|
|
|
| |
| | | |
Isadora Duncan1)
Door J. Jac. Thomson.
Zooals een zonnestraal, verglijdend tusschen
Gordijn en muur en dansend op mijn tafel;
Zooals een bleek-verwaaide manerafel,
Die in m'n bed viel, naast mijn oor, op 't kussen;
Zooals een fluit, diep in het duistre bosch,
Die kweelend klaagt in volle, vochte tonen
Boven 't geheimvol suizen - want de schoone
Wind dringt voorzichtig jonge blaren los:
Zoo teer is uwer voeten dans, het streelen
Van uwe leden, die stil heneglijden
Voorbij mijn oogen; o nu wordt het blijde,
En heel ver en zeer fijn is er een spelen
Op snaren, strak gespannen; ziet gij ook
De stilte beven voor uw lichte blikken?
Over de wereld gaat een zoet verschrikken
Nu zoo de schoonheid wonderbaar ontlook.
| | | |
Ik weet niet of gij werkelijk daar gaat
En ik hier zit en u zie, of is 't maar
Een droom en ben ik 't niet, en is uw haar
Niet zwart, uw oog geen donkre agaat;
En is dit alles maar betoovering,
Oneindig zalig oogenblik, geschonken
Voor 'k weet niet wat voor goeds; ontzonken
Der hand des Tijds, die peinsde in mijmering?
Maar neen, gij zijt er, want uw handen leven
Zóo als 'k geen menschenhanden leven zag:
Witte kapellen in een zonnedag,
Twee witte wolkjes, van de lucht gedreven;
Handen, als sponnen zij het gouden garen,
Dat door den hemel naar beneden glijdt,
Handen, waarom men wel bijwijlen schreit,
Handen: gedempt geluid van fanfaren.
Met gouden sleutel hebben zij ontsloten
Een lange gang naar 't eindloos labyrinth
Van uw zoete betoovering; ik vind
Geen uitweg, maar er wordt heel ver en zacht gefloten...
|
1)Met toestemming van den Dichter overgenomen uit de Vox Studiosorum.
A.V.
|
|