Het Belfort. Jaargang 14


auteur: [tijdschrift] Belfort, Het


bron: Het Belfort. Jaargang 14. Drukkerij A. Siffer, Gent 1899


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 203]

Boekennieuws en Kronijk.

Le Béguinage de Ste-Elisabeth à Mont-Saint-Amand. - Histoire de la destruction du Grand-Beguinage de Gand et de sa translation à Mont-Saint-Amand, par Jules Lammens, sénateur.

Het bovenstaande is de titel van een prachtig boekdeel van 116 bladz. in-8o, versierd niet zeven platen, verschenen bij A. Siffer.

Het aloud Begijnhof van Ste-Elisabeth, dat te Gent sedert zes eeuwen bestond, werd in 1874 uit onze stad verjaagd en naar de aanpalende gemeente St-Amandsberg overgebracht. Dat is thans 25 jaren geleden en 't is te dezer gelegenheid dat de heer Lammens de pen heeft opgevat, om de geschiedenis te schrijven van het Groot-Begijnhof te Gent en het verhaal op te frisschen van zijne vernietiging en zijne overbrenging naar St-Amandsberg. Hij beschrijft de wederwaardigheden van het begijnhof de eeuwen door, de diensten door de vrome bewoners aan Gent bewezen, de officieele plagerijen van de Godshuizen, de onderhandelingen voor de nieuwe stichting, het plechtig verhuizen der begijnen in rijtuigen door de groote familien te hunner beschikking gesteld, de plechtigheid der inwijding met de spreuken, de jaarschriften, de rijmkens welke op de huizen te lezen stonden, enz. enz.

Deze overbrenging werd, zooals men weet, mogelijk gemaakt door het optreden van eenen machtigen beschermer, Z.D.H. hertog Engelbert van Arenberg, die reeds eigenaar was van het Klein Begijnhof, en tot de stichting van het nieuw beluik op St-Amandsberg werd bewogen door de tusschenkomst van wijlen den zeer eerw. heer kanunnik Ost.

‘Vijf en twintig jaren zijn sedert verloopen, zegt de achtbare schrijver, en het eerste jubelfeest dezer nieuwe stichting wordt thans gevierd. Wij hebben gemeend dat deze datum eene gepaste gelegenheid was om de herinnering te vernieuwea aan de feiten, welke eene belangrijke bladzijde beslaan in de godsdienstige jaarboeken der stad Gent.

De geschiedenis welke de heer Laminens den katholieken lezer aanbiedt is grootendeels getrokken uit de dagbladen van dien tijd, en inzonderheid uit den Bien Public, die de gebeurtenissen van nabij heeft gevolgd. Zij geeft eene getrouwe en volledige schets van al de feiten welke de verdwijning van het Begijnhof uit onze stad en zijne verplaatsing naar St-Amandsberg hebben voorafgegaan en vergezeld.

De Gentsche katholieken, bij wie de genegenheid voor het Begijnhof levendig is gebleven, zullen niet groote belangstelling het werk van den heer Lammens lezen en het, als eene kostbare gedenkenis, in hunne familien bewaren. De geschiedschrijvers, van hunnen kant, zullen er eene kostbare bijdrage in vinden tot de oude en de hedendaagsche geschiedenis onzer stad.

[p. 204]

Men weet het, begijnhoven zijn eigenaardige vruchten van den Vlaamschen bodem, omwalde en ommuurde stedekens in grootere steden. Dat van Gent in 1234 gesticht door onze gravinnen Joanna en Margaretha van Constantinopel is het grootste, het belangrijkste en het oudste. Het bevatte twee kerken, een hospitaal, 18 conventen, 103 huizen, eene weide, en verdere afhankelijkheden. Nu nog telt het een 800 inwoonsters.

Beschermd door de gilde der vleeschhouwers ontsnapte het in de 16de eeuw aan de vernielingswoede van de beeldstormers, de Fransche Omwenteling liet het ongedeerd, het magistraat van Gent bekwam in 1824 zijne behoudenis van den Hollander, de Geuzen der 19de eeuw moesten komen om het te slechten tot groot nadeel der nering en tot schade van kunst en oudheidkunde.

In dit verhaal komen de namen voor van al de weldoeners en van die welke medegeholpen hebben in het werk der stichting en verplaatsing naar St-Amandsberg, de plaats geheiligd door den eersten apostel van Vlaanderen, den stichter mag men zeggen van Gent, want de stad ontwikkelde zich eerst rond de abdij van St-Baafs door den H. Amandus in de 7de eeuw, aan den samenvloed van Ler en Schelde opgericht.

