terug  begin  prepost
[p. 75]

Glossarium.

A.

Achter bliuen

129 nagelaten worden, onvervuld of onvolvoerd blijven. Velth. VII, 15, 40:

 
Die dinc, die ember moet gescien, En soude daerom niet achterbliven.

Mnl. Wdb. I, 22 c, MLoep I, 940:

 
Soe moet by wilen daer gheschien, Dat beter after waer ghebleven.

Het woord kan alzoo gelden voor het passief van achterlaten, nalaten; even als voren comen van voren bringhen.

Achter eerselen

171 zie eerselen.

Aenscijn

(anscijn) 407 aangezicht, gelaat; spreect di yemene in zijn anscijn, spreekt iemand tot u met zijn aangezicht naar u gekeerd. Lansel. e. Sandr. 886:

 
Ende doen keerdese haer anschijn van mi.

Ook als uitdrukking van het inwendig gevoel; zoo 450: met blijden aenschine, met een vroolijk gezicht; hetzelfde als 371: blide ghelaet. MLoep II, 2821:

 
Ende als si uut dier dwanghe sijn So leven si in blijden aenschijn.

II, 4096: Si was in zeer bedructen aenschijn, d.i. Zij zag er zeer bedrukt uit. Mnl. Wdb. aenscijn I, 137 b.

Aensicht

441. Van gelijke beteekenis als het voorgaande. B.v. Seden gloss. ansicht. Walew. 3783. Alex. V, 189. - Dat beide die woorden volkomen dezelfde beteekenis hebben en dus onverschillig zelfs in dezelfde spreekwijze gebezigd zijn, blijkt wel duidelijk uit vergelijking van Walew. 8208 en Limb. VI, 178. In beide plaatsen is sprake van het werpen van water in iemands aangezicht; doch in het eerstgenoemde dichtstuk staat ansicht en in het laatste ansciin.

Aermoede

77, 223, 469 armoede. B.v. Seden, gloss. arem.

Aert

185 geaardheid, inborst. Beatr. 352: van dorpers aerde. Hildgb. 3, 181: een Vriese ruut van aerde. Mnl. Wdb. I, 195, 3). Ovl. L. en Ged. p. 154:

 
Wi willen van den kerels zinghen, Si sijn van quader aert.
[p. 76]

Aflech den wech

345 leg den weg af, volbreng uwe reis; imperat. van aflegghen. Zoo ook 284 vorgaestu hem, gaat gij vóór hem.

In beide vormen is het afscheidbaar voorvoegsel onafgescheiden gebleven. Ziehier eenige andere voorbeelden:

Gerl. Peters 234:

 
Afhael dat decsel, reynighe dat ghesichte.

Vad. Mus. II, 176, 20:

 
Die ghevet ende hem na beclaecht, Den danc siere gichte hi afvaeght.

Stemmen u.d. Voortijd 26:

 
Nae den anderen Pater Noster ofdede hi alle sunden.

Sp. Hist. II v. 14, 115:

 
Want hi (die duvel) den mensce ofjan altoes Die salicheit di hi verloes.

Sp. der Jong. 481:

 
Ende aenroept altijt God almachtich.

Vergelijk ook in de St. Vert. Ps. XXV, 18, 19. Matth. VI, 26, 28. Luc. XII, 27.

in Accoorden vallen

220 den strijd bijleggen, zich verbroederen, verzoenen. Amand. II, 4639:

 
Ende daden met vriendeleken woorden, Dat si ondercusten met accoorde.

Accoort is alzoo verzoening, verbroedering. Mnl. Wdb. I, 305. - Het tegengestelde is discoort (Lat. discordia). Mnl. Wdb. II, 212.

Sp. der Jong. 349:

 
Valt daar twist, spreekt int bescheyt, Ende selue en maect gheen discoort.

Al

84 geheel en al, in alle opzichten. Mnl. Wdb. I, 323. Ook wel gansch, in zijn geheel; zooals 525: hier is dit bouxkin van Zeden al, hier is dit boekje in zijn geheel, hier eindigt het, hier is het uit. Zie het artikel Al in Nederl. Woordenb. II, 81. Zoo schreef Maerlant aan het slot van het derde boek van zijnen Alexander:

 
Die derde bouc gaet hier uut.

In Latijnsche HSS. staat menigmaal, waar een boek van eenig geschrift of ook het geheele geschrift eindigt, het woord Explicit, dat Facciolatus verklaart door desinit, completus est liber en dat behoort tot de verba defectiva. - Zie ook de verzen in het HS. van Ferguut aan het einde door den copiist geplaatst en in de uitgaven opgenomen.

Alder wijs gaen

374 naar elders gaan (Lat. abire aliorsum, Fr. ailleurs); hier afscheid nemen en naar huis gaan. - Van gelijke beteekenis is elderwaert. Rom. d. Lorr. I, 929:

 
Dat ghi daer ute niet en vaert Teneger stat elderwaert.

Als (alse)

284, 289 du does als dwaes, gij handelt als de (een) dwaas. Meestal heeft als het lidw. die achter zich met een bvnw. als znw. gebruikt, als omschrijvende adverbiale uitdrukking, b.v. als die wise, als die sotte, als die domme. Zie Mnl. Wdb. I, 363. Enkele malen, zoo als hier, ontbreekt dit lidwoord. Zooals Sp. Hist. I, iii, 21, 21:

 
Paulus seidem, niet alse sot.

Zie ook sot gerekent.

Alsoe van ghelike

159 evenzoo, insgelijks, op gelijke wijze.

Al te male

428 ten eenen male, geheel en al. Mnl. Wdb. I, 379. Parth. 8275:

 
Van diere groter quale Waerstu genesen altemale.

Rein. II, 6803: vrou Rukenauwe

 
Deden tuschen hooft ende steert Sijn haer altemael of scheren.
[p. 77]

Alst es te doene

63, naar gelang het te pas komt, behoort gedaan te worden, naar omstandigheid.

Amye

137 bijzit, maîtresse. Walew. 8779. Lksp. II, 46, 944. Kar. de Gr. I, 187:

 
Ic hadde liever in dese noet Met enen man te gaen om broet,
 
Dien ic hadde wettelike, Dan sconinx amie van Vrankerike
 
Tsine al mijn leven lanc.

Ovl. Ged. II, 110, 98:

 
Papen ende wethouders die houden amien, Boven haer belof van trouwen.

In dien zin zegt de kuische Sandrijn tot Lansel. 105:

 
Ic en wil niet wesen enich mans vriendinne,
 
Maer ic wille gerne gherechte minne Draghen sonder dorpernie.

Op gelijke wijze amijs voor het mannelijk geslacht pol, boel, minnaar; Lksp. III, 9, 118. Walew. 7847. Bgr. van Couchi fr. II, 27:

 
Na dat ic ghemerken can Ende ic menichwaerven zie,
 
So es het amijs ende amye.

En zoo moet soms vrient in de beteekenis van minnaar worden opgevat, als b.v. van Orfennes gezegd wordt MLoep I, 2771:

 
Enen heymelicken vrient hadsi verkoren.

Amman

139 dienaar, ambtenaar. B.v. Seden gl.

Anebede

25. Gebied. wijs 2e pers. enkelv. van aen- of anebeden aanbidden. Lksp. II, 9, 157.

Anslaen

304 de hand slaan aan iemand of iets, aangrijpen, aanvatten. Kiliaen: manus inicere. Mnl. Wdb. aenslaen. Sp. Hist. III i. 18, 12:

 
Entie duvel slouch hem an Diene doodde cortelike.

Ant tboert

306 aan het boord, aan den rand. Eig. staat hier eene T te veel; evenals ondert tnet, overt tfelt, hetgeen waarschijnlijk de schuld van den overschrijver is.

Antrecken

211 aanhalen, tot zich trekken, voor zich winnen, voor zich innemen. Mnl. Wdb. I, 167.

Arde

20, 180, met weglating der H geschreven voor harde, zeer, in hooge mate. Heiml. d.H. 1047:

 
So coemt ene vuchtheit suaer Ende .I. roec, en veruulet daer
 
Die maghe, entie sijn arde quaet, Ende tgoene ten ersenen gaet.

Arem

402 arm. B.v. Seden gloss. St. Brand. 1467:

 
o Wij! onsalich ende arem man.

Assonance.

