IN 't jaar 1675 quam dit zelve Schrift d'eerstemaal voor den dag, te Harlingen, uit de Friesche drukkery van Hero Galama, zijnde een vertaling van een vertaling; want het is oorspronkelijk in 't Engelsch geschreven, daar na in 't Fransch overgezet, en in 't ligt gegeven met Byvoegselen, die tot de eerste negen hoofdstukken hier nevens gaan.
Joachim Oudaan Frans-zoon, in zijn tijd een naarstig Man, en doodviand van Pausselijke dwingelandy, was, wanneer hy een afdruksel van de Fransche Overzetting kreeg, dier tale nog onkundig, maar vond egter de stoffe zoo zeer van zijn smaak te zijn, dat hy zig tot den arbeid ging zetten van Fransch te leeren verstaan, en ondernam deze Vertaling met het Woordboek in de hand. Hy bemerkte onder 't lezen, dat de bra-
ve Schrijver van dit werk, in kennisse van Staatsen Kerkzaken doorzult zijnde, misschien een voornemen konde gehad hebben van grooter en wijdluftiger uitvoering, dog voor zoo veel het echter, op zig zelven een beknopte volkomentheid heeft, zoo als 't nu voorkomt, oordeelde hy het een verhandeling te wezen van ongemeene fraaiheid. Geen Schrijver verklaart hy gevonden te hebben, die in zijne eigene bevindingen, en daar over gedane aanmerkingen, zoo rijk van gedagten is, als dezen Engelschen Ridder, die glad in gesprek en onbelemmerd doorgaat, zonder eenig behulp uit andere boeken, en bygelapte toepasselijkheden, elders ontleend; met hoedanige samenflansing de meeste hoop der hedendaagsche Schrijvers of Uitschrijvers pronkt, dog by wijze luiden luttel tot hun eere. De taal, die hier gevoert word, is louter ongezogt, ongedrongen, en onbedwongen uit des Schrijvers eigen gezetheid van verstand, waarneming, overweging, en dus als uit een onbekrompen koker, vloeijende.
Wie deze Edwin Sandis mag geweest zijn, word van onzen Neerduitschen Overzetter onderzogt, in een breede aanspraak aan den Lezer, waar in hy teffens poogt te toonen, dat de Fransche Vertaler geen ander man is, dan de vermaarde Geneefsche Hoogleeraar Joan Deodati, en de maker der gezeide Byvoegselen, niemand anders dan de ruim zoo vermaarde Venetiaansche Paulus Sarpius, beschrijver der Trentensche Kerkvergaêring, best met zijne Italiaansche benaming Fra Paolo bekend: waar toe hy de berugte historie van het geschil, tussen Paus Paulus de V en den Staat van Venetien in 't jaar 1605, en
de voornaamste byzonderheden, omtrent den gezeiden Vader of Broeder Paulus Sarpius, omstandiglijk hervoort brengt; werwaarts ik den lezer, om zelf niet buiten mijn bestek vervoert te werden, henen zende.
Die het werkje door en doorziet, zal moeten bekennen, dat het is een grondige en kragtige ontdekkinge des Pausdoms, geschreven zijnde (op dat ik het nog nader met de woorden des Overzetters zegge) om het Roomsche Kerkgebouw, dat de geheele wereld met zulk een uitwendigheid en schoonen toestel in de oogen blikkert, eens in zijn inwendige van uit de grond op, voor zoo veel tot het zelve toegang gegeven word, bloot te leggen. En dit heeft de Schrijver, zijn's oordeels, met zulk een kragtige doordringendheid en onwedersprekelijke waarheid gedaan, dat het byna niet meer mogelijk schijnt, dat men langer de reten en scheuren van dien loosgepleisterden en van buiten schoon bestreken muur zou konnen stoppen of heelen, om den schrikkelijken toestand te verbergen, waar uit het inwendige wezen bestaat, en die gedrogtelijkheid te vergoelijken, die in dit Gesticht zijnen zeet heeft genomen: zijnde niets anders dan een geheele Samenschakeling van d'allerdoortraptste Staatkunde, door d'allerschranderste spitsvindigheid der Wereldwijsheid aan d'eene, en door het allerbloedigste en woedendste geweld der helsche razerny aan d'andere kant, staande gehouden; zulks dat het meer dan wonder zou zijn, dat iemand, die deze ten deele maar innerlijke, en geenzins inwendigste, gedaante wel te regt bekeken heeft, zig door deszelfs uiterlijken tooy
en opsmuksel, of vleyende, verbloemende, en bedriegelijke logenspraak zonde laten ophouden, of vervoeren.
