129 nagelaten worden, onvervuld of onvolvoerd blijven. Velth. VII, 15, 40:
Mnl. Wdb. I, 22 c, MLoep I, 940:
Het woord kan alzoo gelden voor het passief van achterlaten, nalaten; even als voren comen van voren bringhen.
171 zie eerselen.
(anscijn) 407 aangezicht, gelaat; spreect di yemene in zijn anscijn, spreekt iemand tot u met zijn aangezicht naar u gekeerd. Lansel. e. Sandr. 886:
Ook als uitdrukking van het inwendig gevoel; zoo 450: met blijden aenschine, met een vroolijk gezicht; hetzelfde als 371: blide ghelaet. MLoep II, 2821:
II, 4096: Si was in zeer bedructen aenschijn, d.i. Zij zag er zeer bedrukt uit. Mnl. Wdb. aenscijn I, 137 b.
441. Van gelijke beteekenis als het voorgaande. B.v. Seden gloss. ansicht. Walew. 3783. Alex. V, 189. - Dat beide die woorden volkomen dezelfde beteekenis hebben en dus onverschillig zelfs in dezelfde spreekwijze gebezigd zijn, blijkt wel duidelijk uit vergelijking van Walew. 8208 en Limb. VI, 178. In beide plaatsen is sprake van het werpen van water in iemands aangezicht; doch in het eerstgenoemde dichtstuk staat ansicht en in het laatste ansciin.
77, 223, 469 armoede. B.v. Seden, gloss. arem.
185 geaardheid, inborst. Beatr. 352: van dorpers aerde. Hildgb. 3, 181: een Vriese ruut van aerde. Mnl. Wdb. I, 195, 3). Ovl. L. en Ged. p. 154:
345 leg den weg af, volbreng uwe reis; imperat. van aflegghen. Zoo ook 284 vorgaestu hem, gaat gij vóór hem.
In beide vormen is het afscheidbaar voorvoegsel onafgescheiden gebleven. Ziehier eenige andere voorbeelden:
Gerl. Peters 234:
Vad. Mus. II, 176, 20:
Stemmen u.d. Voortijd 26:
Sp. Hist. II v. 14, 115:
Sp. der Jong. 481:
Vergelijk ook in de St. Vert. Ps. XXV, 18, 19. Matth. VI, 26, 28. Luc. XII, 27.
220 den strijd bijleggen, zich verbroederen, verzoenen. Amand. II, 4639:
Accoort is alzoo verzoening, verbroedering. Mnl. Wdb. I, 305. - Het tegengestelde is discoort (Lat. discordia). Mnl. Wdb. II, 212.
Sp. der Jong. 349:
84 geheel en al, in alle opzichten. Mnl. Wdb. I, 323. Ook wel gansch, in zijn geheel; zooals 525: hier is dit bouxkin van Zeden al, hier is dit boekje in zijn geheel, hier eindigt het, hier is het uit. Zie het artikel Al in Nederl. Woordenb. II, 81. Zoo schreef Maerlant aan het slot van het derde boek van zijnen Alexander:
In Latijnsche HSS. staat menigmaal, waar een boek van eenig geschrift of ook het geheele geschrift eindigt, het woord Explicit, dat Facciolatus verklaart door desinit, completus est liber en dat behoort tot de verba defectiva. - Zie ook de verzen in het HS. van Ferguut aan het einde door den copiist geplaatst en in de uitgaven opgenomen.
374 naar elders gaan (Lat. abire aliorsum, Fr. ailleurs); hier afscheid nemen en naar huis gaan. - Van gelijke beteekenis is elderwaert. Rom. d. Lorr. I, 929:
284, 289 du does als dwaes, gij handelt als de (een) dwaas. Meestal heeft als het lidw. die achter zich met een bvnw. als znw. gebruikt, als omschrijvende adverbiale uitdrukking, b.v. als die wise, als die sotte, als die domme. Zie Mnl. Wdb. I, 363. Enkele malen, zoo als hier, ontbreekt dit lidwoord. Zooals Sp. Hist. I, iii, 21, 21:
Zie ook sot gerekent.
159 evenzoo, insgelijks, op gelijke wijze.
428 ten eenen male, geheel en al. Mnl. Wdb. I, 379. Parth. 8275:
Rein. II, 6803: vrou Rukenauwe
63, naar gelang het te pas komt, behoort gedaan te worden, naar omstandigheid.
137 bijzit, maîtresse. Walew. 8779. Lksp. II, 46, 944. Kar. de Gr. I, 187:
Ovl. Ged. II, 110, 98:
In dien zin zegt de kuische Sandrijn tot Lansel. 105:
Op gelijke wijze amijs voor het mannelijk geslacht pol, boel, minnaar; Lksp. III, 9, 118. Walew. 7847. Bgr. van Couchi fr. II, 27:
En zoo moet soms vrient in de beteekenis van minnaar worden opgevat, als b.v. van Orfennes gezegd wordt MLoep I, 2771:
139 dienaar, ambtenaar. B.v. Seden gl.
25. Gebied. wijs 2e pers. enkelv. van aen- of anebeden aanbidden. Lksp. II, 9, 157.
304 de hand slaan aan iemand of iets, aangrijpen, aanvatten. Kiliaen: manus inicere. Mnl. Wdb. aenslaen. Sp. Hist. III i. 18, 12:
306 aan het boord, aan den rand. Eig. staat hier eene T te veel; evenals ondert tnet, overt tfelt, hetgeen waarschijnlijk de schuld van den overschrijver is.
211 aanhalen, tot zich trekken, voor zich winnen, voor zich innemen. Mnl. Wdb. I, 167.
