|
|
|
| |
| | | | | |
A.
| |
Achter bliuen
129 nagelaten worden, onvervuld of onvolvoerd blijven. Velth. VII, 15, 40:
Die dinc, die ember moet gescien, En soude daerom niet achterbliven.
Mnl. Wdb. I, 22 c, MLoep I, 940:
Soe moet by wilen daer gheschien, Dat beter after waer ghebleven.
Het woord kan alzoo gelden voor het passief van achterlaten, nalaten; even als voren comen van voren bringhen.
| |
Achter eerselen
171 zie eerselen.
| |
Aenscijn
(anscijn) 407 aangezicht, gelaat; spreect di yemene in zijn anscijn, spreekt iemand tot u met zijn aangezicht naar u gekeerd. Lansel. e. Sandr. 886:
Ende doen keerdese haer anschijn van mi.
Ook als uitdrukking van het inwendig gevoel; zoo 450: met blijden aenschine, met een vroolijk gezicht; hetzelfde als 371: blide ghelaet. MLoep II, 2821:
Ende als si uut dier dwanghe sijn So leven si in blijden aenschijn.
II, 4096: Si was in zeer bedructen aenschijn, d.i. Zij zag er zeer bedrukt uit. Mnl. Wdb. aenscijn I, 137 b.
| |
Aensicht
441. Van gelijke beteekenis als het voorgaande. B.v. Seden gloss. ansicht. Walew. 3783. Alex. V, 189. - Dat beide die woorden volkomen dezelfde beteekenis hebben en dus onverschillig zelfs in dezelfde spreekwijze gebezigd zijn, blijkt wel duidelijk uit vergelijking van Walew. 8208 en Limb. VI, 178. In beide plaatsen is sprake van het werpen van water in iemands aangezicht; doch in het eerstgenoemde dichtstuk staat ansicht en in het laatste ansciin.
| |
Aermoede
77, 223, 469 armoede. B.v. Seden, gloss. arem.
| |
Aert
185 geaardheid, inborst. Beatr. 352: van dorpers aerde. Hildgb. 3, 181: een Vriese ruut van aerde. Mnl. Wdb. I, 195, 3). Ovl. L. en Ged. p. 154:
Wi willen van den kerels zinghen, Si sijn van quader aert.
| |
| | | |
Aflech den wech
345 leg den weg af, volbreng uwe reis; imperat. van aflegghen. Zoo ook 284 vorgaestu hem, gaat gij vóór hem.
In beide vormen is het afscheidbaar voorvoegsel onafgescheiden gebleven. Ziehier eenige andere voorbeelden:
Gerl. Peters 234:
Afhael dat decsel, reynighe dat ghesichte.
Vad. Mus. II, 176, 20:
Die ghevet ende hem na beclaecht, Den danc siere gichte hi afvaeght.
Stemmen u.d. Voortijd 26:
Nae den anderen Pater Noster ofdede hi alle sunden.
Sp. Hist. II v. 14, 115:
Want hi (die duvel) den mensce ofjan altoes Die salicheit di hi verloes.
Sp. der Jong. 481:
Ende aenroept altijt God almachtich.
Vergelijk ook in de St. Vert. Ps. XXV, 18, 19. Matth. VI, 26, 28. Luc. XII, 27.
| |
in Accoorden vallen
220 den strijd bijleggen, zich verbroederen, verzoenen. Amand. II, 4639:
Ende daden met vriendeleken woorden, Dat si ondercusten met accoorde.
Accoort is alzoo verzoening, verbroedering. Mnl. Wdb. I, 305. - Het tegengestelde is discoort (Lat. discordia). Mnl. Wdb. II, 212.
Sp. der Jong. 349:
Valt daar twist, spreekt int bescheyt, Ende selue en maect gheen discoort.
| |
Al
84 geheel en al, in alle opzichten. Mnl. Wdb. I, 323. Ook wel gansch, in zijn geheel; zooals 525: hier is dit bouxkin van Zeden al, hier is dit boekje in zijn geheel, hier eindigt het, hier is het uit. Zie het artikel Al in Nederl. Woordenb. II, 81. Zoo schreef Maerlant aan het slot van het derde boek van zijnen Alexander:
Die derde bouc gaet hier uut.
In Latijnsche HSS. staat menigmaal, waar een boek van eenig geschrift of ook het geheele geschrift eindigt, het woord Explicit, dat Facciolatus verklaart door desinit, completus est liber en dat behoort tot de verba defectiva. - Zie ook de verzen in het HS. van Ferguut aan het einde door den copiist geplaatst en in de uitgaven opgenomen.
| |
Alder wijs gaen
374 naar elders gaan (Lat. abire aliorsum, Fr. ailleurs); hier afscheid nemen en naar huis gaan. - Van gelijke beteekenis is elderwaert. Rom. d. Lorr. I, 929:
Dat ghi daer ute niet en vaert Teneger stat elderwaert.
| |
Als (alse)
284, 289 du does als dwaes, gij handelt als de (een) dwaas. Meestal heeft als het lidw. die achter zich met een bvnw. als znw. gebruikt, als omschrijvende adverbiale uitdrukking, b.v. als die wise, als die sotte, als die domme. Zie Mnl. Wdb. I, 363. Enkele malen, zoo als hier, ontbreekt dit lidwoord. Zooals Sp. Hist. I, iii, 21, 21:
Paulus seidem, niet alse sot.
Zie ook sot gerekent.
| |
Alsoe van ghelike
159 evenzoo, insgelijks, op gelijke wijze.
| |
Al te male
428 ten eenen male, geheel en al. Mnl. Wdb. I, 379. Parth. 8275:
Van diere groter quale Waerstu genesen altemale.
Rein. II, 6803: vrou Rukenauwe
Deden tuschen hooft ende steert Sijn haer altemael of scheren.
| |
| | | |
Alst es te doene
63, naar gelang het te pas komt, behoort gedaan te worden, naar omstandigheid.
| |
Amye
137 bijzit, maîtresse. Walew. 8779. Lksp. II, 46, 944. Kar. de Gr. I, 187:
Ic hadde liever in dese noet Met enen man te gaen om broet,
Dien ic hadde wettelike, Dan sconinx amie van Vrankerike
Tsine al mijn leven lanc.
Ovl. Ged. II, 110, 98:
Papen ende wethouders die houden amien, Boven haer belof van trouwen.
In dien zin zegt de kuische Sandrijn tot Lansel. 105:
Ic en wil niet wesen enich mans vriendinne,
Maer ic wille gerne gherechte minne Draghen sonder dorpernie.
Op gelijke wijze amijs voor het mannelijk geslacht pol, boel, minnaar; Lksp. III, 9, 118. Walew. 7847. Bgr. van Couchi fr. II, 27:
Na dat ic ghemerken can Ende ic menichwaerven zie,
So es het amijs ende amye.
En zoo moet soms vrient in de beteekenis van minnaar worden opgevat, als b.v. van Orfennes gezegd wordt MLoep I, 2771:
Enen heymelicken vrient hadsi verkoren.
| |
Amman
139 dienaar, ambtenaar. B.v. Seden gl.
| |
Anebede
25. Gebied. wijs 2e pers. enkelv. van aen- of anebeden aanbidden. Lksp. II, 9, 157.
| |
Anslaen
304 de hand slaan aan iemand of iets, aangrijpen, aanvatten. Kiliaen: manus inicere. Mnl. Wdb. aenslaen. Sp. Hist. III i. 18, 12:
Entie duvel slouch hem an Diene doodde cortelike.
| |
Ant tboert
306 aan het boord, aan den rand. Eig. staat hier eene T te veel; evenals ondert tnet, overt tfelt, hetgeen waarschijnlijk de schuld van den overschrijver is.
| |
Antrecken
211 aanhalen, tot zich trekken, voor zich winnen, voor zich innemen. Mnl. Wdb. I, 167.
| |
Arde
20, 180, met weglating der H geschreven voor harde, zeer, in hooge mate. Heiml. d.H. 1047:
So coemt ene vuchtheit suaer Ende .I. roec, en veruulet daer
Die maghe, entie sijn arde quaet, Ende tgoene ten ersenen gaet.
| |
Arem
402 arm. B.v. Seden gloss. St. Brand. 1467:
o Wij! onsalich ende arem man.
| |
Assonance.
Van deze dichterlijke vrijheid - wellicht beter gezegd: onnauwkeurigheid - vindt men bij onzen Moralist twee voorbeelden; daar toch moet worden voor lief genomen dat in v. 62 cleeft rijmt op zeecht, en in v. 372 vulmaect op ghelaet. Zie hetgeen ik over onzuivere rijmen, een ook bij de beste dichters voorkomend verschijnsel, gezegd heb in de Inleiding op Die bouc van Seden, bl. IX.
| |
Auonture
459 lot, lotgeval, wederwaardigheid; (Lat. fatum, fortuna) het zij goed of kwaad (Mlat. aventura, zie Ducange). - Dat bij onzen Moralist voor quade moet gelezen worden goede (ook wel guede geschreven),
| | | |
blijkt uit sors prospera van Facetus; doch ook de zin zou zulks vorderen, daar toch wel niemand hoovaardig zijn zal op zijn ongeluk. - Waar Stoke VII, 1199 ditzelfde voorschrift geeft, gebruikt hij het woord gheval, dat als eene vox mediae significationis in goeden zin moet worden opgevat:
Al ghesciet di een gheval, Ne maecker of gheen ghescal,
Ne wes niet blide, mer dancs Gode, Ende stant altoes tsinen ghebode.
evenals Walew. 2279, 5702; terwijl dan het tegengestelde ongheval heet.
| |
Autaer
41 altaar. Rein. 2980:
Ende ghinc ghereden sinen autare, Ende began singhen ende lesen.
Ook outaer geschreven R.v. Cassam. 381. Lancel. III, 10163. Alex. V. 927.
| |
B.
| |
Baten
312: wat di baten moghe, al mocht het u gemak aanbrengen, helpen. Eigenlijk: tot voordeel zijn. Mnl. Wdb. I, 600.
| |
Beede,
beide; niet slechts in 't rijm zoo geschreven, als 45, Rein. 147; maar ook buiten het rijm: 31, 38, 44, 192, 304, 305, 325. Rein. 42, 408.
| |
Beede
45, 192, als voorafgaande aankondiging dat twee personen of zaken of toestanden zullen genoemd worden. C. en Eleg. 228, 234. Diet. Doctr. III, 1404. Mnl. Dist. Caton. II, 27. St. Brand. 1726.
| |
Beeten
431, 443 afstijgen van paard of ander trekdier. R.v. Cassam. 437:
Ende alse hi quam op die riviere, Beette hi vanden orse sciere.
Flor. en Bl. 1055. Ferg. 230, 235. Lksp. II, 9, 59. Walew. 1522, 8819. C. en Eleg. 162, 677. Limb. gloss. Mnl. Wdb. I, 1148 beten. - Ook vindt men afbeten Vr. en Minne VIII, 129. Parthonop. 537, en ofbeeten. Esopet XX, 21 en nederbeeten, Walew. 7520, 10156. Bgr. van Couchi fr. II, 2428:
Hi beette neder ende bant Sijn pert vor die tente daer.
Nog verdient opmerking dat beeten in 't algemeen beteekent nederdalen, en dus ook zelfs van een vogel gezegd wordt die naar beneden vliegt. Zoo b.v. Lansel. en Sandr. 868:
Ende dat daer quam van hogher aert Een edel valcke van groter weerde
Ende beete neder op ene gheerde.
| |
Begheeren
358 ww. als znw. gebezigd, begeerte. Rein. 6635:
Condi wel lieghen, ende die waerheit sparen,
So seldi hebben al u begaren.
| |
Begheuen
511 zenden, doen gaan; vooral in verbinding met in een klooster. Mnl. Wdb. I, 701. Rein. 1481:
Ic maectene monc ter Elmare, Daer wi bede begheven waren.
Rein. II, 4511. Sp. Hist. III, viii. 68. 17. - Een begeven man (verl. deelw. van hem begheven) een kloosterling, monnik, iemand die zich van de wereld heeft afgezonderd door het doen eener kloostergelofte. Vr. en Minne XI, 73. St. Franc. 1865:
Tien tiden alsic geweten can So was een begeven man,
Die in die cruuste ordine was.
| | | |
Ren. v. Montalb. II, 914:
Hi (Ywe) heeft opghegheven sijn rike, Te Beverspaer es hi begheven,
Daer wil hi wesen al sijn leven.
Evenzoo vindt men dit ww. gebezigd van eene maagd, die zich aan het priesterschap heeft toegewijd. MLoep II, 2615:
Voertijts, inder ouder ee, Was een maecht, heet Cydipe,
Begheven in Dyanen tempel. Si was schoen, guetlic ende sempel,
Ende leefde dair in sulker wonne Volna als mit ons doet een nonne.
Huydec. op Stoke III, p. 449, Clignett, Bijdr. p. 409.
| |
Begripen
442 berispen, laken, afkeuren (Lat. reprehendere). Mnl. Wdb. 1, 716. B.v. Seden gl. Lksp. II, 43, 41.
Vele liede sijn die poghen Hoe si andere begripen moghen
Ende sien in anders oghe een mul, Dies si beide oghen hebben vul.
Daer omme moeten hem die vroeden Jeghen die begripers hoeden.
| |
Behendelike
436 stil, heimelijk, zonder dat het door anderen gemerkt wordt. Fl. en Bl. 1657.
| |
Behoeden
516 bewaren, beschermen, in stand houden.
| |
Behoeder
210 beschermer. Mnl. Wdb. I, 743 Sij dijns selfs behoeder, wees uw eigen beschermer, d.i. tracht onafhankelijk te worden en geen hulp van anderen noodig te hebben.
| |
Behouven
522: hem behouft, het is hem noodig, het is zijn plicht. Maerl. Hist. v. Troyen 3919:
-- Hem behoeft ghestade Te sijne van talen ende van rade.
Sp. Hist. III, iii, 13, 73:
Nu behoeft ons sekerlike dat wi varen.
| |
Becant
(deelw. van bekennen, erkennen), 414: hets hoofsch becant, het is of wordt daarvoor (algemeen) gehouden. In dien zin staat 433: hets houeshede. Het woord becant is uitvoerig besproken door Van Helten in Tijdschr. voor Nederl. T. en Lk. III, 102-105.
| |
Beckin
411 bekken, waschkom, meest dienende tot het wasschen der handen vóór den maaltijd (Lat. pelvis aquosa). Parthonop. 547:
Gherne haddi een lettel gheten, Ende ghinc hoofscelike hande dwaen
Ten beckinen daer hi se vant staen.
Ferguut 3676:
Die ene joncfrouwe die tafle leide,
Dandere brochte becken ende dwale Ende hieten dwaen --
Bij de vermelding van het handenwasschen vóór den maaltijd bedenke men dat dit oudtijds zooveel meer dan thans behoefte was, omdat men het gebruik van vorken nog niet kende. - Ook na den maaltijd, als die tafle was opghedaen, voor dat de wijn zou worden opgezet, bracht men andermaal water voor de gasten. Zie Ferguut 856. - Deze waschkommen waren in de woningen der ridders veelal van goud. Walew. 986:
Doe brochte men Waleweyne saen Een beckijn van roden goude,
zelfs wanneer zij 's morgens gebruikt werden voor het wasschen der voeten. Ferguut 256:
Men brochte hem dat water saen In enen guldinen beckine
Ende ene dwale purperine,
alwaar in de voorgaande verzen gezegd wordt, dat dit plaats had, toen het dachgrake d.i. dageraad was.
| |
| | | |
Belet
105 beletsel, belemmering, hindernis. Mnl. Wdb. I, 842.
| |
Beleuen
527 naleven, opvolgen, betrachten. Mnl. Wdb. I, 844, 1). Ovl. Lied. en Ged. 495, 140:
Twoort Gods ghehoort es medicine Der zielen als ment te belevene pine.
d.i. als men zijn best doet er naar te leven.
| |
Belof
125 belofte; enen belof doen (Lat. votum facere) iemand op meer of min plechtige wijze iets beloven. Mnl. Wdb. I, 859. Hildegb. 234, 202:
Nu haesten si daer mede ende scheiden daer of
Ende doen den priester schoen belof Dat men die sonden laten sel.
Doch belof doen beteekent ook wel zijne belofte nakomen, Alex. I, 657. Lksp. III, 3, 110:
Want waer - ghi niet en doet u belof, Ghi souter scande hebben of.
| |
Belofte
338 (znw. onzijdig gebruikt): tbelofte breken, niet volbrengen wat men beloofd heeft; waartegenover kan gezegd worden belofte doen, wel volbrengen. Rijmb. 7879:
Soe seide: Vader, doe dijn belof.
| |
ic Bem
316, waarvan de 2e pers. du best.
| |
Beraden
390 bewerken, bereiden, meestal in kwaden zin, brouwen, berokkenen. Mnl. Wdb. I, 901, 2 b. Rein. 1790:
Die scalcheit es hem binnen gheboren, Dat si den goeden beraden toren,
Dat wreke God up haer leven.
Esmor. 554:
Vele spreken heeft in meneghen stonden Dicwile beraden toren.
| |
Beraden
deelw. van hem beraden, als bvnw. 20: wel beraden, verstandig, wijs; het tegendeel van ons tegenw. onberaden; Mnl. Wdb. I, 9. A 2. - haestelic beraden 74, spoedig beslist, tot dezen raad gekomen, vandaar bereid, genegen tot iets. Mnl. Wdb. I, 909, 7).
| |
hem Beromen
365, 455, zich beroemen, bluffen op iets. Cassam. 524:
Jonge lieden en souden dus Hen selven so sere beromen niet,
Want nets misselic wat gesciet.
Heeft den 2en naamval bij zich. Maerl. Stroph. Ged. 82, 77. Esopet XL, 14:
Dine quaetheit, daer du di af beroemet.
| |
Beseuen
353 deelw. van beseffen, bemerken, ondervinden, ervaren. B.v. Seden gl. St. Franc. 1261:
Selve heefti wel beseven Dat hi te spegele es gegeven.
Daarvoor ook wel beseeft, Lancel. III, 26689:
Gij sijt der bester een die leeft, Ic hebbe uwer slage genoech beseeft.
| |
Bescreven
96 te boek gesteld, vermeld in een of ander geschrift. Hier wordt de Bijbel bedoeld, t.w. het Boek der Wijsheid I, 11. - Op gelijke wijze Rijmb. 3347:
Pauwels - daer wi af bescreven horen,
Die teerst een moordadech man was,
waar gedoeld wordt op hetgeen Hand. IX, 1, van Saulus geschreven staat.
| |
| | | |
Besloten
167 deelw. van besluten, insluiten, wegbergen, verzegelen. Rose 3685:
Mine rosen, die ic ommuren sal Ende so besluten overal,
Datse die quade knechte en sel No gewinnen noch bestelen.
| |
du Best
88, 269, 415, 444, gij zijt. - bestu 291, 299, 335, 339, 475, zijt gij.
| |
Bet
129 beter, geschikter. B.v. Seden, gl. Dit bijwoord heeft niet den vorm maar wel de beteekenis van een comparatief; doch later, toen men dit niet meer gevoelde, heeft men er den comparatief-uitgang er achter-gezet. Zie Stoett, Etymol. § 131. Theoph. 273:
Ic mane u bi uwer wet, Dat ghi u bepenset bet;
Bepeinst u bat op dese sake.
Uit deze plaats blijkt tevens dat voor bet in volkomen gelijke beteekenis ook bat wordt gevonden. Rein. 255. Melib. 1011:
Die swighere merct bat ende verstaet Dan die met vele sprekens ommegaet.
| |
Betoeghen
469 toonen, laten, blijken. Lucid. 2121:
Dat hi na den XLsten dage wilde betogen gewaerlike,
Dat hi voer in hemelrike.
