De Beweging. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] Beweging, De


bron: De Beweging. Jaargang 1. W. Versluys, Amsterdam 1905


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 297]

Isadora Duncan1)
Door
J. Jac. Thomson.

 
Zooals een zonnestraal, verglijdend tusschen
 
Gordijn en muur en dansend op mijn tafel;
 
Zooals een bleek-verwaaide manerafel,
 
Die in m'n bed viel, naast mijn oor, op 't kussen;
 
 
 
Zooals een fluit, diep in het duistre bosch,
 
Die kweelend klaagt in volle, vochte tonen
 
Boven 't geheimvol suizen - want de schoone
 
Wind dringt voorzichtig jonge blaren los:
 
 
 
Zoo teer is uwer voeten dans, het streelen
 
Van uwe leden, die stil heneglijden
 
Voorbij mijn oogen; o nu wordt het blijde,
 
En heel ver en zeer fijn is er een spelen
 
 
 
Op snaren, strak gespannen; ziet gij ook
 
De stilte beven voor uw lichte blikken?
 
Over de wereld gaat een zoet verschrikken
 
Nu zoo de schoonheid wonderbaar ontlook.
[p. 298]
 
Ik weet niet of gij werkelijk daar gaat
 
En ik hier zit en u zie, of is 't maar
 
Een droom en ben ik 't niet, en is uw haar
 
Niet zwart, uw oog geen donkre agaat;
 
 
 
En is dit alles maar betoovering,
 
Oneindig zalig oogenblik, geschonken
 
Voor 'k weet niet wat voor goeds; ontzonken
 
Der hand des Tijds, die peinsde in mijmering?
 
 
 
Maar neen, gij zijt er, want uw handen leven
 
Zóo als 'k geen menschenhanden leven zag:
 
Witte kapellen in een zonnedag,
 
Twee witte wolkjes, van de lucht gedreven;
 
 
 
Handen, als sponnen zij het gouden garen,
 
Dat door den hemel naar beneden glijdt,
 
Handen, waarom men wel bijwijlen schreit,
 
Handen: gedempt geluid van fanfaren.
 
 
 
Met gouden sleutel hebben zij ontsloten
 
Een lange gang naar 't eindloos labyrinth
 
Van uw zoete betoovering; ik vind
 
Geen uitweg, maar er wordt heel ver en zacht gefloten...