20, 180, met weglating der H geschreven voor harde, zeer, in hooge mate. Heiml. d.H. 1047:
402 arm. B.v. Seden gloss. St. Brand. 1467:
Van deze dichterlijke vrijheid - wellicht beter gezegd: onnauwkeurigheid - vindt men bij onzen Moralist twee voorbeelden; daar toch moet worden voor lief genomen dat in v. 62 cleeft rijmt op zeecht, en in v. 372 vulmaect op ghelaet. Zie hetgeen ik over onzuivere rijmen, een ook bij de beste dichters voorkomend verschijnsel, gezegd heb in de Inleiding op Die bouc van Seden, bl. IX.
459 lot, lotgeval, wederwaardigheid; (Lat. fatum, fortuna) het zij goed of kwaad (Mlat. aventura, zie Ducange). - Dat bij onzen Moralist voor quade moet gelezen worden goede (ook wel guede geschreven),
blijkt uit sors prospera van Facetus; doch ook de zin zou zulks vorderen, daar toch wel niemand hoovaardig zijn zal op zijn ongeluk. - Waar Stoke VII, 1199 ditzelfde voorschrift geeft, gebruikt hij het woord gheval, dat als eene vox mediae significationis in goeden zin moet worden opgevat:
evenals Walew. 2279, 5702; terwijl dan het tegengestelde ongheval heet.
41 altaar. Rein. 2980:
Ook outaer geschreven R.v. Cassam. 381. Lancel. III, 10163. Alex. V. 927.
312: wat di baten moghe, al mocht het u gemak aanbrengen, helpen. Eigenlijk: tot voordeel zijn. Mnl. Wdb. I, 600.
beide; niet slechts in 't rijm zoo geschreven, als 45, Rein. 147; maar ook buiten het rijm: 31, 38, 44, 192, 304, 305, 325. Rein. 42, 408.
45, 192, als voorafgaande aankondiging dat twee personen of zaken of toestanden zullen genoemd worden. C. en Eleg. 228, 234. Diet. Doctr. III, 1404. Mnl. Dist. Caton. II, 27. St. Brand. 1726.
431, 443 afstijgen van paard of ander trekdier. R.v. Cassam. 437:
Flor. en Bl. 1055. Ferg. 230, 235. Lksp. II, 9, 59. Walew. 1522, 8819. C. en Eleg. 162, 677. Limb. gloss. Mnl. Wdb. I, 1148 beten. - Ook vindt men afbeten Vr. en Minne VIII, 129. Parthonop. 537, en ofbeeten. Esopet XX, 21 en nederbeeten, Walew. 7520, 10156. Bgr. van Couchi fr. II, 2428:
Nog verdient opmerking dat beeten in 't algemeen beteekent nederdalen, en dus ook zelfs van een vogel gezegd wordt die naar beneden vliegt. Zoo b.v. Lansel. en Sandr. 868:
358 ww. als znw. gebezigd, begeerte. Rein. 6635:
511 zenden, doen gaan; vooral in verbinding met in een klooster. Mnl. Wdb. I, 701. Rein. 1481:
Rein. II, 4511. Sp. Hist. III, viii. 68. 17. - Een begeven man (verl. deelw. van hem begheven) een kloosterling, monnik, iemand die zich van de wereld heeft afgezonderd door het doen eener kloostergelofte. Vr. en Minne XI, 73. St. Franc. 1865:
Ren. v. Montalb. II, 914:
Evenzoo vindt men dit ww. gebezigd van eene maagd, die zich aan het priesterschap heeft toegewijd. MLoep II, 2615:
Huydec. op Stoke III, p. 449, Clignett, Bijdr. p. 409.
442 berispen, laken, afkeuren (Lat. reprehendere). Mnl. Wdb. 1, 716. B.v. Seden gl. Lksp. II, 43, 41.
436 stil, heimelijk, zonder dat het door anderen gemerkt wordt. Fl. en Bl. 1657.
516 bewaren, beschermen, in stand houden.
210 beschermer. Mnl. Wdb. I, 743 Sij dijns selfs behoeder, wees uw eigen beschermer, d.i. tracht onafhankelijk te worden en geen hulp van anderen noodig te hebben.
522: hem behouft, het is hem noodig, het is zijn plicht. Maerl. Hist. v. Troyen 3919:
Sp. Hist. III, iii, 13, 73:
(deelw. van bekennen, erkennen), 414: hets hoofsch becant, het is of wordt daarvoor (algemeen) gehouden. In dien zin staat 433: hets houeshede. Het woord becant is uitvoerig besproken door Van Helten in Tijdschr. voor Nederl. T. en Lk. III, 102-105.
411 bekken, waschkom, meest dienende tot het wasschen der handen vóór den maaltijd (Lat. pelvis aquosa). Parthonop. 547:
Ferguut 3676:
Bij de vermelding van het handenwasschen vóór den maaltijd bedenke men dat dit oudtijds zooveel meer dan thans behoefte was, omdat men het gebruik van vorken nog niet kende. - Ook na den maaltijd, als die tafle was opghedaen, voor dat de wijn zou worden opgezet, bracht men andermaal water voor de gasten. Zie Ferguut 856. - Deze waschkommen waren in de woningen der ridders veelal van goud. Walew. 986:
zelfs wanneer zij 's morgens gebruikt werden voor het wasschen der voeten. Ferguut 256:
alwaar in de voorgaande verzen gezegd wordt, dat dit plaats had, toen het dachgrake d.i. dageraad was.
105 beletsel, belemmering, hindernis. Mnl. Wdb. I, 842.
527 naleven, opvolgen, betrachten. Mnl. Wdb. I, 844, 1). Ovl. Lied. en Ged. 495, 140:
d.i. als men zijn best doet er naar te leven.
125 belofte; enen belof doen (Lat. votum facere) iemand op meer of min plechtige wijze iets beloven. Mnl. Wdb. I, 859. Hildegb. 234, 202:
Doch belof doen beteekent ook wel zijne belofte nakomen, Alex. I, 657. Lksp. III, 3, 110:
338 (znw. onzijdig gebruikt): tbelofte breken, niet volbrengen wat men beloofd heeft; waartegenover kan gezegd worden belofte doen, wel volbrengen. Rijmb. 7879:
316, waarvan de 2e pers. du best.