Eene plaat geeft het plan weer van het sticht in de 13de eeuw, eene andere dat van heden met zijne pleinen, straten en gebouwen, en eene derde vertoont het huis der Groot Juffrouw met de bestuurlijke afhankelijkheden welke er aan behooren. Het boek is verder nog opgeluisterd met de portretten van Baron Bethune, den bouwmeester der kerk; van Arthur Verhaegen, den schepper van de nieuwe begijnenstad; van den hertog van Arenberg en van den kanunnik Ost, de werktuigen der Voorzienigheid in het behouden van deze heilige, kunstrijke, rustige en vermaarde oasis.

 

Bijdragen en mededeelingen van het historisch genootschap gevestigd te Utrecht. 20e Deel. Amsterdam, Johannes Muller, 1899, lxii en 242 blz. gr. 8o.

De firma Johannes Muller is in Belgie bijzonder vertegenwoordigd door den Nederlandschen boekhandel (Smeding, St-Jacobsmarkt) te Antwerpen.

Dit nieuw boekdeel is vergezeld van eene lijst der uitgaven van genoemd genootschap (1845-1898). Deze lijst is ook afzonderlijk verkrijgbaar bij bovengenoemde firma.

De inhoud van het boekdeel ‘Bijdragen’ is de volgende.

Na een uitvoerig verslag, waaruit de onafgebroken werkzaamheid van het bestuur spreekt, volgt eene studie, getiteld:

1.- Henric van Arnhem's kronijk van het fraterhuis te Gouda, door Dr A.H.L. Hensen.
2.- Stukken aangaande de zending van Dr Godert Pannekoeck naar Duitschland in 1558, door Dr J.S. van Veen.
3.- Aanteekeningen betreffende de vergaderingen van vaderlandsche regenten te Amsterdam (1783-1787) medegedeeld door Dr H.T. Colenbrander.
4.- Monsignore Garampi in Holland im Jahre 1754. Mitteilung van Fr. von Weech.
5.- Brief van W. Heertman over de gevangenschap van Baron von Gortz te Arnhem, medegedeeld door Mr. W.H. De Beaufort.

Wij leeren in no 1 een aantal huiselijke bijzonderheden uit het leven der ‘broeders’ kennen. Deze kronijk schijnt voor de openbaar-

[p. 205]

heid niet bestemd te zijn geweest, daarom heeft zij ook slechts lokale, doch als zoodanig wezenlijke waarde voor de geschiedenis der Fratres communis Vitae, waarin de gansche broederschap zich oploste.

2. De zending van Pannekoeck, in 1558, geschiedde door Philips II, om de duitsche vorsten tegen het hernieuwen van den oorlog te waarschuwen. P. staat bekend voor zijn ijver tegen de hervorming in Gelderland. Hij deed het rapport zijner zending aan Emanuel Philibert van Savoye, den nederlandschen voogd. Wij vinden hier De Instructie, bestemd voor den hertog van Brunswijk, in hoogduitsche taal; id. voor den hertog Aug. van Saksen en de markgraven Joachim en Johann Georg van Brandenburg, benevens een brief van den koning aan Johann Georg, een aan diens vader Joachim, en eenen aan Aug. van Saksen, allen in de hoogduitsche taal; terwijl Pannekoecks' ‘Rapport’ in 't fransch is opgesteld.

3. Deze aanteekeningen waren tot heden alleen in uittreksel bekend, de uitgever is van meening dat er voor het doel en de werking der vergadering hier wernig bijzonderheden voorkomen. Faute de mieux geeft hij ze on 't licht. Ondertusschen heeft de heer Colenbrander belangrijke opmerkingen daaraan laten voorafgaan.

4. Garampi was de reisgezel van den nuntius voor Zwitserland (later kardinaal Oddi). Hij was gezonden bij de kroning van aartshertog Joseph tot Roomsch-koning en om den strijd bij te leggen tusschen het domkapittel van Spiers en den deken graaf August van Styrum. Garampi deed reeds in 1761-63 eene reis naar Duitschland en Nederland. Het hs. zijner tweede reis van 1764 heeft de uitgever in 1896 te Rome afgeschreven. Hier wordt deze 2e reis naar de Nederlanden uitgegeven. Eene nederlandsche vertaling is aan het italiaansch toegevoegd.

Een aantal bijzonderheden en beschrijvingen, belangrijk voor de zedegeschiedenis, komen hier voor; o.a. ook hoe de rijke koopman Osy geadeld wordt voor zijne diensten aan Maria Theresia bewezen; verder worden de steden, met hare bevolking, den toestand van kerken en godsdienst, enz. op aardige wijze beschreven.