Mnl. Wdb. I, 1150. Zie ook toghen op toecht.
| |
hem Bewinden
498 zich met iets bemoeien; heeft den genit. bij zich. Lksp. III, 15, 4. MLoep I, 1703:
Des soudic my bewinden node
evenals onderwinden, dat dezelfde beteekenis heeft. B.v. Seden, gl.
| |
Bewint
504 bemoeiing, bestier. Sp. d. Jong. 209:
Wildy leuen in goeden vrede,
Maect uwen staet van cleynen bewinde.
In dit spreekwoord staat onderwint in Prov. Comm. 458:
Luttel onderwindes brenghet vele vrienden an.
alwaar voor vrienden zal moeten gelezen worden vreden; immers staat in het daarbij geplaatste Latijn:
Pauca gubernare pacem solet hoc generare.
| |
Bewist
390 deelw. van (hem) bewissen, zich zekerheid verschaffen, zich vergewissen. Es die viant bewist te voren (in den voorgaanden regel staat vorwist) heeft uw vijand vooraf kennis gekregen van hetgeen hem gedreigd werd, is hij vooraf gewaarschuwd. Zie Lksp. gloss. op wissen.
| |
Bi
331 nabij; verre of bi, verre af, of in de nabijheid. Lksp. II, 5, 125. Wap. Mart. III, 175. Bgr. van Vergi 294. Bgr. van Couchi fr. II, 201:
Weder het verre was of bi.
In gelijke beteekenis verre ende naer. Lancel. II, 14067, 44279 (Rom. v. Moriaen 1734); zoo ook bi ende breet Diet. War. I, 408, 24.
| |
die Bi di sit
314 hetzelfde als 317 daer du met heets, uw dischgenoot of hij die met u uit denzelfden schotel eet. B.v. Seden 634.
| |
Bi
91, 334, door. Esopet XIV, 23. Flor. en Bl. 891, 3132:
Mi wondert harde in minen sinne, Bi welker list ghi sijt comen hier inne;
Ic waent al bi gokelien es.
| |
| | | |
Bidden
om broet 64, brood bedelen d.i. liefdegaven vragen voor het koopen van de noodzakelijke levensbehoeften. Lksp. III, 4, 148. St. Franc. 3739:
Ginc hi dan van dure te dure Broot bidden onder die gebure.
Vandaar brootbidder, bedelaar. St Franc. 487. Flor. en Bl. 3195, alwaar van vrouw Fortune wordt gezegd:
Enen biscop maect soe van enen truant
Ende enen broetbidder van enen clerc.
B.v. Seden, gloss. In de beteekenis van bedelen wordt ook wel gezegd om broet gaen. Kar. de Gr. I, 188.
| |
Bitter
119 hier van den dood gezegd, treurig, bedroevend. Bgr. van Vergi 900. Lansel. e. Sandr. 830:
Daer sal die meneghe om besueren
Die bitter doet, dat wetic wel te voren.
| |
Blame
spreken van enen 181 schande van iemand spreken, hem hekelen. - Elders onwaerde spreken 186. - Van gelijke beteekenis is lachter spreken met den 3den nv. des persoons, die belasterd wordt. Flor. en Blanc. 3480:
Hoe ic die mesdaet best ghewreke, Dat mi tfolc gheen lachter en spreke.
en enen onnere spreken, iemand uitschelden, tegen iemand uitvaren. Lancel. II, 11225.
| |
Blame
vlien 496, schande ontgaan, vrij blijven; nagenoeg hetzelfde als gheene blaem te ontfaen. Bgr. v. Couchi fr. II, 1422 en ongheblaemt bliuen. Sp. der Jong. 28.
| |
Blijfdi
342 gij blijft. Zie DI.
| |
Bloet
91 persoon, mensch; ook nog heden in die beteekenis gebruikelijk, doch zonder de minachtende bijbeteekenis van thans. Mnl. Wdb. I, 1313, 5. Gloriant 72:
Die coninc van Averne es een edel bloet.
Vaderl. Mus. I, 310, 86:
Het es er vele die op u liden
Ende bederven onscalke bloede.
| |
Bloet
(bloot) van iet 416, ontbloot van iets, verstoken van, zonder. - es de tafle van dienste bloet, is de tafel zonder bediening, zonder dienstpersoneel. Zoo staat bij Hildgb. 115, 86: bloot van goede en 122, 64: van haven bloot. Mnl. Wdb. I, 1321, 4. Kar. de Gr. fr. I, 1719:
Nochtan wiste menech genoet Dat mijn vader doe was bloet
Beide van goede ende lande.
Eigenaardig wordt den winter verweten in Wint. en Som. 369:
Want ghi hebt die coude soe groet; Mi dunct ghi sijt van clederen bloet.
Gelijke beteekenis heeft naect in v. 253 en quite in Ferguut 2142.
| |
Blommen
12 bloemen, het voortreffelijkste van iets, de schoonste plaatsen uit een schrijver. Amand II, 972:
Huter scriftueren hi hem besprac.
Sp. Hist. I, iii, 47, 41:
Dese bloemen hebben wi besocht
Mnl. Wdb. I, 1311. bloeme 6). Vergelijk ons bloemlezing, en het Gr. anthologie.
| |
| | | |
Boert
306 boord, rand, b.v. de bovenrand van een beker. B.v. Seden, gl. bort. Kiliaen: boord, rand van den pot, labrum, margo, ora poculi. Vgl. thans nog boordevol.
| |
Borghe
420 borg, d.i. iemand die zich verbindt ter voldoening eener schuld bij gebreke van betaling door den hoofdschuldenaar. Mnl. Wdb. I, 1379. - Vandaar borghen 421 borg blijven, zich borg stellen. B.v. Seden, gloss.
| |
Borghen
396 te goed houden, uitstel van betaling geven. B.v. Seden, gloss.
| |
Bouxkin
525 klein boek. Lksp. I, Voorr. 22 en I, 14, 75. - De uitgang kin of kijn geeft eene verkleinende beteekenis. B.v. Seden, gloss. Zoo zegt de schrijver van MLoep III, 45:
Ic en hebbe des ghenen hope
Dat ic dit wercskijn sal volbringhen.
| |
Bringhen
enen in scaden 500, iemand schade berokkenen, benadeelen. Rein. 6455, 6996:
(Ghi hebt) mi ghebrocht in groten scaden.
Zoo ook 223 in aermoeden bringhen, arm maken, is overeenkomstig ons tegenwoordig taalgebruik.
| |
Brinctene
302. Zie op ene.
| |
Broet
bidden 64. Zie bidden.
| |
Burse
380 beurs, geldbuidel. St. Bernard. Epist. (Denkm. III, 9) 191:
Want huse sterc ende burse wan Maken zelden wisen man.
B.v. Seden 528 staat borse, dat aldaar in 't Gloss. vergeten is. - Ook elders wel met O geschreven. Zie Mnl. Wdb. I, 1385.
| |
D.
| |
ghi Daet
= dadet 289, gij zoudt handelen; 2de p. impf. conj. Rein. 24:
Daden si wel, si soudens begheven.
| |
Dal
391: in desen dale, hier op aarde, hier beneden. Zedelessen 379 (Sp. Hist. I, viii, 70, 3):
Want wi alle onse zinne geven, Hoe dat wi dit corte leven
Gheneren moghen in dit dal.
Zie verder Lksp. II, 30, 31. Stroph. Ged. gloss. Hildgb. 64, 262; 120, 64; 157, 50. - Ook wel in dit aertsche dal Ibid. 210, 221. Mnl. Wdb. II, 43. Zie ook op hier. - Vergelijk ons tranendal.
| |
enen in Dancke staen
480, iemand dankbaar zijn, dankbaar blijven. Mnl. Wdb. II, 62.
| |
Danne
175 dan, alsdan. Sp. Hist. I, iii, 55, 7. Rein. 2142:
Sone salt danne bliven verholen.
Mnl. Wdb. II, 50.
| |
Dar
196. Eerste pers. van dorren, durven. B.v. Seden, gloss. Lksp. II, 20, 63:
Ic en dar niet also wel als ghi Hem toespreken.....
| |
| | | | | | | |
Di
aan het ww. vastgehecht gij. Zoo vindt men hier: blijfdi, gij blijft 342. - ghincdi, gingt gij 289. - hebdi, gij hebt 192. - leefdi 136. - moghedi 16. - moochdi 438. - suldi 216, 222. - wildi 195. - wildijt, wilt gij het 15. - Lev. o.H. 1383:
Wat ghedachten hebdi dan?
Wildi, ghi levet emmermeer, Waer omme gadi dan in dit seer?
| |
Dienen
voer yemene 411, voor iemand bestemd zijn.
| |
Diennen
433, behulpzaam zijn, te dienste staan; met dubbele n geschreven. Zoo ook B.v. Seden 634. Lancel. II, 11352; III, 10373:
Bedie diere gelike dat ic plach
Te diennen den heilegen Grale Alsic ertsch man was also wale
Plegic noch te diennen hem.
| |
Dienlinc
201, 280, dienaar, bediende. Mnl. Wdb. II, 162.
| |
Dienst
416, 418, bediening, hulp, bijstand, b.v. in het tafeldienen. Mnl. Wdb. II, 164.
| |
Diere
115, uwer; 2de naamv. enkv. vr. voor dijnre, van het bezitt. vnw. dijn. Zie Stoett, Etymol. § 153.
| |
Dies
148, deswege, daarom. Rein. 339:
Dies waren mine kinder onvervaert.
| |
Dijns
selues 210, 225, van u zelven, uw eigen.
| |
Dinc
(meerv.) 429, dingen. B.v. Seden, gloss. Stoett, Etym. § 72, - doch ook wel dinghen 455.
| |
Dincken
314, dunken, toeschijnen. B.v. Seden, gloss.
| |
Doch
79, 116. Gebied. wijs van doen. Zie De Jager, Verscheid, p. 198 en Lat. Verscheid. p. 469, B.v. Seden, gloss. - Wel zou in de eerst aangehaalde plaats doch kunnen genomen worden als voegwoord, zoodat dan troest imperativus wordt van troesten; doch de andere opvatting schijnt mij meer aannemelijk toe. Zie hier beneden op troest doen.
| |
Doech
met hem 147, heb mededoogen met hem. Imperat. van dogen met enen (Lat. compatientem se praebere alicui). D. Doctr. II, 271:
Een mensche sal dogen ende verbliden Met vrienden tallen tiden.
Ibid. III, 589:
Doeght met uwen evenkersten
Mnl. Wdb. II, 262.
| |
Doen
199, maken, veroorzaken. - 219, 294, doen - dat. B.v. Seden 257:
Want verlopene tale doet Dat die mensche heet quaet ghemoet.
Rein. II, 5242. Hildgb. 117, 28. Mnl. Wdb. II, 242.
| |
te Doene sijn
36, noodig zijn, vereischt worden. R.v. Cassam. 947. - Rose 10099:
Maer wanneer dat te doene si, So sal si comen, geloves mi.
| | | |
Mnl. Wdb. II, 248. - Zoo ook te doene hebben, noodig hebben. Clignett, Bijdr. 306, 411.
| |
Doghen
118, 382, 470. Eig. ww. lijden, dulden, te verduren hebben. St. Franc. 2296, 3334. Mnl. Wdb. II, 261. Vandaar als znw. leed, smart, zoowel van het lichaam als van den geest gebruikt. Mnl. Wdb. II, 263. Limb. I, 2416.
| |
Domen
208, verdoemen, veroordeelen; in zwakkeren zin afkeuren, verfoeien, haten. Mnl. Wdb. doemen II, 233, 2.
| |
Dor
435, ten gevalle van, om den wille van. Huydec. op Stoke I, 384. II, 543. B.v. Seden, gloss. - dor Gode, om Gods wille. Rein. 317:
Dor Gode ende dor ghenade Nu ontfaermet miere scade.
Diet. Doctr. II, 2338:
Dat ghi tgoet doens sult vergheten
Dat ghi dore uwen vrient doet.
Esmor. 900:
Si heeft soe vele doer mi gedaen.
| |
Dorper
185. Eig. een dorpsbewoner; steeds in ongunstigen zin als Fr. vilain, van het Lat. villanus; vandaar bij toepassing boersch, onbeschaafd. Rose 2883:
Limb. IV, 138. Clarisse op Heim. d.H. p. 218. Mnl. Wdb. II, 353.
| |
Dreeghen
387, dreigen; in de meer of min afwijkende opvatting van waarschuwen, zijn voornemen kenbaar maken.
| |
Drouven
(droeven, droven) 463, treuren, bedroefd zijn. Walew. 2746. St. Franc. 7718, 8457. Vr. e. Minne VIII, 39. Ferguut 2270:
Hi droevede sere in sinen moet.
Flor. en Bl. 502:
Maer Florise sere droevede
Ende weende sere, al daer hi sciet Van Blancefloere ende hise liet.
| |
Duecht
10, 106, 135, 434, deugd.
| |
hem Dwaen
413, zich wasschen, zich reinigen. B.v. Seden, gloss. dwach. - Ook wel, zooals 34, overdrachtelijk gezegd van het afwasschen van zedelijke onreinheden, het zuiveren van den door zonden besmetten mensch, Zie Mnl. Wdb. I, 220 op afdwaen en II, 490 op dwaen.
| |
Dwale
414, handdoek. Walew. 991:
Men gaf hem water ende hi ghinc dwaen:
Doe brochte men hem die dwale....
Daer hi sine hande mede droghen soude.
Flor. en Bl. 2980:
Si dienden te gader den ammirale: Dene droech dwater, dander de dwale.
Die doeken waren soms kostbaar, fijn van stof en prachtig van kleur; Mnl. Wdb. II, 489. Zoo wordt van purperine dwale gesproken in Ferguut, boven aangehaald op beckin. - Het Latijnsche Manutergium, volgens Isidorus, Orig. XIX, 26 a tergendo manus vocatum, komt menigvuldig voor in de geschriften der Middeleeuwen. Zie Ducange in v. - Voorts moet dwale somtijds genomen worden in de beteekenis van tafellaken; zie Walew. 948: of van servet; zie MLoep IV, 1231.
| |
| | | |
hem Dwinghen
van iet 356, zich bedwingen, zich van iets onthouden, zich in iets beheerschen. Rein. 664:
Nochtan suldi u selven dwingen.
Diet. Doctr. II, 496, II, 2995:
Daer omme suldi in allen dinghen V selven soe wijslec dwinghen,
Dat ghi in goeden ghenoeghen V selven sout gheuoeghen.
| |
E.
| |
Echt
396, 426, later, naderhand. Mnl. Wdb. II, 509, vooral in verbinding met nu. Diet. Doctr. II, 3353. Walew. 106. Bgr. v. Couchi fr. II, 14. Flor. e. Blanc. 3367:
Heden sel gaen uw minne ute
Die ghi hebt ghedreven nu ende echt.
V.d. Ziel. en Lich. (Blomm. achter Theoph. p. 50) 133. Wap. Mart. I, 452:
Menich seghet nu ende echt.
Huydec. op Stoke I, 76; II, 239; III, 43, 400. Limb. gloss.
| |
Een alleen
39, slechts één.
| |
Eenicheit
429, eenzaamheid, afzonderlijke plaats. Lksp. II, 4, 59, waar van Maria gezegd wordt:
Want si was van zeden Gaerne in enicheden
Mnl. Wdb. II, 666, 3) op enicheit.
| |
Eerde
282 aarde, de grond. Zoo ook geschreven Velth. VIII, 11, 55. Rein. 4310, 5536, doch meestal geschreven erde. Zie Mnl. Wdb. II, 680.
| |
Eerselen
(aerselen) 171, achteruitgaan, zich terugtrekken (Fr. reculer, Lat. retrogredi, tergiversari). Ferguut 3305:
Ghi sout eer erselen in die zee.
Lksp. III, 3, 499:
Want die alte hoghe begaert Aerselt sulcstont achter waert.
Vandaar weifelen, talmen, terugdeinzen. De woorden eerselt hi niet achter beteekenen dus indien hij niet terugdeinst (voor de moeite) d.i. indien hij maar volhoudt, volhardt in het zoeken der wijsheid.
| | | |
Eewelic
136, bw. eeuwig. Lansel. e. Sandr. 71. St. Brand. 1147, 622:
Die gheve hier na eewelike Ons allen zijn hemelrike.
Lancel. III, 10691:
Ende dine ziele sal varen nadien
Met Gode in hemelrike, Ende daer bliven ewelike.
| |
Eist
17, 58, 128, 262, het is, is het; 98, indien het is, is het.
| |
Eist - of
521, het zij - het zij. Meestal vindt men daarvoor eist - eist. B.v. Seden, gloss.
| |
| | | |
El
(hel) 486: niemen hel, niemand anders, geen ander persoon. Lancel. II, 11352:
Ende mi staet u te diennen wel Vele meer dan ieman el.
Zoo ook niet el, niet anders. Carl. e. El. 1200:
Ghi en secht waer ende niet el.
| |
Elre
349, elders, op eene andere plaats. Mnl. Wdb. II, 620. Flor. e. Blanc. 1258:
Du salt dijn woninghe kiesen elre.
Limb. II, 73. V, 586. Diet. Doctr. III, 1577:
Vele liede willen in clostere gaen Om dat sijt houden, sonder waen,
Dat men daer blijft behouden bat Dan elre in eenre ander stat.
| |
En zij
277, 445, ten zij. Eigl. et en zij. Zoo ook 290 het en ware. B.v. Seden, gl. en ware.
| |
Ene
aan het werkw. vastgehecht, hem. Zoo 298: gheffene, geef hem (nam. den beker). - 301: ganckene spoelen, ga hem spoelen. - 302: brinctene, breng hem. - Ook met afknotting der laatste e; alzoo 462: weerpten, werpt hem. - Lev. o.H. 2754:
Van desen die hier es gevaen, Gi wiltene quite laten gaen.
Mnl. Dist. Caton. IV, 28:
Al becomt di een mensche wele Dune saltene prisen niet te vele.
| |
Exempel
437, wes exempel van duechden, wees een voorbeeld van deugd. Dit woord komt menigmaal voor in de uitdrukkingen exempel gheven. Rein. 7774. St. Franc. 1261:
Selve heefti wel beseven Dat hi te spegele es gegeven
Ende texemplen andren lieden.
Zoo ook exempel nemen. MLoep II, 705. Ovl. Ged. III, 110, 154. Zie Mnl. Wdb. II, 763.
| |
F.
| |
Feeste
372, vreugde. Kar. de Gr. fr. I, 722. Sp. Hist. I, vii, 66, 12:
(Doe) keerde in feesten al die toren.
Lancel. II, 11934:
Daer quamen doe binnen en trouwen Ridders, vrouwen en joncfrouwen,
Ende deden hem groote feeste.
Vandaar het ww. festeeren, uitbundig vroolijk zijn. Lancel. III, 10165:
Sie waren blide alle das, Ende festeerden doe harde sere.
221 feeste van maeltijden houden, feestelijke (veel kostende) maaltijden geven.
| |
Fel
198, wreed, onmeedoogend. B.v. Seden, gl.
| |
Fijn
14, goed, voortreffelijk in zijne soort. Lksp. gloss. Diet. Doctr. II, 1411, 1480: Om dinghen die eersam sijn Ende doegdelec ende fijn.
| |
Fonteine
der wijsheit 9, 165, bron, oorsprong.
| |
| | | |
G.
| |
Ganc
165, imperat. van gaen (ganghen). De Jager, Versch. p. 197. B.v. Seden, gloss. - Zedelessen 365 (Sp. Hist. I, viii, 69, 40):
Ganc te di selven in dinen sin, Ende merct wat doechden vinstu daerin.
Zedelessen 75 (Sp. Hist. I, viii, 36, 191):
Niemare, quaetheit, valsce wane Ne laet di niet gangen ane.
Zoo ook 301, ganckene, zie op ene.
| |
Ghe.