390 bewerken, bereiden, meestal in kwaden zin, brouwen, berokkenen. Mnl. Wdb. I, 901, 2 b. Rein. 1790:
Esmor. 554:
deelw. van hem beraden, als bvnw. 20: wel beraden, verstandig, wijs; het tegendeel van ons tegenw. onberaden; Mnl. Wdb. I, 9. A 2. - haestelic beraden 74, spoedig beslist, tot dezen raad gekomen, vandaar bereid, genegen tot iets. Mnl. Wdb. I, 909, 7).
365, 455, zich beroemen, bluffen op iets. Cassam. 524:
Heeft den 2en naamval bij zich. Maerl. Stroph. Ged. 82, 77. Esopet XL, 14:
353 deelw. van beseffen, bemerken, ondervinden, ervaren. B.v. Seden gl. St. Franc. 1261:
Daarvoor ook wel beseeft, Lancel. III, 26689:
96 te boek gesteld, vermeld in een of ander geschrift. Hier wordt de Bijbel bedoeld, t.w. het Boek der Wijsheid I, 11. - Op gelijke wijze Rijmb. 3347:
waar gedoeld wordt op hetgeen Hand. IX, 1, van Saulus geschreven staat.
167 deelw. van besluten, insluiten, wegbergen, verzegelen. Rose 3685:
88, 269, 415, 444, gij zijt. - bestu 291, 299, 335, 339, 475, zijt gij.
129 beter, geschikter. B.v. Seden, gl. Dit bijwoord heeft niet den vorm maar wel de beteekenis van een comparatief; doch later, toen men dit niet meer gevoelde, heeft men er den comparatief-uitgang er achter-gezet. Zie Stoett, Etymol. § 131. Theoph. 273:
Uit deze plaats blijkt tevens dat voor bet in volkomen gelijke beteekenis ook bat wordt gevonden. Rein. 255. Melib. 1011:
469 toonen, laten, blijken. Lucid. 2121:
Mnl. Wdb. I, 1150. Zie ook toghen op toecht.
498 zich met iets bemoeien; heeft den genit. bij zich. Lksp. III, 15, 4. MLoep I, 1703:
evenals onderwinden, dat dezelfde beteekenis heeft. B.v. Seden, gl.
504 bemoeiing, bestier. Sp. d. Jong. 209:
In dit spreekwoord staat onderwint in Prov. Comm. 458:
alwaar voor vrienden zal moeten gelezen worden vreden; immers staat in het daarbij geplaatste Latijn:
390 deelw. van (hem) bewissen, zich zekerheid verschaffen, zich vergewissen. Es die viant bewist te voren (in den voorgaanden regel staat vorwist) heeft uw vijand vooraf kennis gekregen van hetgeen hem gedreigd werd, is hij vooraf gewaarschuwd. Zie Lksp. gloss. op wissen.
331 nabij; verre of bi, verre af, of in de nabijheid. Lksp. II, 5, 125. Wap. Mart. III, 175. Bgr. van Vergi 294. Bgr. van Couchi fr. II, 201:
In gelijke beteekenis verre ende naer. Lancel. II, 14067, 44279 (Rom. v. Moriaen 1734); zoo ook bi ende breet Diet. War. I, 408, 24.
314 hetzelfde als 317 daer du met heets, uw dischgenoot of hij die met u uit denzelfden schotel eet. B.v. Seden 634.
91, 334, door. Esopet XIV, 23. Flor. en Bl. 891, 3132:
om broet 64, brood bedelen d.i. liefdegaven vragen voor het koopen van de noodzakelijke levensbehoeften. Lksp. III, 4, 148. St. Franc. 3739:
Vandaar brootbidder, bedelaar. St Franc. 487. Flor. en Bl. 3195, alwaar van vrouw Fortune wordt gezegd:
B.v. Seden, gloss. In de beteekenis van bedelen wordt ook wel gezegd om broet gaen. Kar. de Gr. I, 188.
119 hier van den dood gezegd, treurig, bedroevend. Bgr. van Vergi 900. Lansel. e. Sandr. 830:
spreken van enen 181 schande van iemand spreken, hem hekelen. - Elders onwaerde spreken 186. - Van gelijke beteekenis is lachter spreken met den 3den nv. des persoons, die belasterd wordt. Flor. en Blanc. 3480:
en enen onnere spreken, iemand uitschelden, tegen iemand uitvaren. Lancel. II, 11225.
vlien 496, schande ontgaan, vrij blijven; nagenoeg hetzelfde als gheene blaem te ontfaen. Bgr. v. Couchi fr. II, 1422 en ongheblaemt bliuen. Sp. der Jong. 28.
342 gij blijft. Zie DI.
91 persoon, mensch; ook nog heden in die beteekenis gebruikelijk, doch zonder de minachtende bijbeteekenis van thans. Mnl. Wdb. I, 1313, 5. Gloriant 72:
Vaderl. Mus. I, 310, 86:
(bloot) van iet 416, ontbloot van iets, verstoken van, zonder. - es de tafle van dienste bloet, is de tafel zonder bediening, zonder dienstpersoneel. Zoo staat bij Hildgb. 115, 86: bloot van goede en 122, 64: van haven bloot. Mnl. Wdb. I, 1321, 4. Kar. de Gr. fr. I, 1719:
Eigenaardig wordt den winter verweten in Wint. en Som. 369:
Gelijke beteekenis heeft naect in v. 253 en quite in Ferguut 2142.
12 bloemen, het voortreffelijkste van iets, de schoonste plaatsen uit een schrijver. Amand II, 972:
Sp. Hist. I, iii, 47, 41:
Mnl. Wdb. I, 1311. bloeme 6). Vergelijk ons bloemlezing, en het Gr. anthologie.
