Die VIJ
ste
Blyscap van Onser Vrouwen.
1
[p. 142]
+
Dierste Prologe
aant.
Maria vol gracien, die moecht gebien
Dat hemelsce, eertsce ende helsce knien
2
U moeten bugen, wyken ende eren, -
3
Want alle dat God nye liet gescien,
4
5
Oft noit met ogen oec wort gesien,
Daer moet na recht dijn lof bi meeren, -
6
Ik biddu, moeder ende bruut des Heren,
Tabernacle Gods, fonteyne der duecht,
Dijn rayen van gracien laet altijt keren
9
10
Op alle sondaren, want ghijt vermuecht;
10
Oetmoedege, suete, suver juecht,
11
Hout alle tkersten gelove in vreden
12
Doer dere dien ghi soe minlic suecht,
13
Onsen prince, princersse, haer slote en steden;
14
15
Dies biddic u met ynneger beden
Tees nu recht leden omtrent een jaer,
16
Dat wi hier speelden int openbaer
De seste bliscap van Onser Vrouwen.
Tverhael van dien dat latic daer,
19
20
Wi volgen der materien naer;
20
Ic meent de selke wel heeft onthouwen.
21
Op dat sier bi verlichten souwen,
22
Gods moeder ende sine jongeren meest,
Soe sant hi hem in rechter trouwen,
[p. 143]
25
In viereger minnen den Heilegen Geest.
25
Van desen smaect wel der keerne keest,
26
Dit wort de sevenste ende de leste.
Al staet op enen slichten leest,
28
Eest leec oft clerc, elc neemt int beste,
29
30
Al waert soe datter yemen in meste.
30
+
Int oeste int weste biddic vor vre,
Voer al in Bruesel, die suete ste.
Voort gruetic u allen, die hier versaemt sijt,
Dat elc gesonde ende saliche
34
35
Moet hebben, ende dewige leven me
Na deser tijt, hoe ghi genaemt sijt.
Dus, eerbaer notabele, die onbefaemt sijt,
37
Siet gunst vor cunst in onsen werke.
38
Ic hope de meester dan ongeblaemt blijt,
39
40
Op datmens niet te nauwe en merke.
40
Thout meest scriftuere, som scrivent clerke
41
Met sconen redenen geapprobeert,
42
Maer waermen tkersten gelove bi sterke.
43
Hi es onwijs, diet lichte batteert
44
45
Soe verre alst redene consenteert.
45
Dus dan cesseert, om cort vermaen,
46
Als van gescille, en wilt verstaen
47
Den sin der hoger materien soet.
48
Wat vrouden Maria heeft ontfaen
49
[p. 144]
50
Doen hier haer leven wert gedaen,
50
Geen sin en mocht dies wesen vroet.
51
Hoe slecht mer hier bewijs af doet,
52
Noijt meerder vruecht haer en gescie.
aant.
53
Elc seg haer dan des yngels groet,
55
Dat si elc droef herte verblie.
Ende nyemen en scympe noch en benye
56
Ons sympels wercs: wi doent uut minnen,
Ter eeren der stat en sonder envye,
58
U allen ter liefden, dat wilt versinnen.
59
60
Hoort alle en swijt, wi gaen beginnen.
60
+
1
op de voorkant van het losse schutblad.
+
blad 1
b
2
knien:
knieën, aanduiding van personen (pars pro toto).
3
wyken:
onderdanig zijn.
4
alles dat God ooit liet gebeuren.
6
bi meeren:
door vermeerderd worden.
9
rayen:
stralen;
keeren:
draaien, gericht worden.
10
want gij kunt het.
11
juecht:
maagd, vgl. vs. 827 en I vs. 1531;
oetmoedeg:
genadig.
12
bescherm de gehele Christenheid om de Heer, die gij zo liefdevol zoogde.
13
bescherm de gehele Christenheid om de Heer, die gij zo liefdevol zoogde.
14
deze regel is eveneens objekt bij
hout in vreden
vs. 12;
haer:
hun.
16
recht leden:
precies geleden.
19
die te verhalen laat ik achterwege.
20
wij vervolgen het onderwerp, verhaal.
21
meent = meen het
(
het
is objekt bij
onthouwen
);
de selke
menigeen.
22
opdat zij (t.w. Maria en de jongeren) erdoor zouden getroost worden.
25
hier wordt het onderwerp van de zesde Bliscap (de komst van de H. Geest op pinksterdag) genoemd;
hem:
hun,
in rechter trouwen:
volgens Zijn belofte.
26
der keerne keest:
het pit van de kern (superlatief begrip). Versta: van dit spel smaakt het pit van de kern d.i. het wezenlijke.
28
al is het op een eenvoudige leest geschoeid.
29
ieder vatte het in de goede geest op.
30
al zou het zo zijn dat er iemand in tekort schoot.
+
bl. 2
a
34
dat ieder gezondheid en zaligheid moge hebben.
37
dus, geachte aanwezigen, die onbesproken zijt.
38
ziet meer de genegenheid (voor u) dan kunst in ons werk.
39
ik hoop dat de dichter dan onbesproken blijft.
40
indien men het niet te kritisch beoordeelt.
41
het volgt merendeels de Schrift, gedeeltelijk schrijven geleerden het; zie Inl. p. 34.
42
met schone woorden bevestigd.
43
maar waar men het christelijk geloof door versterkt.
44
die het lichtvaardig wraakt.
45
zover als de rede daarmee overeenstemt.
46
houdt derhalve op - kort gezegd - met alle rumoer, lawaai.
47
houdt derhalve op - kort gezegd - met alle rumoer, lawaai.
48
de zin van het hoge en lieflijke onderwerp, verhaal.
49
vroude:
vreugde.
50
wert gedaen:
eindigde.
51
geen verstand zou dat kunnen begrijpen.
52
hoe ongekunsteld men dat hier ook vertoont.
53
gescie:
geschiedde, vgl. vs. 55:
verblie:
verblijde.
56
benye:
neme aanstoot aan.
58
sonder envye:
met goede bedoeling.
59
dat wilt versinnen:
verstaat dit wel.
60
swijt:
zwijgt.
+
bl. 2
b
is wit