Deze onscheidbare partikel wordt in 't Mnl. meermalen weggelaten, vooral in verleden deelwoorden, zooals 377 leden, geleden. Clignett, Bijdr. p. 208. R.v. Cassam. 539, 1270. St. Brand. 493, 513, 1382. - Daarentegen vindt men ze als vormmiddel van zeer veel woorden, waarin zij thans wordt weggelaten; zoo als ghebuer 104, 205. ghecrighen 4, 133, 174. B.v. Seden, gloss. St. Brand. 594:
Hoe moghedi, sonder cleet, Van couden hier gewesen?
| |
Ghebeet
443, afgestegen; deelw. van beeten, Stoke VI, 466:
Doe hi ghebeet was van den paerde,
Quamen si daer dandere waren.
| |
Ghebene
235 (foutieve lezing voor ghebetene, verl. deelw. van biten, afbijten; dus afgebeten, afgeknabbeld); hetzelfde alzoo wat 309 gezegd wordt: (broet) daer du af hebs gebeten. ‘Ongetwijfeld’ zoo schreef mij Dr. Stoett, ‘moet tghebene beteekenen tghebetene. Eene verandering is echter niet gebiedend noodzakelijk. Vormen als: verraenesse, verlaenesse, bedienisse, verwanesse zijn op dezelfde wijze ontstaan en niet ongewoon (Tghebetene, tghebeetne, tghebene). Het blijft evenwel een zonderlinge vorm; ook moet tghebeetne nog aangetroffen worden. Hoogst waarschijnlijk is het dan ook eene schrijffout.’
| |
Ghebod
290 begeerte, uitgedrukt verlangen. Walew. 2808:
Dat ghevic jou in jouw hant Mede te doene jou ghebod.
het en ware wel zijn gebod, tenzij dat hij het mocht verlangen; of, zooals 277: en zij dat hijt ghebiede.
| |
Gheboren
sijn van wiuen 187. Eene uitdrukking die meermalen in den Bijbel voorkomt; zie Job XIV, 1. XV, 14. Matth. XI, 11. Luc. VII, 28. - Onze Moralist laat daarop volgen Sij moetent kennen diet lesen horen d.i. dat dit naar waarheid is, zal wel iedereen erkennen, die deze uitspraak van den Bijbel heeft hooren voorlezen, of, zoo als wij zouden zeggen, door lectuur van den Bijbel kent. Zie over dit laatste op lesen.
| |
in Ghebreke sijn (van iet)
5, in iets te kort schieten; vandaar iets verzuimd hebben. Vaderl. Mus. IV, 343. Zeeuw Vl. Bijdr. 4, 69. Mnl. Wdb. II, 998.
| |
Ghebreken
(met dat. des persoons en genit. der zaak) 524, ontbreken, Lksp. I, 34, 15. Wap. M. I, 704:
Mi dinct dat u sins gebrac.
St. Franc. 10145:
De zonne began up haer steken Ende haer begonste dranx gebreken.
| |
Ghebuer
194, 205, buurman, nabuur. B.v. Seden, gloss. Rein. 1569:
Doe maecten si een groot gheluut, Ende die ghebure quamen uut.
Rein. 1973:
(Hine vermaende) Bede ghebure ende gaste.
| |
| | | |
Ghedinc
307: ghedincs = ghedinc des, gedenk daaraan - dat. Diet. Doctr. II, 2340:
Maer doet, v v vrient goet,
| |
Gheeren
405, begeeren, verlangen; vandaar trachten te verkrijgen. B.v. Seden, gloss. op garen. Wint. en Som. 68:
Her somer, dat wetic herde wel, Dat mi die selke niet sere en gheert.
Ferguut 1259:
Ende Ferguut doet wat hi gheert.
Het hier gegeven verbod gheer niemens wijf staat in Exod. XX, 17 en Deuteron. V, 21, welke plaatsen hadden moeten opgegeven worden in de Aant. op Strophe 100.
| |
Gheest
275: met blijden gheeste, in opgeruimde stemming des harten. - In dezelfde beteekenis staat 295: met bliden leuene.
| |
Gheffene
298, geef hem. Zie op ene. - Ghef imperat. van geuen. De Jager, Verscheid. p. 201. Heim. d.H. 73:
Here! ghef goet na dire macht -- Ende ghef dijn goet sulken man.
| |
Ghecrighen
4, 133, 174, krijgen, machtig worden. Walew. 3290. Rein. 5119. Tien Pl. 2056:
Van goeden scat een goet man Alle salicheit ghecrighen can.
Esopet XLIII, 3:
Die liebart pensde ende dochte Hoe hijt best ghecrighen mochte.
Evenzoo gheswigen en ghederven Wint. en Som. 204. - ghedriven Ferguut 333. - ghedeeren Belg. Mus. IV, 336, 1050. - ghemercken Wint. en Som. 191.
| |
blide Ghelaet
371, vroolijk gezicht. Zie aenscijn. Rein. 7414:
Grote feest ende blide ghelaet
Dreven si: men trompte, men blies scalmeiden.
| |
Ghelijc
hem 315, evenals hij; geconstruëerd met den datief. Esmor. 488:
Enen anderen sanc moet ic nu leren
Edel wijf, ende spreken u an Ghelijc enen vremden man.
d.i. evenals een vreemde doet. Hert. v. Bruysw. 178:
Mijn herte dat vlieght, ghelijc den are, Boven alle vrouwen minne.
B.v. Seden, gl. - 160 van ghelike, desgelijks, evenzoo, op dezelfde wijze.
| |
Ghemeen
57, gemeenzaam, familiaar.
| |
Ghemeenlic
491, algemeen, in 't dagelijksch leven. Ter aankondiging van een spreekwoord; zoo ook bij oude Duitsche dichters:
Daz ist ein Wort gemeine.
- Ich hoere wise liute jehen Und si gemeine sprechen.
Zie Zingerle, die Deutschen Sprichw. im Mittelalter p. 7. Verg. ook zeecht.
| |
Ghemeine
(ghemene) 10, even als mede en met, aan het einde van den regel, meestal rijmshalve geplaatst, tevens, insgelijks, te zamen. Mnl. Wdb. II, 1350. Lksp. III, 4, 11:
Want hi (God) is here allene Op hemel ende aerde ghemene.
| | | |
Lksp. III, 10, 138. Diet. Doctr. I, 454:
Hine mint ons niet allene, Maer hemel ende erde ghemene --
Woude hi, van groter minnen, Tonsen boef al maken.
Stroph. Ged. 118, 407:
Dingel boetscaptse allene An vader, an moeder gemene
Ene onlange wile te voren.
| |
Ghenade
19 (van God gesproken) gunst, barmhartigheid. B.v. Seden 65. Walew. 3160:
Ic hope soe es ter Gods ghenade!
| |
Ghenade
73, 195, rust, vrede, aangename stemming des gemoeds. B.v. Seden, gloss.
| |
Gheneeren
hem met iet 394, zijn levensonderhoud zoeken, den kost voor zich winnen. B.v. Seden, Aant. p. 109. Hildgb. 210, 304:
Een havic, die hem geneert mit roven.
Ibid. 131, 93:
Die mitter boesheit hem ghenaren Die sietmen wonderliken varen.
Ook heeft dit ww. den genitief bij zich. Zoo Kar. e. El. 489:
Nu secht mi wies ghi u gheneert.
| |
Ghepayt
sijn van iet 316, tevreden zijn met iets, voldaan of betaald zijn. Esopet VIII, 7:
Als die wolf al was ghenesen, Wilde die crane ghepayt wesen.
Drie Dag. H. 216 (Dram. Poëzie p. 200):
Want al en quamic niet voer morghen,
Mijn wijf, die souts wel sijn ghepait.
Ovl. Lied. en Ged. p. 510, 511:
Al bestu nu stappans ghepait; Begherte weder omme drait.
R.v. Cassam. 1864. Bgr. v. Couchi fr. I, 273, 525. fr. II, 2237. Vandaar hem ghepayt houden, zich tevreden stellen. Sp. Hist. I, p. 3 (Opdracht aan Graaf Floris V):
Ghenoughet u, wildijt ontfaen
Danckelike, so ben ics vro Ende ic hout mi gepayt also.
Esopet XII, 39:
Verstonden wi dit wel, wi souden Ons tonsen huus over ghepayt houden.
Ook thans nog zegt men: iemand paaien voor iemand tevreden stellen. - Het ww. payen is het Fransche payer, betalen, voldoen, bevredigen, dat afkomstig is van paix, vrede; evenals het Latijnsche pacare van pax. Kiliaen payen, solvere, satisfacere, pacare. Mnl. Wdb. II, 1462. - Het tegenovergestelde van ghepayt sijn is ontpayt sijn, onbevredigd zijn, onvoldaan zijn. Zie voorbeelden bij Oudemans, Bijdr. V, 306.
| |
Gheraken
16, slagen, gedijen; te groeter eeren gheraken, het geluk hebben tot groote eer te komen. - Elre gheraken 349, er in slagen om elders te recht te komen, een onderkomen te vinden. Mnl. Wdb. II, 1488. Vandaar goet geraect, goed uitgevallen; en, van personen gesproken, schoon. Lansel. e. Sandr. 452: Ghi sijt hovesch ende wel gheraect. Bgr. v. Vergi 1018: Scoen ende wel gheraect. Lancel. II, 24381:
Nadien dat u God hadde gemaect Best ende scoenst ende best geraect,
Ende gratieus boven alle man.
| |
| | | |
Gerechtich
61, 484, rechtvaardig; hetzelfde als 88, een man van rechte.
| |
Gherechticheit
62, rechtvaardigheid.
| |
Ghereet
bw. 444, dadelijk, terstond. Vr. e. Minne I, 733:
Dierste dinc van desen dan Dats die scoenheit, God weet,
Die haer in allen stede can Sere doen minnen ende ghereet.
| |
Ghereit
81 gereed; deelw. van ghereiden, in gereedheid brengen. Vr. e. Minne I, 809:
Hets oec ene suete pine, Ende enen aerbeit, die niet en deert,
In eens vrients dienst gereet te sine, Alles te doene datmen begheert.
| |
sot Gherekent sijn
255, voor zot gehouden, als zot beschouwd zijn; zie als. Olv. Ged. III, 108, 218:
Wie hem met gheven maect soe bloet
Dat beide sijn hande ydel bliven, Men mach hem wel vor ghec bescriven.
Gherekent is deelw. van rekenen of gerekenen. Zie Mnl. Wdb. II, 1533, alwaar de beteekenis van geschat worden ontbreekt.
| |
Gherne
(gaern) 263, 385, 420, 421, gaarne, met genoegen (Lat. libenter). B.v. Seden 83, 720, 753, 946, 1078. Rein. 1021. Vr. en M. IV, 123:
Als ghi weder coomt tot haer, Dat ghi haer seghet maer,
| |
Gherne
56, doorgaans, veelal. B.v. Seden 776, alwaar dit woord in het Gloss. ontbreekt. - Mnl. Wdb. II, 1553. 2, b.). Verdam, T. en Lbode, V, 46. Lksp. gloss. Esopet XXXIV, 25. LXI, 63:
Si bliven gherne sonder ere, Die goede wijf willen onteren.
Mnl. Dist. Caton. II, 31. Vdl. Mus. I, 191, 425:
Daer twee blende deen dander leiden, Si sneven gherne eer si scheiden.
Alex. VII, 37. Zie aldaar Franck p. 465. Lucid. 5426:
Wat den mensch dagelix gesciet,
Comt hem gerne snachts te voren.
welke woorden ons doen denken aan de verzen van Claudianus de Consul. Honorii Praef. 1:
Omnia, quae sensu volvuntur vota diurno,
Pectore sopito reddit amica quies.
| |
Ghescien
49 (met dat. des persoons) geschieden, overkomen, te beurt vallen. Walew. 9814:
Sine wisten wat hem was ghesciet.
Esopet LXII, 22:
Aldus es den jonghelinc ghesciet.
Over de later ingevoegde D in dit en dergelijke verba, zie de aanteekening op castyen.
| |
Ghescil
342, tweedracht, oneenigheid, twist. Rein. 7436. Bgr. v. Couchi fr. II, 37:
Ende dat zi in ghescille Eerst quamen om een verwijt.
| |
hem Ghesellen
292, zich vereenigen met, zich aansluiten, het gezelschap zoeken. Esopet VI, 1:
Tscaep, die coe, die geet metten barde Gheselden hem metten liebarde.
| |
Gheselt
340, in gezelschap zijnde van iemand, zich aan iemands zijde bevindende. Dit partic. is geen perf. maar een tegenw. tijd van ghesellet sijn. Mnl. Wdb. II, 1628, gesellen.
| |
| | | |
Ghesent
280, 487, gezonden. De zwakke vervoeging van senden is in 't Mnl. de meest gebruikelijke; doch men vindt ook wel 476 ghesonden, benevens ghesint. Rein. 5433. Kar. de Gr. I, 1689. Esmor. 276 (om te rijmen op kint). Sp. Hist. III, iv, 21, 62. B.v. Seden, gl. sinden; en ghesant MLoep Gloss. - Evenzoo vindt men van scenden: ghescant, ghescent, ghescint en ghesconden.
| |
Ghesien
sijn 37, voor iets aangezien zijn, gehouden worden, onder of met de houeschen geteld worden. Van bijna gelijke beteekenis gerekent sijn.
| |
Ghesijn
hebben 122, geweest zijn. Dit verl. deelw. van sijn wordt meestal met hebben als hulpwerkwoord vervoegd. Esopet XXXIV, 25:
Daer blivet gherne .1. wortelkijn, Daer nijt ende haetscap heeft ghesijn.
Rein. 4436:
Van hem dien ic so groten vrient
Van herten altoos heb ghesijn.
Hist. v. Troy. 9349:
Ic hebbe ghesijn in grotre noot.
Zoo ook: Ferguut 3643, 4012. MLoep I, 1296; II, 1079; III, 36. Lksp. I, 25, 41; II, 24, 101. St. Brand. 1440. Lancel. II, 11495. Bgr. v. Vergi 327. Bgr. v. Couchi fr. I, 533, fr. II, 256. - Daarvoor vindt men ook wel hebben gewesen, geweest zijn. Lancel. III, 10197. Esmor. 719. Ovl. Ged. III, 111, 465. Kar. de Gr. I, 397. Clignett, Bijdr. p. 171. Franck, Inleid. op Alexander p. LXXXV.
| |
groet Gheslacht
250, hooge afkomst, adellijke geboorte. Parthon. 5685:
Men soude setten oec met rechte Sijn rijcheit ende sijn gheslechte,
Ende sinen wijsdom ende sijn raet Jegen elcs mans daet.
Rein. 3686:
Hi is wijs ende van rade vroet
Ende daerbi van groten gheslachte.
| |
Ghestelt
sijn 339, bestemd zijn tot iets, aangesteld, aangewezen voor iets, in een of ander toestand gebracht.
| |
Ghestrect
448, zie upstrecken.
| |
hem Gheuen
tot iet 107, zich tot iets zetten, zich aan iets wijden. Stemmen uit den Voortijd 47: (Laten wi) setten mit geheelre herten op die sonden te laten ende ons totter duecht te gheven. Mnl. Wdb. II, 1800, 5). St. Amand II, 4326:
Hem neerenstelic ter duecht gheven.
| |
Ghewerdighen
295, zich verwaardigen, niet beneden zich achten. St. Franc. 9791. Mnl. Wdb. II, 1892.
| |
Ghincdi
289, gingt gij. Zie op DI.
| |
Goede
78, 245, 247, 299, bezitting, goed. B.v. Seden, gloss. Dus hoep van goede 133 hoop op het verkrijgen van bezittingen, hoop op rijkdom.
| |
Goeders
326. In de uitdrukking yement goeders moest dit woord eigenlijk luiden goeder, daar het de 2de naamv. meerv. is van het zelfstandig gebruikte adjectief goet. Dat de s later achter den genitief-uitgang is geplaatst, moet toegeschreven worden aan den invloed van een uitdrukking als iemen anders. Zie Stoett, Etymol. § 128. De woorden yement goeders beteekenen dus iemand der goeden, d.i. een goed man, een fatsoenlijk man. - Zoo ook der bester een in Lancel. III, 26689.
| |
| | | |
Goedertiere
97, goedaardig. Eig. 2de nv. van goede tiere, goede soort. Kiliaen benignus, mitis, lenis. - Het tegenovergestelde is quadertiere. Mnl. Wdb. II, 2026.
| |
Goet zalich
335, vroom. Kiliaen, god-saelich, pius. MLoep I, 964:
Ic hebbe ghelaect den jonghen doren,
Op dat hoer elc guet salich wijff Daer voren hoede ende houde stijff.
| |
Gracie
462, genade, gunst door God aan den mensch verleend. B.v. Seden, gl. Winter en Somer 1:
Ghi heren, vrouwen, wijf ende man, Ic bidde gode, diet wel doen can,
Dat hi ons wil sijn gracie gheven.
| |
Grammelike
473, op eene wijze, waaruit gramschap, toorn of woede blijkt; dus verwoed. Mnl. Wdb. II, 2103. Parthonop. 5059. Limb. V, 1152:
Mettien soe quam grammelike Ridende dammirael Brando
| |
Grief
115, 388, verdriet, zieleleed. Rein. 186. Walew. 8101:
Wel soete minne, te groten grieve,
Sal onser tweer minne enden.
| |
Groet
goed 207, veel goeds. Zoo ook 208, groet quaet, veel kwaads.
| |
Gront
383. Eig. de bodem, het ondervlak van een lichaam; vandaar de grond van. het hart, het diepst van het gemoed. Mnl. Wdb. II, 2171. Kiliaen verklaart grond door aard, en quaden grond door mala mens, malus animus, mala indoles. Hildgb. 87, 43:
Hy is wijs, die hem voir schalcheit hoet, Ende salich diese niet en doet,
Want si comt uut fellen gronde.
Esmor. 931:
Hi hevet tuweert al valschen gront.
Mnl. Rijmspr. II, 9:
Nochtan soude men scuwen sonde, Want si comt ute soe quaden gronde.
Bgr. v. Couchi fr. II, 343:
Maer die nijt, die inden gront
in zinen gront is dus wat men ook thans nog zegt in zijns harten grond, evenals vroeger. Zie Lansel. e. Sandr. 272. Lksp. III, 4, 419. Bgr. v. Couchi fr. I, 60; II, 1397. R.v. Cassam. 1258:
Daer was selke die uuttien gronde
Van haerre herten een suchten nam.
| |
H.
Deze letter staat menigmaal, vooral in het WVlaamsch en aangrenzende dialecten, vóór woorden die met een vokaal beginnen. Voorbeelden, die in dit gedicht gevonden worden, zijn: hachten 100. - heer 483. - heet 317, 321. - heffen 285. - hel 486. - hende 422. - hoghen 117, 243, 408. - houde 352. - hu 47, 79, 196, 212, 215, 222, 448. - hueren 103, 206. - huut sturten 300. - huut trecken 448. - huut werpen 146.
En omgekeerd wordt soms - doch niet zoo menigvuldig - de H weggelaten, zooals: arde 20, 180. - et 241. - ouerdich 252, 254, 460. Zie B.v. Seden, gloss. Mnl. Wdb. III, 1.
| |
| | | |
Haestelic
445, spoedig, weldra, na korten tijd. - 518, haestelic in gaen, haastig, driftig naar binnen gaan.
| |
Hanghen an iet
113, behooren bij, verbonden zijn aan. Mnl. Wdb. III, 80 β).
| |
Harde
20, 180, zeer, in hooge mate, geweldig. Kar. de Gr. 1973:
Daer si vant een scone swaert, Dat Otte hadde harde waert.
Rein. 656:
Des was Reinaert harde blide.
