PRACHTIG en oprecht meesterlijk is de verhandelinge die Eerw. Heer Am. Joos, in nr 6 en Vlgde van dit Tijdschrift, over zich en de wederkeerige werkwoorden geschreven heeft.
In nr 6, bldz. 293, leze ik nogtans iets dat ik tot nu toe niet en kan aanveerden.
Daar namentlijk stelt Schrijver de vrage:
‘Is er eenige reden om zich te behouden, een vreemd woord dat noch op de oudheid, noch op de gesprokene taal steunt, wanneer wij in onze gewone spraak eigene uitdrukkingen hebben die het zelfde gedacht voorstellen?’
Iedereen begrijpt de gewichtigheid zulk eener vrage.
Wat antwoordt Leeraar Am. Joos daarop?
‘Ja, zegt hij, daar is eene reden. De uitdrukkingen zijn zelven, zijn eigen wegen te zwaar en zijn te lang volgens hunne kleine weerde, en zouden, moesten wij ze altijd gebruiken, onzen stijl doen slepen en te veel verlammen. Zich en heeft dat gebrek niet. In het schrijven dus zullen wij zich behouden, maar ook niet afschrikken om hier en daar, waar er geen kwaad aan gelegen is, het door zijn eigen en zijn zelven te vervangen. In het spreken nogtans kunnen wij zich overal gemakkelijk missen.’
Eerst ende vooral moeten wij hier den Schrijver loven en dank wijten omdat hij, en te rechte, verder heeft durven gaan als gelijk welke Spraakkunste tot nu toe, onzes wetens, gegaan is; namentlijk in het laatste deel zijner antwoorde, als hij zegt ‘maar ook niet afschrikken om hier en daar, waar er geen kwaad aan gelegen is het (d.i. zich) door zijn eigen en zijn zelven te vervangen.’
Opperbest!
Maar, waarom en heeft hij die edele stoutigheid niet verder gedreven, en heel eenvoudiglijk geantwoord dat er geene genoegzame redens en bestaan om zich, zelfs in de schrijvende tale, te gebruiken?
Dan hadde Schrijver, onzes inziens, waarheid gesproken. Nu integendeel, vreezende misschien dat sommige schoolvossen te luide roepen mochten, eerzelt hij achteruit en zegt: ‘In het schrijven dus zullen wij zich behouden.’
En om deze zijne antwoorde te staven, brengt hij eene enkele reden bij die toen nog, volgens ons verstand, niet en daakt:
‘De uitdrukkingen zijn zelven, zijn eigen wegen te zwaar en zijn te lang volgens hunne kleine weerde, en zouden, moesten wij ze altijd gebruiken, onzen stijl doen slepen en te veel verlammen.’
En inderdaad:
‘Moesten wij ze altijd gebruiken’ zegt Am. Joos.
Daarop antwoorden wij:
1o Ook en moeten wij ze niet altijd gebruiken, zelfs als het werkwoord waarlijk wederkeerig is en in den 3den persoon staat.
Schrijver bekent immers zelve op bldz. 290:
a) dat de oude schrijvers in stede van zich meest altijd het gewoon persoonl. voornaamw. ‘hem, heur’ enz. aleen gebruikten.
b) dat de sprekende tale insgelijks o.a. het pers. voornaamw. aleen bezigt.
c) dat het gewoon pers. voornaamw. aleen aanwenden niet altijd den zin duister en maakt. Hij zegt immers ‘dikwijls’.
Wij en moeten dan, volgens eerw. heer Joos zelve, niet altijd het langere zijn zelven, zijn eigen gebruiken.
Daarenboven, mij dunkt dat hij het gevaar van duisterheid meerder maakt als dat het in der daad en is.