Van deze dichterlijke vrijheid - wellicht beter gezegd: onnauwkeurigheid - vindt men bij onzen Moralist twee voorbeelden; daar toch moet worden voor lief genomen dat in v. 62 cleeft rijmt op zeecht, en in v. 372 vulmaect op ghelaet. Zie hetgeen ik over onzuivere rijmen, een ook bij de beste dichters voorkomend verschijnsel, gezegd heb in de Inleiding op Die bouc van Seden, bl. IX.

Auonture

459 lot, lotgeval, wederwaardigheid; (Lat. fatum, fortuna) het zij goed of kwaad (Mlat. aventura, zie Ducange). - Dat bij onzen Moralist voor quade moet gelezen worden goede (ook wel guede geschreven),

[p. 78]

blijkt uit sors prospera van Facetus; doch ook de zin zou zulks vorderen, daar toch wel niemand hoovaardig zijn zal op zijn ongeluk. - Waar Stoke VII, 1199 ditzelfde voorschrift geeft, gebruikt hij het woord gheval, dat als eene vox mediae significationis in goeden zin moet worden opgevat:

 
Al ghesciet di een gheval, Ne maecker of gheen ghescal,
 
Ne wes niet blide, mer dancs Gode, Ende stant altoes tsinen ghebode.

evenals Walew. 2279, 5702; terwijl dan het tegengestelde ongheval heet.

Autaer

41 altaar. Rein. 2980:

 
Ende ghinc ghereden sinen autare, Ende began singhen ende lesen.

Ook outaer geschreven R.v. Cassam. 381. Lancel. III, 10163. Alex. V. 927.

B.

Baten

312: wat di baten moghe, al mocht het u gemak aanbrengen, helpen. Eigenlijk: tot voordeel zijn. Mnl. Wdb. I, 600.

Beede,

beide; niet slechts in 't rijm zoo geschreven, als 45, Rein. 147; maar ook buiten het rijm: 31, 38, 44, 192, 304, 305, 325. Rein. 42, 408.

Beede

45, 192, als voorafgaande aankondiging dat twee personen of zaken of toestanden zullen genoemd worden. C. en Eleg. 228, 234. Diet. Doctr. III, 1404. Mnl. Dist. Caton. II, 27. St. Brand. 1726.

Beeten

431, 443 afstijgen van paard of ander trekdier. R.v. Cassam. 437:

 
Ende alse hi quam op die riviere, Beette hi vanden orse sciere.

Flor. en Bl. 1055. Ferg. 230, 235. Lksp. II, 9, 59. Walew. 1522, 8819. C. en Eleg. 162, 677. Limb. gloss. Mnl. Wdb. I, 1148 beten. - Ook vindt men afbeten Vr. en Minne VIII, 129. Parthonop. 537, en ofbeeten. Esopet XX, 21 en nederbeeten, Walew. 7520, 10156. Bgr. van Couchi fr. II, 2428:

 
Hi beette neder ende bant Sijn pert vor die tente daer.

Nog verdient opmerking dat beeten in 't algemeen beteekent nederdalen, en dus ook zelfs van een vogel gezegd wordt die naar beneden vliegt. Zoo b.v. Lansel. en Sandr. 868:

 
Ende dat daer quam van hogher aert Een edel valcke van groter weerde
 
Ende beete neder op ene gheerde.

Begheeren

358 ww. als znw. gebezigd, begeerte. Rein. 6635:

 
Condi wel lieghen, ende die waerheit sparen,
 
So seldi hebben al u begaren.

Begheuen

511 zenden, doen gaan; vooral in verbinding met in een klooster. Mnl. Wdb. I, 701. Rein. 1481:

 
Ic maectene monc ter Elmare, Daer wi bede begheven waren.

Rein. II, 4511. Sp. Hist. III, viii. 68. 17. - Een begeven man (verl. deelw. van hem begheven) een kloosterling, monnik, iemand die zich van de wereld heeft afgezonderd door het doen eener kloostergelofte. Vr. en Minne XI, 73. St. Franc. 1865:

 
Tien tiden alsic geweten can So was een begeven man,
 
Die in die cruuste ordine was.
[p. 79]

Ren. v. Montalb. II, 914:

 
Hi (Ywe) heeft opghegheven sijn rike, Te Beverspaer es hi begheven,
 
Daer wil hi wesen al sijn leven.

Evenzoo vindt men dit ww. gebezigd van eene maagd, die zich aan het priesterschap heeft toegewijd. MLoep II, 2615:

 
Voertijts, inder ouder ee, Was een maecht, heet Cydipe,
 
Begheven in Dyanen tempel. Si was schoen, guetlic ende sempel,
 
Ende leefde dair in sulker wonne Volna als mit ons doet een nonne.

Huydec. op Stoke III, p. 449, Clignett, Bijdr. p. 409.

Begripen

442 berispen, laken, afkeuren (Lat. reprehendere). Mnl. Wdb. 1, 716. B.v. Seden gl. Lksp. II, 43, 41.

 
Vele liede sijn die poghen Hoe si andere begripen moghen
 
Ende sien in anders oghe een mul, Dies si beide oghen hebben vul.
 
Daer omme moeten hem die vroeden Jeghen die begripers hoeden.

Behendelike

436 stil, heimelijk, zonder dat het door anderen gemerkt wordt. Fl. en Bl. 1657.

Behoeden

516 bewaren, beschermen, in stand houden.

Behoeder

210 beschermer. Mnl. Wdb. I, 743 Sij dijns selfs behoeder, wees uw eigen beschermer, d.i. tracht onafhankelijk te worden en geen hulp van anderen noodig te hebben.

Behouven

522: hem behouft, het is hem noodig, het is zijn plicht. Maerl. Hist. v. Troyen 3919:

 
-- Hem behoeft ghestade Te sijne van talen ende van rade.

Sp. Hist. III, iii, 13, 73:

 
Nu behoeft ons sekerlike dat wi varen.

Becant

(deelw. van bekennen, erkennen), 414: hets hoofsch becant, het is of wordt daarvoor (algemeen) gehouden. In dien zin staat 433: hets houeshede. Het woord becant is uitvoerig besproken door Van Helten in Tijdschr. voor Nederl. T. en Lk. III, 102-105.

Beckin

411 bekken, waschkom, meest dienende tot het wasschen der handen vóór den maaltijd (Lat. pelvis aquosa). Parthonop. 547:

 
Gherne haddi een lettel gheten, Ende ghinc hoofscelike hande dwaen
 
Ten beckinen daer hi se vant staen.

Ferguut 3676:

 
Die ene joncfrouwe die tafle leide,
 
Dandere brochte becken ende dwale Ende hieten dwaen --

Bij de vermelding van het handenwasschen vóór den maaltijd bedenke men dat dit oudtijds zooveel meer dan thans behoefte was, omdat men het gebruik van vorken nog niet kende. - Ook na den maaltijd, als die tafle was opghedaen, voor dat de wijn zou worden opgezet, bracht men andermaal water voor de gasten. Zie Ferguut 856. - Deze waschkommen waren in de woningen der ridders veelal van goud. Walew. 986:

 
Doe brochte men Waleweyne saen Een beckijn van roden goude,

zelfs wanneer zij 's morgens gebruikt werden voor het wasschen der voeten. Ferguut 256:

 
Men brochte hem dat water saen In enen guldinen beckine
 
Ende ene dwale purperine,

alwaar in de voorgaande verzen gezegd wordt, dat dit plaats had, toen het dachgrake d.i. dageraad was.

[p. 80]

Belet

105 beletsel, belemmering, hindernis. Mnl. Wdb. I, 842.

Beleuen

527 naleven, opvolgen, betrachten. Mnl. Wdb. I, 844, 1). Ovl. Lied. en Ged. 495, 140:

 
Twoort Gods ghehoort es medicine Der zielen als ment te belevene pine.

d.i. als men zijn best doet er naar te leven.

Belof

125 belofte; enen belof doen (Lat. votum facere) iemand op meer of min plechtige wijze iets beloven. Mnl. Wdb. I, 859. Hildegb. 234, 202:

 
Nu haesten si daer mede ende scheiden daer of
 
Ende doen den priester schoen belof Dat men die sonden laten sel.

Doch belof doen beteekent ook wel zijne belofte nakomen, Alex. I, 657. Lksp. III, 3, 110:

 
Want waer - ghi niet en doet u belof, Ghi souter scande hebben of.