5. Deze brief is van 1717 geschreven voor den gevangene von Gortz aan den kamerdienaar van koning Georg I en bestemd om door den koning gelezen te worden Daarom is wel het oordeel over von Gortz zoo streng. Vroeger is de briefwisseling uitgegeven, welke von Gortz in 't geheim uit zijne gevangenis met den Zweedschen gezant te 's Gravenhage voerde.

 

Les Brigands à Termonde (Dendermonde, De Schepper, 1899), door J Broeckaert, is een naklank van de Boerenkrijg-literatuur door het eeuwfeest in 1898 verwekt. Dat de ‘Brigands’, ofschoon met de beste en loffelijkste inzichten bezield, zich al eens wat heftig, ja baldadig gedroegen, lijdt geenen twijfel, maar verzachtende omstandigheden van gewichtigen aard kunnen te hunnen voordeele ingeroepen worden. Te Dendermonde en in den omtrek waren de Brigands te been sedert den 20 October 1798; de stad viel in hunne handen; edoch, 's Donderdags nadien bemachtigden haar de Republiekeinen terug; dezen deden door de gemeenten waaruit de Brigands afkomstig waren, de schade vergoeden aan franschgezinde ingezetenen van Dendermonde veroorzaakt. (19 bladz.)

C.

 

De familie Loret (ibid.) is, van denzelfden schrijver, eene monographie van 19 bladz. die met belangstelling uit eenen adem gelezen

[p. 206]

wordt. Herkomstig uit Halen in Limburg, heeft de familie Loret, te Dendermonde gevestigd, sedert twee volle eeuwen, gedurig aan, begaafde mannen voortgebracht, meestal in de muziekkunst, bepaaldelijk in het klokkenspel, en in het orgelmaken, naar de getuigenis van Fétis. De orgels van Loret zijn de wereld door bekend. Van 1725 tot den huidigen dag is het ambt van beiaardier te Dendermonde, onafgebroken, waargenomen door de Loret's.

A.

 

De Geesel der Eeuw en het beste Verweermiddel, door Dr Ariëns, R.K. pr. Sittard, Claessens, 16 bladz. 5 cents. Heilzaam mag de strijd geheeten om de steeds toenemende alcoholplaag te keer te gaan: taal en pen, invloed, genootschappen, 't dient al aangewend om de kwaal af te strijden. Hier met het wetgevend gezag der Storthing, daar met het redenaars-vermogen van Dr Schaepman, elders met de voortzetting der taak van pater Matthew, soms met het - onesthetisch, doch meermaals doelmatig - op het tooneel voorstellen van dronken Iloten, kan men allengskens die pieuvre doen wijken, en eenmaal misschien op den kop treffen. In besproken brochure worden voor het volk de aard, de gevolgen, de bondgenooten van het alcoholism kenbaar gemaakt, en matigheids- of onthoudersgenootschappen, mitsgaders de medewerking van de vrouw en het kind, als verweermiddelen aangegeven, in kloeke en afdoende gezegden.

E.

 

Vervloekte Drank, anti-alcoholisch drama voor kinderen in een bedrijf door M. Brants, leeraar in 't Atheneum van Doornik, 1899 (ook in 't fransch), beoogt door ongelijke middelen hetzelfde doel als Dr Ariëns. Hier worden de zeer droeve en noodlottige gevolgen van het alcohol in het werkmanshuisgezin, vooral ten nadeele der kinderen, onder de oogen en tastbaar afgebeeld. Treffend is de voorstelling, maar pijnlijk is het voorgestelde, bijzonderlijk de rol der kleine knaapjes: een droeve ‘fait divers’ gedramatiseerd.

Y.

 

Kerstvertelling uit het hedendaagsche fabriekleven, door A.J.M. Janssens (Gent, diukk. ‘het Volk’, 1898, 16 bladz.). Dat ik nu eerst die Kerstvertelling las, daaraan heb ik schuld; schuldiger nog ware het dezelve zonder aanbeveling ter zijde te leggen. Maar goede waar hoeft geen lof; en de dichter van Rozekens' eerste communie kan allerdegelijkste waar leveren aan het volk. In den eenvoudigen trant van het volksverhaal, godsdienstige en maatschappelijke grondbeginsels inkleeden, en zoo te gelijkertijd op den geest en op het hart werken, weinigen kunnen dat als de heer Janssens. Zulke verhalen heet ik, in den tweevoudigen zin des woords: goede werken.