306 boord, rand, b.v. de bovenrand van een beker. B.v. Seden, gl. bort. Kiliaen: boord, rand van den pot, labrum, margo, ora poculi. Vgl. thans nog boordevol.
420 borg, d.i. iemand die zich verbindt ter voldoening eener schuld bij gebreke van betaling door den hoofdschuldenaar. Mnl. Wdb. I, 1379. - Vandaar borghen 421 borg blijven, zich borg stellen. B.v. Seden, gloss.
396 te goed houden, uitstel van betaling geven. B.v. Seden, gloss.
525 klein boek. Lksp. I, Voorr. 22 en I, 14, 75. - De uitgang kin of kijn geeft eene verkleinende beteekenis. B.v. Seden, gloss. Zoo zegt de schrijver van MLoep III, 45:
enen in scaden 500, iemand schade berokkenen, benadeelen. Rein. 6455, 6996:
Zoo ook 223 in aermoeden bringhen, arm maken, is overeenkomstig ons tegenwoordig taalgebruik.
302. Zie op ene.
bidden 64. Zie bidden.
380 beurs, geldbuidel. St. Bernard. Epist. (Denkm. III, 9) 191:
B.v. Seden 528 staat borse, dat aldaar in 't Gloss. vergeten is. - Ook elders wel met O geschreven. Zie Mnl. Wdb. I, 1385.
= dadet 289, gij zoudt handelen; 2de p. impf. conj. Rein. 24:
391: in desen dale, hier op aarde, hier beneden. Zedelessen 379 (Sp. Hist. I, viii, 70, 3):
Zie verder Lksp. II, 30, 31. Stroph. Ged. gloss. Hildgb. 64, 262; 120, 64; 157, 50. - Ook wel in dit aertsche dal Ibid. 210, 221. Mnl. Wdb. II, 43. Zie ook op hier. - Vergelijk ons tranendal.
480, iemand dankbaar zijn, dankbaar blijven. Mnl. Wdb. II, 62.
175 dan, alsdan. Sp. Hist. I, iii, 55, 7. Rein. 2142:
Mnl. Wdb. II, 50.
196. Eerste pers. van dorren, durven. B.v. Seden, gloss. Lksp. II, 20, 63:
159, of.
325, dat du er.
aan het ww. vastgehecht gij. Zoo vindt men hier: blijfdi, gij blijft 342. - ghincdi, gingt gij 289. - hebdi, gij hebt 192. - leefdi 136. - moghedi 16. - moochdi 438. - suldi 216, 222. - wildi 195. - wildijt, wilt gij het 15. - Lev. o.H. 1383:
voer yemene 411, voor iemand bestemd zijn.
433, behulpzaam zijn, te dienste staan; met dubbele n geschreven. Zoo ook B.v. Seden 634. Lancel. II, 11352; III, 10373:
201, 280, dienaar, bediende. Mnl. Wdb. II, 162.
416, 418, bediening, hulp, bijstand, b.v. in het tafeldienen. Mnl. Wdb. II, 164.
115, uwer; 2de naamv. enkv. vr. voor dijnre, van het bezitt. vnw. dijn. Zie Stoett, Etymol. § 153.
148, deswege, daarom. Rein. 339:
selues 210, 225, van u zelven, uw eigen.
(meerv.) 429, dingen. B.v. Seden, gloss. Stoett, Etym. § 72, - doch ook wel dinghen 455.
314, dunken, toeschijnen. B.v. Seden, gloss.
79, 116. Gebied. wijs van doen. Zie De Jager, Verscheid, p. 198 en Lat. Verscheid. p. 469, B.v. Seden, gloss. - Wel zou in de eerst aangehaalde plaats doch kunnen genomen worden als voegwoord, zoodat dan troest imperativus wordt van troesten; doch de andere opvatting schijnt mij meer aannemelijk toe. Zie hier beneden op troest doen.
met hem 147, heb mededoogen met hem. Imperat. van dogen met enen (Lat. compatientem se praebere alicui). D. Doctr. II, 271:
Ibid. III, 589:
Mnl. Wdb. II, 262.
199, maken, veroorzaken. - 219, 294, doen - dat. B.v. Seden 257:
Rein. II, 5242. Hildgb. 117, 28. Mnl. Wdb. II, 242.
36, noodig zijn, vereischt worden. R.v. Cassam. 947. - Rose 10099:
Mnl. Wdb. II, 248. - Zoo ook te doene hebben, noodig hebben. Clignett, Bijdr. 306, 411.
118, 382, 470. Eig. ww. lijden, dulden, te verduren hebben. St. Franc. 2296, 3334. Mnl. Wdb. II, 261. Vandaar als znw. leed, smart, zoowel van het lichaam als van den geest gebruikt. Mnl. Wdb. II, 263. Limb. I, 2416.
208, verdoemen, veroordeelen; in zwakkeren zin afkeuren, verfoeien, haten. Mnl. Wdb. doemen II, 233, 2.
435, ten gevalle van, om den wille van. Huydec. op Stoke I, 384. II, 543. B.v. Seden, gloss. - dor Gode, om Gods wille. Rein. 317:
Diet. Doctr. II, 2338:
Esmor. 900:
185. Eig. een dorpsbewoner; steeds in ongunstigen zin als Fr. vilain, van het Lat. villanus; vandaar bij toepassing boersch, onbeschaafd. Rose 2883:
Limb. IV, 138. Clarisse op Heim. d.H. p. 218. Mnl. Wdb. II, 353.
387, dreigen; in de meer of min afwijkende opvatting van waarschuwen, zijn voornemen kenbaar maken.
(droeven, droven) 463, treuren, bedroefd zijn. Walew. 2746. St. Franc. 7718, 8457. Vr. e. Minne VIII, 39. Ferguut 2270:
Flor. en Bl. 502:
10, 106, 135, 434, deugd.