Clarisse op Heim. d.H. p. 308. - Men vindt daarvoor ook wel geschreven herde; zie Mnl. Rijmspr. II, 18. Lancel. II, 11237; III, 10668. Lksp. III, 17, 61, 104. - Het daarbij staande adject. of adverb. krijgt daardoor nagenoeg de beteekenis van een superlatief. Men vergelijke het Latijnsche valde, dat eigenlijk is valide, adverb. van validus, sterk. Ook het Fr. fort komt daarmede overeen.
| |
Harenthare
458, hier en daar, op verschillende plaatsen. B.v. Sed., gloss.
| | | |
man van Heeren
483. Zie letter H, een die eer en achting verdient.
| |
enen Heeten
418, iemand noemen, iemand den naam geven, van iemand iets zeggen.
| |
Heffen ghelijc
285, effen gelijk, nevens iemand, aan iemands zijde. Zie letter H.
| |
Heymelichede
153, geheime zaken. Elders verholen dinghen genoemd in ditzelfde voorschrift; Spieg. d. Jong. 137:
Droncken lieden ende ionghe kinder Maken dicwils openbaer
Verholen dinghen, daer groten hinder Den menighen is gheuolget naer.
| |
Hel
486: niemen hel, niemand anders. Mnl. Wdb. II, 608. Zie letter H.
| |
Helech
28, 29, heilig. Helegher 2de naamval. Stroph. Ged. p. 138, 209:
Dits der Heileger Kerken clagen.
| |
Herberghen
348, zijn intrek nemen, overnachten, logeeren. Esopet XII, 2. Walew. 6253. St. Franc. 4325. Bgr. v. Couchi fr. I, 49. Rein. 1107:
Herberghet tavont met mi!
Flor. e. Blanc. 1942:
Des nachts herbergheden si in een casteel.
| |
Herte
121, 177, 409, het hart, als uitdrukking van het denkvermogen. Segh. 168:
Mer si peinsede inder herten gront.
Mnl. Wdb. III, 301 b). Zoo ook wordt in 't Latijnsche recordari, dat is in memoriam revocare, het hart (cor) verondersteld als de zetel van het geheugen.
| |
Het en ware
290, tenware het, het moest dan zijn, met uitzondering dat het was.
| |
Hier
426, in dit leven, hier op aarde; als staande tegenover teeweghe leuen. - Komt in beteekenis overeen met in desen dale.
| |
| | | |
hem Hoeden van iet
161, zich in acht nemen voor iets. Ruusb. I, 158,
Wi moten ons altoos hueden van vremden viere.
Rein. 3610, 3616: Heer coninc, hoet u wel van desen!
Mnl. Wdb. III, 463. Stoett, Synt. § 15, 2.
| |
in Hoeden sijn
224, op zijne hoede zijn, zich in acht nemen. Mnl. Wdb. III, 458. Heim. d. Heim. 1697:
Hi wese in hoeden ieghen sinen viant.
Lancel. 43890 (Rom. v. Moriaen 1355):
Laet die joncfrouwe met goede Oft sijt in uwer hoede.
Zoo ook in hoeden staen. St. Franc. 2319: Hi stont altoos in sire hoede. Doch ook, zooals thans, vp (= op) sijn hoede zijn 490.
| |
Hoghen
117, 243, 408 oogen. Zie letter H.
| |
Hoofsch
278, 414, wellevend, beschaafd, welgemanierd.
| |
Hoofschelike
297, op hoofsche, wèl passende wijze. Parthonop. 548. Eigenlijk zooals het een hoveling betaamt.
| |
dat Hout mijn zin
503, mijn begrip houdt dit staande, dit beweer ik, dit is mijn gevoelen; of, zooals 58 staat: aldus eist dat ic meene. De beteekenis komt overeen met MLoep II, 1808:
Mer dit is die lesse mijn.
| |
Houekijn
13, kleine hof, tuin, bloembed. De uitgang kijn geeft eene verkleinende beteekenis. B.v. Seden, gl. op deelkijn. Zie ook bouxkin.
| |
Houerde
54, 203, 423, hoogmoed, trotschheid. B.v. Seden, gloss. Heelu 1249:
Want daer was in elke side Hoverde groet ende overmoet.
St. Amand I, 1139:
Dies wert ic so groot in minen moede, Ende met hooveerden so bevaen.
| |
Houesch
37, hetzelfde als hoofsch. B.v. Seden, gloss. Vr. e. Minne Gloss. Walew. 2766. St. Franc. 301, 4740. Lksp. III, 2, 83:
Sulc heet wijs, omme dathi Hovesch ende verstandel si.
| |
Houesscheit
433, hoffelijkheid, beleefdheid. B.v. Seden, gloss. Vr. e. Minne Gloss.
| | | |
Huber
509, huwbaar. Meest hubaer geschreven. Mnl. Wdb. huwbaer. B.v. Seden 379:
Vrient, oftu dochtren hubaer heues, Ic rade, dattuse te manne gheues.
| |
Huusgesinde
370, huisgezin d.i. de gezamenlijke dienaren, bedienden of onderhoorigen. MLoep II, 3154:
Want doe tgherucht begonde te meren
Over des conincx huysghesinde Dat die vrouwe was mit kinde.
Om zoodanige personen aan te duiden, gebruikten de Romeinen het woord familia, verwant met famulus. Zie o.a. Phaedrus IV, 21, 23. - Ghesinde voor gezin. Zie De Jager, Lat. Versch. p. 246, en Mnl. Wdb. II, 1648.
| |
| | | |
Huut
300, uit. Zie letter H. Alzoo huutsturten en huutwerpen.
| |
Huwen
510, doen huwen, uithuwelijken; hetzelfde als B.v. Seden 380 te manne gheuen. Mnl. Wdb. III, 781 (Lat. nuptum dare, maritare, collocare matrimonio), Matth. Analecta III, 354: ‘Een eenige dochter, die hy gehylict had aen des conincs soon van Vrancryc.’
| |
I, J.
| |
Yemene (nominatief)
407, iemand. B.v. Seden, gloss. - Gewoonlijk een der verbogen naamvallen, zooals 479.
| | | |
Imperatieve vormen:
doch van doen, 79, 116. - doech van dogen 147. - ganc van gaen (ganghen) 165. - gef van geven 261, 298, 318, 373, 436. - les van lesen 178. - stec van steken 319. - verdrach van verdraghen 490. - vrach van vraghen 177, 329, 333, 344. - wes van wesen 148, 380, 437, 460. De zoodanige vormen zijn uitvoerig besproken door De Jager, Verscheidenheden p. 198 en Latere Versch. p. 469.
| |
Ingaen
518, binnen treden. Rom. d. Lorrein. 1312:
Na dese tale quam ingegaen Die biscop van Riemen saen.
| |
Inleken
257, lekken (stillare); wanneer het regenwater door het dak dringt. Thans spreekt men van lekkage hebben.
| |
Jolijt
260, vreugde, vermaak. Becanus bij Kiliaen: iucunda temporis in laetitia gaudioque traductio. Mnl. Wdb. III, 1058. Vr. e. Minne, gloss. Winter en Somer 26. MLoep I, 2937:
Hi verwachte den lieven tijt Mit groter vroechden ende jolijt.
Lksp. III, 4, 17:
Rijcheit, macht ende jolijt Duren hier onlanghen tijt.
Limb. V, 817:
Daer waren si enen langhen tiit, Ende hadden groot joliit
In tornoye, in tavelronde.
Van gelijke beteekenis is joie. Rom. d. Lorrein. II, 1922:
Ende laet ons tavont hebben joie Ende bliscap te minen vernoye.
| |
Jonnen
516. Wisselvorm van gonnen, gunnen. Lksp. I, Prol. 6. var.
Ons here moete mi dies jonnen
Walew. 3710:
Soe seide: ‘Here, ghi moet mi jonnen’.
Vr. e. Minne VIII, 356:
Des jonne hem die reyne Maghet.
| |
Jonste
173, 184, 211, gunst, genegenheid. B.v. Seden, gloss.
| |
Jonstelic
190, 206, vroolijk, vreugdevol, met toegenegenheid.
| |
Jonstelicheit
481, vroolijkheid, genegenheid. - Het hier geopperde denkbeeld heeft eenige overeenkomst met de Latijnsche spreuk: Gratia gratiam parit. Zie Erasm. Adag. I, 1, 34.
| |
| | | |
C, K.
| |
Callen
293, praten, babbelen. B.v. Seden, gl. - Ook wel, zooals hier, gebezigd voor het gewone spreken. Zoo ook Rein. 6738:
Ic en can niet vele callen.
Kar. de Gr. fr. II, 1889:
Want ghi wetet wale, here,
Datmen dicwile heeft gecalt Dat selve bloet selve walt.
Als men calt, zooals men gewoonlijk zegt, d.i. zooals het spreekwoord zegt; dus hetzelfde als 491 men ghemeenlic te segghene pliet. Zie ook zeecht. Thans bestaat dit wkw. nog in raaskallen.
| |
Castyen
197, 466, kastijden, straffen (castigare). Ook wel, zooals 138, bestraffen met woorden, dus berispen, vermanen, onderrichten. Clarisse op Heim. d. Heim. p. 396. Ovl. Ged. II, 110, 137:
Ende niemen en wilt wesen ghecastijt, Al raet men hem sijn profijt.
Castien van iet 497, evenals B.v. Seden 386 begripen van iet, Lancel. III, 23631, 24084. - Thans zegt men kastijden, waarin de d is ingevoegd, die volgens Verdam, Aant. op Bloeml. iii, p. 212, even weinig recht van bestaan heeft als in vlieden voor vlien, geschieden voor ghescien, belijden voor belien, (ook wel lien geschreven, Parthonop. 2024). - Zie Te Winkel, Gramm. Figuren, bl. 263.
| |
Kijcken
227, rondzien, onderzoeken, loeren op iets, op den uitkijk zijn. Kiliaen: inspectare.
| |
Kinderspel
351 (onzekere lezing) zie bl. 57.
| |
Cleen
100, 514, klein, gering. Zoo cleene achten, geringschatten. - 299 cleen van goede, weinig bedeeld met aardsche goederen, arm. - Zoo wordt, in den Proloog van Lanseloet 12, van de door hem beminde Sanderijn gezegd:
Maer si was hem te cleine
Van goede ende oec van gheboert.
In dezelfde beteekenis staat arem man van haven. Mnl. Dist. Caton. I, 21.
| |
Cleven
an iet 62, zich aan iets vasthouden, an gherechtichede, haar steeds beoefenen, in acht nemen (haerere iustitiae). Lksp. III, 10, 259:
Dus selen jonghe liede leven Die an die doeght willen cleven.
Vergelijk hem gheuen tot iet.
| |
Cnaep
85, bediende, knecht; iemand wiens diensten men voor loon huurt. Zoo ook het Latijnsche puer, waarin niet altijd de gedachte aan jeugdigen leeftijd ligt opgesloten. Clignett, Bijdr. p. 354. Rein. 5727:
Doe riep sijn heer mit anxte groot ‘Help, help! desen esel slaet mi doot.’
Doe quamen die cnapen toe ghescoten Mit sterken stocken ende mit groten.
welk verhaal te vinden is in de Appendix fabularum Aesopiarum (achter Phaedrus, met het opschrift Asinus domino blandiens) alwaar de dichter schrijft:
Clamore domini concitatur familia (d.i. famulorum cohors),
Fustesque et saxa passim arripiens obvia,
| |
Knauwen
met crommen tanden 359, met bijtende woorden iemand bejegenen, of scherp iemand benijden, kwaad van iemand spreken. - Dit
| | | |
knauwen doet ons denken aan de gezegden van Horatius, Sat. I, 4, 81: absentem rodere amicum en Epist. I, 18, 82: dente Theonino circumrodi. Voeg hierbij het middeleeuwsche distichon:
Quando voles verbis alios mordere protervis,
Foeda tui cordis respice; mutus eris.
waarvan de eerste regel aldus veranderd voorkomt bij Buchler 271:
Quando voles alios verbis mordere caninis.
| |
Coene
506, moedig, driest (audax). Vandaar haastig, ondernemend. B.v. Seden, gl.
| |
hem te Coepe bieden
264, van eene vrouw gezegd, die om hare onzedige levenswijze, in 't Latijn genoemd wordt mercabilis; zie Ovid. Amor. I, 10, 21:
Stat meretrix certo cuivis mercabilis aere.
of ook wel venalis, zooals in het middeleeuwsche distichon:
Mater venalis facit ut sit filia talis,
Nam sequitur leviter filia matris iter.
| |
Coepman
392, hij die koopt. Thans beteekent koopman meer hij die verkoopt. - Op gelijke wijze staat kouffman in Teutonice Str. 94.
| |
Coepmanscap
394, het handeldrijven, koophandel. - Ook wel geschreven comenscap. Diet. Doctr. II, 2625, 2631:
Ane comenscap men sere wint, Diet tgoet haelt daerment vint.
of comenscop Vr. e. Minne XI, 164:
Die gaerne haer broet winnen Mit ambocht ende mit comenscop,
Ende dat weder int gheselscop -- Willen wi in onse ghilde rapen.
| |
Commen
279, 470. Deze schrijfwijze is in de middeleeuwen niet ongewoon. St. Brand. 834, 1594. - zie ook vulcommen 126 - en is ontstaan uit den invloed van hi comt; doch ook Comen 207.
| |
Conste
174, kennis, wetenschap. Sp. der Jong. 18:
Consten te connen is groot eere.
212 dit leeric hu voer goede conste, dit geef ik u als een heilzame les, als voorschrift voor uwe gedragslijn. - 384 met conste, met verstand, dus behendig. - 495 sonder conste, zonder daartoe in staat te zijn. Voor dit laatste ook wel sonder conde. Ovl. Ged. III, 108, 258.
| |
Cousen
447. Van zoodanige kousen, die eene beenbedekking vormden en dus scheenplaten waren, welke de paardrijders aantrokken, vooral wanneer zij ten strijde gingen, is sprake in Parthon. 3310; Ferguut 1071, 2323;
Ende langede heme sine wapijn te male, Halsberch, cousen, helm van stale.
Hi wapende hem ende gorde tswert.
Bgr. v. Couchi fr. II, 1314:
Cousen ende oec caproen Was schiere brocht den ridder coen.
Walew. 4596:
Twe cnapen cnielden uptie aerde
Den here Walewein te voren, Ende deden hem af cousen ende sporen.
| |
Curt
142, spoedig, weldra, binnen kort (Lat. brevi). Reimchr. v. Flandr. (Denkm. I, p. 263) 7854: Curt quam in Vlaendren groot gheroe.
| | | |
Ibid. 7874:
Maer curt ontquam die graue reen.
Diet. Doctr. II, 2269:
Goet datmen ghewint saen Moet cort te nieute gaen.
477 Curt sine tale bestieren, zijne boodschap bekorten, in weinig woorden afdoen. (Verwijs) Bloeml. III, 11, 114:
Aldaer scietsi met curter sprake.
Vandaar het ww. corten, bekorten. Carl e. Eleg. 457. Rein. 1871:
Daer omme corte ic u die wort.
| |
L.
| |
Labuer
169, moeite (Lat. labor). Vaderl. Mus. I, 327:
Si connen plaesteren wel ter cure Sonder eneghe grote labure.
In de beteekenis van arbeid en akkerbouw komt dit woord menigmaal voor; zie Rose 7997. St. Franc. 9688. St. Amand I, 4352:
Du sult met hem loon ontfaen Die al den dach hebben ghestaen
In haren neersteghen labuere.
| |
Lachter
130, 172, laster; maar ook meermalen schande, oneer; zie Aant. op Mnl. Rijmspr. II, 114. B.v. Seden, gloss. Vr. e. Minne, gloss. Flor. e. Blanc. 3482:
Doe spraken si alle gemeenlike: Amirael, here, wrect haestelike
Den lachter, die di es gedaen.
Ibid. 3684:
Ic sal u selve te handen slaen Ende wreken den lachter, die mi es gedaen.
| |
Lachtren
98, laken, berispen. Esopet XLIX, 14:
Ic lachterde tgoede, ic prijsde tquade.
Ibid. LX, 28:
Die goede wijf sijn alle goet, Diese lachtert, hi mesdoet.
| |
int Langhe leuen
48, beteekent hier in de eeuwigheid, als staande tegenover up der eerden. Wap. Mart. I, 820:
Waenstu, Martijn, weeldich vet -- Varen int langhe leven?
In Lksp. III, 25, 118 heet de eeuwigheid:
Tleven dat duert sonder tijt.
En zoo ook staat in 426 hier, d.i. hier op aarde, tegenover teeweghe leuen. - Insgelijks vindt men daarvoor teewelike lijf, St. Amand I, 4321 en dlanghe lijf, Zedelessen 382 (Sp. Hist. I, viii, 70, 6):
Dlanghe lijf vergheten wi al
waar het staat tegenover dit corte leven in dit dal.
| |
Leden
(deelw. van liden) 377, geleden, voorbijgegaan. Zedelessen 389 (Sp. Hist. I, viii, 70, 41):
Want dat leden es, dats verloren.
Carl e. Eleg. 730:
Dies es leden die derde dach.
Bgr. v. Couchi fr. I, 514:
Het es zeder, leden lanc.
| | | |
Rein. 3502:
Doet leden was acht daghe.
Limb., gloss. Lksp., gloss. liden. - Het voorvoegsel ghe is alzoo weggelaten; evenzoo B. vd. Houte 426 comen, gekomen; 589 vonden, gevonden; 715 brocht, gebracht.
| |
yemene Leede doen
46, iemand leed doen, grieven. Zie leit.
| |
Leeden een seker leuen
108, een gerust leven leiden. Esopet LXII, 26:
Wildi leeden .1. heilech leven.
Mnl. Dist. Caton. I, 5:
Want en es man no wijf Die sonder sunde leet sijn lijf.
| | | |
Leenen
420, 421, te leen geven. B.v. Seden, gloss. Lksp. III, 5, 34:
Men borcht hem noch en leent niet.
| |
Leer
14, 28, 214, onderwijs, voorschrift. MLoep I, 2458:
Mnl. Dist. Caton. III, Praef.:
So saltu di na minen raet keren, Ende werken na mine lere.
Ibid. IV, 21:
Wiltu connen ende leeren Vele, so saltu di bekeeren
Vroedelike an mine leere.
Spieg. d. Jong. 33:
So wie dat onthout mijn leeren,
Hi sal regneren, sijt des becant.
| |
Leeren
526, bestudeeren, van buiten leeren, in 't geheugen prenten.
| |
Leeren
484, onderrichten aangaande iets, iemand op de hoogte brengen van eenigen toestand. Sp. Hist. I, viii, 36, 215:
Dattu wets, dat soutstu leren Gherne hem, dies an die keren.
Zedelessen 223 (Sp. Hist. I, viii, 56, 56):
Want als een enen anderen leert Hi wijst hem selven ende eert.
waar Maerlant gedacht heeft aan, of althans in overeenstemming spreekt met de woorden van Seneca, Epist. 7 § 8: Homines, dum docent, discunt.
| |
Leeringhe
7, 510, 527, onderwijs, voorschrift, raad. Zedelessen 475 (Sp. Hist. I, viii, 74, 1):
Ledecheit, sonder leeringhe Dat sijn alle verloren dinghe.
| |
Leestu
382 (ledes du) 2e pers. impf. van liden, lijden, ondergaan; scaemte liden, schaamtegevoel ondervinden.
| |
Leit
(leet) 82. Wordt èn als zelfst. èn als bvgl. nw. gebruikt, evenals thans het doet mij leed en het is mij leed. B.v. Seden, gloss. Parthon. 3021. Zie ook noet. - Het tegenovergestelde is lief, b.v. in de uitdrukking lief en leed te zamen dragen, waarvoor in Carl e. Eleg. 757: leet ende lief met enen deilen. - Als bvgl. nw. Grimb. Oorl. (Diet. War. II, 420) 1377:
My es leet dat ghi wilt sceiden.
