Het Belfort. Jaargang 8


auteur: [tijdschrift] Belfort, Het


bron: Het Belfort. Jaargang 8. Drukkerij A. Siffer, Gent 1893


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 7]

Nederlandsche dialecten.

Die niederländischen Volksmundarten, nach den Aufzeichnungen der Niederländer, von HERMANN JELLINGHAUS; Norden, 1892, 4 Mk., uitgegeven vanwege het Verein für niederdeutsche Sprachforschung.

WIE over dit werk een billijk oordeel zoekt te vellen, mag den bijtitel uit het oog niet verliezen. Het steunt immers niet op eigen waarneming, maar op de aanteekeningen en de gevolgtrekkingen van verschillende Nederlandsche schrijvers, die te voren, volgens velerhande, en ook wel zonder stelsels, tot de meest uiteenloopénde uitkomsten geraakt zijn. Komt men dus hier en daar op eene verkeerde inlichting en eene dito gevolgtrekking uit, dan kalke men dit den heer Jellinghaus alleen niet aan, die, wat zijn eigen arbeid betreft, voldoende bewijs van nauwgezetheid geeft. Hijzelf wapent zich overigens, in de voorrede van zijn boek, tegen zulke onbillijke toekenningen.

Als voorarbeid nu, is Die niederländischen Volksmundarten ontegenzeggelijk van belang; en de schrijver mag dan ook aanspraak op onze erkentelijkheid maken, in zooverre hij, grosso modo, de uitkomsten geleverd heeft van hetgeen tot heden toe over onze tongvallen wijd en zijd te lezen staat.

Enkele aanmerkingen willen wij hier neerschrijven en aan de welwillende aandacht van den H. Jel-

[p. 8]

linghaus bevelen, met het oog op eene herziene en bijgewerkte uitgave van zijn boek. Opzettelijk beperken wij onze notas tot het Westvlaamsch taaleigen, vooreerst dewijl het ons aangeboren en best bekend is, en ten tweede omdat andere navorschers uit de Nederlanden, hopen wij, ook het hunne zullen bijbrengen tot volmaking van het hier besproken gewrocht.

Blz. 12. Niet geheel juist is het, te zeggen, dat Dietsch de oude benaming der Brabantsch-Limburgsche spraak was, en dat de taal der Vlamingen altijd Vlaamsch geheeten heeft. Schrijver moet het hedendaagsch gebruik bedoeld hebben.

Blz. 14. De uitgang -lik, in stede van den geijkten vorm -lijk, treft men in het Zeeuwsch-Vlaamsch alleen niet aan, maar nagenoeg overal in Nederland, waar de boeketaal de spraak van den gemeenen man niet meester geworden is. Zelfde bemerking wegens dien vorm in het Westvlaamsch (blz. 44). Het ontbreken van zich bij de Zeeuwsche Vlamingen is mede niet als een kenmerk, den Zeeuwen eigen, aan te stippen.

Blz. 21. VIII. Of soei, sei, seide (hgd. sieh!) ‘Reste einer alteren Aussprache des Germanischen io ist?’ Het antwoord moet ontkennend zijn. Vgl. De Bo, 1019. Het is alleen sei, dè!...

Blz. 28. VIII. Dat er een overblijfsel van eenen ouderen o-klank zou verscholen zijn in aroet! (hgd. fort!), uit Somerghem (dat in Oost-Vlaanderen ligt) kunnen wij niet aannemen. Hier is enkel eene verbastering van het Fransche en route! voorhanden. Ten hoogste kan men aan 't Platduitsche herut! denken.

Blz. 34. Got. au, voor lip- en keelklanken, is niet in eene landstreek bij Brugge, wel in eene wijk dier stad zelve, als au (liever als auw) te hooren, ook voor tandletters. Aldus: drauge, gelauve, braut, graut, (ndl. droog, geloof, brood, groot). Het te dezer plaatse aangestipte oe-, dat alleenlijk voor tandletters zou voorkomen, behoort tot een ander Brugsch onderdialect, waarin het nooit met au afwisselen kan.

[p. 9]

Ziehier, ten andere, een tabelletje, dat de zaak verduidelijken zal:

Dialect met oe (eigl. ŏĕ + ə). Dialect met au (liever auw) Nederlandsch, met oo.
groet grauwt groot.
doet dauwt dood.
noet nauwt nood.
boert bauwrt boord.
broet brauwt brood.

Blz. 44. Zeggen, dat het klankteeken ij in Westvlaamsche schriften thans niet gebruikelijk is, moet vast tot begripsverwarring leiden. Als de dialectspraak verbeeld moet worden, kan er vanzelf geen spraak van ij wezen; het omgekeerde is waar, telkens het letterkundige schriften geldt, in welke de voorstanders der Westvlaamsche school trouwe volgelingen der algemeene Nederlandsche spelling blijven.