E.

 

Vriend of Vijand. (Gent, Siffer 1899, 15 bladz. overgedrukt uit ‘De taalstrijd hier en elders’). Onder dien titel geeft D. Claes, lid der Kon. Vl. Academie, een critisch overzicht van Hglr Kurths laatste werk: ‘De l'emploi officiel des langues dans les anciens Pays-Bas’. Tegen den gevierden schrijver welke zich beijvert om uit oorkonden te bewijzen: 1o dat oudtijds de taal in de geschillen der volkeren volstrekt niets te maken had; 2o dat eerst het Latijn, daarna het Fransch, ook in onze streken, de bestuurlijke taal was; 3o dat, toen later het Dietsch eene plaats in het bestuur kreeg, het Fransch

[p. 207]

desalniettemin den boventoon kraaide, brengt de heer Claes gegronde bedenkingen in, en feiten aan de vaderlandsche geschiedenis, bijzonderlijk uit het Burgondische tijdvak, ontleend. Hij betreurt vooral de verkeerde afleidingen die Hglr. Kurth uit zijne nasporingen trekt: ‘en pays flamand la civilisation doit rester bilingue sous peine de déchoir de son rang historique’.

X.

 

Essais poétiques par Marie-Jeanne (Gent, Siffer 1899). Uitboezemingen eener innig godvruchtige ziel - eener kloosterliege, naar mijne bescheiden meening - vol leven en frissche kleuren. Deze bevallige Essais poétiques zijn dienstig om als geschenk of prijsboek aan jongelingen, liefst aan juffrouwen, in hand gegeven te worden. Van verscheiden levenstijd en aard zijn die Essais: oden, treurdichten, cantaten, ja dramatische tooneelen wisselen met allerhande gedichtjes af. Het openingstuk: Glotre au Très-Haut is een verdienstelijk gedicht van hooge vlucht, dat, op gebied van taal en van poëzie, aanleg en kunde bij de schrijfster betuigt. Une Aventure de Christophe Colomb en Un double martyre verdienen eene eervolle melding. Behoort Dans le secret du sanctuaire niet tot de beste stukken? Komen er in Immortelles op pater Van Tricht, geene zwakkere deelen voor? Ik beken dat ik verrast geweest ben hier eenige gedichten van Van Oosterwijk-Bruin, in een onaardig Fransch kleedje gestoken, aangetroffen te hebben. De schrijfster zal mij niet wraken zoo ik liever A mes Amis van Gaston della Faille lees dan hare Essais; maar toch was haar boek, ondanks zijn al te weinig aristocratisch voorkomen, mij welkom.

(Dietsche War.)

C.J.A.M.

 

Moedertaal. - De Koninklijke Vlaamsche Academie heeft thans uitgegeven de twee in 1898 bekroonde werken tot antwoord op de vraag: Waarom de opvoedingsleer, de belangen des vaderlands en der maatschappij vergen dat het onderwijs in de moedertaal aan het kind gegeven worde. De heeren A. en Th. Van Heuverswyn (Eene Vreemde Spraak als voertaal van 't Onderwijs. Gent, 1899, 180 bl. Prijs fr. 2,00) stellen vooreerst het verschil vast tusschen geleerdheid en opvoeding; de Schrijvers bewijzen den invloed, die de voertaal van het onderwijs uitoefent op de natuurlijke, verstandelijke en zedelijke opvoeding van het kind. Zij handelen daarna over de vraag met het oog op de vaderlandsliefde en op sociale en geestelijke belangen. Hunne leerstelling kan zich tot de volgende woorden bepalen: aan een kind de onbekende zaken willen leeren bij middel eener taal die het niet of slecht verstaat, is eene opvoedkundige ongerijmdheid; dit stelsel is daarbij strijdig niet de belangen van het land, van den godsdienst en der maatschappij. Het vraagstuk is met gematigde bewoordingen verdedigd en roept te zijner hulp talrijke aanhalingen van opvoedkundigen.

M.H. Temmerman (De Moedertaal, eenig doel- en redematig voertuig der gedachte in opvoeding en onderwijs, Gent, 1898, 57 bl. Prijs fr. 1,25) verdedigt hetzelfde vraagstuk, maar in eenen meer beknopten en meer wijsgeerigen vorm. Er zijn min aanhalingen en meer persoonlijke gedachten. Het eene werk volledigt het ander.