Carl e. Eleg. 988:
Tlanghe letten was hem leet.
| |
| | | |
Leckaert (lecker)
228, smuller, lekkerbek. Becanus bij Kiliaen: ‘Qui in saporibus nimium habet delectum: sive qui nimias in lingendo delicias guaerit.’ Diet. Doctr. II, 928, 952. Vaderl. Mus. III, 262, 819:
O wach! ghi leckers, die vleesch en bloet Meer ontsiet, ende diet al verdoet
Ende uwen buke schijnt soe vrient.
Hier heeft leckaert meer de beteekenis van tafelschuimer, klaplooper, als staande tegenover hem die zich met zijn eigen disch vergenoegt.
| |
omtrent Lecken loepen
227, er om heen draaien, waar een lekker hapje of snapsje, bij een ander te halen is. Kiliaen: lecken ende suypen, catillare, ligurire. Hildgb. 154, 78:
Die wise ruuct wel of hi peynst,
Weder men siet of datmen braet, Daer hi voerby den coken gaet.
| |
Leken in
257. Zie inleken.
| |
Lenen
312, lenen, leunen. B.v. Seden, gloss.
| |
Lesen horen
188 beteekent eigenlijk hooren voorlezen, doch kan ook gelden voor zelf lezen, door eigene lectuur leeren kennen, zooals blijkt uit eene oude vertaling van de Disticha van Cato:
Son, du sals gedectich wesen Alles wat du hores lezen.
alwaar in 't Latijn (Brev. Sent. 27) staat: Quod legeris, memento. Borchgr. van Vergi 995. - Hierbij mag men niet vergeten, dat het voor onze voorouders veelal moeilijk was eenig geschrift zelf te lezen en zij zich dus moesten vergenoegen met de voorlezing van anderen, ten aanhooren van meer personen: deels dewijl de vaardigheid van het lezen niet zoo algemeen was als thans, maar nog meer wegens de schaarschheid der voorhanden zijnde geschriften.
| |
Lettel
104, bw. weinig, in geringe mate. - Als onbepaald telwoord gerekend, doch met den genitief geconstruëerd, zooals 504, geldt evenals het Latijnsche parum, voor substantief met de heteekenis van een weinig, een beetje; evenals het tegenovergestelde vele. - Rijmb. 30319:
Doe droech sulc, alst niemen sach, Up sinen vrient, daer hi doot lach,
Metter hant 1. lettel erden.
B.v. Seden 943:
Ende meer mesdoet een wijs man, Dan die der wijsheit lettel can.
Spieg. der Jong. 261:
Een luttel goets is haest gheschaert Die gaerne tot allen mercten gaet.
| |
Leuen
296, met bliden leuene, in opgeruimde stemming, met een verblijd en vriendelijk gezicht. Kiliaen verklaart leven door vivere, laetam sive voluptariam vitam agere. - Dezelfde beteekenis heeft 275: met blijden gheeste; zoo ook 371: toecht een blide ghelaet; en 450: met blijden aenschine.
| |
Licht van zeden
99, lichtzinnig, onbezonnen. - 424 lichte wiue, onzedelijke vrouwen, lictekooien. Men wil wel zeggen die licht ter kooi zijn. - Vergelijk ook hem te coepe bieden. Spieg. der Jong. 73:
En hebt geen spraeck met lichte wijuen,
Si breyden haer net, ghi wert bespiet.
In tegenstelling zegt Esmoreit 416 van zijne beminde:
Want si en es emmer niet bereet Tot eneghe man die nu leeft.
| |
| | | |
Lichte
470, wellicht, gemakkelijk. Rein. 6042:
Daer bi ist licht u ontgaen.
Ibid. 7778:
So wie dit wel verstaet int lesen,
Al ist som boert, hi vinter in Vroede leer en goeden sin,
Dat hem licht sel baten moghen.
| |
Lichtelike
302, met stillen tred, ongemerkt. MLoep I, 2871, var.:
Odolyas te hant daer quam, Lichtelic, datmens niet en vernam.
| |
der Lieder tale
71, hetgeen het volk, het algemeen, zegt, wat niet altijd met de waarheid overeenkomt. Sp. Hist. I, viii, 69, 9:
Die zin die waerheit merken can -- Ende alle dingen so can besien,
Dat hi elke dinc prise wale Naer recht, niet nader lieder tale, --
Dits een zin van hoghen rade.
| |
Ligghen (an)
151, daer vreese van liue an ligghen mach, waar vrees voor 't behoud des levens mede gemoeid is. B.v. Seden 161:
Offer dijn lijf of eere an leghet.
| |
Liue
151, 268 verbogen naamv. van lijf, leven; nog overig in lijfsbehoud en lijfrente. B.v. Seden, gloss. Zie ook langhe leuen.
| |
Loen
86, loon, verdienste. B.v. Seden 399. Mnl. Dist. Caton. II, 8. - Vd. 83, 84, loenen, beloonen, vergelden; Kiliaen: loonen, persolvere, praemium tribuere. Vandaar ook 430 ongheloent, onbeloond.
| |
Loes
102, 110, 349, bedriegelijk, valsch, trouweloos. Wap. Mart. I, 930, III, 91. MLoep, gloss. St. Amand. I, 306, 1981. Spieg. der Jong. 57:
Hi is ter wereld nu gheeert Die loose vonden vinden can.
| |
Loesheit
140, bedrog, valschheid. MLoep 3027:
Lieve vrienden, wacht u wael Voer der wiven schone tael,
Die loesheit inder herten draghen.
| |
M.
| |
Man van rechte
88, een rechtvaardig man, iemand die weet de belangen van anderen te bevorderen. Sp. Hist. I, viii, 37, 21:
Dattu alden lieden wils vromen, Ende niemene te scaden comen;
Ende tfolc sal di heeten dan Eenen goeden gerechten man.
Zoo ook 320: man van prise, iemand die lofwaardig is; en 483: man van eeren, iemand die achting verdient.
| |
bi Manieren
98, en met manieren 477, adverbiale uitdrukkingen in het betamelijke, niet buiten mate. Rein. 3486. - Van gelijke beteekenis is bi costumen St. Franc. 7150; te seden Rein. 665; en te maten.
| |
Manierlic
357, betamelijk, zooals het past; manierlijc taxeren, een fatsoenlijk bod doen, bij het koopen iets naar de wezenlijke waarde schatten.
| |
Mare
493, tijding, gerucht. Veelal in kwaden zin; doch ook wel in goeden zin. Rom. v. Cassam. 475:
Here, seide die vereman, laet ons varen
Uwen neven seggen dese goede mare.
| | | |
Bgr. van Couchi fr. II, 219:
Ende alsmen hem vanden heere
Plach te bringene goede mare.
| |
te Maten
53, 198, naar de juiste maat, van pas, dus niet te veel. Lksp., gloss. MLoep, gloss. Zie ook bi manieren. Rein. 625, 665:
Al dinket u goet die honichrate, Etet te seden ende te maten.
Mnl. Dist. Caton. I, 29:
Dattu hates salstu haten Niet te zeer, mair te maten.
Zoo ook wel in goeder maten, Ibid. III, 22. - Het tegenovergestelde is tonmate, Ibid. IV, 1.
| |
Mauwe
448, mouw, gedeelte van het kleedingstuk dat den onderarm bedekt. Kiliaen: manica, brachiale. Thans nog de hand uit de mouw steken d.i. de mouw opstroopen om onbelemmerd te kunnen werken.
| |
Mede
154, 191, 453, 481, tevens, insgelijks. Veelal een onnoodig stopwoord, aan het einde van den regel geplaatst en dus slechts dienende voor het rijm. Sp. Hist. III, iv, 21, 62:
Naer Clotarise omme vrede Ende omme eewelijc zoendinc mede.
Lksp. III, 9, 133. III, 10, 129. III, 14, 21, 92. III, 25, 71. Zie ook met, dat op gelijke wijs gebruikt wordt.
| |
Meerder man
270, 273, 317, 320, 327, 339, 412, 451, 475, 497; zoo ook hi die meerre es 287, iemand die in de maatschappij hooger staat, hetzij door zijn geld, betrekking, invloed of geleerdheid. - Waarvoor ook een betere, Lksp. III, 4, 107; een hogher, B.v. Seden, gloss; en een van hogher gheslechte, Parthonop. 567.
| |
Meesterie
496: vlie te hebbene name van meesterien schijnt wel de woordelijke vertaling van Facetus nec cupias tu nomen habere magistri; en het daarbij staande sine re moet dan wel beteekenen zonder dat gij daartoe de bekwaamheid hebt. De zin is alzoo: Wil niet zonder grond, onverdiend, den naam van geleerde najagen. - Hierbij valt echter op te merken, dat het door onzen Moralist gebezigde meesterie niet de beteekenis heeft van meester, maar die van kundigheid. Het woord vindt men Limb. VII, 148:
En liet ict dor den soudan, wi beide Souden becorten mine meesterie.
| |
Meinsch.
Aldus geschreven in het rijm; doch ook buiten het rijm 2, 39, 94. B.v. Seden 92. En zoo overal in St. Brandane 200, 222, 372, 547, 1451, 1646. - Tot hetzelfde dialect behoort heiten en weiten, B.v. Seden, gloss.
| |
Mesprisen
440, tot schande rekenen, het iemand nahouden, verwijten. Vr. e. Minne III, 2, 5:
Ende die werelt soude u misprysen.
Rein. 168:
Men salt uwen kindren noch mesprisen
Hier naer, over wel menich jaer.
Van gelijke beteekenis is enen mesprijs doen, St. Franc. 3749.
| |
Messeghen
491. Bode mach messeghen niet. In B.v. Seden 364 staat in het Handschrift: Bode en mach ontsegghen niet, alwaar ik meende dat het woordje men noodzakelijk moest worden inge- | | | | voegd, om aan dit spreekwoord de beteekenis te kunnen toekennen: ‘Men mag niet weigeren een bode aan te hooren, hem niet afsnouwen of onvriendelijk behandelen, wanneer hij ons eene onaangename boodschap overbrengt.’ Nu ik echter zie, dat op beide plaatsen het woordje men ontbreekt, durf ik het hier niet weder, evenals daar, in te lasschen, en neem daarom de door mij gegevene verklaring terug - waarom ik dan ook bereids op p. 71 bij Str. 121 het woordje men in [] geplaatst heb - beter ingelicht zijnde door mijn vriend Dr. Sandvoss, die, zonder toevoeging van men, het spreekwoord opvat in de beteekenis van ‘der legatus kann und darf die Ausrichtung der Botschaft, wie sie ihm aufgetragen ward, nicht versagen; er ist daher persönlich verantwortlich und nach dem Rechte der Völker sacrosanctus.’ De zin is alzoo: Een overbrenger eener boodschep mag daaruit niets weglaten, niets in zachtere woorden teruggeven als zij hem soms in onvriendelijke termen is opgedragen, al begrijpt hij dat ze niet wèlgevallig klinken zal in het oor van hem, die ze ontvangt.
| |
Met
106, tevens, insgelijks. Evenals mede, een rijmshalve gebezigd stopwoord. Diet. Doctr. II, 459, 2721. Lksp. III, Prol. 29:
Daer omme moeten, als wi lesen, Dese twee te zamen wesen,
Wijsheit ende crachte met.
Ibid. III, 4, 6; III, 7, 37:
Hier met verdrijft di, dat ghijt wet, Gramscap ende melancolie met.
| |
Metten (= met den) vroeden
100, hi es metten vroeden cleene ghehacht, hij is in de schatting der verstandigen weinig gewaardeerd. - Metten vroeden is eene echt Mnl. uitdrukking voor hetgeen wij zeggen bij de wijzen (in hunne schatting). Lksp. III, 8, 63:
Hijs wel ghetelt metten vroeden Die hem van allen wel can hoeden.
Zoo heeft met de beteekenis van bij 104, 194, evenals Diet. Doctr. III, 1201. Zie Stoett, Syntaxis § 322 e.
| |
Middelheit
107, het midden tusschen twee toestanden (Lat. medium utriusque). Sp. Hist. I, iii, 47, 21:
Cracht van zinne dats over waer Middelheit tusscen coenheit ende vaer.
Lksp. III, 20, 66. In B.v. Seden 127 heet dit tusschen den tween d.i. tusschen arm en rijk zijn. Diet. Doctr. II, 3005:
Seneca seit ons voerwaer In eenre epistelen daer,
Dat die ghene heeft groten moet, Die versmaden can groot goet,
Ende lieuer heeft middelheit Dan al te groet rijcheit.
voor welke verzen ik nog geen meer passende woorden van Seneca heb kunnen
vinden, dan die gelezen worden in Seneca, Epist. 39, 4: Magni
animi est magna contemnere ac mediocria malle quam nimia. Evenmin ben ik er in geslaagd om van de bekende spreuk Medium tenuere beati eenen ouderen zegsman te ontdekken dan Albertus Stadensis in zijnen Troilus III, 251. - hem ter middelheit gheuen beteekent dus zich in het midden houden, de middelmaat beminnen, zich daarop toeleggen. Diet. Doctr. II, 3027:
Salomon bat Gode met herten vri: Armoede noch rijcheit en gheeft mi,
Deze begheerde middelhede.
waar gedoeld wordt op Salomo's bede in Spr. XXX, 8. - Het denkbeeld van middelheid treedt ook te voorschijn in het voorschrift van Facetus (zie Strophe 14) waar gematigdheid van ootmoed wordt aanbevolen: Sis humilis mediante modo; doch wellicht is daar òf moderante te lezen òf medicante.
| |
| | | |
Myen
508, mij. Stoett, Etymol. § 133. Lev. v St. Amand 2003:
Sente Peter seide met dien: Ic ga toot hem, volghet mien.
Bgr. v. Couchi fr. II, 19:
Ic bidde u, berechtes mien.
Ibid. 49, 2650:
Daer in ghetroostic mien.
| |
Milde
246, vrijgevig, met den genit., zie Stoett, Synt. § 24. Spieg. der Jong. 299:
Sijt milt van woorden ende geeft antwoort soet,
So hebdi prijs ende danck beiaecht.
Ook wel met over. B.v. Seden 1009:
Negheen mensche, die gheuroet, Nes alte milde ouer sijn goet.
| |
Miltheit gheuen
247, eene milde gift geven, zich mild betoonen. Velth. I, 33, 23:
Dat was miltheit, die gaf onze Here.
van anders goede, van andermans goed; zoo iemand heet de alieno liberalis bij Seneca de Clem. I, 20, 3, wat nader beschreven wordt in Sp. Hist. I, viii, 43, 21:
Want gelike alse die ghone, Die te ghevene es ghewone
Vremde goet, ende hi tsijn hilde, Niet en es hovesch nochte milde.
| |
niet Min
258, niet minder, evenzeer. Nieuwe Doctr. 758:
God en salt niet min an u wreken.
Lancel. II, 11405:
Dien si niet min en mint dan si mi doet.
Ibid. 21377:
Ende weet wel, dat ic niet min Des drove ben in minen sin.
| |
Minnen
104, beminnen, welgevallen nemen in iemand of iets. Wint. en Som. 65:
Daer ane dat men die somer kint Van den menegen benic ghemint
Die u haet, want ghi sijt soe fel.
ghemint sijn met enen, door iemand geacht worden, in vrede met hem leven; onghemint sijn met enen 194, door iemand gehaat worden, in vijandschap met hem leven.
| |
Mist
233: soppende in den mont es van zeden mist. Met deze woorden heeft de Moralist ongetwijfeld willen zeggen: het in den mond soppen is ongemanierd, in strijd met goede zeden. De uitdrukking dat iets mist is, kan geen aanspraak maken op sierlijkheid, en de gelaakte onhebbelijkheid - welke in Lksp. III, 4, 316 slechts eenvoudig onhoefsheit genoemd wordt - is wel erg zwart afgeschilderd. Immers mist is vuilnis, drek; en dus het leelijkste dat zich laat denken. - Het spreekt van zelf, dat dit woord in overdrachtelijken zin moet genomen worden, evenals droesem, heffe, schuim in de spreekwijzen heffe des volks, schuim der natie, uitvaagsel der burgerij. In Grimm's Wörterb. VI, 2264, vindt men: Mist, als bild für unwertes; als bild für ekelhaftes, unflätiges.
| |
Moeten
528. God moet bliscap gheuen. Bij wenschen heeft moeten in den conjunctief, zooals hier, de beteekenis van mogen. Lat. Utinam ita faxint Dii! Lansel. e. Sandr. 157:
God onse here moet u bewaren.
| | | |
Rein. 1419:
Grimbeert, neve, God moet u lonen!
Flandr. V, 122. Limb. VI, 18:
Dies moet mi onnen onse here!
Lksp. II, 53, 93. Esopet XLVIII, 7:
Oem, seegt hi, God moet u minnen!
R.d. Lorrein. II, 1817:
Onse Here die moeten geleden!
Ibid. II, 2037:
God die moet ons geven sege!
| |
Moetstu
270, 306, gij moet; moetstuus 446, moet gij het. Zoo ook wilstuut.
| |
Moghedi
16. Moochdi 438, gij moogt, gij kunt. Zie op di.
| |
Moghen
389, 442, 456, 470, 484, 512, 524, kunnen. B.v. Seden, gloss. Mnl. Dist. Catonis IV, 33: (Quod potes, id tenta):
Dattu doen macht, doe al dat.
Walew. 773, 1626:
Walewein decte hem ende was vroet, Metten scilde, so hi best mach.
| |
Morghen souken
395, uitstel nemen, iets tot een volgenden dag uitstellen (Lat. procrastinare). Zie ook op slapen. - In gelijke beteekenis vindt men verdaghen. Zie daarover mijne Aant. op Mnl. Rijmspr. II, 116.
| |
Moylic
193, lastig, moeilijk in den omgang, onverdraaglijk. Lat. molestus, welk woord ook Cato Dist. III, 12 gebruikt, waar, evenals hier, de echtscheiding wordt aangeraden:
Uxorem fuge ne ducas sub nomine dotis,
Nec retinere velis, si coeperit esse molesta.
| |
Morseel
237, stuk, brok (Fr. morceau). B.v. Seden, gl. Vander Feesten (v. Vr. en Minne 1) 45:
Dor hovescheit, als si wel conste, Sneet si die moersele voor mi...
57:
Want die moersele sijn soe soete, Die joncfrouwen te snidene plien.
| |
Muelneer
139, molenaar (in Rein. 121, molenman). Van muelne (Lat. molina), molen. St. Franc. 8168, 8176, 8753. - De molenaars worden hier onder de personen gerekend, die zich oneerlijk een deel toeëigenen van hetgeen anderen toebehoort. Het gewicht van het meel komt meestal slecht overeen met dat van het ter molen gebrachte graan; voor welk verschil de molenaar als reden opgeeft dat een gedeelte van het meel verwaaid is. En zoo staan de molenaars in een tal van spreekwoorden als dieven gebrandmerkt. Zie Harrebomée, Sprwboek II, 96.
| |
N.
| |
Naect van iet
253, ontbloot, verstoken van iets. MLoep II, 1088:
Nu bin ic van vrienden naect Ende bin inder werlt alleen.
Maerl. Stroph. Ged. (Disput. 352):
Al es een van lettren naect,
| | | |
dat is: ontbloot van kennis, ongeletterd. - Evenzoo staat in 't Latijn soms nudus voor orbatus, destitutus. Ovid. Fast. II, 709:
Nec mora: principibus caesis ex urbe Gabina,
Traduntur ducibus moenia nuda suis.