‘In de gesproken taal komt er geene duisterheid uit voort, zegt hij, dat is waar; doch bewijst hier niets, aangezien dat de Schrijver zijn gedacht alleen door de woorden kan doen verstaan, terwijl de woorden van den spreker, soms duister op hun eigen, klaar worden door den klemtoon, de stembuiging, de gebaren, de uitdrukking van het gelaat.’
Heel wel. Maar daar valt eventwel aan te merken dat een Schrijver ook meer tijd en kennisse heeft om zijne woorden te wikken en te wegen; om een woord of zin desnoods te verplaatsen; om een voornaamwoord, zoo genomen, door een zelfstand. naamw. te vervangen, enz. zoodanig dat zijn gedacht genoegzaam blijke uit heel den samenhang der rede.
Zoodat wij heel dikwijls, dunkt het mij, ‘hem, heur, hen’ aleen mogen schrijven, zonder gevaar van de zinsnede duister te maken.
En als het, om wille van de klaarheid, volstrekt noodzakelijk is ‘zijn eigen, zijn zelven’ te bezigen, dan en mag men niet meer zeggen dat ‘hunne weerde klein’ is.
Nu, ‘hem, heur, hun, hen’ en slepen niet meer als het overgewaaide, hoogduitsche zich.
2o Lijk het eerw. heer Joos zoo klaar en kundig in zijnen opstel bewijst, op tien keeren dat het meestedeel der hedendaagsche schrijvers met zich, 't zij als doelwoord, 't zij als bepalinge met een voorzetsel, 't zij als voorwerp voor den dag komen, is het wel acht keeren tegen den aard of ten minste tegen den eisch
onzer tale. ('k En spreke hier niet van het woord op zijn eigen, maar van de wendinge zelve.)
Namen wij dus wel die regels over het gebruiken van ‘zich en de wederkeerige werkwoorden’ in achte, in stede van eeuwig en ervig in het fransch te denken en franschverwig dietsch te schrijven, zoo en ware er geen groot gevaar van onzen schrijftrant lam en slepende te maken, met al te dikwijls, klaarheidshalve, zijn zelven of zijn eigen te moeten doen wederkeeren.
3o Bleeve er desniettegenstaande nog somwijlen gevaar voor lam- en stramheid over, zoo gelieve men in acht te nemen dat iemand die zijne tale meester is en de noodige veerdigheid to schrijven verworven heeft, zijne wendingen natuurlijker wijze zoodanig veranderen en doen afwisselen zal dat alle lam- en slependheid verdwijne. Zoo ook moet hij wendingen als ‘Karel gaf zijnen broeder zijn geld’ enz. veranderen, is 't zake dat men uit den samenhang der rede niet heel klaar vatten en kan of zijn op Karel slaat ofte wel op zijnen broeder.
4o Het is geweten dat de Engelschen zeggen en schrijven ‘He washes himself, she washes herself’ enz. = hij wascht hem, zij wascht heur of heur zelven; noch en hebben zij zelfs in hunne tale dat hoogduitsch woord zich overgenomen. Nogtans en hebbe ik nooit ondervonden of hooren zeggen dat hun schrijf trant daarom lam en slepende is. En wie heeft er nog zulkdanige gebrekkigheid verweten aan Heer ende Meester G. Gezelle en andere West-Vlaamsche schrijvers, die sedert lange jaren reeds geen zich en plegen te berde te brengen?
5o De meeste moeilijkheid komt men misschien tegen in zinsneden waar het onbepaalde men onderwerp is. Hoe schrijft gij b.v. zonder zich, den volgenden en menige andere zinnen: In zulk weder kan men zich moeilijk verwarmen?
In West-Vl. heeft de volkstale een eigen pers. voornaamw. voor het onbepaalde men, met wederkeerige, terugwerkende beteekenisse, te weten eens. (Z. De Bo, Idioticon, bldz. 293.)
Hier dan zou een West-Vlaming zeggen: ‘In zulk weder kan men eens moeilijk verwarmen’.