De stelling van beide werken is in zeer gematigde bewoordingen voorgesteld. Het ware misschien niet zonder voordeel die twee zeer nuttige boeken te vertalen en ze in 't Vlaamsch en in 't Fransch te verspreiden: het ware een middel om talrijke vooroordeelen te doen verdwijnen die over dit vraagpunt van een bij uitstekendheid vaderlandsch belang bestaan.

Adolf De Ceuleneer.

[p. 208]

Geschiedenis der Vlaamsche letterkunde, van het jaar 1830 tot heden, door Th. Coopman. werkend lid der Koninklijke Vlaamsche Academie en L. Scharpé, hoogleeraar te Leuven.

Wij ontvangen, ter inzage en aankondiging, de eerste aflevering van dat werk, waarvan de degelijkheid gewaarborgd is door de namen der beide geleerde en gunstig gekende schrijvers.

Deze aflevering is gedrukt op groot formaat en opgeluisterd met de portretten der voornaamste letterkundigen van het eerste tijdvak. Deze zijn: Jan-Frans Willems, Serrure, Blommaert, David, Rens, Vervier, Blieck. Zij bevat ook fac-similes van het schrift van Jan-Frans Willems en van J.-B. David, verscheidene andere platen en op den omslag het hoofd van Hendrik Conscience en daaronder het fac-simile van diens handteeken.

Zonder twijfel zal dit werk welkom zijn bij velen, die, hoorende spreken over onze Vlaamsche letteren en taalbeweging, nadere kennis zullen willen maken met de baanbrekers van den taalkamp en hunne latere volgelingen.

Het werk, waarvan de stoffelijke verzorging niets te wenschen overlaat, zal volledig zijn in 10 tot 12 afleveringen van 10 tot 12 bladzijden. Iedere aflevering bevat 10 platen in den tekst en 2 buitentekstplaten.

De prijs is per inschrijving fr. 1.25 per aflevering.

 

Wetenschappelijk Vlaamsch. Uit de ‘Handelingen’ van het tweede Vlaamsch Natuur- en Geneeskundig Congres in 1898 te Gent gehouden is een overdruk verschenen met bovenstaanden titel. De heer Dr S. Meeus bespreekt er meesterlijk de quaestie van het Vlaamsch als wetenschappelijke taal. Die wetenschappelijke congressen, waarvan dit jaar Antwerpen de zetel is geweest, vullen eene waarlijke leemte aan. Tot hiertoe legden wij ons alleenlijk toe op Vlaamsche letterkunde, en de wetenschap, die meer en meer den voorrang neemt, werdt weinig of niet beoefend.

In de Vlaamsche cultuur, die algemeen moet zijn, moet de wetenschap de letterkunde volledigen en omgekeerd.

Onze taalschat moet verrijkt worden en tred houden in zijne ontwikkeling met de nieuwe uitvindingen en de nieuwe begrippen.

Veel is er gedaan geweest om oude woorden op te delven en niet genoeg om de nieuwe denkbeelden en nieuwe zaken uit te drukken. Dit is de taak der wetenschappelijke congressen en zoo, gaande weg, zullen wij in plaats van eene eenzijdige ontwikkeling te hebben, tot de volheid komen van een cultuurvolk.

 

Geschiedenis der beeldende Kunst 31ste afl. (Gent, Ad. Hoste), Bouwwerken in Belgie en in Nederland, waarin zich Renaissancevormen vertoonen. Platen: gevel van het ‘Tribunaal’ te Mechelen, gevel in de Gildekamerstraat te Antwerpen, de poort van het voormalig Muntgebouw te Dordrecht, het raadhuis te 's Gravenhage, het middendeel van het Raadhuis te Leiden, de Vleeschhal te Haarlem en de Westerkerk te Amsterdam, enz.

 

Celles qui épouseront nos fils, par Paul André. Bruxelles Georges Bolot. Dit is een letterkundige fantaisie waarin den draak gestoken wordt met de verwaandheid der ‘blauwkousen’ en de droomen van gelijkheid der hedendaagsche feministen.

[p. 209]

Geestelijke gezangen. - De heer P. De Keyzer, koster-orgelist te Sint-Laureins, heeft uitgegeven bij den heer Siffer te Gent Eenige Gezangen voor Vespers, Lof en Processie, in cijfermuziek 0,40 Lofzangen en Gebeden, in cijfermuziek 1e deel 0,12 Lofzangen en Gebeden in cijfermuziek, 2e deel 0,12. Lofzangen en Gebeden in cijferinuziek, 3e deel 0,16. Lofzangen en Gebeden, in notenmuziek en met orgelspel, 1e deel 0,50. Lofzangen en Gebeden, 1!, 2e deel 0,50. Lofzangen en Gebeden id, 3e deel 1,00.