Belofte

338 (znw. onzijdig gebruikt): tbelofte breken, niet volbrengen wat men beloofd heeft; waartegenover kan gezegd worden belofte doen, wel volbrengen. Rijmb. 7879:

 
Soe seide: Vader, doe dijn belof.

ic Bem

316, waarvan de 2e pers. du best.

Beraden

390 bewerken, bereiden, meestal in kwaden zin, brouwen, berokkenen. Mnl. Wdb. I, 901, 2 b. Rein. 1790:

 
Die scalcheit es hem binnen gheboren, Dat si den goeden beraden toren,
 
Dat wreke God up haer leven.

Esmor. 554:

 
Vele spreken heeft in meneghen stonden Dicwile beraden toren.

Beraden

deelw. van hem beraden, als bvnw. 20: wel beraden, verstandig, wijs; het tegendeel van ons tegenw. onberaden; Mnl. Wdb. I, 9. A 2. - haestelic beraden 74, spoedig beslist, tot dezen raad gekomen, vandaar bereid, genegen tot iets. Mnl. Wdb. I, 909, 7).

hem Beromen

365, 455, zich beroemen, bluffen op iets. Cassam. 524:

 
Jonge lieden en souden dus Hen selven so sere beromen niet,
 
Want nets misselic wat gesciet.

Heeft den 2en naamval bij zich. Maerl. Stroph. Ged. 82, 77. Esopet XL, 14:

 
Dine quaetheit, daer du di af beroemet.

Beseuen

353 deelw. van beseffen, bemerken, ondervinden, ervaren. B.v. Seden gl. St. Franc. 1261:

 
Selve heefti wel beseven Dat hi te spegele es gegeven.

Daarvoor ook wel beseeft, Lancel. III, 26689:

 
Gij sijt der bester een die leeft, Ic hebbe uwer slage genoech beseeft.

Bescreven

96 te boek gesteld, vermeld in een of ander geschrift. Hier wordt de Bijbel bedoeld, t.w. het Boek der Wijsheid I, 11. - Op gelijke wijze Rijmb. 3347:

 
Pauwels - daer wi af bescreven horen,
 
Die teerst een moordadech man was,

waar gedoeld wordt op hetgeen Hand. IX, 1, van Saulus geschreven staat.

[p. 81]

Besloten

167 deelw. van besluten, insluiten, wegbergen, verzegelen. Rose 3685:

 
Mine rosen, die ic ommuren sal Ende so besluten overal,
 
Datse die quade knechte en sel No gewinnen noch bestelen.

du Best

88, 269, 415, 444, gij zijt. - bestu 291, 299, 335, 339, 475, zijt gij.

Bet

129 beter, geschikter. B.v. Seden, gl. Dit bijwoord heeft niet den vorm maar wel de beteekenis van een comparatief; doch later, toen men dit niet meer gevoelde, heeft men er den comparatief-uitgang er achter-gezet. Zie Stoett, Etymol. § 131. Theoph. 273:

 
Ic mane u bi uwer wet, Dat ghi u bepenset bet;
 
Bepeinst u bat op dese sake.

Uit deze plaats blijkt tevens dat voor bet in volkomen gelijke beteekenis ook bat wordt gevonden. Rein. 255. Melib. 1011:

 
Die swighere merct bat ende verstaet Dan die met vele sprekens ommegaet.

Betoeghen

469 toonen, laten, blijken. Lucid. 2121:

 
Dat hi na den XLsten dage wilde betogen gewaerlike,
 
Dat hi voer in hemelrike.

Mnl. Wdb. I, 1150. Zie ook toghen op toecht.

hem Bewinden

498 zich met iets bemoeien; heeft den genit. bij zich. Lksp. III, 15, 4. MLoep I, 1703:

 
Des soudic my bewinden node

evenals onderwinden, dat dezelfde beteekenis heeft. B.v. Seden, gl.

Bewint

504 bemoeiing, bestier. Sp. d. Jong. 209:

 
Wildy leuen in goeden vrede,
 
Maect uwen staet van cleynen bewinde.

In dit spreekwoord staat onderwint in Prov. Comm. 458:

 
Luttel onderwindes brenghet vele vrienden an.

alwaar voor vrienden zal moeten gelezen worden vreden; immers staat in het daarbij geplaatste Latijn:

 
Pauca gubernare pacem solet hoc generare.

Bewist

390 deelw. van (hem) bewissen, zich zekerheid verschaffen, zich vergewissen. Es die viant bewist te voren (in den voorgaanden regel staat vorwist) heeft uw vijand vooraf kennis gekregen van hetgeen hem gedreigd werd, is hij vooraf gewaarschuwd. Zie Lksp. gloss. op wissen.

Bi

331 nabij; verre of bi, verre af, of in de nabijheid. Lksp. II, 5, 125. Wap. Mart. III, 175. Bgr. van Vergi 294. Bgr. van Couchi fr. II, 201:

 
Weder het verre was of bi.

In gelijke beteekenis verre ende naer. Lancel. II, 14067, 44279 (Rom. v. Moriaen 1734); zoo ook bi ende breet Diet. War. I, 408, 24.

die Bi di sit

314 hetzelfde als 317 daer du met heets, uw dischgenoot of hij die met u uit denzelfden schotel eet. B.v. Seden 634.

Bi

91, 334, door. Esopet XIV, 23. Flor. en Bl. 891, 3132:

 
Mi wondert harde in minen sinne, Bi welker list ghi sijt comen hier inne;
 
Ic waent al bi gokelien es.
[p. 82]

Bidden

om broet 64, brood bedelen d.i. liefdegaven vragen voor het koopen van de noodzakelijke levensbehoeften. Lksp. III, 4, 148. St. Franc. 3739:

 
Ginc hi dan van dure te dure Broot bidden onder die gebure.

Vandaar brootbidder, bedelaar. St Franc. 487. Flor. en Bl. 3195, alwaar van vrouw Fortune wordt gezegd:

 
Enen biscop maect soe van enen truant
 
Ende enen broetbidder van enen clerc.

B.v. Seden, gloss. In de beteekenis van bedelen wordt ook wel gezegd om broet gaen. Kar. de Gr. I, 188.

Bitter

119 hier van den dood gezegd, treurig, bedroevend. Bgr. van Vergi 900. Lansel. e. Sandr. 830:

 
Daer sal die meneghe om besueren
 
Die bitter doet, dat wetic wel te voren.

Blame

spreken van enen 181 schande van iemand spreken, hem hekelen. - Elders onwaerde spreken 186. - Van gelijke beteekenis is lachter spreken met den 3den nv. des persoons, die belasterd wordt. Flor. en Blanc. 3480:

 
Hoe ic die mesdaet best ghewreke, Dat mi tfolc gheen lachter en spreke.

en enen onnere spreken, iemand uitschelden, tegen iemand uitvaren. Lancel. II, 11225.

Blame

vlien 496, schande ontgaan, vrij blijven; nagenoeg hetzelfde als gheene blaem te ontfaen. Bgr. v. Couchi fr. II, 1422 en ongheblaemt bliuen. Sp. der Jong. 28.

Blijfdi

342 gij blijft. Zie DI.

Bloet

91 persoon, mensch; ook nog heden in die beteekenis gebruikelijk, doch zonder de minachtende bijbeteekenis van thans. Mnl. Wdb. I, 1313, 5. Gloriant 72:

 
Die coninc van Averne es een edel bloet.

Vaderl. Mus. I, 310, 86:

 
Het es er vele die op u liden
 
Ende bederven onscalke bloede.

Bloet

(bloot) van iet 416, ontbloot van iets, verstoken van, zonder. - es de tafle van dienste bloet, is de tafel zonder bediening, zonder dienstpersoneel. Zoo staat bij Hildgb. 115, 86: bloot van goede en 122, 64: van haven bloot. Mnl. Wdb. I, 1321, 4. Kar. de Gr. fr. I, 1719:

 
Nochtan wiste menech genoet Dat mijn vader doe was bloet
 
Beide van goede ende lande.

Eigenaardig wordt den winter verweten in Wint. en Som. 369:

 
Want ghi hebt die coude soe groet; Mi dunct ghi sijt van clederen bloet.

Gelijke beteekenis heeft naect in v. 253 en quite in Ferguut 2142.

Blommen

12 bloemen, het voortreffelijkste van iets, de schoonste plaatsen uit een schrijver. Amand II, 972:

 
Menighe gracieuse blomme
 
Huter scriftueren hi hem besprac.