413, zich wasschen, zich reinigen. B.v. Seden, gloss. dwach. - Ook wel, zooals 34, overdrachtelijk gezegd van het afwasschen van zedelijke onreinheden, het zuiveren van den door zonden besmetten mensch, Zie Mnl. Wdb. I, 220 op afdwaen en II, 490 op dwaen.
414, handdoek. Walew. 991:
Flor. en Bl. 2980:
Die doeken waren soms kostbaar, fijn van stof en prachtig van kleur; Mnl. Wdb. II, 489. Zoo wordt van purperine dwale gesproken in Ferguut, boven aangehaald op beckin. - Het Latijnsche Manutergium, volgens Isidorus, Orig. XIX, 26 a tergendo manus vocatum, komt menigvuldig voor in de geschriften der Middeleeuwen. Zie Ducange in v. - Voorts moet dwale somtijds genomen worden in de beteekenis van tafellaken; zie Walew. 948: of van servet; zie MLoep IV, 1231.
van iet 356, zich bedwingen, zich van iets onthouden, zich in iets beheerschen. Rein. 664:
Diet. Doctr. II, 496, II, 2995:
396, 426, later, naderhand. Mnl. Wdb. II, 509, vooral in verbinding met nu. Diet. Doctr. II, 3353. Walew. 106. Bgr. v. Couchi fr. II, 14. Flor. e. Blanc. 3367:
V.d. Ziel. en Lich. (Blomm. achter Theoph. p. 50) 133. Wap. Mart. I, 452:
Huydec. op Stoke I, 76; II, 239; III, 43, 400. Limb. gloss.
39, slechts één.
429, eenzaamheid, afzonderlijke plaats. Lksp. II, 4, 59, waar van Maria gezegd wordt:
Mnl. Wdb. II, 666, 3) op enicheit.
282 aarde, de grond. Zoo ook geschreven Velth. VIII, 11, 55. Rein. 4310, 5536, doch meestal geschreven erde. Zie Mnl. Wdb. II, 680.
(aerselen) 171, achteruitgaan, zich terugtrekken (Fr. reculer, Lat. retrogredi, tergiversari). Ferguut 3305:
Lksp. III, 3, 499:
Vandaar weifelen, talmen, terugdeinzen. De woorden eerselt hi niet achter beteekenen dus indien hij niet terugdeinst (voor de moeite) d.i. indien hij maar volhoudt, volhardt in het zoeken der wijsheid.
528, bnw. eeuwig.
136, bw. eeuwig. Lansel. e. Sandr. 71. St. Brand. 1147, 622:
Lancel. III, 10691:
17, 58, 128, 262, het is, is het; 98, indien het is, is het.
521, het zij - het zij. Meestal vindt men daarvoor eist - eist. B.v. Seden, gloss.
(hel) 486: niemen hel, niemand anders, geen ander persoon. Lancel. II, 11352:
Zoo ook niet el, niet anders. Carl. e. El. 1200:
349, elders, op eene andere plaats. Mnl. Wdb. II, 620. Flor. e. Blanc. 1258:
Limb. II, 73. V, 586. Diet. Doctr. III, 1577:
277, 445, ten zij. Eigl. et en zij. Zoo ook 290 het en ware. B.v. Seden, gl. en ware.
aan het werkw. vastgehecht, hem. Zoo 298: gheffene, geef hem (nam. den beker). - 301: ganckene spoelen, ga hem spoelen. - 302: brinctene, breng hem. - Ook met afknotting der laatste e; alzoo 462: weerpten, werpt hem. - Lev. o.H. 2754:
Mnl. Dist. Caton. IV, 28:
437, wes exempel van duechden, wees een voorbeeld van deugd. Dit woord komt menigmaal voor in de uitdrukkingen exempel gheven. Rein. 7774. St. Franc. 1261:
Zoo ook exempel nemen. MLoep II, 705. Ovl. Ged. III, 110, 154. Zie Mnl. Wdb. II, 763.
372, vreugde. Kar. de Gr. fr. I, 722. Sp. Hist. I, vii, 66, 12:
Lancel. II, 11934:
Vandaar het ww. festeeren, uitbundig vroolijk zijn. Lancel. III, 10165:
221 feeste van maeltijden houden, feestelijke (veel kostende) maaltijden geven.
198, wreed, onmeedoogend. B.v. Seden, gl.
14, goed, voortreffelijk in zijne soort. Lksp. gloss. Diet. Doctr. II, 1411, 1480: Om dinghen die eersam sijn Ende doegdelec ende fijn.
der wijsheit 9, 165, bron, oorsprong.
165, imperat. van gaen (ganghen). De Jager, Versch. p. 197. B.v. Seden, gloss. - Zedelessen 365 (Sp. Hist. I, viii, 69, 40):
Zedelessen 75 (Sp. Hist. I, viii, 36, 191):
Zoo ook 301, ganckene, zie op ene.
Deze onscheidbare partikel wordt in 't Mnl. meermalen weggelaten, vooral in verleden deelwoorden, zooals 377 leden, geleden. Clignett, Bijdr. p. 208. R.v. Cassam. 539, 1270. St. Brand. 493, 513, 1382. - Daarentegen vindt men ze als vormmiddel van zeer veel woorden, waarin zij thans wordt weggelaten; zoo als ghebuer 104, 205. ghecrighen 4, 133, 174. B.v. Seden, gloss. St. Brand. 594:
443, afgestegen; deelw. van beeten, Stoke VI, 466:
235 (foutieve lezing voor ghebetene, verl. deelw. van biten, afbijten; dus afgebeten, afgeknabbeld); hetzelfde alzoo wat 309 gezegd wordt: (broet) daer du af hebs gebeten. ‘Ongetwijfeld’ zoo schreef mij Dr. Stoett, ‘moet tghebene beteekenen tghebetene. Eene verandering is echter niet gebiedend noodzakelijk. Vormen als: verraenesse, verlaenesse, bedienisse, verwanesse zijn op dezelfde wijze ontstaan en niet ongewoon (Tghebetene, tghebeetne, tghebene). Het blijft evenwel een zonderlinge vorm; ook moet tghebeetne nog aangetroffen worden. Hoogst waarschijnlijk is het dan ook eene schrijffout.’