Lieve boekjes, wel gedrukt en verzorgd. De vlaamsche verzen zijn eenvoudig en gemoedelijk; gemakkelijk maar zangerig is ook liet muziek. Vele bestierders van congregatien, ik ben er zeker van, zoeken naar eenvoudige maar toch behagelijke geestelijke liederen: beter werk dan De Keyzer's gezangen kunnen wij niet aanbevelen.

 

Schalden. - Laatst gaven wij verslag over het prachtig jaarboek, dat deze kunstmaatschappij laten verschijnen heeft ter gelegenheid van hare tentoonstelling, en wij hadden het genoegen onzen lof over die uitgave met talrijke platen niet te moeten sparen.

Thans is een boekje uitgekomen waarin het oordeel der pers over bedoelde uitgave voorkomt en wij zijn gelukkig te mogen vaststellen dat iedereen het eens is om te zeggen: Proficiat, Schalden, gaat op den ingeslagen weg voort en schenkt ons weldra een nieuw boek, want gelijk de trog smaakt het naar nog.

 

Vlaamsche Academie. - In de zitting van Augustus houdt de heer Prayon eene critische lezing over Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Proeve van taalzuivering, het veel besproken werk door hoogleeraar W. de Vreese in de Academie uitgegeven

In de zitting van September voegt hij een naschrift bij zijne studie, waarop de heer De Vreese antwoordt zich voorbehoudende desnoods er uitvoerig op weer te komen na lezing van het stuk in de Verslagen.

De heer Claes houdt betrekkelijk het werk van den heer Meert ‘Onkruid onder de tarwe, proeve van taalzuivering’ eene pleitrede getiteld: ‘Onkruid van den heer Meert gewikt en gewogen’.

Met een critisch woord wordt door den heer Segeis aangeboden Rekenkunde door den heer Brasseur.

De heer Felix Cogen schenkt aan de Academie het portret van E. Hiel, door hem geschilderd, en de heer Boucquillon het borstbeeld van zijn vader, in leven Vlaamschen dichter.

Het levensbericht van E. Hiel in het Jaarboek zal door den heer Prayon bezorgd worden.

Letterkundige wedstrijden voor 1901. - I. Geschiedenis: Handboek over de Germaansche goden- en heldenleer. Prijs: 500 frank.

II. Vak- en Kunstwoorden: Eene volledige en nauwkeurige beschrijving, met de daarbij behoorende afbeeldingen, van de visscherssloep, zooals die te Blankenberge, te Oostende en op de Panne in gebruik is, of nog onlangs was, ter uitzondering van de nieuwerwetsche door stoom bewogen visschersbooten. De namen zooveel mogelijk ook in het Fransch, Engelsch en Hoogduitsch opgeven. Prijs: 300 frank.

 

Davids-Fonds. - Hoofdbestuur: Zitting van 4 September 1899. - Ten gevolge van het overlijden des heeren van Geel is een nieuw lid bij het Hoofdbestuur voor de provincie Limburg te kiezen. De afdeeling St.-Truiden zal den oproep doen.

De uitgaven voor het jaar 1900 zullen zijn: 1, Jaarboek; 2, Mengelingen; 3, Schetsen en Verhalen, door den heer Pattyn; 4, Liber

[p. 210]

memorialis van het Vlaamsche Volk; 5, Schetsen van den heer R. Vermandere.

Dit jaar zullen nog uitgedeeld worden het vervolg van David's Vaderlandsche Historie en een werk over Congo, door P. de Mey.

Wordt aangekondigd ter beoordeeling: Geschiedenis der Bouwkunst, door den heer Van Houcke.

Door de zorgen van het Bureel zal een brief rondgezonden worden om de Vlaamsche gemeenten aan te manen in hunne betrekkingen met de hoogere besturen de Vlaamsche taal te bezigen. Daarbij zullen de wetten worden herinnerd, die het recht der Vlamingen vaststellen en waar zij, in elke gelegenheid, gebruik van te maken hebben.

Aan het Groeninge-comiteit te Kortrijk wordt voorloopig een hulpgeld toegezegd van 3,000 fr., voor het gedenkteeken, ter herinnering van den Gulden-Sporenslag aldaar op te richten. Nopens den aard van het gedenkteeken is nog niets beslist.

Met genoegen werd door het Hoofdbestuur vernomen dat de afdeeling van Aalst bepaald heringericht is.