Tot hoeverre dat woordeken eens, alzoo gebezigd, in andere streken bekend is, en hoelange het al in de tale zit en wete ik niet. De Bo zegt nopens die zake alleenlijk het volgende: ‘In denzelfden zin als ons eens gebruiken de Engelschen one's, en de Zweden ens. Z. Delfortrie, Analogies, bldz. 108 in de nota’. En daarom, voor dat ik over dat woord nader bescheed hebbe, en zou ik eens niet bezigen, 't en zij als ik voor West-Vlamingen aleene schrijve.
Maar, zelfs zonder dat woordeken eens, is er gemakkelijk middel om de voorschrevene zinsnede in oprecht dietsch te zetten. Ge 'n hebt maar te peizen hoe het volk dat zeggen zou. B.v. ‘In
zulk weder kan een mensch hem moeilijk verwarmen’, ‘kunnen de menschen hen moeilijk verwarmen’. ‘Het is moeilijk voor nen mensch, voor iemand, hem in zulk weder te verwarmen’, ‘in zulk weder kunt ge u moeilijk verwarmen’ enz. enz.
6o Late nog varen dat zich bezigen voor mannelijk, vrouwelijk, enkelv. en meerv., veel eentooniger en vervelender is en er de tale veel armer doet uitzien als het bont afwisselende hem, heur of haar, hen, hun, zijn, zijn zelven, hun eigen zelven.
De man vermoeit zich.
De vrouw vermoeit zich.
De menschen vermoeien zich.
Zij hebben het zich toegepast.
Hoeveel meer verscheidenheid en zit er niet in:
De man vermoeit hem.
De vrouw vermoeit heur.
De menschen vermoeien hen.
Zij hebben het hun zelven toegepast.
7o Ten slotte weze hier nog bijgevoegd dat het verbannen van zich de beste, ja zal zeggen de eenige middel is om dat taalschendend indringen der fransche en hoogduitsche wederkeerige werkwoorden voor goed tegen te gaan en te beletten.
Het is immers al lange geleden dat vader David zaliger in zijne aanteekeningen op v. 188 van den IIen zang van Bilderdijks Ziekte der Geleerden schreef.
‘Put zich uit zegt het zelfde als wordt uitgeput, en staet gelyk met de “Vox media” der grieksche werkwoorden; doch voor den vorm is 't een gallicismus by onze schryvers dikwijls misbruikt, dewyl de fransche verbes réfléchis in het nederduitsch meestal door lydende werkwoorden te vervangen zyn en moeten worden. Men zegge: “Alles verslyt door het gebruik” en niet: “verslyt zich”: - “Onze tuinen scheiden daer af” en niet “scheiden zich”: - “dit woord wordt gebruikt in zulken zin” en niet “gebruikt zich” enz.’
Daarvan sprak hij reeds in 1849 te Gent in den eersten Taallanddag; daarover schreef hij in zijne Taal- en Letterkundige aanmerkingen bladz. 110, 10e aanmerkinge; daarvan staat er nog op menig andere plaatse zijner aanteekeningen op Bilderdijks Ziekte der Geleerden vermaand.
En wat heeft dat alles gebaat? Bitter weinig, eilaas!
