Amen.
__________
Wegens de overeenstemmende gedachte met de 31ste Strophe van het voorgaande Leerdicht, moge een zestal verzen (waarschijnlijk van een ander dichter) dat in het Comburger Hs. fo. 178 staat, en door Kausler (Denkm. I, p. XLI) wel vermeld, doch niet in druk uitgegeven is, hier zijne plaats vinden als