 

Het ‘Davids-Fonds’ heeft eene reeks van vier chromogravuren uitgegeven, gebeurtenissen uit den Boerenkrijg verbeeldende:

1o Het begin van den oorlog in October 1798; - 2o eene botsing tusschen de boeren en de Fransche troepen; - 3o de laatste veldslag te Hasselt; - 4o na den veldslag, boeren door de Fransche soldaten krijgsgevangen gemaakt.

Met die platen uit te geven herdenkt het Davids-Fonds op eene aanschouwelijke wijze den heldhaftigen weerstand onzer voorouders tegen den vreemden goddeloozen indringer. Wij spreken er het Davids-Fonds lof en dank over, en uiten nogmaals den wensch de verslagen der feestelijkheden van het honderdjarig jnbelfeest van den Boerenkrijg in een boekdeel vereenigd te zien.

Het Davids-Fonds dat alle jaren aan zijne leden uitmuntende werken bezorgt, zou zich met die nuttige uitgave moeten gelasten: het ware een schoone naklank der feesten die in honderden plaatsen de helden van 1798 verheerlijkt hebben.

 

De afdeeling Zele gaf op 2 Oct. een luisterrijk concert, zang en tooneelopvoering.

 

Willemsmonument. - De onthulling van het Willemsmonument te Gent, is een ware triomf geweest voor de Vlaamsche zaak. Meer dan 300 maatschappijen, uit alle streken van Vlaamsch-België, namen deel aan den stoet, en wellicht zag men nooit zulk indrukwekkende optocht, die aan de luisterrijke ommegangen van onze voorvaderen deed denken, onze straten doortrekken.

De heer Obrie en de burgemeesters van Gent en Antwerpen spreken redevoeringen uit; het St. Baafsplein staat vol met volk, honderden wapperende en kletterende banieren omlijsten de plaats, het gordijn schuift af, en plechtig en aangrijpend oogenblik..... het gedenkteeken verschijnt, de beiaard speelt, Roeland galmt zijne triomfantelijke tonen uit en een ontzettend en machtig hoera stijgt uit duizenden borsten! De geestdrift klimt nog bij het zingen door gansch het publiek van het puike Willemslied van Dr pastoor Claeys en O. Roels.

Het monument bestaat uit een arduinen voetstuk waarop zich een symbolische groep verheft.

Langs voren in het arduin bevindt zich het medaillon van Willems met enkel de woorden: Jan-Frans Willems 1793-1846.

[p. 211]

De twee zijkanten zijn versierd met bas-reliefs. Het eene stelt het Vlaamsche lied voor verheeld door eene moeder die haar kindje wiegt onder het zingen der oude Vlaamschen liederen door Willems verzameld. Het andere geeft Reinaert de Vos te zien in aandenken van de geleerdheid en de opzoekingen waardoor Willems dit meesterlijk middeleeuwsch gedicht aan onze letterkunde weergegeven heeft.

De achterzijde draagt, omlommerd door palmen, de namen der medewerkers van Willems. Blommaert, Conscience, David, Ledeganck, Van Ryswyck, Rens, Van Duyse en Snellaert.

De decoratieve groep verbeeldt het ontwaken van Vlaanderen door eeuwen van vreemde overheersching ingesluimerd

Eene maagd omhangen met den koninklijken mantel, waarop de wapenschilden der Vlaamsche provincien gebeiteld zijn, verbeeldt Vlaanderen. Zij schijnt ingedommeld in de plooien van het Vlaamsche vaandel dat zij in hare handen houdt; de Vlaamsche Genius, onder de gedaante van een forschen jongeling, insgelijks met een breed geplooiden mantel bedekt, heft het vaandel op waarop een heraldische leeuw geteekend staat, en Vlaanderen verrijst schitterend, triomfantelijk en vol leven.

Het gedenkteeken grijpt aan door zijne strenge en sobere lijnen; het beeld van Willems, sprekend van gelijkenis, is meesterlijk; de twee half verheven beeldwerken zijn prachtig. Het geheel is vol leven, vol bezieling en vol harmonij, en doet eer aan den beeldhouwer De Rudder.

Borstbeeld, bas-reliefs en allegorische groep zijn in wit marmer (statuaire.)

 

Vlaamsch leven - De verlofdagen zijn wederom gekenschetst geweest door geestdriftige en welgelukte Vlaamsche feesten en vergaderingen, zooals zijn: de onthulling van het Willemsgedenkteeken, het Nederlandsch Congres te Gent, de studentenzitdag te Mechelen, de landdag van den Landsbond te Kortrijk en het Wetenschappelijk Congres te Antwerpen. Den 1n November houden de Vlaamschgezinde Studenten te Gent een Congres om de inrichting van eene Vlaamsche hoogeschool te bespoedigen. Voorwaar, de Vlaamsche Beweging beweegt zich, zij gaat en bijgevolg zij leeft.