Sp. Hist. I, iii, 47, 41:

 
Dese bloemen hebben wi besocht
 
Ute Aristotiles bouken.

Mnl. Wdb. I, 1311. bloeme 6). Vergelijk ons bloemlezing, en het Gr. anthologie.

[p. 83]

Boert

306 boord, rand, b.v. de bovenrand van een beker. B.v. Seden, gl. bort. Kiliaen: boord, rand van den pot, labrum, margo, ora poculi. Vgl. thans nog boordevol.

Borghe

420 borg, d.i. iemand die zich verbindt ter voldoening eener schuld bij gebreke van betaling door den hoofdschuldenaar. Mnl. Wdb. I, 1379. - Vandaar borghen 421 borg blijven, zich borg stellen. B.v. Seden, gloss.

Borghen

396 te goed houden, uitstel van betaling geven. B.v. Seden, gloss.

Bouxkin

525 klein boek. Lksp. I, Voorr. 22 en I, 14, 75. - De uitgang kin of kijn geeft eene verkleinende beteekenis. B.v. Seden, gloss. Zoo zegt de schrijver van MLoep III, 45:

 
Ic en hebbe des ghenen hope
 
Dat ic dit wercskijn sal volbringhen.

Bringhen

enen in scaden 500, iemand schade berokkenen, benadeelen. Rein. 6455, 6996:

 
(Ghi hebt) mi ghebrocht in groten scaden.

Zoo ook 223 in aermoeden bringhen, arm maken, is overeenkomstig ons tegenwoordig taalgebruik.

Brinctene

302. Zie op ene.

Broet

bidden 64. Zie bidden.

Burse

380 beurs, geldbuidel. St. Bernard. Epist. (Denkm. III, 9) 191:

 
Want huse sterc ende burse wan Maken zelden wisen man.

B.v. Seden 528 staat borse, dat aldaar in 't Gloss. vergeten is. - Ook elders wel met O geschreven. Zie Mnl. Wdb. I, 1385.

D.

ghi Daet

= dadet 289, gij zoudt handelen; 2de p. impf. conj. Rein. 24:

 
Daden si wel, si soudens begheven.

Dal

391: in desen dale, hier op aarde, hier beneden. Zedelessen 379 (Sp. Hist. I, viii, 70, 3):

 
Want wi alle onse zinne geven, Hoe dat wi dit corte leven
 
Gheneren moghen in dit dal.

Zie verder Lksp. II, 30, 31. Stroph. Ged. gloss. Hildgb. 64, 262; 120, 64; 157, 50. - Ook wel in dit aertsche dal Ibid. 210, 221. Mnl. Wdb. II, 43. Zie ook op hier. - Vergelijk ons tranendal.

enen in Dancke staen

480, iemand dankbaar zijn, dankbaar blijven. Mnl. Wdb. II, 62.

Danne

175 dan, alsdan. Sp. Hist. I, iii, 55, 7. Rein. 2142:

 
No dor lief no dor leet
 
Sone salt danne bliven verholen.

Mnl. Wdb. II, 50.

Dar

196. Eerste pers. van dorren, durven. B.v. Seden, gloss. Lksp. II, 20, 63:

 
Ic en dar niet also wel als ghi Hem toespreken.....
[p. 84]

Dat

159, of.

Datture

325, dat du er.

Di

aan het ww. vastgehecht gij. Zoo vindt men hier: blijfdi, gij blijft 342. - ghincdi, gingt gij 289. - hebdi, gij hebt 192. - leefdi 136. - moghedi 16. - moochdi 438. - suldi 216, 222. - wildi 195. - wildijt, wilt gij het 15. - Lev. o.H. 1383:

 
Wat ghedachten hebdi dan?
 
Wildi, ghi levet emmermeer, Waer omme gadi dan in dit seer?

Dienen

voer yemene 411, voor iemand bestemd zijn.

Diennen

433, behulpzaam zijn, te dienste staan; met dubbele n geschreven. Zoo ook B.v. Seden 634. Lancel. II, 11352; III, 10373:

 
Bedie diere gelike dat ic plach
 
Te diennen den heilegen Grale Alsic ertsch man was also wale
 
Plegic noch te diennen hem.

Dienlinc

201, 280, dienaar, bediende. Mnl. Wdb. II, 162.

Dienst

416, 418, bediening, hulp, bijstand, b.v. in het tafeldienen. Mnl. Wdb. II, 164.

Diere

115, uwer; 2de naamv. enkv. vr. voor dijnre, van het bezitt. vnw. dijn. Zie Stoett, Etymol. § 153.

Dies

148, deswege, daarom. Rein. 339:

 
Dies waren mine kinder onvervaert.

Dijns

selues 210, 225, van u zelven, uw eigen.

Dinc

(meerv.) 429, dingen. B.v. Seden, gloss. Stoett, Etym. § 72, - doch ook wel dinghen 455.

Dincken

314, dunken, toeschijnen. B.v. Seden, gloss.

Doch

79, 116. Gebied. wijs van doen. Zie De Jager, Verscheid, p. 198 en Lat. Verscheid. p. 469, B.v. Seden, gloss. - Wel zou in de eerst aangehaalde plaats doch kunnen genomen worden als voegwoord, zoodat dan troest imperativus wordt van troesten; doch de andere opvatting schijnt mij meer aannemelijk toe. Zie hier beneden op troest doen.

Doech

met hem 147, heb mededoogen met hem. Imperat. van dogen met enen (Lat. compatientem se praebere alicui). D. Doctr. II, 271:

 
Een mensche sal dogen ende verbliden Met vrienden tallen tiden.

Ibid. III, 589:

 
Doeght met uwen evenkersten
 
Als hi in breken es.

Mnl. Wdb. II, 262.

Doen

199, maken, veroorzaken. - 219, 294, doen - dat. B.v. Seden 257:

 
Want verlopene tale doet Dat die mensche heet quaet ghemoet.

Rein. II, 5242. Hildgb. 117, 28. Mnl. Wdb. II, 242.

te Doene sijn

36, noodig zijn, vereischt worden. R.v. Cassam. 947. - Rose 10099:

 
Maer wanneer dat te doene si, So sal si comen, geloves mi.
[p. 85]

Mnl. Wdb. II, 248. - Zoo ook te doene hebben, noodig hebben. Clignett, Bijdr. 306, 411.

Doghen

118, 382, 470. Eig. ww. lijden, dulden, te verduren hebben. St. Franc. 2296, 3334. Mnl. Wdb. II, 261. Vandaar als znw. leed, smart, zoowel van het lichaam als van den geest gebruikt. Mnl. Wdb. II, 263. Limb. I, 2416.

Domen

208, verdoemen, veroordeelen; in zwakkeren zin afkeuren, verfoeien, haten. Mnl. Wdb. doemen II, 233, 2.

Dor

435, ten gevalle van, om den wille van. Huydec. op Stoke I, 384. II, 543. B.v. Seden, gloss. - dor Gode, om Gods wille. Rein. 317:

 
Dor Gode ende dor ghenade Nu ontfaermet miere scade.

Diet. Doctr. II, 2338:

 
Dat ghi tgoet doens sult vergheten
 
Dat ghi dore uwen vrient doet.

Esmor. 900:

 
Si heeft soe vele doer mi gedaen.

Dorper

185. Eig. een dorpsbewoner; steeds in ongunstigen zin als Fr. vilain, van het Lat. villanus; vandaar bij toepassing boersch, onbeschaafd. Rose 2883:

 
Een dorper, een vilein.

Limb. IV, 138. Clarisse op Heim. d.H. p. 218. Mnl. Wdb. II, 353.

Dreeghen

387, dreigen; in de meer of min afwijkende opvatting van waarschuwen, zijn voornemen kenbaar maken.

Drouven

(droeven, droven) 463, treuren, bedroefd zijn. Walew. 2746. St. Franc. 7718, 8457. Vr. e. Minne VIII, 39. Ferguut 2270:

 
Hi droevede sere in sinen moet.

Flor. en Bl. 502:

 
Maer Florise sere droevede
 
Ende weende sere, al daer hi sciet Van Blancefloere ende hise liet.

Duecht

10, 106, 135, 434, deugd.

hem Dwaen

413, zich wasschen, zich reinigen. B.v. Seden, gloss. dwach. - Ook wel, zooals 34, overdrachtelijk gezegd van het afwasschen van zedelijke onreinheden, het zuiveren van den door zonden besmetten mensch, Zie Mnl. Wdb. I, 220 op afdwaen en II, 490 op dwaen.