Ga heen nu, lezer, en denk vry, als Oudaan met zulk een ophef u graag wil maken na een geschrift, waar in de peuk der Roomsche Kerk word omgeroert, dat deszelfs inhoud in geen praatjes bestaat, maar in duidelijke aanwijzingen by de stukken, en in overtuigende klemredenen.
Had ik 'er overlang zoo veel niet van gelezen (want ik bezitte nog een Harlinger afdruksel, dat Oudaan aan mijn Vader vereert heeft) de Boekzaal zou eenige uitgetrokkene staaltjes leveren, maar het verschot is zoo groot, 't zy van wat kant de penne wil aanvangen, dat ze d'er niet van zou konnen afscheiden.
Laat het vorensgezeide zoo veel als een uittreksel zijn: zoo zal ik nog iets tot een aanhangsel, ter zake dienende, laten hooren.
Oudaan, opgetogen door 't lezen van de ontdekte Pausselijke Kerkgeheimen, schreef een gedigt voor dit vertaald werk, met het opschrift Roomen in zijn binnenste, of het volwrogte Wonderstuk van 't groote gebouw der verborgenheid. Hoor het voor een gedeelte: en waarom het hier niet verder word nageschreven, zal haast blijken.
De laatste drie vaarzen zijn met andere letters hier gedrukt, om dat de Digter daar in wilde beweren dat de Paus hem zelven liet aanleunen eerbenamingen boven Christus, en den naam van een TEGENYVERIGE van Gods Zoon: en om die te bewijzen bragt hy te berde een zeer merkwaardige en godlooze Vleyreden, die zeker Jesuit Melchior Inkophorus gemaakt had ter inwijdinge van Paus Innocent de X, voor zijn verkiezing Baptista Pamphilius genaamd. Hy had ze eerst aan den Paus zelf opgedragen, waar na ze te Roome met een algemeene toejuiching openbaar gemaakt, en vervolgens van daar na Florence, Napels, en andere plaatsen, wierd overgezonden, aldus luidende.
Eminentissime & Reverendissime Domine,
Cardinalis Pamhili.
Philius Dei (superlativus Amor Patris, quia φιλτατος, ideo Philius dictus) ex aeterna ejus charitate, quasi Deo obtulit in amantissimum Intercessorem, ac Mediatorem Dei & Hominum, ab instanti Conceptione in utero B. Virginis, factus fuit Sacerdos in aeternum, secundum ordinem Melchisedech, ac Primus Pontifex Optimus Maximus.
Sed Philius fuit Philius, non fuit Pamphilius.
Fuit Intercessor Dei & Hominum.
Non fuit Universalis Mediator Angelorum & Hominum, feu Pamphilius.
Si ex nominis analogico aeternoque anagram-
mate praesagire licet MYSTERIUM aliquod in tempore; Tu ab aeterno praedestinatus es esse Pamphilius in terris, ac dici Pamphilius, AEMULUS Filii Dei in Coelis.
Pamphilius ergo eris; Universalis nimirum Reconciliator Angelorum & Hominum, in Terris hostiliter pugnantium, Regum ac Populorum.
Quod praestabis non nisi electus in Pontificem Optimum Maximum.
In cujus faustissimum augurium, Euangelus ego, felixque nuncius, ter sanctos pedes Eminentiae vestrae ex nunc deosculor. Kalendis Augusti *1644.
Oudaans vertaling is de volgende.
Alleruitmuntendste en allereerwaardigste Heer
Kardinaal Pamphilius.