Van gelijke beteekenis is bloet, dat evenzoo den genit. bij zich heeft. Stoett, Synt. § 24, en zoo ook ontcleet, Lksp. I, 23, 5: ontcleet van Gods gracien d.i. van de genade Gods verstoken.
| |
Naelde der nijdichede
361, de scherpste nijd, woorden die gebruikt worden om een ander op de bitterste wijze te grieven. Naeld moet alzoo in overdrachtelijken zin worden opgevat, evenals het Latijnsche aculeus meermalen door Cicero gebruikt werd. Op gelijke wijze zeggen wij, ook iemand een steek (onder water) geven. Zie nog prekelen.
| |
Nap
231, 295, 296, 300, 304, 307, beker. B.v. Seden, gloss.
| |
laet voeren Nedervallen
474, laat vooraf ophouden, te niet gaan, verdwijnen. Zoo staat het Lat. cadere soms voor desinere, terminari. - In dezelfde beteekenis sincken; zoo Mnl. Dist. Caton. I, 37:
Laet sincken dijnen evelen moet.
en neder sincken, B.v. Seden 746.
| |
Neere
400, nering, inkomst. B.v. Seden, gloss. op tere. Diet. Doctr. II, 2915:
Die na rijcheit wille staen,
Ende hem te sulker neren keren Die met Gode si ende met eren.
| |
Neerenst
168, ernst. B.v. Seden, gloss. Ook neernst geschreven, Lksp., gloss. en narenst. St. Franc., gloss. Huydec. op Stoke III, p. 228, en J. te Winkel's Gramm. Figuren, 50.
| |
Neffen
(verbeterde lezing) 285, nevens, naastaan, aan iemands zijde. (Lat. iuxta). MLoep. IV, 2133:
Hi onderliep te hant dat dier, Dat scheen dat hine neffen was.
Daarvoor in Rein. 6007 enen naeste gaen en in Carl e. Eleg. 1025 bi enes siden riden. Ren. v. Montelbaen II, 888:
Ic moet emmer met u riden Ende wesen neven uwer siden.
| |
Nemmeere
242, nimmer, nooit.
| |
Nemmermeere
63, 82, 472, van gelijke beteekenis als het voorgaande. Eigenlijk nooit meer, voortaan niet meer. - Zoo ook zonder de negatie emmermeere, steeds, voortdurend. Diet. Doct. II, 2341.
| |
Nye
50, nooit. Prov. Comm. 356, 385, 397. Rein. 746:
Nie maecte god so leelic dier.
Hîldgb. 100, 38:
Meerre wonder en sachmen nie.
| |
Niement
366, niemand; evenals yement; doch hier in verbogen naamval, zoo althans niet moet gelezen worden niemene.
| |
Noede
(node) 420, ongaarne, niet licht. Rein. 729. Lev. o.H. 2239. V.d. Feesten 688. Hildgb. 150, 102. Zedelessen 347 (Sp. Hist. I, viii, 68, 49):
Hi es een keytijf ende onvroet, Die node doet dat hi doen moet.
Spieg. d. Jong. 43:
Op aerde en is gheen dinck so licht Ten valt hem swaer diet node doet.
| |
| | | |
Noet
(Dit woord kan - evenals eet - òf als znw. òf als bvnw. worden opgevat) 120: hets di wel noet, het is eene behoefte voor u, of het is voor u noodzakelijk Rein. 2127:
Nochtan dat was mi lettel noot.
Ibid. 2879:
Hets di noot, dattu hebs scoen.
| |
Noet (met genit.)
415, nood, gebrek aan iets. Esopet I, 8:
Dijns en hebbic ghenen noet.
St. Brand. 1608:
Daer was lettel noot van haven.
Ovl. Ged. III, 106, 86:
Soe waer clein orlogens noet.
Dus cokens noet, gebrek aan hulp, ontoereikende hulp, voor het koken of het gereedmaken van den maaltijd. - 63 noet hebben te biddene, verplicht zijn, in de noodzakelijkheid wezen van te bedelen. - 133 sinen noet ghecrighen, alles krijgen wat men voor zijn onderhoud noodig heeft, in zijne uitgaven kunnen voorzien.
| |
Noetlic
2, 22, noodzakelijk, waaraan men behoefte heeft, noodig, onontbeerlijk. Elders nodelijc. B.v.d. Houte 562.
| |
O.
| |
Oemoedich
53, 55, 266, ootmoedig, nederig. B.v. Seden, gloss. omoede.
| |
Of
365. Om het rijm voor af. Theoph. 31:
Ende oec doer den groten lof Daer ons al goet es comen of.
Rein. 7394. Carl e. Eleg. 1108:
Doen si quamen int hof, Dede men haer cleder of.
| |
Ofte
36, 57, 73, 75, 340, of. Esopet LIX, 22. Rein. 268, 4078. Carl e. Eleg. 212. Mnl. Dist. Caton. II, 9.
| |
Ommare
hebben 42, 288, hekel aan of afkeer van iets hebben, verachten. B.v. Seden, gloss. Wap. Mart. I, 73. Theoph. 527:
Of iemant oec in sonden ware Men hebbe oec niet soe ommare
Dat men die hope van hem verliese.
Eig. beteekent iet ommare hebben iets voor onberoemd, onbeduidend houden, niet der vermelding waardig achten; vandaar minachten. Clignett, Bijdr. p. 81.
| |
Omme
dat 163, daarom, om die reden.
| |
On.
In dit negatief wordt bij sommige schrijvers de n met m verwisseld. Zoo hier ombekent 279, 488. Hildgb. 77, 100; 183, 17. - ommare 42, 288. Rose 331. Rijmb. 24938 St. Brand. 1539. - Elders: ombate Diet. Doctr. III, 1007. - ombedacht St. Brand. 1901. - ommate Bgr.v. Couchi fr. II, 501. Ovl. Ged. III, 147, 6. - omminne St. Brand. 651. Bgr. v. Couchi fr. II, 274. - omrecht (aldus te lezen) Rein. 257. Oudemans, Bijdrage V, 36. Penon, Glossarium op Verwijs' Bloemlezing.
| |
| | | |
Ondanckelic
461, ondankbaar. Diet. Doctr. III, 927:
Maer die dat recht setten achter Daen Gode groten lachter
Ende sijn Gode ondanclec daer af Die hen die edele conste gaf.
| |
Onderdaen
189, onderdanig, gewillig, gehoorzaam. Heîm. d.H. 316. Esmor. 715. B.v. Seden 395, 458. Limb. VI, 10:
Ic wane gheen man also onderdaen.
Parthonop. 2009. Melib. 941:
Een jonghen die wille leren, Sal sinen meester eren
Ende hem oec sijn onderdaen.
| |
al tgoet Onder di
143, alles wat gij bezit, wat gij onder u, onder uw beheer hebt.
| |
hem Onderwinden van iet
501, zich met iets bemoeien, zich in iets inmengen. Dit ww. heeft meestal den 2en nv. bij zich. Zie Stoett, Synt. § 15, 6. B.v. Seden 355:
Onderwint di van gheere daet, Die te di waert niet ne gaet.
Bgr. v. Couchi fr. II, 441:
Wat onderwindi u van desen?
Lev. o.H. 2463, 2665:
Inne onderwinde mi des mans niet.
Meer voorbeelden zijn opgegeven B.v. Seden, gl. - Doch dit woord wordt ook wel anders geconstruëerd; Sp. d. Jong. 375:
So wie hem alle dinck onderwint
Int eynde doet hem selden goet.
| |
Onghelijc
292, 293, oneffen in getal; met ongheliken gheseldi niet, sluit u niet bij twee andere wandelaars aan, zoodat gij de derde man zijt. In B.v. Seden 694 heet dit di derden gaen. De zin is alzoo dat een derde os, aan het juk toegevoegd, maakt dat de wagen kantelt.
| |
Ongheloent
430, onbeloond. Zie loenen.
| |
Onghemint
194, niet bemind, veracht. B.v. Seden, gloss. - onghemint met enen, eigenlijk niet bevriend met iemand, doch heeft hier de sterkere beteekenis van met iemand in vijandschap levende. Zie minnen.
| |
Ongheual
463, ongeluk, wederwaardigheid. Sp. Hist. I, viii, 36, 199:
In onghevalle hout vasten moet, In gelucke omoedich ende vroet.
Lev. o.H. 4058. Kar. de Gr. I, 699:
Tongeval dat es mi bi, Ende tgelucke verre van mi.
Het is het tegenovergestelde van gheval, dat in 't Mnl. meestal in gunstigen zin voorkomt. Zie Mnl. Wdb. II, 1779.
| |
Onghewent
199, niet gewoon aan tucht en gehoorzaamheid. Vandaar halsstarrig, koppig. In die beteekenis spreekt de Stat. Vert. Jerem. XXXI, 18 van een ongewennet kalf.
| |
Onneere
241, 378, schande. Met dubbele n geschreven; zoo ook Lksp. III, 16, 63. Walew. 6832, 9983. R.v. Cassam. 214, 1080. MLoep II, 3595. Bgr.v. Couchi fr. II, 1400. R.d. Lorrein. I, 1248. Ferguut 3854. Esopet XVIII, 7:
Die liebaet dochte, het ware onnere Dat musekijn te quetsen sere.
Zoo ook onnedelheit, Bgr. v. Couchi fr. I, 292.
| |
| | | |
Onnoesel
91, eenvoudig, niets kwaads vermoedende. Diet. Doctr. II, 1257:
Ghine selt oec vroech no spade Clappere no volghere gaen te rade,
Want dat sijn die ghene die liegen, Ende die onnosele bedriegen.
| |
Onzede
362, onvoegzaamheid, strijdigheid met algemeen gebruik. Walew. 1617. Limb. IX, 129:
Maer hi ontsach hem mede Dat wel ware een onsede.
met onzeden kan alzoo beteekenen buitensporig, boven mate, en is het tegenovergestelde van te seden, Rein. 666. Zie maten.
| |
Onsochte
500, onzacht, heftig. Eene handeling die of uit woorden of uit daden blijkt. Rein. 990, 3342, 4723, 6440. B.v.d. Houte 721. St. Brand. 132. - In gelijke beteekenis onsoete, op eene harde wijze, Lksp. II, 53, 49. - Sochte, op eene aangename wijze vindt men Esopet LXIV, 14 en sachte Walew. 11160. Vandaar enen sachte aandoen, iemand aangenaam aandoen, R.v. Cassam. 1382; en enen onsachte doen, het iemand lastig, moeilijk mahen, zie Verdam, Aant. op Bloeml. I, p. 196. Over de verwisseling van a en o, zie Mnl. Wdb. I, 5, Aanm. 3c).
| |
Ontdecken (thoeft)
452, het hoofd ontblooten, de muts afnemen. Elders den caproen afsteken, B.v. Seden 264. Wap. Mart. II, 46. - enen iet ontdecken 468 iemand iets openbaren, bekend maken.
| |
Ontfaen
179, 190, 263, 303, 479, ontvangen. Walew. 10178:
Daer waren si harde wel ontfaen.
Zedelessen 159 (Sp. Hist. I, viii, 46, 31):
Die weldoet swighe saen, Laet hem seggen diet hevet ontfaen,
waarin men de woorden van Seneca de Benef. II, 11, 2 herkent: Qui dedit beneficium, taceat; narret, qui accepit.
| |
Ontfaermen
80, zich erbarmen, medelijden hebben. Vd. sparen, B.v.S. gloss. Wordt geconstruëerd met genitief. Zie Stoett, Syntax, § 15, 5. Aanm. 2.
| |
Onthouden
177, in gedachte houden, niet vergeten. Sotternie (Dram. Poëzie p. 248) 129:
Want wie datter hem toe keert Ende al onthout, dat hi hoert spreken,
Hem en mach nemmermeer const gebreken.
| |
Ontlasten van iet
66, bevrijden. Eigenlijk iemand den last ontnemen. - Van gelijke beteekenis is ontladen, B.v. Seden 324. Rein. 4874:
Ic sal die uter noot ontladen.
| |
Ontraect
254. Eig. slecht uitgevallen (zie gheraken). Vandaar niet wijs, onverstandig. St. Amand II, 1480:
Dies niet ghelooft es zeere ontraect.
Hiervoor ook wel ongheraect. St. Amand I, 2856. Lksp. II, 9, 151:
Nu ben ic keytive ghemaect Om mijn mislove ongheraect.
| |
Ontrecken
461, ontnemen, terugtrekken. Ren. v. Montalb. II, 1125:
Den reep trac die grave Roelant, Renout onttrackene tehant.
| |
Ontsien
173, vreezen in de beteekenis van eeren, eerbiedigen, evenals het Lat. vereri. B.v. Seden gloss.
| |
| | | |
Ontspringhen
171, openspringen, van zelf opengaan, zich openen. Hier gebruikt van een slot. Bij Hooft van een ader en wond. Zie Oudemans, Wdb. p. 217. Zoo ook Lancel. II, 10969:
Ende sine wonde ontspranc metter vart.
Ook springen schijnt de beteekenis te hebben van opengaan, ontluiken. Winter en Somer 22:
..... die bloemen springen Ende die loveren in den woude.
Ibid. 268:
Als men den somer can ghewinnen,
Ende die bloemken staen ende springhen,
waarvoor ook uter erden ontspringhen. Ovl. Ged. III, 124, 52:
Men siet doch in des meyen jaer Als die fyoelbloemen, rosen,
Acoleyen, tidelosen Uter erden hier ontspringhen.
| |
Ontwecken
377. Eig. wakker maken, opwekken. Zie Gloss. op Lksp. - Verder heeft ontwecken de beteekenis van voor den dag brengen, weder ophalen. In B.v. Seden 521 staat in die beteekenis upheuen.
| |
Onvorsien
507, zonder voorafgaande overpeinzing, onvoorbedacht. Eig. niet vooraf, bekeken. Kiliaen improviso. Sp. Hist. I, viii, 34, 123:
Entie toecomende niet en versien, In allen, dinc vallen si onversien.
Diet. Doctr. I, 200:
Ende soe wie spreect onversien, Hem moetere dicke af messchien.
| |
Onvroet
515, onverstandig, zot. Zie vroede. Walew. 161. Esopet. VIII, 9. Rein. 4404:
Mer mi was so we te moede, Doe mi Grimbert brocht die maer,
Dat ic al om liep harentaer Bijster als een onvroet man.
Stroph. Ged. (KClage) 79:
Hi es onvroet, die metten boge Tstrael scietet van goeden vloge,
Daer hi hem selven met geraect.
Spieg. d. Jong. 293:
Catho heeft ons beschreuen, Dat hi is dom ende seer onuroet
Die so veel heeft wech ghegheven, Dat hi namaels bidden moet,
alwaar wel zal bedoeld zijn Dist. III, 21:
Qui sua consumunt, cum deest, aliena sequuntur.
| |
Onwaerde spreken
186, schande spreken. Van gelijke beteekenis als 181 blame spreken. Zoo ook Rein. 6737:
..... Men spreects mi lachter.
| |
Onwerde
204, minachting, haat, ongenegenheid. Lev. o. Heeren 2186:
Peter hi hadde grote onwerde Dies knechs.
Vandaar 432 hebbe gheene onweerde wees niet ongenegen, heb geen afkeer. Theoph. 501:
Dien tijt hadde hi onweert Dies dinc dat hi nu begheert.
Clignett, Bijdr. p. 145.
| |
Onwille
489, een ongewenscht bericht, iets wat men niet gaarne wil hooren; quod quis audire non vult in de Latijnsche spreuk:
Audit, quod non vult, qui pergit dicere quod vult.
| | | |
Zeer gewoon met het bezitt. vnw. sijn. Lksp. gloss. B.v.d. Houte 710 tsinen onwille, tegen zijnen wil. - Voor dijn onwille staat in Mnl. Dist. Caton. II, 23: yewet el dan dijn wille, iets geheel anders dan gij 't zoudt verlangen. Zoo ook B.v. Seden 335 eene ghifte niet te dinen wille, een geschenk dat niet naar uw zin is.
| |
Orborlic
3, nuttig, dienstig, onontbeerlijk. Sp. Hist. III, vi, 26, 25:
Want si orborlijc dingen brochten
Dies die porters niet en mochten Ontberen binnen der stat.
St. Amand I, 3931:
Ic ne soude nemmermeer voorwaer Dinc willen begheeren, om dat si mi
Orboorlic waren, up dat icker bi Minen hevenkerstin deeren mochte.
Ook wel orbaerlic geschreven; Sp. Hist. I, viii, 65, 38. Stroph. Ged. p. 85, 145, bvnw. van orbaer, voordeel, belang. Lancel. II, 11391. Lksp. gloss. N. Doctr. 127. Zedelessen 19 (Sp. Hist. I, viii, 34, 75):
Van allen saken die ghescien Soutu om dinen orber sien.
| |
Orisoen
35, gebed. Lat. oratio, Fr. oraison. Ferguut 4590:
Laet ons opstaen hedenmeer Ende seggewi onse orisoen.
Lksp. II, 17, 73:
Des morghens vro, alse te zamen Die papen inden tempel quamen
Om te doene haer orisoene.
Van gelijke beteekenis is cnienghebet, waarbij het ww. vallen zeer eigenaardig is. Carl e. Eleg. 1258:
Ende viel in cnienghebede Ende seide: God door uwe goedertierenhede....
waar de woorden Ende seide moeten geschrapt worden. - Uitvoeriger staat in St. Brand, 1022:
Doe viel sciere neder Sente Brandaen op sine knien
Ende bat Gode dat hi moeste ontvlien Dien diere, so hi best can.
| |
Over.
Deze praep. bij adjectiva of adverbia geplaatst, heeft de beteekenis van zeer. Zie De Jager, Verscheid. p. 212. Alzoo 305 over vast, volkomen vast, goed, stevig vast; over waer, zeer waar, voorwaar. B.v. Seden, gloss.
| |
Ouerdich
252, 254, 460, hoovaardig, trotsch, bvnw. van ouerde, hoovaardij. B.v. Seden hoverde, St. Brand. 677. - Voor ouerdich wesen gebruikt Maerlant, Sp. Hist. I, 3, 41, verheffen, waar hij ditzelfde voorschrift geeft:
Daerom en selewi verheffen niet, Al es dat ons geval gesciet,
alwaar geval in gunstige beteekenis moet worden opgevat, evenals in de verzen van Stoke, hier boven aangehaald op auenture.
| |
Ouerles
178 imperat. van ouerlesen. De Jager, Verscheid. p. 202. B.v. Seden 65. Sp. Hist. III, 82:
Les die scrifture mit goeder moete.
Ouerlesen heeft de beteekenis van nogmaals, bij herhaling, lezen om het gelezene beter te onthouden; van gelijke beteekenis als in Mnl. Dist. Caton. IV, 27:
Du salt leeren ende weder leeren.
| |
Ouer niet rekenen
60, voor niet achten, voor nul rekenen, minachten. De beteekenis van over in onderscheidene spreekwijzen wordt zeer uit- | | | | voerig besproken in 't Gloss. op Lksp. - De spreekwijze ouer niet gerekend sijn is van gelijke beteekenis als onghetelt sijn, niet meê geteld worden. Zedelessen 251 (Sp. Hist. I, viii, 60, 251):
(de vriend) Die van di sceidet hi es onghetelt,
Hi en volghet di niet dan om ghelt.
| |
Oueruloyentheit
249, overvloedigheid, overvloed. (Lat. super fluitas, i.e. nimia abundantia, door Facciol. opgegeven uit Plinius XIV, 1, 3).
| |
P.
| |
Paerdenvoeten
353: van paerdenvoeten sulstu di wachten. De bedoeling is: gij moet u in acht nemen, u hoeden, voor het achteruit slaan van een paard. Zie Aanteek. op Str. 87. - Van een paard wil men uit achting, omdat het voor het edelste dier gehouden wordt, liever gesproken hebben van zijne voeten (B.v. Seden 172) dan van zijne pooten, zooals bij andere dieren. Hetzelfde geldt ook van den mond des paards (B.v. Seden 342), welken men liefst niet bek hoort noemen. - Uit de spreekwijze hem van paerdenvoeten wachten is waarschijnlijk ontleend de tegenwoordige uitdrukking zich uit de voeten maken, die echter de ruimere beteekenis gekregen heeft van zich wegpakken, zich buiten gevaar stellen.
| | | |
Pays ende vrede
73, 192. Eene geliefkoosde tautologie der Mnl. dichters. Zie mijne Aanteek. op Mnl. Rijmspr. II, 96. Limb. II, 1451. Rose 6277. - Daarvoor ook wel pays ende ruste 503. - Een dergelijke vereeniging van synoniemen vindt men hier: lof ende eere 27; lof ende prijs 373; rustier ende dorper 185; moylic ende stuer 193. Elders: lachter ende scande, Ferguut 3848; spot ende spel, B.v. Seden 194; coene ende stout, Ferguut 3901; ghile ende spel, B.v. Seden 899 enz.
| |
Peelgrin
291, 355, 343, reiziger, bedevaartganger. Carl e. Eleg. 247, 507. Men vindt ook geschreven pilgherijm Esmor. 869, 887 en peelgrimagie Esop. XIX, 14, waaruit blijkt, dat dit woord in 't Mnl. reeds, evenals thans, ook wel met M geschreven werd, ofschoon afkomstig van het Lat. peregrinus.
| |
Peinsen
109, 159 overwegen, gedachtig zijn, B.v. Seden, gloss. - 155 So hijt peinst, zooals het hem voor den geest komt. Men vindt ook wel peisen zonder N geschreven. Mnl. Rijmspr. II, 79:
Die oude sal peisen om de doeght,
gelijk ook pensen (Fr. penser). R.d. Lorr. II, 785. Carl e. Eleg. 202:
Stemmen uit den Voortijd p. 37. Esopet XXIV, 8. XLIII, 3:
Die liebart pensde ende dochte, Hoe hijt best ghecrighen mochte.
| |
Pinen
135, 141 moeite doen om iets te verkrijgen, zich inspannen, zich bevlijtigen. B.v. Seden, gloss. Wap. Mart. I, 68.
| |
Platteel
238 schotel. Rein. 7471:
Siedende water dat hi nam Uut enen ketel in een plateel.