Dwale

414, handdoek. Walew. 991:

 
Men gaf hem water ende hi ghinc dwaen:
 
Doe brochte men hem die dwale....
 
Daer hi sine hande mede droghen soude.

Flor. en Bl. 2980:

 
Si dienden te gader den ammirale: Dene droech dwater, dander de dwale.

Die doeken waren soms kostbaar, fijn van stof en prachtig van kleur; Mnl. Wdb. II, 489. Zoo wordt van purperine dwale gesproken in Ferguut, boven aangehaald op beckin. - Het Latijnsche Manutergium, volgens Isidorus, Orig. XIX, 26 a tergendo manus vocatum, komt menigvuldig voor in de geschriften der Middeleeuwen. Zie Ducange in v. - Voorts moet dwale somtijds genomen worden in de beteekenis van tafellaken; zie Walew. 948: of van servet; zie MLoep IV, 1231.

[p. 86]

hem Dwinghen

van iet 356, zich bedwingen, zich van iets onthouden, zich in iets beheerschen. Rein. 664:

 
Nochtan suldi u selven dwingen.

Diet. Doctr. II, 496, II, 2995:

 
Daer omme suldi in allen dinghen V selven soe wijslec dwinghen,
 
Dat ghi in goeden ghenoeghen V selven sout gheuoeghen.

E.

Echt

396, 426, later, naderhand. Mnl. Wdb. II, 509, vooral in verbinding met nu. Diet. Doctr. II, 3353. Walew. 106. Bgr. v. Couchi fr. II, 14. Flor. e. Blanc. 3367:

 
Heden sel gaen uw minne ute
 
Die ghi hebt ghedreven nu ende echt.

V.d. Ziel. en Lich. (Blomm. achter Theoph. p. 50) 133. Wap. Mart. I, 452:

 
Menich seghet nu ende echt.

Huydec. op Stoke I, 76; II, 239; III, 43, 400. Limb. gloss.

Een alleen

39, slechts één.

Eenicheit

429, eenzaamheid, afzonderlijke plaats. Lksp. II, 4, 59, waar van Maria gezegd wordt:

 
Want si was van zeden Gaerne in enicheden
 
In hare innighe gebeden.

Mnl. Wdb. II, 666, 3) op enicheit.

Eerde

282 aarde, de grond. Zoo ook geschreven Velth. VIII, 11, 55. Rein. 4310, 5536, doch meestal geschreven erde. Zie Mnl. Wdb. II, 680.

Eerselen

(aerselen) 171, achteruitgaan, zich terugtrekken (Fr. reculer, Lat. retrogredi, tergiversari). Ferguut 3305:

 
Ghi sout eer erselen in die zee.

Lksp. III, 3, 499:

 
Want die alte hoghe begaert Aerselt sulcstont achter waert.

Vandaar weifelen, talmen, terugdeinzen. De woorden eerselt hi niet achter beteekenen dus indien hij niet terugdeinst (voor de moeite) d.i. indien hij maar volhoudt, volhardt in het zoeken der wijsheid.

Eewech

528, bnw. eeuwig.

Eewelic

136, bw. eeuwig. Lansel. e. Sandr. 71. St. Brand. 1147, 622:

 
God, onse lieve heere,
 
Die gheve hier na eewelike Ons allen zijn hemelrike.

Lancel. III, 10691:

 
Ende dine ziele sal varen nadien
 
Met Gode in hemelrike, Ende daer bliven ewelike.

Eist

17, 58, 128, 262, het is, is het; 98, indien het is, is het.

Eist - of

521, het zij - het zij. Meestal vindt men daarvoor eist - eist. B.v. Seden, gloss.

[p. 87]

El

(hel) 486: niemen hel, niemand anders, geen ander persoon. Lancel. II, 11352:

 
Ende mi staet u te diennen wel Vele meer dan ieman el.

Zoo ook niet el, niet anders. Carl. e. El. 1200:

 
Ghi en secht waer ende niet el.

Elre

349, elders, op eene andere plaats. Mnl. Wdb. II, 620. Flor. e. Blanc. 1258:

 
Du salt dijn woninghe kiesen elre.

Limb. II, 73. V, 586. Diet. Doctr. III, 1577:

 
Vele liede willen in clostere gaen Om dat sijt houden, sonder waen,
 
Dat men daer blijft behouden bat Dan elre in eenre ander stat.

En zij

277, 445, ten zij. Eigl. et en zij. Zoo ook 290 het en ware. B.v. Seden, gl. en ware.

Ene

aan het werkw. vastgehecht, hem. Zoo 298: gheffene, geef hem (nam. den beker). - 301: ganckene spoelen, ga hem spoelen. - 302: brinctene, breng hem. - Ook met afknotting der laatste e; alzoo 462: weerpten, werpt hem. - Lev. o.H. 2754:

 
Van desen die hier es gevaen, Gi wiltene quite laten gaen.

Mnl. Dist. Caton. IV, 28:

 
Al becomt di een mensche wele Dune saltene prisen niet te vele.

Exempel

437, wes exempel van duechden, wees een voorbeeld van deugd. Dit woord komt menigmaal voor in de uitdrukkingen exempel gheven. Rein. 7774. St. Franc. 1261:

 
Selve heefti wel beseven Dat hi te spegele es gegeven
 
Ende texemplen andren lieden.

Zoo ook exempel nemen. MLoep II, 705. Ovl. Ged. III, 110, 154. Zie Mnl. Wdb. II, 763.

F.

Feeste

372, vreugde. Kar. de Gr. fr. I, 722. Sp. Hist. I, vii, 66, 12:

 
(Doe) keerde in feesten al die toren.

Lancel. II, 11934:

 
Daer quamen doe binnen en trouwen Ridders, vrouwen en joncfrouwen,
 
Ende deden hem groote feeste.

Vandaar het ww. festeeren, uitbundig vroolijk zijn. Lancel. III, 10165:

 
Sie waren blide alle das, Ende festeerden doe harde sere.

221 feeste van maeltijden houden, feestelijke (veel kostende) maaltijden geven.

Fel

198, wreed, onmeedoogend. B.v. Seden, gl.

Fijn

14, goed, voortreffelijk in zijne soort. Lksp. gloss. Diet. Doctr. II, 1411, 1480: Om dinghen die eersam sijn Ende doegdelec ende fijn.

Fonteine

der wijsheit 9, 165, bron, oorsprong.

[p. 88]

G.

Ganc

165, imperat. van gaen (ganghen). De Jager, Versch. p. 197. B.v. Seden, gloss. - Zedelessen 365 (Sp. Hist. I, viii, 69, 40):

 
Ganc te di selven in dinen sin, Ende merct wat doechden vinstu daerin.

Zedelessen 75 (Sp. Hist. I, viii, 36, 191):

 
Niemare, quaetheit, valsce wane Ne laet di niet gangen ane.

Zoo ook 301, ganckene, zie op ene.

Ghe.

Deze onscheidbare partikel wordt in 't Mnl. meermalen weggelaten, vooral in verleden deelwoorden, zooals 377 leden, geleden. Clignett, Bijdr. p. 208. R.v. Cassam. 539, 1270. St. Brand. 493, 513, 1382. - Daarentegen vindt men ze als vormmiddel van zeer veel woorden, waarin zij thans wordt weggelaten; zoo als ghebuer 104, 205. ghecrighen 4, 133, 174. B.v. Seden, gloss. St. Brand. 594:

 
Hoe moghedi, sonder cleet, Van couden hier gewesen?

Ghebeet

443, afgestegen; deelw. van beeten, Stoke VI, 466:

 
Doe hi ghebeet was van den paerde,
 
Quamen si daer dandere waren.

Ghebene

235 (foutieve lezing voor ghebetene, verl. deelw. van biten, afbijten; dus afgebeten, afgeknabbeld); hetzelfde alzoo wat 309 gezegd wordt: (broet) daer du af hebs gebeten. ‘Ongetwijfeld’ zoo schreef mij Dr. Stoett, ‘moet tghebene beteekenen tghebetene. Eene verandering is echter niet gebiedend noodzakelijk. Vormen als: verraenesse, verlaenesse, bedienisse, verwanesse zijn op dezelfde wijze ontstaan en niet ongewoon (Tghebetene, tghebeetne, tghebene). Het blijft evenwel een zonderlinge vorm; ook moet tghebeetne nog aangetroffen worden. Hoogst waarschijnlijk is het dan ook eene schrijffout.’