290 begeerte, uitgedrukt verlangen. Walew. 2808:
het en ware wel zijn gebod, tenzij dat hij het mocht verlangen; of, zooals 277: en zij dat hijt ghebiede.
sijn van wiuen 187. Eene uitdrukking die meermalen in den Bijbel voorkomt; zie Job XIV, 1. XV, 14. Matth. XI, 11. Luc. VII, 28. - Onze Moralist laat daarop volgen Sij moetent kennen diet lesen horen d.i. dat dit naar waarheid is, zal wel iedereen erkennen, die deze uitspraak van den Bijbel heeft hooren voorlezen, of, zoo als wij zouden zeggen, door lectuur van den Bijbel kent. Zie over dit laatste op lesen.
5, in iets te kort schieten; vandaar iets verzuimd hebben. Vaderl. Mus. IV, 343. Zeeuw Vl. Bijdr. 4, 69. Mnl. Wdb. II, 998.
(met dat. des persoons en genit. der zaak) 524, ontbreken, Lksp. I, 34, 15. Wap. M. I, 704:
St. Franc. 10145:
194, 205, buurman, nabuur. B.v. Seden, gloss. Rein. 1569:
Rein. 1973:
307: ghedincs = ghedinc des, gedenk daaraan - dat. Diet. Doctr. II, 2340:
405, begeeren, verlangen; vandaar trachten te verkrijgen. B.v. Seden, gloss. op garen. Wint. en Som. 68:
Ferguut 1259:
Het hier gegeven verbod gheer niemens wijf staat in Exod. XX, 17 en Deuteron. V, 21, welke plaatsen hadden moeten opgegeven worden in de Aant. op Strophe 100.
275: met blijden gheeste, in opgeruimde stemming des harten. - In dezelfde beteekenis staat 295: met bliden leuene.
298, geef hem. Zie op ene. - Ghef imperat. van geuen. De Jager, Verscheid. p. 201. Heim. d.H. 73:
4, 133, 174, krijgen, machtig worden. Walew. 3290. Rein. 5119. Tien Pl. 2056:
Esopet XLIII, 3:
Evenzoo gheswigen en ghederven Wint. en Som. 204. - ghedriven Ferguut 333. - ghedeeren Belg. Mus. IV, 336, 1050. - ghemercken Wint. en Som. 191.
371, vroolijk gezicht. Zie aenscijn. Rein. 7414:
hem 315, evenals hij; geconstruëerd met den datief. Esmor. 488:
d.i. evenals een vreemde doet. Hert. v. Bruysw. 178:
B.v. Seden, gl. - 160 van ghelike, desgelijks, evenzoo, op dezelfde wijze.
57, gemeenzaam, familiaar.
491, algemeen, in 't dagelijksch leven. Ter aankondiging van een spreekwoord; zoo ook bij oude Duitsche dichters:
Zie Zingerle, die Deutschen Sprichw. im Mittelalter p. 7. Verg. ook zeecht.
(ghemene) 10, even als mede en met, aan het einde van den regel, meestal rijmshalve geplaatst, tevens, insgelijks, te zamen. Mnl. Wdb. II, 1350. Lksp. III, 4, 11:
Lksp. III, 10, 138. Diet. Doctr. I, 454:
Stroph. Ged. 118, 407:
19 (van God gesproken) gunst, barmhartigheid. B.v. Seden 65. Walew. 3160:
73, 195, rust, vrede, aangename stemming des gemoeds. B.v. Seden, gloss.
hem met iet 394, zijn levensonderhoud zoeken, den kost voor zich winnen. B.v. Seden, Aant. p. 109. Hildgb. 210, 304:
Ibid. 131, 93:
Ook heeft dit ww. den genitief bij zich. Zoo Kar. e. El. 489:
sijn van iet 316, tevreden zijn met iets, voldaan of betaald zijn. Esopet VIII, 7:
Drie Dag. H. 216 (Dram. Poëzie p. 200):
Ovl. Lied. en Ged. p. 510, 511:
R.v. Cassam. 1864. Bgr. v. Couchi fr. I, 273, 525. fr. II, 2237. Vandaar hem ghepayt houden, zich tevreden stellen. Sp. Hist. I, p. 3 (Opdracht aan Graaf Floris V):
Esopet XII, 39:
Ook thans nog zegt men: iemand paaien voor iemand tevreden stellen. - Het ww. payen is het Fransche payer, betalen, voldoen, bevredigen, dat afkomstig is van paix, vrede; evenals het Latijnsche pacare van pax. Kiliaen payen, solvere, satisfacere, pacare. Mnl. Wdb. II, 1462. - Het tegenovergestelde van ghepayt sijn is ontpayt sijn, onbevredigd zijn, onvoldaan zijn. Zie voorbeelden bij Oudemans, Bijdr. V, 306.
16, slagen, gedijen; te groeter eeren gheraken, het geluk hebben tot groote eer te komen. - Elre gheraken 349, er in slagen om elders te recht te komen, een onderkomen te vinden. Mnl. Wdb. II, 1488. Vandaar goet geraect, goed uitgevallen; en, van personen gesproken, schoon. Lansel. e. Sandr. 452: Ghi sijt hovesch ende wel gheraect. Bgr. v. Vergi 1018: Scoen ende wel gheraect. Lancel. II, 24381:
61, 484, rechtvaardig; hetzelfde als 88, een man van rechte.
62, rechtvaardigheid.
bw. 444, dadelijk, terstond. Vr. e. Minne I, 733:
81 gereed; deelw. van ghereiden, in gereedheid brengen. Vr. e. Minne I, 809:
255, voor zot gehouden, als zot beschouwd zijn; zie als. Olv. Ged. III, 108, 218:
Gherekent is deelw. van rekenen of gerekenen. Zie Mnl. Wdb. II, 1533, alwaar de beteekenis van geschat worden ontbreekt.