 

Emmanuel Hiel, onze meest begaafde lyrische dichter, lid der K. Vl. Academie, boekbewaarder en secretaris van de Nijverheidsschool te Brussel en leeraar van declamatie bij het Conservatorium der hoofdstad. Hij was geboren in 1834 te St. Gillis bij Dendermonde, en tot den onvermogenden stand behoorende sleet hij zijn eeiste jongelingsjaren in eene fabriek, waaruit hij zich, door kunde, talent en werkzaamheid schitterend verhief.

Hiel was ongemeen vruchtbaar, hetgeen zelfs, in de laatste jaren, eenigszins schaadde aan de verdienstelijkheid zijner gedichten.

Hij schiep de oratorios Lucifer en De Schelde, door Benoit getoonzet en overal met uitbundigen lof uitgevoerd. Hij schreef: Hedwig een lustspel, Isa een drama; hij dichtte Looverkens, Prometheus, Psalmen, Historische gezangen. Monodramen, Symphonien, Liederen, enz., enz. Zijne uitgaven beloopen tot een 70 werken. Hij munt inzonderheid uit als lyrisch dichter.

Zijn grootvader had medegestreden met Rollier, ook heeft hij door menig gedicht den Boerenkrijg verheerlijkt.

Op zijn sterfbed heeft hij het geluk gehad tot het geloof zijner jeugd weder te keeren.

[p. 212]

Op zijn graf spraken Prof. Obrie, Nestor de Tière, P. Wadon, Juliaan De Vriendt, P. Van Langendonck, Karel Bogaerd, Kerstenne, burgemeester Kennis en Frans Reinhard.

Met Hiel verdwijnt een zangerige dichter en een typieke figuur met zijn rossen puntbaard, zijn weelderigen hairbos, zijn kenschetsend gelaat en zijn breedgeranden hoogen hoed in geheel Brussel gekend.

 

Pieter Jacob Cosyn, leeraar aan de hoogeschool van Leiden, een der uitstekendste taalgeleerden van Nederland. Een tijd lang was hij redacteur van het Nederlandsch Woordenboek en tot zijn dood bleef hij er een getrouwe en bevoegde raadgever van. Hij was ook eeielid der Koninklijke Vlaamsche Academie.

Hij werkte mede in Taal- en Letterbode, en in Taalkundige Bijdragen; schreef eene Nederlandsche Spraakkunst, eene Vergelijkende spraakleer der Nederlandsche, Hoogduitsche en Engelsche talen, eene Altwestachsische Grammatik en Oudnederlandsche Psalmen. Hij gaf aanteekeningen uit over Beowulf en eene menigte artikelen over tekstcritiek. Hij was nauwelijks 58 jaar.

 

Raymond Serrure, penningkundige geboren te Gent; hij was zoon van Constant Serrure, insgelijks bevoegde penningkundige en kleinzoon van hoogleeraar Serrure, een der eerste kampers van de Vlaamsche zaak en de stichtei van het Belgisch Museum.

 

A. De Marbaix, hoogleeraar te Leuven, waar hij in de landbouwafdeeling doceerde. Hij schreef opgemerkte studiën in verschillende landbouworganen van België en den vreemde. Zijn leergang over dierenleer is een hoog wetenschappelijk werk.

 

Albrecht van Geel, lid van het Hoofdbestuur van het Davids-Fonds, gemeenteraadslid te Hasselt. Overtuigde Vlaming en letterbeoefenaar niet zonder verdienste, heeft hij vele diensten aan de Vlaamsche zaak bewezen; van de Boerenkrijgfeesten, verleden jaar te Hasselt gehouden, was hij de ziel. De leden van het Davids-Fonds verliezen in hem een minzamen en verdienstelijken collega.

 

Gustaaf Van den Steene, gewezen volksvertegenwoordiger en voorzitter van het Davids-Fonds te Dendermonde. - Jacob Maris en David Bles, Hollandsche kunstschilders. - Theodore Baron, schilder te Namen. - A. De Lancker, pastoor van St. Catharina-Cuerne, schrijver van eene Reis naar het H. Land. - Léon de la Brière, katholieke journalist en schrijver, meermalen door de Academie française bekroond. - Bruno Block, gewezen schoolopziener te Gent en schrijver van tooneelstukken die opgang gemaakt hebben.



illustratie