Ghebod

290 begeerte, uitgedrukt verlangen. Walew. 2808:

 
Dat ghevic jou in jouw hant Mede te doene jou ghebod.

het en ware wel zijn gebod, tenzij dat hij het mocht verlangen; of, zooals 277: en zij dat hijt ghebiede.

Gheboren

sijn van wiuen 187. Eene uitdrukking die meermalen in den Bijbel voorkomt; zie Job XIV, 1. XV, 14. Matth. XI, 11. Luc. VII, 28. - Onze Moralist laat daarop volgen Sij moetent kennen diet lesen horen d.i. dat dit naar waarheid is, zal wel iedereen erkennen, die deze uitspraak van den Bijbel heeft hooren voorlezen, of, zoo als wij zouden zeggen, door lectuur van den Bijbel kent. Zie over dit laatste op lesen.

in Ghebreke sijn (van iet)

5, in iets te kort schieten; vandaar iets verzuimd hebben. Vaderl. Mus. IV, 343. Zeeuw Vl. Bijdr. 4, 69. Mnl. Wdb. II, 998.

Ghebreken

(met dat. des persoons en genit. der zaak) 524, ontbreken, Lksp. I, 34, 15. Wap. M. I, 704:

 
Mi dinct dat u sins gebrac.

St. Franc. 10145:

 
De zonne began up haer steken Ende haer begonste dranx gebreken.

Ghebuer

194, 205, buurman, nabuur. B.v. Seden, gloss. Rein. 1569:

 
Doe maecten si een groot gheluut, Ende die ghebure quamen uut.

Rein. 1973:

 
(Hine vermaende) Bede ghebure ende gaste.
[p. 89]

Ghedinc

307: ghedincs = ghedinc des, gedenk daaraan - dat. Diet. Doctr. II, 2340:

 
Maer doet, v v vrient goet,
 
Des ghedinct emmermere.

Gheeren

405, begeeren, verlangen; vandaar trachten te verkrijgen. B.v. Seden, gloss. op garen. Wint. en Som. 68:

 
Her somer, dat wetic herde wel, Dat mi die selke niet sere en gheert.

Ferguut 1259:

 
Ende Ferguut doet wat hi gheert.

Het hier gegeven verbod gheer niemens wijf staat in Exod. XX, 17 en Deuteron. V, 21, welke plaatsen hadden moeten opgegeven worden in de Aant. op Strophe 100.

Gheest

275: met blijden gheeste, in opgeruimde stemming des harten. - In dezelfde beteekenis staat 295: met bliden leuene.

Gheffene

298, geef hem. Zie op ene. - Ghef imperat. van geuen. De Jager, Verscheid. p. 201. Heim. d.H. 73:

 
Here! ghef goet na dire macht -- Ende ghef dijn goet sulken man.

Ghecrighen

4, 133, 174, krijgen, machtig worden. Walew. 3290. Rein. 5119. Tien Pl. 2056:

 
Van goeden scat een goet man Alle salicheit ghecrighen can.

Esopet XLIII, 3:

 
Die liebart pensde ende dochte Hoe hijt best ghecrighen mochte.

Evenzoo gheswigen en ghederven Wint. en Som. 204. - ghedriven Ferguut 333. - ghedeeren Belg. Mus. IV, 336, 1050. - ghemercken Wint. en Som. 191.

blide Ghelaet

371, vroolijk gezicht. Zie aenscijn. Rein. 7414:

 
Grote feest ende blide ghelaet
 
Dreven si: men trompte, men blies scalmeiden.

Ghelijc

hem 315, evenals hij; geconstruëerd met den datief. Esmor. 488:

 
Enen anderen sanc moet ic nu leren
 
Edel wijf, ende spreken u an Ghelijc enen vremden man.

d.i. evenals een vreemde doet. Hert. v. Bruysw. 178:

 
Mijn herte dat vlieght, ghelijc den are, Boven alle vrouwen minne.

B.v. Seden, gl. - 160 van ghelike, desgelijks, evenzoo, op dezelfde wijze.

Ghemeen

57, gemeenzaam, familiaar.

Ghemeenlic

491, algemeen, in 't dagelijksch leven. Ter aankondiging van een spreekwoord; zoo ook bij oude Duitsche dichters:

 
Daz ist ein Wort gemeine.
 
- Ich hoere wise liute jehen Und si gemeine sprechen.

Zie Zingerle, die Deutschen Sprichw. im Mittelalter p. 7. Verg. ook zeecht.

Ghemeine

(ghemene) 10, even als mede en met, aan het einde van den regel, meestal rijmshalve geplaatst, tevens, insgelijks, te zamen. Mnl. Wdb. II, 1350. Lksp. III, 4, 11:

 
Want hi (God) is here allene Op hemel ende aerde ghemene.
[p. 90]

Lksp. III, 10, 138. Diet. Doctr. I, 454:

 
Hine mint ons niet allene, Maer hemel ende erde ghemene --
 
Woude hi, van groter minnen, Tonsen boef al maken.

Stroph. Ged. 118, 407:

 
Dingel boetscaptse allene An vader, an moeder gemene
 
Ene onlange wile te voren.

Ghenade

19 (van God gesproken) gunst, barmhartigheid. B.v. Seden 65. Walew. 3160:

 
Ic hope soe es ter Gods ghenade!

Ghenade

73, 195, rust, vrede, aangename stemming des gemoeds. B.v. Seden, gloss.

Gheneeren

hem met iet 394, zijn levensonderhoud zoeken, den kost voor zich winnen. B.v. Seden, Aant. p. 109. Hildgb. 210, 304:

 
Een havic, die hem geneert mit roven.

Ibid. 131, 93:

 
Die mitter boesheit hem ghenaren Die sietmen wonderliken varen.

Ook heeft dit ww. den genitief bij zich. Zoo Kar. e. El. 489:

 
Nu secht mi wies ghi u gheneert.

Ghepayt

sijn van iet 316, tevreden zijn met iets, voldaan of betaald zijn. Esopet VIII, 7:

 
Als die wolf al was ghenesen, Wilde die crane ghepayt wesen.

Drie Dag. H. 216 (Dram. Poëzie p. 200):

 
Want al en quamic niet voer morghen,
 
Mijn wijf, die souts wel sijn ghepait.

Ovl. Lied. en Ged. p. 510, 511:

 
Al bestu nu stappans ghepait; Begherte weder omme drait.

R.v. Cassam. 1864. Bgr. v. Couchi fr. I, 273, 525. fr. II, 2237. Vandaar hem ghepayt houden, zich tevreden stellen. Sp. Hist. I, p. 3 (Opdracht aan Graaf Floris V):

 
Ghenoughet u, wildijt ontfaen
 
Danckelike, so ben ics vro Ende ic hout mi gepayt also.

Esopet XII, 39:

 
Verstonden wi dit wel, wi souden Ons tonsen huus over ghepayt houden.

Ook thans nog zegt men: iemand paaien voor iemand tevreden stellen. - Het ww. payen is het Fransche payer, betalen, voldoen, bevredigen, dat afkomstig is van paix, vrede; evenals het Latijnsche pacare van pax. Kiliaen payen, solvere, satisfacere, pacare. Mnl. Wdb. II, 1462. - Het tegenovergestelde van ghepayt sijn is ontpayt sijn, onbevredigd zijn, onvoldaan zijn. Zie voorbeelden bij Oudemans, Bijdr. V, 306.

Gheraken

16, slagen, gedijen; te groeter eeren gheraken, het geluk hebben tot groote eer te komen. - Elre gheraken 349, er in slagen om elders te recht te komen, een onderkomen te vinden. Mnl. Wdb. II, 1488. Vandaar goet geraect, goed uitgevallen; en, van personen gesproken, schoon. Lansel. e. Sandr. 452: Ghi sijt hovesch ende wel gheraect. Bgr. v. Vergi 1018: Scoen ende wel gheraect. Lancel. II, 24381:

 
Nadien dat u God hadde gemaect Best ende scoenst ende best geraect,
 
Ende gratieus boven alle man.
[p. 91]

Gerechtich

61, 484, rechtvaardig; hetzelfde als 88, een man van rechte.

Gherechticheit

62, rechtvaardigheid.