(gaern) 263, 385, 420, 421, gaarne, met genoegen (Lat. libenter). B.v. Seden 83, 720, 753, 946, 1078. Rein. 1021. Vr. en M. IV, 123:
56, doorgaans, veelal. B.v. Seden 776, alwaar dit woord in het Gloss. ontbreekt. - Mnl. Wdb. II, 1553. 2, b.). Verdam, T. en Lbode, V, 46. Lksp. gloss. Esopet XXXIV, 25. LXI, 63:
Mnl. Dist. Caton. II, 31. Vdl. Mus. I, 191, 425:
Alex. VII, 37. Zie aldaar Franck p. 465. Lucid. 5426:
welke woorden ons doen denken aan de verzen van Claudianus de Consul. Honorii Praef. 1:
49 (met dat. des persoons) geschieden, overkomen, te beurt vallen. Walew. 9814:
Esopet LXII, 22:
Over de later ingevoegde D in dit en dergelijke verba, zie de aanteekening op castyen.
342, tweedracht, oneenigheid, twist. Rein. 7436. Bgr. v. Couchi fr. II, 37:
292, zich vereenigen met, zich aansluiten, het gezelschap zoeken. Esopet VI, 1:
340, in gezelschap zijnde van iemand, zich aan iemands zijde bevindende. Dit partic. is geen perf. maar een tegenw. tijd van ghesellet sijn. Mnl. Wdb. II, 1628, gesellen.
280, 487, gezonden. De zwakke vervoeging van senden is in 't Mnl. de meest gebruikelijke; doch men vindt ook wel 476 ghesonden, benevens ghesint. Rein. 5433. Kar. de Gr. I, 1689. Esmor. 276 (om te rijmen op kint). Sp. Hist. III, iv, 21, 62. B.v. Seden, gl. sinden; en ghesant MLoep Gloss. - Evenzoo vindt men van scenden: ghescant, ghescent, ghescint en ghesconden.
sijn 37, voor iets aangezien zijn, gehouden worden, onder of met de houeschen geteld worden. Van bijna gelijke beteekenis gerekent sijn.
hebben 122, geweest zijn. Dit verl. deelw. van sijn wordt meestal met hebben als hulpwerkwoord vervoegd. Esopet XXXIV, 25:
Rein. 4436:
Hist. v. Troy. 9349:
Zoo ook: Ferguut 3643, 4012. MLoep I, 1296; II, 1079; III, 36. Lksp. I, 25, 41; II, 24, 101. St. Brand. 1440. Lancel. II, 11495. Bgr. v. Vergi 327. Bgr. v. Couchi fr. I, 533, fr. II, 256. - Daarvoor vindt men ook wel hebben gewesen, geweest zijn. Lancel. III, 10197. Esmor. 719. Ovl. Ged. III, 111, 465. Kar. de Gr. I, 397. Clignett, Bijdr. p. 171. Franck, Inleid. op Alexander p. LXXXV.
250, hooge afkomst, adellijke geboorte. Parthon. 5685:
Rein. 3686:
sijn 339, bestemd zijn tot iets, aangesteld, aangewezen voor iets, in een of ander toestand gebracht.
448, zie upstrecken.
tot iet 107, zich tot iets zetten, zich aan iets wijden. Stemmen uit den Voortijd 47: (Laten wi) setten mit geheelre herten op die sonden te laten ende ons totter duecht te gheven. Mnl. Wdb. II, 1800, 5). St. Amand II, 4326:
295, zich verwaardigen, niet beneden zich achten. St. Franc. 9791. Mnl. Wdb. II, 1892.
289, gingt gij. Zie op DI.
78, 245, 247, 299, bezitting, goed. B.v. Seden, gloss. Dus hoep van goede 133 hoop op het verkrijgen van bezittingen, hoop op rijkdom.
326. In de uitdrukking yement goeders moest dit woord eigenlijk luiden goeder, daar het de 2de naamv. meerv. is van het zelfstandig gebruikte adjectief goet. Dat de s later achter den genitief-uitgang is geplaatst, moet toegeschreven worden aan den invloed van een uitdrukking als iemen anders. Zie Stoett, Etymol. § 128. De woorden yement goeders beteekenen dus iemand der goeden, d.i. een goed man, een fatsoenlijk man. - Zoo ook der bester een in Lancel. III, 26689.
97, goedaardig. Eig. 2de nv. van goede tiere, goede soort. Kiliaen benignus, mitis, lenis. - Het tegenovergestelde is quadertiere. Mnl. Wdb. II, 2026.
335, vroom. Kiliaen, god-saelich, pius. MLoep I, 964:
462, genade, gunst door God aan den mensch verleend. B.v. Seden, gl. Winter en Somer 1:
473, op eene wijze, waaruit gramschap, toorn of woede blijkt; dus verwoed. Mnl. Wdb. II, 2103. Parthonop. 5059. Limb. V, 1152:
115, 388, verdriet, zieleleed. Rein. 186. Walew. 8101:
goed 207, veel goeds. Zoo ook 208, groet quaet, veel kwaads.
383. Eig. de bodem, het ondervlak van een lichaam; vandaar de grond van. het hart, het diepst van het gemoed. Mnl. Wdb. II, 2171. Kiliaen verklaart grond door aard, en quaden grond door mala mens, malus animus, mala indoles. Hildgb. 87, 43:
Esmor. 931:
Mnl. Rijmspr. II, 9:
Bgr. v. Couchi fr. II, 343:
in zinen gront is dus wat men ook thans nog zegt in zijns harten grond, evenals vroeger. Zie Lansel. e. Sandr. 272. Lksp. III, 4, 419. Bgr. v. Couchi fr. I, 60; II, 1397. R.v. Cassam. 1258:
Deze letter staat menigmaal, vooral in het WVlaamsch en aangrenzende dialecten, vóór woorden die met een vokaal beginnen. Voorbeelden, die in dit gedicht gevonden worden, zijn: hachten 100. - heer 483. - heet 317, 321. - heffen 285. - hel 486. - hende 422. - hoghen 117, 243, 408. - houde 352. - hu 47, 79, 196, 212, 215, 222, 448. - hueren 103, 206. - huut sturten 300. - huut trecken 448. - huut werpen 146.