De moeilijkheid zelve die men in het schrijven en bijzonderlijk in het vertalen zou tegenkomen om zijn gedacht klaar en duidelijk, zonder zich, ten papiere te zetten, dede den Vlaamschen schrijver min en min in het fransch denken; de noodzakelijkheid van dikwijls zijne wendinge te veranderen dede hem natuurlijker wijze menigmaal bij zijn zelven peizen: ‘Hoe zou het Vlaamschsprekende volk dat zeggen?’, en van dan voort zou hij beginnen
te verstaan wat dietsch schrijven en wat verdietschen is. - Nu, integendeel, verleid en meêgesleept door dat kort, gemakkelijk en overal passend woordeken zich, vertalen de Vlaamsche dagbladschrijvers en anderen de woorden en niet het gedacht van de fransche en duitsche wederkeerige werkw.; en komen zij zinsneden tegen als: Cela se comprend; à la fin l'orateur s'est résumé; on doit se donner beaucoup de peine enz. daarmede en zijn zij geenszins verlegen, maar schrijven heel ernstig en in goed Nederlandsch, dunkt het hun: Dat verstaat zich!! Op het einde vatte de redenaar zich te zamen!! Men moet zich veel moeite geven!! en andere schoone dingen. En doordien dat zich, een vreemd woord, in de volkstale onbekend is en alzoo aan de wendinge waarin het voorkomt een vreemd uitzicht en wezen geeft, zoo leeren zij allengskens, zelfs in het dietsch, vreemde tale schrijven en nooit de volkstale te rade gaan; en ja in zinsneden als deze die wij zooeven aanhaalden, en voelen zij welhaast niet meer dat het onhebbelijk wandietsch is. Waarlijk, moet het alzoo voort gaan, zoo zullen wij tusschen hier en korten tijd in boeken, dagbladeren en openbare vergaderingen spreuken als zich wandelen te zien en te hoeren krijgen. God betere 't!
Nog een woord. In de eerste reken van zijnen opstel ‘over zich enz.’ drukt eerw. heer Joos eene aanmerking over uit de Nederl. Spraakl. van Van Beers luidende als volgt: ‘Men neme wel in acht dat men zich niet met elkander en malkander verwarre. Deze laatste worden gebruikt waar verschillende personen zich onderling tot voorwerp hunner handeling maken, b.v. wij beminnen elkander, niet: wij beminnen ons, hetwelk niet kan gezegd worden dan van eene handeling die op het onderwerp terugwerkt.’
Ik ben leelik mis of Heer Van Beers gebruikt het woord zich in stede van elkander, binst dat hij bezig is met zeggen dat men zich met elkander niet verwarren en mag. En inderdaad maken die ‘persoonen zich (d.i. hun eigen zelven) het voorwerp hunner eigene handelinge,’ in zinsneden als ‘zij beminnen elkander’? Hoegenaamd niet, maar elk maakt de anderen het ‘voorwerp’ van zijn beminnen. En daarom moest hij, volgens zijnen eigenen regel, die heel goed is ten andere, zeggen ‘waar verschillende personen elkander (onderling)’, of beter, om een ander woord te bezigen, ‘de een den andere het voorwerp hunner handeling maken.’
Dit zij hier gezeid zonder erge, en aleenelijk om te toogen hoe verleidend en bedriegelijk dat woordeken zich is, zelfs voor schrijvers die op hunne hoede zijn.
Wij en meenen dan tot nu toe niet te moeten herroepen hetgene wij den 11sten in Lentemaand 1886, vóór dat Eerw. Heer Joos zijn schoone opstel verscheen, schreeven in Rond den Heerd, bldz. 124 en 125:
‘Het wederkeerige zich en bestaat in de volkstale niet. Dat is waar voor geheel Belgenland, en ook voor geheel- of omtrent geheel Noordnederland, meene ik; immers als men weet dat die zich, uit de tale van Luther ievers in de 16e eeuwe van eenige schrijvers in het nederduitsch ingevoerd wierd; waarom zulks noodig was en hebbe ik nooit kunnen achterhalen: ook zeggen de Engelschen al wat zij te zeggen hebben zonder dien overgewaaiden zich.’
Ik ben overtuigd dat eerw. heer Am. Joos, die reeds zoo vele gewrocht heeft om de gegronde rechten der gelouterde volkstale te doen gelden tegenover overeenkomste en willekeurigheid, ook hierin, na nauwkeuriger onderzoek, van ons gedacht zal worden, indien hij het alreeds in 't herte niet en is.
Uit Brugge.
J. Craeynest
Leeraar in St Lodewijks.