Ghereet

bw. 444, dadelijk, terstond. Vr. e. Minne I, 733:

 
Dierste dinc van desen dan Dats die scoenheit, God weet,
 
Die haer in allen stede can Sere doen minnen ende ghereet.

Ghereit

81 gereed; deelw. van ghereiden, in gereedheid brengen. Vr. e. Minne I, 809:

 
Hets oec ene suete pine, Ende enen aerbeit, die niet en deert,
 
In eens vrients dienst gereet te sine, Alles te doene datmen begheert.

sot Gherekent sijn

255, voor zot gehouden, als zot beschouwd zijn; zie als. Olv. Ged. III, 108, 218:

 
Wie hem met gheven maect soe bloet
 
Dat beide sijn hande ydel bliven, Men mach hem wel vor ghec bescriven.

Gherekent is deelw. van rekenen of gerekenen. Zie Mnl. Wdb. II, 1533, alwaar de beteekenis van geschat worden ontbreekt.

Gherne

(gaern) 263, 385, 420, 421, gaarne, met genoegen (Lat. libenter). B.v. Seden 83, 720, 753, 946, 1078. Rein. 1021. Vr. en M. IV, 123:

 
Als ghi weder coomt tot haer, Dat ghi haer seghet maer,
 
Die si gaern horen sal.

Gherne

56, doorgaans, veelal. B.v. Seden 776, alwaar dit woord in het Gloss. ontbreekt. - Mnl. Wdb. II, 1553. 2, b.). Verdam, T. en Lbode, V, 46. Lksp. gloss. Esopet XXXIV, 25. LXI, 63:

 
Si bliven gherne sonder ere, Die goede wijf willen onteren.

Mnl. Dist. Caton. II, 31. Vdl. Mus. I, 191, 425:

 
Daer twee blende deen dander leiden, Si sneven gherne eer si scheiden.

Alex. VII, 37. Zie aldaar Franck p. 465. Lucid. 5426:

 
Wat den mensch dagelix gesciet,
 
Comt hem gerne snachts te voren.

welke woorden ons doen denken aan de verzen van Claudianus de Consul. Honorii Praef. 1:

 
Omnia, quae sensu volvuntur vota diurno,
 
Pectore sopito reddit amica quies.

Ghescien

49 (met dat. des persoons) geschieden, overkomen, te beurt vallen. Walew. 9814:

 
Sine wisten wat hem was ghesciet.

Esopet LXII, 22:

 
Aldus es den jonghelinc ghesciet.

Over de later ingevoegde D in dit en dergelijke verba, zie de aanteekening op castyen.

Ghescil

342, tweedracht, oneenigheid, twist. Rein. 7436. Bgr. v. Couchi fr. II, 37:

 
Ende dat zi in ghescille Eerst quamen om een verwijt.

hem Ghesellen

292, zich vereenigen met, zich aansluiten, het gezelschap zoeken. Esopet VI, 1:

 
Tscaep, die coe, die geet metten barde Gheselden hem metten liebarde.

Gheselt

340, in gezelschap zijnde van iemand, zich aan iemands zijde bevindende. Dit partic. is geen perf. maar een tegenw. tijd van ghesellet sijn. Mnl. Wdb. II, 1628, gesellen.

[p. 92]

Ghesent

280, 487, gezonden. De zwakke vervoeging van senden is in 't Mnl. de meest gebruikelijke; doch men vindt ook wel 476 ghesonden, benevens ghesint. Rein. 5433. Kar. de Gr. I, 1689. Esmor. 276 (om te rijmen op kint). Sp. Hist. III, iv, 21, 62. B.v. Seden, gl. sinden; en ghesant MLoep Gloss. - Evenzoo vindt men van scenden: ghescant, ghescent, ghescint en ghesconden.

Ghesien

sijn 37, voor iets aangezien zijn, gehouden worden, onder of met de houeschen geteld worden. Van bijna gelijke beteekenis gerekent sijn.

Ghesijn

hebben 122, geweest zijn. Dit verl. deelw. van sijn wordt meestal met hebben als hulpwerkwoord vervoegd. Esopet XXXIV, 25:

 
Daer blivet gherne .1. wortelkijn, Daer nijt ende haetscap heeft ghesijn.

Rein. 4436:

 
Van hem dien ic so groten vrient
 
Van herten altoos heb ghesijn.

Hist. v. Troy. 9349:

 
Ic hebbe ghesijn in grotre noot.

Zoo ook: Ferguut 3643, 4012. MLoep I, 1296; II, 1079; III, 36. Lksp. I, 25, 41; II, 24, 101. St. Brand. 1440. Lancel. II, 11495. Bgr. v. Vergi 327. Bgr. v. Couchi fr. I, 533, fr. II, 256. - Daarvoor vindt men ook wel hebben gewesen, geweest zijn. Lancel. III, 10197. Esmor. 719. Ovl. Ged. III, 111, 465. Kar. de Gr. I, 397. Clignett, Bijdr. p. 171. Franck, Inleid. op Alexander p. LXXXV.

groet Gheslacht

250, hooge afkomst, adellijke geboorte. Parthon. 5685:

 
Men soude setten oec met rechte Sijn rijcheit ende sijn gheslechte,
 
Ende sinen wijsdom ende sijn raet Jegen elcs mans daet.

Rein. 3686:

 
Hi is wijs ende van rade vroet
 
Ende daerbi van groten gheslachte.

Ghestelt

sijn 339, bestemd zijn tot iets, aangesteld, aangewezen voor iets, in een of ander toestand gebracht.

Ghestrect

448, zie upstrecken.

hem Gheuen

tot iet 107, zich tot iets zetten, zich aan iets wijden. Stemmen uit den Voortijd 47: (Laten wi) setten mit geheelre herten op die sonden te laten ende ons totter duecht te gheven. Mnl. Wdb. II, 1800, 5). St. Amand II, 4326:

 
Hem neerenstelic ter duecht gheven.

Ghewerdighen

295, zich verwaardigen, niet beneden zich achten. St. Franc. 9791. Mnl. Wdb. II, 1892.

Ghincdi

289, gingt gij. Zie op DI.

Goede

78, 245, 247, 299, bezitting, goed. B.v. Seden, gloss. Dus hoep van goede 133 hoop op het verkrijgen van bezittingen, hoop op rijkdom.

Goeders

326. In de uitdrukking yement goeders moest dit woord eigenlijk luiden goeder, daar het de 2de naamv. meerv. is van het zelfstandig gebruikte adjectief goet. Dat de s later achter den genitief-uitgang is geplaatst, moet toegeschreven worden aan den invloed van een uitdrukking als iemen anders. Zie Stoett, Etymol. § 128. De woorden yement goeders beteekenen dus iemand der goeden, d.i. een goed man, een fatsoenlijk man. - Zoo ook der bester een in Lancel. III, 26689.

[p. 93]

Goedertiere

97, goedaardig. Eig. 2de nv. van goede tiere, goede soort. Kiliaen benignus, mitis, lenis. - Het tegenovergestelde is quadertiere. Mnl. Wdb. II, 2026.

Goet zalich

335, vroom. Kiliaen, god-saelich, pius. MLoep I, 964:

 
Ic hebbe ghelaect den jonghen doren,
 
Op dat hoer elc guet salich wijff Daer voren hoede ende houde stijff.

Gracie

462, genade, gunst door God aan den mensch verleend. B.v. Seden, gl. Winter en Somer 1:

 
Ghi heren, vrouwen, wijf ende man, Ic bidde gode, diet wel doen can,
 
Dat hi ons wil sijn gracie gheven.

Grammelike

473, op eene wijze, waaruit gramschap, toorn of woede blijkt; dus verwoed. Mnl. Wdb. II, 2103. Parthonop. 5059. Limb. V, 1152:

 
Mettien soe quam grammelike Ridende dammirael Brando
 
Ende wonde Evax toe.

Grief

115, 388, verdriet, zieleleed. Rein. 186. Walew. 8101:

 
Wel soete minne, te groten grieve,
 
Sal onser tweer minne enden.

Groet

goed 207, veel goeds. Zoo ook 208, groet quaet, veel kwaads.

Gront

383. Eig. de bodem, het ondervlak van een lichaam; vandaar de grond van. het hart, het diepst van het gemoed. Mnl. Wdb. II, 2171. Kiliaen verklaart grond door aard, en quaden grond door mala mens, malus animus, mala indoles. Hildgb. 87, 43:

 
Hy is wijs, die hem voir schalcheit hoet, Ende salich diese niet en doet,
 
Want si comt uut fellen gronde.