En omgekeerd wordt soms - doch niet zoo menigvuldig - de H weggelaten, zooals: arde 20, 180. - et 241. - ouerdich 252, 254, 460. Zie B.v. Seden, gloss. Mnl. Wdb. III, 1.
445, spoedig, weldra, na korten tijd. - 518, haestelic in gaen, haastig, driftig naar binnen gaan.
113, behooren bij, verbonden zijn aan. Mnl. Wdb. III, 80 β).
20, 180, zeer, in hooge mate, geweldig. Kar. de Gr. 1973:
Rein. 656:
Clarisse op Heim. d.H. p. 308. - Men vindt daarvoor ook wel geschreven herde; zie Mnl. Rijmspr. II, 18. Lancel. II, 11237; III, 10668. Lksp. III, 17, 61, 104. - Het daarbij staande adject. of adverb. krijgt daardoor nagenoeg de beteekenis van een superlatief. Men vergelijke het Latijnsche valde, dat eigenlijk is valide, adverb. van validus, sterk. Ook het Fr. fort komt daarmede overeen.
458, hier en daar, op verschillende plaatsen. B.v. Sed., gloss.
zie op DI.
483. Zie letter H, een die eer en achting verdient.
418, iemand noemen, iemand den naam geven, van iemand iets zeggen.
285, effen gelijk, nevens iemand, aan iemands zijde. Zie letter H.
153, geheime zaken. Elders verholen dinghen genoemd in ditzelfde voorschrift; Spieg. d. Jong. 137:
486: niemen hel, niemand anders. Mnl. Wdb. II, 608. Zie letter H.
28, 29, heilig. Helegher 2de naamval. Stroph. Ged. p. 138, 209:
348, zijn intrek nemen, overnachten, logeeren. Esopet XII, 2. Walew. 6253. St. Franc. 4325. Bgr. v. Couchi fr. I, 49. Rein. 1107:
Flor. e. Blanc. 1942:
121, 177, 409, het hart, als uitdrukking van het denkvermogen. Segh. 168:
Mnl. Wdb. III, 301 b). Zoo ook wordt in 't Latijnsche recordari, dat is in memoriam revocare, het hart (cor) verondersteld als de zetel van het geheugen.
290, tenware het, het moest dan zijn, met uitzondering dat het was.
426, in dit leven, hier op aarde; als staande tegenover teeweghe leuen. - Komt in beteekenis overeen met in desen dale.
161, zich in acht nemen voor iets. Ruusb. I, 158,
Rein. 3610, 3616: Heer coninc, hoet u wel van desen!
Mnl. Wdb. III, 463. Stoett, Synt. § 15, 2.
224, op zijne hoede zijn, zich in acht nemen. Mnl. Wdb. III, 458. Heim. d. Heim. 1697:
Lancel. 43890 (Rom. v. Moriaen 1355):
Zoo ook in hoeden staen. St. Franc. 2319: Hi stont altoos in sire hoede. Doch ook, zooals thans, vp (= op) sijn hoede zijn 490.
117, 243, 408 oogen. Zie letter H.
278, 414, wellevend, beschaafd, welgemanierd.
297, op hoofsche, wèl passende wijze. Parthonop. 548. Eigenlijk zooals het een hoveling betaamt.
503, mijn begrip houdt dit staande, dit beweer ik, dit is mijn gevoelen; of, zooals 58 staat: aldus eist dat ic meene. De beteekenis komt overeen met MLoep II, 1808:
13, kleine hof, tuin, bloembed. De uitgang kijn geeft eene verkleinende beteekenis. B.v. Seden, gl. op deelkijn. Zie ook bouxkin.
54, 203, 423, hoogmoed, trotschheid. B.v. Seden, gloss. Heelu 1249:
St. Amand I, 1139:
37, hetzelfde als hoofsch. B.v. Seden, gloss. Vr. e. Minne Gloss. Walew. 2766. St. Franc. 301, 4740. Lksp. III, 2, 83:
433, hoffelijkheid, beleefdheid. B.v. Seden, gloss. Vr. e. Minne Gloss.
zie letter H.
509, huwbaar. Meest hubaer geschreven. Mnl. Wdb. huwbaer. B.v. Seden 379:
370, huisgezin d.i. de gezamenlijke dienaren, bedienden of onderhoorigen. MLoep II, 3154:
Om zoodanige personen aan te duiden, gebruikten de Romeinen het woord familia, verwant met famulus. Zie o.a. Phaedrus IV, 21, 23. - Ghesinde voor gezin. Zie De Jager, Lat. Versch. p. 246, en Mnl. Wdb. II, 1648.
300, uit. Zie letter H. Alzoo huutsturten en huutwerpen.
510, doen huwen, uithuwelijken; hetzelfde als B.v. Seden 380 te manne gheuen. Mnl. Wdb. III, 781 (Lat. nuptum dare, maritare, collocare matrimonio), Matth. Analecta III, 354: ‘Een eenige dochter, die hy gehylict had aen des conincs soon van Vrancryc.’
407, iemand. B.v. Seden, gloss. - Gewoonlijk een der verbogen naamvallen, zooals 479.
295, 326, iemand.
doch van doen, 79, 116. - doech van dogen 147. - ganc van gaen (ganghen) 165. - gef van geven 261, 298, 318, 373, 436. - les van lesen 178. - stec van steken 319. - verdrach van verdraghen 490. - vrach van vraghen 177, 329, 333, 344. - wes