terug  begin  verder
[p. 496]

Het geweten naar V. Hugo.

KAÏN, de gevloekte broedermoorder, vluchtte met zijne kinderen van vóór het vertoornde aanschijn des Heeren Jehovahs. 't Wierd avond en hij kwam in eene wijdstrekkende vlakte, aan den voet van eenen hoogen berg. Zijne doodvermoeide vrouw, zijne zonen buiten adem, zegden hem: ‘Leggen wij ons ter ruste op den grond en laat ons hier slapen van dezen nacht’.

Kaïn en kon niet slapen, maar waakte in droeve gepeinzen verslonden, aan den voet des hoogen bergs. Hij richtte zijn hoofd op en schouwde in de donkere diepten den hemels; te midden de duisternissen, zag hij eene oog, die wijd open hem aanstaarde met vlammende blikken. ‘Ik ben te dichte’, zegde hij al bevende. Hij ontwekte zijne slapende zonen, zijne afgematte vrouw en zette, somber en wild, zijne vlucht voort, door velden en bosschen.

Hij ging dertig dagen en dertig nachten; hij ging, stom en bleek, verschietende van schrik bij 't minste geruchte; hij vluchtte zonder ooit achterwaarts te durven kijken, zonder stilstaan, zonder rusten en zonder slapen.

Zoo kwam hij aan het strand der zeëen, in het land, dat naderhand Assur heette. ‘Houden wij hier stil, zegde hij, want deze schuilplaats is veilig. Blijven wij hier. Wij hebben de eindpalen der wereld bereikt’.

En, gelijk hij zich ging nederzetten, zag hij in de nevelige hemelruimten, die eigenste vlammende ooge hem aanstaren, van uit de diepten der donkerende kimme.

[p. 497]

Alsdan sprong hij op, huiverend en trillend van afschuwelijken angst en vrees. ‘Verbergt mij!’ schruwelde hij; en, den vinger op den mond, zagen al zijne zonen, verschrikt, hunnen woesten grootheer beven.

Kaïn zegde aan Jabel, vader van dezen die, door de eindelooze zandwoestijne stappen, beschut door hunne hairen tenten: ‘spreidt uw tentedoek langs dien kant’.

En men ontvouwde de vlottende tentedoeken als een muur zoo dichtgesloten.

Wanneer zij aan den grond vastgespijkerd en geslegen waren, ‘gij ziet nu niets meer?’ zegde Tsilla, het blonde kind, de dochter zijner zonen, zacht en lief als de purperende dageraad; en Kaïn antwoordde: ‘Nog zie ik die ooge!’

Jubal, vader dergenen die door stad en dorp trekken, onder het luid geschal van klaroenen en slaande trommels, riep uit: ‘'k Zal ik wel een afsluitsel weten op te richten’.

Hij miek eenen muur van brons en plaatste Kaïn erachter. En Kaïn zegde: ‘Die ooge beziet mij immer en altijd!’

Henoch zegde: ‘Gij moet eenen omwal van torens opwerpen, zoo schrikkelijk, dat niets erbij kan naderen. Laat ons dan eene stad met eene versterkte burcht bouwen, die wij langs alle kanten zullen sluiten, dicht en ondoordringbaar’.

Alsdan Fubalkain, vader der smeden, bouwde eene stad van ijselijke, bovenmenschelijke grootte. Terwijl hij aan 't werk was, verjoegen zijne broeders de zonen van Enos en de kinderen van Seth. Allen die voorbijtrokken wierden vastgegrepen en de oogen uitgesteken. En 's avonds, schoot men pijlen naar de sterren.

De granietsteen vervong de tente met hare wanden van linnendoeken; ieder arduinblok wierd met ijzeren banden vastgeleid; de stad geleek eene burcht der hel.

De schaduw der torens spreidde den nacht over de velden. De muren waren als bergen zoo dik en

[p. 498]

plomp opgebouwd. Op de poorte stond er: ‘Het is God verboden hier binnen te treden’.

Wanneer zij nu gedaan hadden met bouwen en afsluiten, stak men den grootvader te midden van eenen steenen toren; en hij, somber en verwilderd, keek in 't ronde. ‘O mijn vader! is de ooge verdwenen?’ zegde sidderend Tsilla, het lieve blonde kind. En Kaïn antwoordde: ‘Neen, zij is en blijft dáár altijd’.

Alsdan zegde hij: ‘Ik wil onder de aarde gaan wonen gelijk een man in zijne eenzamige grafstede; niets en zal mij meer zien, en ik ook zal niets meer ontwaren’.

Men groef dan eenen diepen kuil, en Kaïn zegde: ‘alles is nu wel!’ Waarna, hij moedermensch alleen, nederdaalde onder de donkere en zwarte gewelven. Toen hij in zijnen leunstoel lag te midden de zwijgende, eenlijke duisternissen, en dat men hooge boven zijn hoofd den kuil dichtgesloten had, was de vlammende ooge in het somber graf, en staarde Kaïn aan met dreigende blikken.....

 

Leffinghe.

 

Hector Claeys.

terug  begin  verder