De Zoon Gods (de alleropperste Liefde des Vaders, om dat Hy was de Allergeliefdste, is daarom Philius, de Zoon of de Geliefde genoemd geweest) uit zijn eeuwige Liefde, waar door hy zig aan God den Vader heeft opgedragen, tot een allerbemindsten Tussenkomer en Middelaar Gods ende der Menschen, is van den aanvang zijner ontfangenisse in den buik der gelukzalige Maagd geworden Priester in der eeuwigheid na de ordere Melchizedeks, en de eerste allerbeste allergrootste Hoogepriester.
Maar [Philius] de Zoon is een Zoon [of Philius] geweest; maar is geen PAMPHILIUS [geen Algeliefde of Liefhebber van allen] geweest.
Hy is een Tussenkomer Gods en der Menschen geweest.
Maar Hy is niet geweest de Algemeene Middelaar de Engelen, en der Menschen, of de PAMPHILIUS.
Indien men uit de overeenkomende en eeuwige Letterspelling des Naams eenige VERBORGENHEID in der tijd voorspellen mag: Gy zijt van eeuwigheid gevoorschikt om te zijn de PAMPHILIUS [de Algeliefde of Liefhebber van allen] op aarde, en om de PAMPHILIUS genoemt te werden, de TEGEN-YVERIGE van den Zone Gods in den Hemel.
Gy zult dan de PAMPHILIUS zijn, namentlijk de Algemeene Wederom-Verzoener der Engelen, en der Menschen, die vyandelijk strijden op aarde, der Koningen en der Volkeren.
't Gene Gy zult voltrekken, nu gy tot d'Allerbeste, d'Allergrootste Hoogepriester verkozen zijt.
Tot welks allerheilzaamste voorzegging Ik, een goede Engel, en gelukkige Bode, van nu af kusse de driemaal heilige voeten van Uwe Uitmuntendheid, den eersten van Oestmaand 1644.
Ik zal daar op niets gaan vitten, nogte daar over woordenziften, de Lezer wete alleenlijk, dat Jochem Oudaan het woord AEMULUS juist wilde vertalen in den slegtsten zin voor TEGEN-YVERIGE, gelijk ook dat woord die beteekenisse heeft; dog het beduid teffens, in een
beter zin, een Navolger, of Na-yveraar. Maar, als gezegd is, Oudaan (hebbende in het aangehaalde Digt den Paus van Roome verbeeld voor dien zone des verderfs, die zig tegen Christus, gods gezalfden zoon, aanstelt) had de lust van 't woord AEmulus hier voor Tegenyverig over te zetten; en deswegen kreeg hy by zeker geval aan zijn hals den eenen en den anderen van zijne broeders de zoo genaamde Collegianten, die, dat ze my slachten, nooit van twisten of kijven weten, als 't naar hun zin gaat, hem verwijtende, dat hy dat woord AEmulus, uit onverstand en liefdeloosheid, Tegen-yverig had overgezet; want dat het zekerlijk niet te denken was, dat een Jezuijt, uit vleyery, den Paus zou vereeren met den naam van den Antichrist, gelijk Oudaan in dat kromwoord den Paus en dien Tegenyverige of Tegenstelde van Gods Zoon, voor een en den zelven hield, en hem gaarne in zijn Verborgenheid dus by de Apostelen Paulus en Johannes gevonden had. Dog dat zy daar van genoeg. Hy had wisselijk beter op deze plaats Navolger vertaalt: maar, om de waarheid te zeggen, de godvergeten vleytaal van den Jezuijt is (in plaaats van de verschooning van dien Collegiant, die zijnen Medecollegiant Oudaan op 't lijf viel) voor 't overige de uiterste verfoeijing waardig, en staat niet ongevoegelijk ten toon voor dit vertaald werk van den deftigen Sandis, waar in de Verborgenheid der Roomsche Kerkkraam, met hare, 't onregt zoo genoemde, Geestelijkheid, van hoogen en lagen rang, popwerk, en wonderbaarlijke snuistering, naar 't leven word afgeschildert.
Ziet daar, haters van opgesmukte gedrogtelijkheden, nu hebt gy drie Mannen gehoort, die de preutsche Moederkerk met geen enkele geesseling nog brandmerk vry laten.