i.s.m.
[p. 593]
Onze Vlaamsche Academie.
1.
H
EFT den schedel fier omhooge,
Zonen van ons Vlaamsche gouw:
G'hebt den hoeksteen vast doen leggen
Van uw vaderlandsch gebouw;
G'hebt een Belfort u gemetseld
In de stee van Arteveld,
Dat - gelijk in 't grijs verleden -
U uw vlaamsche rechten meldt;
G'hebt uw eigene Academie
Waar de Vlaming wacht om houdt;
G'hebt uw klokke - uw eigen tale -
Die ge in 't stormuur kleppen zoudt.
2.
Kampers van den ouden dage,
Ja, gij zijt in 't graf gedaald;
Maar uw werk voor Land en Tale
Oh, het leeft en zegepraalt!
Hoe toch moet uw dor gebeente
Trillen op dit zalig uur!
'k Hoor een Willems en een David.
'k Hoor een Snellaert, een Serrur',
'k Hoor een Ryswyck en een Leegank,
Een Conscience en een Van Duys'
Juublend juichen op dees hoogtij,
Op dees feest van 't Vlaamsche Huis.
3.
't Is een rei van koene helden
Die ons zaak in handen houdt;
Mannen zijn 't met kop en wilskracht
Waar ons hoop staat op gebouwd:
Brengt ons onze grootheid weder,
Onzen taalschat uit 't verleên;
Leert den Vlaming nogmaals Vlaamsch zijn
Lijk het zijne Vaadren deên;
Zet ons tale - die ons macht is -
Weer ter School en in 't Gerecht;
Doet den Adel eindlijk spreken
Lijk zijn nederige knecht.
Eecloo
.
A. Van Bogaert
.