Blz. 44. In zwuygen en bluyven, van rond Belle [Bailleul] en Millare [Millam?]. is geen ‘Vorschlag der ü’ te bespeuren, wijl uy hier alleenlijk een verouderd spellingstelsel voor ù (hgd. ü) vertegenwoordigt. De ü voor wvl. î en holl. ij, komt door geheel West-Vlaanderen in gelijke omstandigheden tot haar recht.

Blz. 48 en 52. Te dier plaatsen heerscht eene schier onoverkombare verwarring tusschen ao, ae en oa..., Dat moet omgewerkt.

Blz. 57. Hier valt aan te merken, dat de umlaut van germ. au (= oo), namelijk van ndl. oo tot eu, als van boos en hooren tot beus en heuren, buiten het gebied van het Westvlaamsch plaats grijpt.

Blz. 60. In tegenstrijd met de meening van Jellinghaus, als zou er in 't Westvlaamsch geen umlaut van a in gesloten lettergrepen voorhanden zijn, moeten wij aanteekenen, dat, in de streek tusschen Thielt en Rousselare, de ă, schoon uitsluitend in diminutieven, overloopt in hgd. ä. Zoo hoort men: kat = kätje; vat = vätje; blad = blädje; lat = lätje; rat

[p. 10]

= rätje en andere meer; ja zelfs strekt die verschuiving zich tot de ‘halflange’ a uit, in woorden als: plate = plätje; mate = mätje; zate = zätje en een klein getal andere. Dit verschijnsel is hetzelfde als dit uit de Saksische tongvallen van Twente, de Graafschap Zutfen, de Veluwe, Gelderland, enz.

Blz. 62. De Hollandsche, zoogenaamde ‘onvolkomene U’ is in Zuid-Nederland geenszins algemeen door hgd. ü te verbeelden, maar wel door dezelfde holl. onvolkomene u van hut, put, brullen zelven, die overeenstemt met den korten ö-klank van hgd. Börse, enz. De Wvl. u van buter (1. butter), schutel (1. schuttel), rutelen (1. ruttelen), nutje, is alweder geene andere dan de hgd. ö. - De ö-klanken uit het Westvlaamsch worden, op blz. 63, ook zeer verwardelijk voorgesteld.

Blz. 74. Arreg (= hgd. arg)? Toch niet; men heeft hier ar + -ig, in den zin van scherp, bitter, sprekende van den wind. Arrig klimt, met die beteekenis, tot het Oud-Saksisch op en heeft niets gemeens met erg, arg. De svarabhakti-vokaal is dus niet aanwezig in het arreg, dat De Bo opgeeft.

Blz. 81. Aldaar is de twijfel des Schrijvers, op het stuk van oudere en nieuwere orthographie, weêr schuld, dat er schijnt een onderscheid gemaakt te worden tusschen den klank uu in uze (onze) en dien van ui in uize (idem).

Blz. 101. Men zou zich vergissen met te denken, dat de sk aan Brugge eigen is; zij is er slechts sporadisch meer na te wijzen. Te Rousselare en in de omstreek is de sk schier nog regel, zoowel als te Loo en op nog andere plaatsen.

Blz. 115. Dat julen voor huilen Brugsch is, zal er bij geenen Bruggeling door kunnen, zoomin als dat je voor den derden persoon enkelvoud moet genomen worden. Beide opgaven zijn foutief door onvolledigheid. Denkelijk is de eerste dier misgrepen voortgekomen uit een kwalijk verstand der zaak. Er is namelijk te wijzen op het onderblijven der aspiratie, waardoor in prepositionale infinitieven eene j tusschen

[p. 11]

te en den aanvankelijken klinker van een werkwoord opdaagt. Zoo hoort men lezen: té-j-'ulen, té-j-anverden, té-j-erkennen; té-j-onderzoeken; doch spreken: t'ulen, t'anverden, t'erkennen, enz.

Aangaande je (nl. hij) weze hier aangestipt, dat te Brugge het pers. voornw. hij al zeer verschillende gedaanten krijgt, naar gelang van zijne plaats in den volzin. Met nadruk uitgeproken, of als initiaal woord van eenen zin, komt hij telkens als î voor; elders, als in ontkenningen, wordt het metterdaad het door Jellinghaus opgenomen je; terwijl dáar, waar alle nadruk ontbreekt, en hij tevens het aanvangswoord is, eene soort van halfklank te vernemen is, die best door hj kan verbeeld worden.

Blz. 120. In uitdrukkingen als: ‘den dokter het ezegd; den hond is kwaad, enz.’ is metterdaad geen ‘wunderlichen Accusativ,’ zooals dat geheeten wordt, te bespeuren. Het is een eenvoudig euphonisch verschijnsel, waarover echter meer te zeggen valt, dan hier, in eene beknopte en gedeeltelijke recensie, doenlijk is.

Vele dier aangehaalde misslagen konden vermeden worden, door de toepassing van een methodisch stelsel van klankverbeelding. Die grondslag ware voldoende geweest om het werk van Jellinghaus eene hoogere waarde niet alleen, maar tevens eene vertrouwbaarheid te schenken, die het vooralsnog missen moet.

 

Brugge.

K. de Flou.



illustratie