In de Stat. vert. worden in Exodus XXXVII, 16, onder het gereedschap op de tafel des Tabernakels ook platteelen genoemd. Het woord is waar- | | | | schijnlijk afkomstig van het Lat. patella, dat bij de beste schrijvers veel voorkomt en o.a. in de spreekwoorden Accessit patellae dignum operculum en Invenit patella operculum, aangehaald bij Hieronymus Epist. VII, 5, CXXVII, 9. - Nog zij hier opgemerkt dat patella het diminutivum is van patina en dat daaruit ontstaan is de benaming patene, d.i. zooals Ducange verklaart: Vas latum, Ecclesiae ministeriis dicatum, cuius usus in oblatione Corporis Domini olim fuit et iam est. Zie de beschrijving Hoe die pape anevat die patene in Die bediedenisse van der Missen, 957-981, uitgeg. door Oudemans, Leiden, 1852. - In plaats van patella gebruikten de Latijnen ook scutella (vanwaar het Mnl. scotel B.v. Seden 646 en het tegenwoordige schotel en schoteltje), dat ik gebezigd vond in een klein HS. van Dr. Weinkauff met Facetiae mensae No. 23:
Non est morosum scutellae mittere dorsum,
waar denkelijk wel het laatste woord zal moeten zijn morsum; dan toch beantwoordt dit verbod aan het door onzen Moralist gegeven voorschrift. De foutieve schrijfwijze in dit HS. is klaarblijkelijk daaruit ontstaan, dat in het voorgaande nummer staat:
Si stes vel sedeas, nulli debes dare dorsum.
| |
Pleecht mens (= men des) niet
232 zulks is men niet gewoon en daarom past het niet; 3e pers. pr. indic. van pleghen, gewoon zijn, dat veelal met genit. geconstruëerd wordt. Zie Stoett, Synt. § 15, 5. Rein. 1217:
Pleecht men tes coninx hove des?
Flor. en Bl. 356:
Dat hadden si so lange gedaen Ende der minnen so lange geplogen
Van gelijke beteekenis is:
| |
Plien
59, 124, 144, 231, 491, plegen, gewoon zijn. B.v. Seden, gloss. Wap. Mart. I, 904 (Stroph. Ged. p. 37). Rein. 4816:
Ende die goede werden versteken, Die doghet, eer ende wijsheit plien.
Ibid. 7454:
Si en dochten niet, als die wijsheit pliet, Wat ende daer of mochte bliken.
| |
Poghen
168, 333 trachten, beproeven. - 32 hem poghen, zijn best doen, zich bevlijtigen. Rein. 7088:
Ten lesten docht hi: ic wil mi poghen Een ende te maken van desen kijf.
| |
Predicaer
138 Dominicaan. Eig. prediker (thans nog bij verbastering predikheer). Lksp. IV, 7, 31. MLoep IV, 429. Stroph. Ged. p. 126, 76. St. Franc. 8144:
Een minderbroeder, een predicare, Van wien dat verre was de mare.
| |
Prekelen
362 prikken, prikkelen (Lat. pungere, compungere) natuurlijk metaphor. opgevat. - In den z.g. Gradus ad Parnassum van Noël, p. 21, vind ik van eenen hem - evenals ook mij - onbekenden dichter, dezen regel aangehaald:
Cotta, meum pectus compungit aculeus acer,
die klaarblijkelijk gemaakt werd met het oog op Plautus Trin. IV, 2, 158:
Iamdudum meum ille pectus pungit aculeus.
| |
enen Prijs gheven
417 iemand den lof toekennen, hem prijzen. Lancel. II, 43106 (R.v. Moriaen 560):
Die ons geeft so groten prijs.
Zoo ook Mnl. Dist. Caton. IV, 17: prijs hebben, geprezen worden.
| |
| | | |
van Prise
320 (verbogen naamv. van prijs, waarde, lof, Kiliaen: valor, aestimatio). De spreekwijze van prise en van hogen prise of goet van prise, eigenlijk prijzenswaardig, (zie man van rechte) heeft de algemeene beteekenis van goed, voortreffelijk en wordt evenzeer van menschen, dieren en zaken gezegd. Parthon. 1435, 6702. Lansel. e. Sandr. 402. MLoep I, 3086. III, 1206. Flor. e. Blanc. 114:
Dat hi viertich ridderen hadde vercoren,
Die duchtich ende van prise waren.
Belg. Mus. V, 256, 18: een ors van prise. Stroph. Ged. p. 104, 38: rivieren van prise. St. Brand. 2047: borch van prise. - Van gelijke beteekenis is van love. MLoep II, 3040:
Wildi sijn van goeden love, So hout hem sijn helofte vast.
Lansel. e. Sandr. 408:
Ghi dunct mi een ridder van groten love.
| |
Q.
| |
Quaet goet
144 geld of goed dat gestolen is of op onrechtvaardige wijze verkregen. Spreekwoordelijk wordt in Rein. 257 gezegd:
Male quesite male perdite Omrecht wert men qualic quite
Dat men hevet qualic ghewonnen.
Prov. Communia 598:
Qualic ghewonnen qualic verloren.
Quod male lucratur, male perditur et nihilatur.
Deze zedeles heeft J. de Brune, de tijdgenoot en vriend van Vader Cats, in een groot getal rijmpjes overgebracht, die als spreekwoorden zouden kunnen gebezigd worden. Zie diens Nieuwe wijn in oude Leêrzakken. (Middelb. 1636, 12o), p. 84 e.v.
| |
hem Quite maken
196, 259 zich bevrijden, zich van iets losmaken, b.v. van den huwelijksband. - Zoo ook quite of quijt worden, Lksp. III, 5, 78. MLoep IV, 1714:
Hij hoepte, waer sij hoirs mans quijt, Alle dinck dan waer te pas.
Insgelijks quite sijn. St. Brand. 1142, 1502. Mnl. Rijmspr. II, 100:
Wie dat levet na spaus ghebode, Es der sonden quite voer Gode.
Van gelijke beteekenis is hem van yemene ledich maken. MLoep I, 1012.
| |
R.
| |
Rasschelike
301. spoedig, snel, ras. Kiliaen: velociter, celeriter, ocyus.
| |
Redene
6, 32, het verstand, wijsheid, de rede. Rein. 7381:
Tis reden, dat men den vrienden seit Grote saken, daer macht aen leit.
69 elcs redene, de door een ander gesprokene woorden. Rein. 6768:
Siet hier mijn pant, dat al u reden Valsch sijn, ende ghi daer toe.
In deze laatste beteekenis staat elders tael.
| |
Reene (reyn)
300 rein, ledig. Kiliaen: reyn-wt, prorsus vacuus, exhaustus. - De schrijfwijze reen vindt men Rein. 4787, 5454. B.v.d. Houte 665.
| |
| | | |
Regneeren
24 (Lat. regnare) regeeren. Zoo ook Ovl. Ged. III, 111, 463, 500. Rein. 3554, 7003. St. Franc. 10540. Stemmen uit den Voortijd p. 41. - Met gode regneeren kan echter niet wel beteekenen samen met God, evenals God, bewind voeren; maar meer met God leven, in Zijn koninkrijk wonen. Mnl. Dist. Caton. IV, 38:
Du salt offeren gerne Gode, Want het segghen sine ghebode,
Die dor Gode gherne gheven, Dat si met hem sullen leven.
| |
Rein van live
268 kuisch. Daarvoor ook wel eenvoudig rein. Ovl. Ged. III, 109, 314:
Des blijft menich doghet verloren, Ende menich rein wijf bedroghen,
Buten scoude sere beloghen.
Rein. 5541:
Want reine vrouwen, scoon ende goet, Die connen sterken mannes moet.
Vandaar reynicheit, kuischheid. Stemmen uit den Voortijd p. 2. - Van gelijke beteekenis is suver leven. Zedelessen 561 (Sp. Hist. I, viii, 77, 47):
Scone, vrome (lees: scone vorme) en suver leven
Selden sijn si ghevriende bleven.
alwaar de dichter gedacht heeft aan Juvenalis X, 297:
-- Rara est adeo concordia formae Atque pudicitiae,
die zoo sprak in navolging van Ovidius Heroid. XVI, 288:
Lis est cum forma magna pudicitiae.
| |
Recken
398 uitrekken. Het hier gebezigde spreekwoord luidt aldus in de Mnl. Dist. Catonis IV, 33:
Hijs sot die verder hem wille strekken Dan sine cleedre hem mogen recken,
waar recken de beteekenis zal moeten hebben van toereikend zijn, lang genoeg zijn. Doch liever zou ik daar in den eersten regel willen lezen recken en in den laatsten decken.
| |
Religioen
505 geestelijke stand. Melib. 3243. Over zee (Stroph. Ged. p. 126) 79. - last van religioene an nemen. Lat. monachale iugum suscipere. In B.v. Seden 373 heet dat in ordine gaen, d.i. tot eene geestelijke orde of tot het klooster overgaan, monnik worden en zich alzoo de ontberingen en moeilijkheden getroosten, die aan den geestelijken stand verbonden zijn. Elders heet dit den staet van religioene aenveerden ende beleven. Zie Mnl. Wdb. I, 844 onder beleven1).
| |
Rijc leuen
176 beteekent hier niet dadelijk een rijk middel van bestaan, maar de vaardigheid van spreken, die in staat stelt zich voordeel te verschaffen en alzoo rijk maakt (Lat. lingua opima).
| |
Rike van iet
135 rijk aan of in iets. B.v. Seden, gloss. Theoph. 811, Parthon. 8055. Esopet LXI, 2. Rom. d. Lorr. II, 1798. Lansel. e. Sandr. 101. Rein. 2424:
Doe was ic van scatte rike.
Rike sijn van duechden, allerlei deugden in groote mate bezitten. - Ook staat wel in daarbij; zooals Ovl. Ged. III, 127, 244:
Rijc in eren ende in goede.
| |
Rijcheit (2e naamv. van rijcheden)
249: rijkdom.
| |
Rime riche.
Van deze eigenaardigheid, waarover ik uitvoerig gesproken heb in de Inleiding op Die Bouc van Seden, p. X, is in dit
| | | |
gedicht slechts één voorbeeld, t.w. waar vers 215 en 126 met hetzelfde woord ghedaen eindigen. - Men vergunne mij hier de gelegenheid te mogen gebruiken voor de vermelding van eene schriftelijke mededeeling van mijn vriend Sandvoss, die vermoedt dat van de zoo talrijke voorbeelden van rijken rijm in Die Bouc van Seden althans één voorbeeld behoort geschrapt te worden. Waar toch v. 157 gelezen wordt:
Hi soude te min doen quade dade
raadt hij aan, eenvoudig het laatste woord weg te laten, daar toch quade volkomen toereikend is, desnoods te staven met het gezag van Maerlant, Sp. Hist. I, viii, 44, 1:
Lantsheren goedertiere dade Doen elken scamen van sinen quade.
Zie ook Rein. 5684. Hiermede mij vereenigende heb ik bereids, de genoemde plaats hier op p. 35 citeerende, het laatste woord dade in [] ingesloten.
| |
Roec
257 rook (Lat. fumus).
| |
Roetharde
347 iemand die rood haar heeft (Lat. rufus). Met dit woord meende ik de in het HS. opengebleven plaats te mogen aanvullen. Doch Dr. Stoett schrijft mij, dat dit woord zijns inziens te lang is voor dien smallen hiatus, waarom hij liever zou willen lezen roeden, hetgeen mij volkomen juist toeschijnt, dewijl, althans in het Ohd. daarvoor veelal dit kortere adjectief gebezigd is. Alzoo Boner 73, 29, 47, 49:
Er liez sîn gesellen an der nôt, Als noch tuot der geselle rôt....
Wan wenne ez gât an rechte nôt Sô lât er dich, wan er ist rôt....
Ez süllen vrouwen unde man Den rôten gesellen lâzen gân.
Freidank 85, 19:
Kurzen man dêmüete Und rôten mit güete
Und langen man wîsen Die drî sol man prîsen.
welke verzen de vertaling zijn van Facetus 128:
Raro breves humiles vidi, ruffosque fideles,
Albos audaces; miror longos sapientes.
Tegen roodharige menschen is in de Middeleeuwen zeer dikwijls gewaarschuwd in de veronderstelling dat zij niet getrouw zijn. Zoo in Wigalois 76, 17:
Im was der bart unt daz hâr Beidiu rôt, viurvar.
Von den selben hoere ich sagen, Daz si valschiu herze tragen.
Een Latijnsche volksspreuk zeide:
Per rufam barbam debes cognoscere nequam,
en uitvoeriger leest men in Ruodlieb 452:
Non tibi sit rufus unquam specialis amicus.
Si sit is iratus, non est fidei memoratus;
Nam vehemens dira tibi stat durabilis ira.
Tam bonus haut fuerit, aliqua fraus quin in eo sit,
Quam vitare nequis, quin ex hac commaculeris.
Zelfs was het vooroordeel tegen zoodanige personen in vroeger tijd zoo algemeen, dat het als eene uitzondering op den regel geacht werd, indien een roodharige een braaf en vertrouwbaar man was. En zulk eene uitzondering maakte de Jeruzalemsche koning Fulco, van wien de bij Ducange geciteerde Willelmus Tyrius XIV, 1, schrijft: ‘Erat autem idem Fulco vir rufus.... fidelis, mansuetus et, contra leges illius coloris, affabilis, benignus et misericors.’
| |
| | | |
Roke
11 reuk (Lat. odor). B.v. Seden, gloss. in goeden zin geur. Flor. e. Blanc. 977, 2445. Esopet LIV, 20. B.v.d. Houte 84, 246, 250. Alex. VII, 996. - Doch 386 in kwaden zin, dus stank.
| |
Runen
161 fluisteren, zacht met iemand spreken in tegenwoordigheid van anderen, in 't geheim spreken. In de Disticha van Cato I, 17, heet het tacito sermone loqui. R.v. Cassam. 1714:
Phesonie runde hare saen In hare ore ende seide....
Zie Hildgb. gloss. en B.v. Seden, gloss.
| |
Rust
503, 504 vrede. - Pays ende ruste is eene variatie van den zoo geliefden vorm Pays ende vrede. - Voor ruste vindt men ook menigmaal raste. Lancel. II, 44920. (Rom. v. Moriaen 2374) Lksp., gloss.
| |
Rustier
185 een lomperd, onbeschaafd man. Eigenlijk beteekent dit woord een boer, een landman. (Lat. rusticus). Zie de door Oudemans V, 923 opgegevene plaats uit Twijspraak der Creaturen, Dyal. 80: ‘Wilt ghi dat scaep hebben dattie rustier draghet?’ - Hier wordt het dus bij toepassing gebezigd, evenals rustierschap, lompheid in Gesta Roman. C. VIII: ‘Had ick dat niet ontfanghen willen, so soude men dan mijn rustierschap ende grovicheyt beteghen hebben.’ Vr. en Minne, 189:
Wat helpt dat ic u blaseneer? Een recht ghebuer, en rud rustier,
Die fel is, hoverdich ende fier, Dit is een alte wreden dier,
alwaar Verwijs in het Gloss. citeert Kronijk van Vlaand. (uitg. der Vl. Biblioph.): ‘Ic duchte dat deze rustiers ende kierrels bliven sullen alle voor onse voetganghers ende schutters.’ - Dat ook de Latijnsche woorden rusticus en rusticitas in die toegepaste beteekenis door de beste schrijvers gebezigd zijn, blijkt overvloedig uit de door Facciolatus opgegevene plaatsen.
| |
Ruut
9 onbedreven, dom, (Lat. rudis). Wap. Mart, I, 665. II, 261. Vr. en Minne VII, 190. Heelu I, 72:
Ic ben van sinne te ruut Te dichtene alsoe hoge saken.
Teestye 1728:
Mi verwondert sonderlinghe Dat ghi in allen dinghen
Also ruyt sijt en so blent.
MLoep II, 645:
Ic houde my voer een menschelic romp Onverstandel, ruyde ende stomp.
Vandaar ruutheit, beperktheid van verstand. Belg. Mus. X, 271. De Vries, Taalk. Magazijn IV, 83.
| |
S.
| |
Saen
180 spoedig, weldra, binnen korten tijd. B.v. Seden, gloss.
| |
Saet
63 kroost, nakomelingschap. Rein. 7673:
Van Reinaert is een groot saet Ghebleven, dat nu seer op gaet:
Want men vint nu meer Reinaerde.
In die beteekenis is dit woord zeer dikwijls gebruikt in de Staten-vertaling. Zie o.a. Psalm XXXVII, 25. Spreuken XI, 22 waar, evenals hier, van het ‘zaet der rechtveerdigen’ gesproken wordt.
| |
| | | |
Salichlike
512 op vrome wijze, rustig. Vandaar gelukkig. B.v. Seden, 1001:
Hens niemen salich vor sijn enden,
bij welke uitspraak men zich herinneren zal aan de woorden bij Ovidius Met, III, 136:
Ante obitum nemo supremaque funera debet.
Het tegenovergestelde is onsalich, ongelukkig. B.v. Seden, 1052 e.v.
| | | |
Zanten (zancten)
125, 127 de heiligen (Lat. sancti). Rein. 4829. Theoph. 1470. St. Brand. 408. St. Franc. 7964, 7974, alwaar zij ook in 7731 sinten genoemd worden.- Ook vindt men santin, eene heilige vrouw. St. Amand II, 4260:
Overwaer wilt verstaen Dat Geertruut ende Adeltrunt mede
Leveden in sulker helicheden Dat si santinnen sijn verheven.
| |
Scaemte
382 schaamtegevoel, hetzelfde als het volgende scame.
| |
het ware Scame
182, het zou iets zijn waarover men zich zou moeten schamen. Rein. 2710:
Neent, hets, alse ic u orconde, Ende ict u segghe, al eist scame.
| |
bi Scoenen daghe
346 bij helderen, klaarlichten dag. B.v. Seden, gloss. Bgr. v. Couchi fr. I, 219:
Sine ogen ontdedi ende zach Dat het was scone dach.
Ibid. 229:
Het was worden scone dach.
