DAt het Opschrift van dit zes en veertigste Boekzaalstukje tot u komt, geschied in 't allerminste niet, om dat gy, pas veertien jaren oud, bequaam geoordeelt word tot het wel lezen, dat is, verstaan van velerley boeken, of dat ik u daar toe zoude raden; dewijl niets zoo zeer de jeugd verhindert op het pad der vaste wetenschappen te vorderen, dan een lezing zonder onderscheid van al wat in handen valt, maar op dat gy u zelven zoud zien openbaarlijk van my aangepord tot een wat grooter liefde voor uw Nederduitsche moederspraak, welke ik niet wil dat gy onder uwe Grieksche en Latijnsche boekoeffeningen zult vergeten.
Want hoe zeer gy op die twee talen gezet zijt, somtijds ook op het maken van Latijnsche vaarzen, wanneer uwe twee dagelijksche bezigheden in de Wiskonst en Regtsgeleerdheid u by vlagen eenige uitspanning toelaten, egter behoort gy ook te gedenken, welk een hoogagting de Nederduitsche Spraaken Digtkunde by fraaije geesten verdient, en te gelooven, dat derzelver schoonheid voor die van geene andere Letterwijsheid behoeft te wijken. Ik hebbe u laten lezen, hoe gunstiglijk mijn raad van doorgeleerde Mannen bestemt werd, en 't zal u wel haast blijken, als gy met uwe jaren de dingen nader begint op te merken, dat nooit iemand ons heerlijk Duitsch versmaad heeft, dan dien de lust en moed ontbrak om in de volkome kennisse van 't zelve uit te munten. Misschien zal de taal mijner uittreksel-makery u eeniger wijze konnen baten, en een prikkel geven, om in
tijd en wijlen, by de talen der oude geleerden, ook deze onze Nederlandsche te handhaven. Zoo God my de genade doet van mijne beden te verhooren, zult gy uw vernuft, 't welk tot nog toe wat goeds belooft, geheel en al aanleggen tot oeffening van Wijsheid, en Deugd, zonder welke geen leering klem heeft; op dat gy, tot rijper ouderdom gekomen, in weêrwil van de boosheid der tijden, Gode ter eere, uw Vaderland en Landsluiden (schoon anders het Vaderland van een wijs mensch over al is daar 't hem wel gaat) moogt ten nutte zijn. Dit schreef ik in Loumaand 1700, een jaar voor den ingang van de achttiende eeuw, na Christus geboorte.
P.R.
NB.
Men leze in de Boekzaal van September en October 1699, pag. 327, de Grieksche woorden κακα θηρα enz. met hare behoorlijke klankteikens, en daar onder leuye voor leêge. In die van November en December staat in het laatste hoofddeel, met grooten spoed afgedrukt, Bondelje: lees Bondeltje. Voor al moet pag. 560, de vierde regel van onderen, in plaats van zeventiende, gelezen werden achttiende. De volgende zin wijst anders genoeg dat het een drukfeil is.