?
c) Wil men verpersoonlijken, dan geve men als voorwerp aan het werkwoord niet zich, maar het deel dat vooral de daad ondergaat.
Deze vorm komt overeen met den geest der taal, hij is veel meer dichterlijk en beschrijvend, en mag door iedereen, zoo prozaschrijver als dichter, gebruikt worden.
De boom buigt zijne takken, de bloemen openen hunnen kelk, de zonne verspreidt hare stralen, het plantje recht zijn hoofd op, enz...
d) In de gesproken taal heeft men honderden onovergankelijke werkwoorden die ten minste zoo schoon zijn als de wederkeerige.
De zon gaat slapen, de zon kijkt boven de boomen, de zee speelt met het schip, de maan lacht ons tegen, de sneeuw danst voor onze oogen; paf, zei het geweer, en de vogel viel dood; de wind zingt in de schouw, het zand vliegt naar omhoog, de klok roept ons, de wind bijt, de Winter staat voor de deur. - Ongelukken slapen niet; morgen komt ook langs hier; schoone wegen loopen niet verre, enz...
e) Dat men treffend en krachtig spreken kan zonder eens zich tot verpersoonlijking te gebruiken, blijkt genoeg uit de volgende verzen:
Wie er nog beter wil van overtuigd zijn, leze en studeere de overschoone gedichten van Gezelle.
A. Joos.