De Beweging. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] Beweging, De


bron: De Beweging. Jaargang 1. W. Versluys, Amsterdam 1905


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 1]

[Deel 2]

Grenzen van leven
Door
Albert Verwey.

Het leven is er een van uiterlijke voorwerpen en het is moeielijk te zeggen waar het innerlijke leven van die voorwerpen ophoudt en waar het begint. Als ik in mijn kamer zit en zelf leef en met alles wat om mij heen is meeleef, dan leef ik zeker meer dan mijn vulkachel die in dit seizoen - het is begin Juni - zwart en koud staat; - maar - ik leef op het oogenblik ook niet zoo zeer bizonder, en ik vraag me af: of het wel zoo zeker is? -

Mijn kanarievogel leeft ongetwijfeld veel meer dan ik. Hij zingt het hoogste lied uit, eet en drinkt, en pluist zich, en glanst als puur goud in den zonnestraal die opzettelijk lang bij zijn kooi blijft. Bij hem vergeleken ben ik een schaduwzoekend, vegeteerend wezen, dat stil zit en peinst en het met zijn eigen onverteerde gedachten stellen moet. In het graf kan het niet veel anders zijn. - En zie mijn cactus eens: in één week zendt hij drie vuurroode bloemen naar buiten die kant en klaar hun stamper tusschen een geheele schoof van geelmelige draden gestrekt houden, en bevredigd, flap! hun ziedende bladen sluiten over die bevruchting. Dat noem ik leven: in het heden en voor de toekomst. Wat is er in mij dat daartegen op zou bloeien?

Gij antwoordt me dat dit ook op hun wijs levende wezens zijn, en dat er nog wel een onderscheid is tusschen een kanarie en een vulkachel. Dat is ook zoo, maar welke van de werkingen van dit groote heelal dat we meeleven, noemt gij eigenlijk leven? -

[p. 2]

Als ik mijn poes bezie die nu in haar mand een viertal jongen zoogt, dan verbaas ik me het meest erover dat de cirkelsector van 270o dien zij beslaat, door de kleinen zoo juist tot een volledigen cirkel voltooid wordt. Daar is het uiterlijke beeld van de volkomenheid, tegelijk - zonder twijfel - met het innerlijke gevoel ervan.

Een door Floris Verster gevoelig geteekende gemberpot, die mij bekend is, is eigenlijk ook niets anders dan zulk een ademende cirkel, en ik ben zeker dat hij daar ook zijn gevoel van volkomenheid door heeft willen uitspreken, niet anders dan mijn poes het doet.

Wat wilt ge nu: waar is het leven nu hooger? bij de poes of bij den kunstenaar?

Ik geef toe, ook de poes hoort nog tot het zoogenaamd levende. Maar gij die het leven tot longen en spieren, of tenminste tot vezels en vaten beperken wilt, - waarom zoudt ge het van kleuren en schaduwen uitsluiten?

Ik verzeker u: het bad van licht dat de zon, bedekt door een wolk, uitstort achter het schaduwgordijn dat ze met behulp van die wolk geweven heeft, - dat stortbad van licht, waarin ginds in de verte, de visschersvloot van Katwijk schommelt, en zeilt of voor haar ankers rijdt, dat druipende leven dat als een gouden gelukshaven achter onzen noordwijkschen schemer gloort, - het is toch stellig levender, hooger levend, dan gij, dan wij, met onzen half-duisteren geest in ons omvensterd studeervertrek.

En, weet gij, de glimlichtjes op de richeltjes en uitstekjes van mijn duitschen vulkachel gaan naar geen andere wet dan de stralen van dat zonnewak.

Levende vormen? De onze, die van dieren, die van planten; - ja, zoo kunt ge doorgaan, want de lijnen die de golf, die de wind, die het grasje, in het zand ritst, en bootst, sliert of uitholt - ze zijn geen andere dan de onze, - ze volgen dezelfde wetten van beweging, van leven, van schoonheid zelfs.

Och, wat is er eigenlijk in mijn kamer, van wat gij dood noemt, dat niet naar die eigenste onvergankelijke wetten van leven en schoonheid, gegroeid, gevormd, gemaakt, geworden is, - 'tzij met of zonder merkbare meêwerking, in de wrijving van den tijd, door goden- of menschenhand.

[p. 3]

Ziet ge die doode blaren, dien dooden lap, bij dien dooden spiegel daar?

Hoe angstig bruin, hoe schrijnend geel, hoe lijkachtig ontstellend heeft de schemering zich opgericht: hoe klein en schuw maakt ons die spiegeling.

Ik zie dat ik weer een schildering van Verster beschrijf. Wat ik zeggen wou was enkel: wil uw grenzen van leven niet te nauw trekken. Alles leeft, voor wie het ziet, voor wie het voelt.