Esmor. 931:

 
Hi hevet tuweert al valschen gront.

Mnl. Rijmspr. II, 9:

 
Nochtan soude men scuwen sonde, Want si comt ute soe quaden gronde.

Bgr. v. Couchi fr. II, 343:

 
Maer die nijt, die inden gront
 
Hem stac, was tocusoen.

in zinen gront is dus wat men ook thans nog zegt in zijns harten grond, evenals vroeger. Zie Lansel. e. Sandr. 272. Lksp. III, 4, 419. Bgr. v. Couchi fr. I, 60; II, 1397. R.v. Cassam. 1258:

 
Daer was selke die uuttien gronde
 
Van haerre herten een suchten nam.

H.

Deze letter staat menigmaal, vooral in het WVlaamsch en aangrenzende dialecten, vóór woorden die met een vokaal beginnen. Voorbeelden, die in dit gedicht gevonden worden, zijn: hachten 100. - heer 483. - heet 317, 321. - heffen 285. - hel 486. - hende 422. - hoghen 117, 243, 408. - houde 352. - hu 47, 79, 196, 212, 215, 222, 448. - hueren 103, 206. - huut sturten 300. - huut trecken 448. - huut werpen 146.

En omgekeerd wordt soms - doch niet zoo menigvuldig - de H weggelaten, zooals: arde 20, 180. - et 241. - ouerdich 252, 254, 460. Zie B.v. Seden, gloss. Mnl. Wdb. III, 1.

[p. 94]

Haestelic

445, spoedig, weldra, na korten tijd. - 518, haestelic in gaen, haastig, driftig naar binnen gaan.

Hanghen an iet

113, behooren bij, verbonden zijn aan. Mnl. Wdb. III, 80 β).

Harde

20, 180, zeer, in hooge mate, geweldig. Kar. de Gr. 1973:

 
Daer si vant een scone swaert, Dat Otte hadde harde waert.

Rein. 656:

 
Des was Reinaert harde blide.

Clarisse op Heim. d.H. p. 308. - Men vindt daarvoor ook wel geschreven herde; zie Mnl. Rijmspr. II, 18. Lancel. II, 11237; III, 10668. Lksp. III, 17, 61, 104. - Het daarbij staande adject. of adverb. krijgt daardoor nagenoeg de beteekenis van een superlatief. Men vergelijke het Latijnsche valde, dat eigenlijk is valide, adverb. van validus, sterk. Ook het Fr. fort komt daarmede overeen.

Harenthare

458, hier en daar, op verschillende plaatsen. B.v. Sed., gloss.

Hebdi,

zie op DI.

man van Heeren

483. Zie letter H, een die eer en achting verdient.

enen Heeten

418, iemand noemen, iemand den naam geven, van iemand iets zeggen.

Heffen ghelijc

285, effen gelijk, nevens iemand, aan iemands zijde. Zie letter H.

Heymelichede

153, geheime zaken. Elders verholen dinghen genoemd in ditzelfde voorschrift; Spieg. d. Jong. 137:

 
Droncken lieden ende ionghe kinder Maken dicwils openbaer
 
Verholen dinghen, daer groten hinder Den menighen is gheuolget naer.

Hel

486: niemen hel, niemand anders. Mnl. Wdb. II, 608. Zie letter H.

Helech

28, 29, heilig. Helegher 2de naamval. Stroph. Ged. p. 138, 209:

 
Dits der Heileger Kerken clagen.

Herberghen

348, zijn intrek nemen, overnachten, logeeren. Esopet XII, 2. Walew. 6253. St. Franc. 4325. Bgr. v. Couchi fr. I, 49. Rein. 1107:

 
Herberghet tavont met mi!

Flor. e. Blanc. 1942:

 
Des nachts herbergheden si in een casteel.

Herte

121, 177, 409, het hart, als uitdrukking van het denkvermogen. Segh. 168:

 
Mer si peinsede inder herten gront.

Mnl. Wdb. III, 301 b). Zoo ook wordt in 't Latijnsche recordari, dat is in memoriam revocare, het hart (cor) verondersteld als de zetel van het geheugen.

Het en ware

290, tenware het, het moest dan zijn, met uitzondering dat het was.

Hier

426, in dit leven, hier op aarde; als staande tegenover teeweghe leuen. - Komt in beteekenis overeen met in desen dale.

[p. 95]

hem Hoeden van iet

161, zich in acht nemen voor iets. Ruusb. I, 158,

 
Wi moten ons altoos hueden van vremden viere.

Rein. 3610, 3616: Heer coninc, hoet u wel van desen!

Mnl. Wdb. III, 463. Stoett, Synt. § 15, 2.

in Hoeden sijn

224, op zijne hoede zijn, zich in acht nemen. Mnl. Wdb. III, 458. Heim. d. Heim. 1697:

 
Hi wese in hoeden ieghen sinen viant.

Lancel. 43890 (Rom. v. Moriaen 1355):

 
Laet die joncfrouwe met goede Oft sijt in uwer hoede.

Zoo ook in hoeden staen. St. Franc. 2319: Hi stont altoos in sire hoede. Doch ook, zooals thans, vp (= op) sijn hoede zijn 490.

Hoghen

117, 243, 408 oogen. Zie letter H.

Hoofsch

278, 414, wellevend, beschaafd, welgemanierd.

Hoofschelike

297, op hoofsche, wèl passende wijze. Parthonop. 548. Eigenlijk zooals het een hoveling betaamt.

dat Hout mijn zin

503, mijn begrip houdt dit staande, dit beweer ik, dit is mijn gevoelen; of, zooals 58 staat: aldus eist dat ic meene. De beteekenis komt overeen met MLoep II, 1808:

 
Mer dit is die lesse mijn.

Houekijn

13, kleine hof, tuin, bloembed. De uitgang kijn geeft eene verkleinende beteekenis. B.v. Seden, gl. op deelkijn. Zie ook bouxkin.

Houerde

54, 203, 423, hoogmoed, trotschheid. B.v. Seden, gloss. Heelu 1249:

 
Want daer was in elke side Hoverde groet ende overmoet.

St. Amand I, 1139:

 
Dies wert ic so groot in minen moede, Ende met hooveerden so bevaen.

Houesch

37, hetzelfde als hoofsch. B.v. Seden, gloss. Vr. e. Minne Gloss. Walew. 2766. St. Franc. 301, 4740. Lksp. III, 2, 83:

 
Sulc heet wijs, omme dathi Hovesch ende verstandel si.

Houesscheit

433, hoffelijkheid, beleefdheid. B.v. Seden, gloss. Vr. e. Minne Gloss.

Hu,

zie letter H.

Huber

509, huwbaar. Meest hubaer geschreven. Mnl. Wdb. huwbaer. B.v. Seden 379:

 
Vrient, oftu dochtren hubaer heues, Ic rade, dattuse te manne gheues.

Huusgesinde

370, huisgezin d.i. de gezamenlijke dienaren, bedienden of onderhoorigen. MLoep II, 3154:

 
Want doe tgherucht begonde te meren
 
Over des conincx huysghesinde Dat die vrouwe was mit kinde.

Om zoodanige personen aan te duiden, gebruikten de Romeinen het woord familia, verwant met famulus. Zie o.a. Phaedrus IV, 21, 23. - Ghesinde voor gezin. Zie De Jager, Lat. Versch. p. 246, en Mnl. Wdb. II, 1648.

[p. 96]

Huut

300, uit. Zie letter H. Alzoo huutsturten en huutwerpen.

Huwen

510, doen huwen, uithuwelijken; hetzelfde als B.v. Seden 380 te manne gheuen. Mnl. Wdb. III, 781 (Lat. nuptum dare, maritare, collocare matrimonio), Matth. Analecta III, 354: ‘Een eenige dochter, die hy gehylict had aen des conincs soon van Vrancryc.’

I, J.

Yemene (nominatief)

407, iemand. B.v. Seden, gloss. - Gewoonlijk een der verbogen naamvallen, zooals 479.

Yement

295, 326, iemand.

Imperatieve vormen:

doch van doen, 79, 116. - doech van dogen 147. - ganc van gaen (ganghen) 165. - gef van geven 261, 298, 318, 373, 436. - les van lesen 178. - stec van steken 319. - verdrach van verdraghen 490. - vrach van vraghen 177, 329, 333, 344. - wes