Zie Tijdschrift voor Nederl. T. en Lk. III, p. 115.
| |
Scoenlaken
239, 244, 322 tafellaken, servet, handdoek. B.v. Seden, gloss. op scolaken. Deze en andere hiertoe behoorende woorden bespreekt Verdam in Tijdschr. voor Nederl. T. en Lk. X, 5.
| |
Scoere
516 steunsel, stut, iets wat ons ondersteunt, iets waarop men zich verlaten kan. Wie vrienscap verliest, verliest de scoeren (l. scoere) diene behoet, Wie zijn vriend kwijt raakt, mist zijn beschermmiddel, zijn stut, die hem staande houdt; want, gelijk Palingen. Zodiac. Vitae IV, 507, zegt:
Rebus in adversis magnum munimen amici.
En in de Ovl. Ged. III, 106, 106 heet het van de vriendschap:
Wie trouwen vriende hem heeft bi Hi machs vele te vaster staen;
Want comt hem een liden aen, Trouwe vriende draghent mede.
Het woord scoere (schore) moet dus hier in overdrachtelijken zin genomen worden. In eigenlijken zin gebruikt het Hildgb. 52, 40
Als dit verhoerde die joncfrouwe fijn, Soe leydsi mi een brugghe voren,
Wel ghemaect mit vasten schoren Ende mit stilen, als mi docht.
Ibid. 115, 64:
Al set men noch soe vaste schoren
Onder een boom, die leit ghevallen, Ten can hem niet ghehelpen mit allen.
Uit welke laatste plaats blijkt, dat schore synoniem is met schrancke, wat Kiliaen verklaart door statumen, pedamentum, lignum quo aliquid munitur.
| |
Scrifture
68. Meestal wordt dit woord gebezigd waar de Bijbel bedoeld is, doch wordt ook wel van andere geschriften gezegd. B.v. Seden, gloss. -
| | | |
Elders vindt men daarvoor ook wel de thans nog gebruikelijke benaming die scrift. Rein. II, 63:
Wie quaet doet, die scuwet dat licht, Dat seit die scrift al over recht,
daar toch wordt gedoeld op Ev. van Matth. III, 20. - Ook heeft scrifture de beteekenis van wijsheid, de geleerdheid, die uit boeken geput wordt, zooals v. 170.
| |
Zedebaer
1 zedig, ingetogen (Kiliaen modestus, moderatus), beantwoordt aan 't geen MLoep II, 2623 eerbaer ende hoefsch van zeden gezegd wordt. - De Latijnsche tekst heeft morum novisse modos et moribus uti, d.i. weten wat tot een eerbaar leven behoort en zulks betrachten. Sp. Hist. II, ii, 35, 10:
Daertoe was hi in alre sake So sedebaer, dat van hem ghinc sprake,
Dat hi van hem selven al vroet scheen wesen.
Het tegenovergestelde is zedeloos.
| |
over Zee varen
507 als kruisvaarder naar het Heilige land reizen. Alzoo wordt in Borchgr. van Vergi 1102 van den hertoghe gezegd, dat hij (den dood vernomen hebbende van twee bij hem ter feest zijnde gelieven, na zijne echtgenoote als de schuldige van dit plotseling onheil, eigenhandig gedood te hebben, zoo grooten rouw heeft gehad), dat hij
tcruce heeft ontvaen, Ende voer over zee saen;
Daer hi te hant wert tempelîer, Ende liet al sijn heerscap hier;
Daer leidde hi een heilich leven Ende hevet dese werelt begheven.
Dezelfde waarschuwing om niet onvoorsien, d.i. zonder behoorlijke overpeinzing der gevaren, tot zoodanige bedevaart over te gaan, wordt ook gegeven in Bouc van Seden 374; uit welke vermelding de Schrijver der van veel geleerdheid getuigende Aankondiging van dat geschrift in Nederlandsch Bibliografisch Archief van 19 Decbr. 1891, bl. 6, het vermoeden heeft geopperd, dat dat geschrift dus wel vóór den laatsten kruistocht zal moeten vervaardigd zijn. Neemt men dit vermoeden voor onbetwistbaar aan, dan moet ditzelfde ook gelden ten opzichte van den leeftijd van het gedicht Van Zeden. Intusschen geloof ik niet, dat aan één van die geschriften een zoo hooge ouderdom mag worden toegekend. Immers zou het niet voor ongerijmd mogen gehouden worden, indien men veronderstelt, dat ook nog wel eens, na den laatsten Kruistocht (1291), die raad heeft kunnen gegeven worden, toen men natuurlijk niet kon weten, dat er voortaan geen dergelijke algemeene tocht zou worden ondernomen. Ook rijst een nog ernstiger bezwaar tegen des Schrijvers vermoeden, indien men bedenkt, dat noch het eene noch het andere gedicht hier oorspronkelijk dit leerstuk bespreekt, maar dat beide niet anders zijn dan vertalingen van een in vroeger eeuw vervaardigd leerboek.
| |
Zeecht (seegt, seit)
248. Derde persoon tegenw. tijd van segghen. Lksp. III, 3, 1019. Esopet XLVIII, 7, LVIII, 5, 9. - De spreekwijze men zeecht 61, en andere die daarmede gelijkstaan, hebben menigmaal de beteekenis van men zegt algemeen, d.i. het is een spreekwoord. Zoo b.v. Kar. de Gr. I, 2045:
So lange geet, alsmen spreekt, Die cruke te watere datsi breekt.
Lansel. e. Sandr. 124:
Her Lanseloet, hets dicke gheseit:
Bi lichte gheloven es die meneghe bedroghen.
Sotternie (Dram. Poezie p. 206) 335:
Men heeft gheseit over lanc: En doech gheen eers sonder bedwanc.
welke spreekwoorden opgenomen zijn in de Proverbia Communia onder de
| | | |
nummers 42, 317, 647. Zie voorts Rein. 3310, 5883. Ferguut 659. Mnl. Dist. Caton. IV. 31. - Evenzoo in 't Hoogd. Man sprichet (Wälscher Gast 7974). Dergelijke uitdrukkingen zijn in grooten getale opgegeven door V. Zingerle, die deutschen Sprichwörter im Mittelalter, p. 5 e.v. - Om een spreekwoord aan te halen, laat onze dichter 491 voorafgaan: men pliet ghemeenlic te segghen. Zie ook callen.
| |
Seerve
203 dienstplichtigen (Lat. servus, Fr. serf). Belg. Mus. VII, 26: ‘Zo wat guldebroeder of guldezuster kwame te overlijden van pestilencien, in negheene andere neeringhe ofte gulde zijnde, die seerf waren hemlieden ter eerden te draghene enz.’
| |
Segghen
72 verder voort vertellen hetgeen men gehoord heeft (Lat. relata referre). Elders vort setten. Bgr. v. Couchi fr. II, 226, waar het staat tegenover van monde slaen, d.i. ontkennen, tegenspreken.
| |
Seker bliuen van iet
342 vrij blijven, verschoond blijven, beveiligd zijn tegen iets. Esopet XLVI, 5:
Si ontsach haer ende dochte, Dat si daer seker wesen mochte.
| |
Seker leuen
108 kalm, gerust leven. Zoo ook sekerlike leven. Diet. Doctr. II, 998.
| |
Sich
(verbeterde lezing) 408, tweede pers. enkv. van den imperat. van sien. De Jager, Verscheidenh. p. 197 en Lat. Versch. p. 469. Lksp. II, 47, 38:
Nu sich, dijn leven ende dijn doot Sijn beide hier gheset voor di,
Zoo ook Ghem. Duyt. Spreckw. (Campen) p. 2 n. 25 (Meijer p. 2):
Sich voer dich, trouw is weynich.
waarvoor in Agricola's Sprichwörter n. 15 stond:
Sihe fur dich, trew ist mislich.
Nevens sich vindt men ook besich Ovl. Ged. I, 78, 372. Sp. Hist. I, iv, 5, 25. Zie Clarisse, Aant. op Natuurk. van het Geheel-al, p. 354.
| |
Sien
429: die alle dinc siet, wien niets onbekend blijft. Een gewone omschrijving ter aanduiding van God, den Alziende, van welke eigenschap de Bijbel menigmaal gewaagt, b.v. 2 Chron. XVI, 9. Job XXXIV, 5. Spreuk. XV, 3. Hebr. IV, 13, en zoo ook Sp. Hist. I, viii, 74, 16 (overgenomen in Zedelessen 482):
Alle dinc sijn voer Gode bloot.
d.i. wat Esmor. 592 gezegd wordt dien niet en es verborghen en B.v. Seden 218: die in die herte binnen ziet.
| |
Sienst
314 best, verkieselijkst, gevoeglijkst (superlatief van siene, passend). Rein. 6839:
Seldi om u voordeel poghen Ende biten of slaen, welc u dunct sienst.
Hildgb. 51, 198:
Heer, soe willic kiesen tsienst.
Vr. en Minne IV, 120:
Noch is een dinc talresienst.
Zie Clignett, Bijdr. p. 397 en De Vries, Mnl. Taalzuiv. p. 54. - Het tegenovergestelde is onsiene, leelijk. Parthonop. 3508, 6639. Zoo Kar. de Gr. II, 3023: onsiene dingen, verkeerde, niet passende zaken. Zie Aant. op Mnl. Rijmspr. II, 8 p. 31.
| |
| | | |
Zijde
218 partij, wanneer van strijdenden sprake is. Parthonop. 7996. Wint. en Som. 492:
Eer die heren gaen int crijt, Sal ict opnemen in beiden siden.
305 zijde, kant van een voorwerp. - 330 zijde, kant, gedeelte van eene plaats.
| |
Zijnct
36 imperatief van zijnghen, zingen.
| |
Zin
503 denkvermogen, verstand. Zie op hout. Lancel. II, 46869 (R.v. Moriaen 4323): Mijn herte seitmi ende min sin, d.i. mijn hoofd en mijn hart zegt het mij. R.v. Cassam. 1449:
Alsic dat beheet doen sal, Sal ic mi selve geven al,
Beide met herten ende met zinne.
St. Brand. 743:
Voer die zale spranc een water fijn,
Daer was so vele goets in, Dat vulprisen mochte gheen zin.
| |
te Sine
135, 493 te zijn. B.v. Seden, gloss. Lancel. II, 11446:
Nochtan was si op dien dach Blider dan si te sine plach.
| |
Slapen
86 overnachten, tot den volgenden dag blijven. - Laet het loen niet met di slapen, betaal uwe huurlingen dadelijk en houd hun loon niet tot den volgenden dag onder u. - Zie de plaatsen uit het O.T. opgegeven in de Aant. Strophe 22. - In beteekenis komt dit overeen met 395 Int betalen souct gheenen morghen. - 376 twist laet slapen, laat twist rusten, wek dien niet weder op.
| |
vijf Sloten der wijsheit
167. B.v. Seden, Aanteeken. p. 81, - 170: die sloten der scrifture ontspringhen. De bedoeling dezer overdrachtelijke uitdrukking is: De duisterheden van het geschreven woord helderen zich van zelf op.
| |
Sluetele
(slotele) 176, 179 sleutel.
| |
Smaken
15 de proef van iets nemen, proeven, genieten. Lksp. III, 14, 246:
Ende hi ooc dan mede smaect Wijsheit die clergie gheeft.
| |
Smal
256 klein, gering, deun. Carl e. Eleg. 1015:
Uw loon en sal niet wesen smal.
Stroph. Ged. p. 12, 280, p. 59 74, p. 73, 434. Vr. e. Minne I, 821:
Die ghichten oec, al sijn si smal, Die van liever hant toecomen,
Men hout se werdelijc over al.
Ovl. Ged. III, 110, 426: Haren rou en was niet smal.
Dit woord behoort tot die adjectiva, welke volheid en ledigheid beteekenen en dan den genitivus bij zich hebben. Wap. Mart. I, 280:
Neen hi! (nm. God) en es niet so smal Van weldaden al dat ghetal.
En zoo beteekent van eeren smal, weinig begiftigd met eer. Evenals Parthonop. 6832:
Goet riddere; dit eest al, Van andren dogheden was hi smal,
d.i. in andere deugden muntte hij weinig uit.
| |
Smeeken
89 vleien. B.v. Seden, gloss.
| |
Smeeker
91 vleier. (Zedelessen 193.) Sp. Hist. I, viii, 52, 19:
Gheselle di mettien smekers niet, Hets volc dat bedriegens pliet.
| |
| | | |
Smeekerstale
353, woorden die door vleiers gesproken worden, vleitaal. Zij, die zich daarvan bedienen, worden in Mnl. Dist. Caton. III, 5, genoemd:
.... Die gene die connen smeken Ende scone tale voort reken.
| |
So
11, 193, vnw. zij; gewoonlijk soe. B.v. Seden, gloss.
| |
Sonder zij
240. Eene middeleeuwsche uitdrukking, die door Huydec. op Stoke II, p. 342 en De Jager, Nieuw Arch. p. 222 wel besproken, maar m.i. nog niet genoegzaam opgehelderd is. Men vindt ze, meestal als stoplap gebezigd bij verzekeringen in den zin van ongetwijfeld, in waarheid, zekerlijk, zonder bedenking, en is dus nagenoeg synoniem met de spreekwijzen: sonder waen, sonder loos, sonder liegen, sonder blijf, sonder sage en het zoo algemeene te waren. Voeg hier nog bij het in Wap. Mart. III, 47 voorkomende sonder valsc van doeken, d.i. wat wij nu zeggen, zonder er doekjes om te winden. - Men vindt deze woordjes in die beteekenis Diet. Doctr. II, 1682:
Die kint es van hondert iaren Hijs vermaledijt, sonder si,
waar Jonckbl. uit een ander HS. de lezing geeft seker si. Zoo ook in MLoep II, 251:
Die stede ongheveynsde truwe Ende vast ghelove, die ic huwe
In dy, ende du oick in my, Die blive ghedurich sonder sij
Sonder ymmermeer te breken.
en St. Amand I, 2466, 2689, II, 318. Intusschen zullen wij ons tevreden stellen met hetgeen Verwijs schrijft in het Gloss. op Vr. e. Minne, p. 162: ‘In de uitdrukking sonder si is si ontleend aan het Fransch en niets anders dan de partikel si, die evenals mais als znw. wordt gebezigd in de uitdrukking: il y a toujours un si ou un mais. Si is dan ook niets anders dan ons maar, en vooral veelvuldig gebruikelijk in de zegswijze sonder si, eigenlijk zonder maar, zonder bedenking, gemeenlijk als eene bloote verzekeringsformule gebezigd.’ Laatstelijk, zoo veel ik weet, is deze ouderwetsche uitdrukking in de bovengenoemde beteekenis gebruikt geworden door Prof. Moltzer in de mij zeer vereerende - ik moet zeggen al te zeer vereerende - Aankondiging van mijne bewerking van Die Bouc van Seden, geplaatst in den Nederl. Spectator van 10 Oct. 1891, p. 324.
| |
Sonderlinc
57 afgetrokken, in zich zelf gekeerd. Lksp. III, 3, 455:
Ghi en sult in ghenen zaken U selven sonderlinghe maken,
Onder hem daer ghi mede Houden wilt meensaemhede
Want sonderlicheit over al En ware noit waert noch lieftal.
welke woorden hadden kunnen opgegeven worden bij Strophe 15, ofschoon het tegenovergestelde nimis affabilis onbesproken blijft.
| |
Soppen maken
van ghebeten broede 310 het afgebeten brood (in den beker) weeken. Lancel. III, 42627 (R.v. Moriaen 81):
Ende gave hem soppen in wijn claer.
| |
in Zorghen wesen
148 in angst verkeeren. Zoo Esmor. 169:
Dat hi mi nemen soude mijn leven, Dies benic in sorghen bleven.
Het tegenovergestelde is 419 leven sonder zorghe.
| |
Spade ende vroe
160, 452 kan wel beteekenen zooveel als altijd, doch is meestal een stoplap voor het rijm, die best kan gemist worden.
| |
Spot met enen houden
56 iemand bespotten, voor den gek houden. Rein. 587:
Hildic spot met u: neen ic niet.
| | | |
Diet. Doctr. II, 606. Huydec. op Stoke II, bl. 208. Eene synonieme uitdrukking is sijn scheren met enen houden, met iemand spot drijven, gekscheren; zie Ferguut 4967. Zoo ook sine ghile met enen houden, Walew. 8572. Zie Mnl. Wdb. II, 1968.
| |
Spreekwoorden
144, 293, 372, 375, 385, 492, 504, die ook thans, hetzij woordelijk, hetzij met geringe verandering, nog in gebruik zijn. - Zie ook zeecht.
| |
met Staden
447. Eene adverbiale uitdrukking kalm en bedaard. B.v. Seden, gloss.
| |
Stant vp
345, imperatief van vp standen of vp staen 367. B.v. Seden, gloss. op standen. De Jager, Versch. p. 198 en Lat. Verscheid. p. 469.
| |
Stat (stede)
164, 454 plaats. B.v. Seden, gloss. op stede.
| |
Steerken
112 bevorderlijk zijn, helpen, moed geven. Kiliaen: firmare, roborare, animum addere. Bgr. v. Couchi fr. II, 472:
Diet hem aldaer holpen steerken, Beide leeke ende cleerken,
bij welken schrijver die verdubbelde E ook gevonden wordt in steerc II, 2622, 2794. - bedeerven II, 2498. - keerven II, 2845.- besteerven II 2846. - ontheerven-steerven 2811. - Voor steerken heeft Lksp. III, 10, 274 ghesterken en Walew. 11 ghestarken.
| |
Stille
322, 329 onderdanig, zedig (Lat. submisse, modeste).
| |
eist Stille of openbare
494 hetzij in 't geheim, hetzij openlijk. Beide woorden staan dikwijls tegenover elkander. B.v. Seden 785. Rein. 2645:
Hi heeft den coninc tot sinen wil, Die hem viant was openbaer ende stil.
Karel de Gr. I, 2034:
Wat machijs mi dan veronnen
Dat ik sprake jegens hare Niet stille maer oppenbare.
In gelijke beteekenis hemelijc ende openbare. B.v.d. Houte, 262.
| |
Stille
385 secreet; thans nog in gebruik, doch meest in den verkleinenden vorm, stilletje. Kiliaen: stil, Flandr. heimelike (latrina). Teuthon: Stille, priwait, heymlicheit. - Dit woord is eene verkorting van stillecamere. Zie Mnl. Wdb. III, 1143. Men noemde deze plaats ook wel cleine camere of alleen cleine of camere. - Het minst fatsoenlijk woord bezigde Brant in zijne vertaling van Strophe 95.
| |
Stiualen
447. Aangaande dit woord heeft Prof. De Vries mij aldus terechtgewezen: ‘De lezing stiualen is zuiver en merkwaardig. Stevel is 't Fr. estival, Lat. aestivale, een zomerschoen, lichte schoen. Eerst later voor zware laarzen genomen.’ Bij inzage van Ducange vond ik dit bevestigd, die zegt: Aestivalia, Ocreae, calceorum species, quibus aestate utebantur.
| |
Stout
390 ondernemend (Lat. audax). Ferguut 132:
Heme volgde menech ridder stout.
Stout sijn, durven, wagen (Lat. audere).
| |
Strec
(stric) 114 strik, valstrik, waarin men iemand tracht te vangen of te misleiden. B.v. Seden, 141. Lancel. II, 44237. (R.v. Moriaen 1691):
Walewein was comen int strec.
| | | |
Des quaets menschen soete sprake,
Melib. 1785:
Es als een strec, dat verstaet, Daer men donnosele mede vaet.
Ovl. Ged. I, 81, 581:
Ic sie onse leven ende micke, Ende vinde onse weghe al vol stricke.
Sp. Hist. I, viii, 64, 46. St. Amand I, 3261. Lansel. e. Sandr. 317. Lksp. III, 23, 188. Rein. 3409, 6498. - In dezelfde beteekenis wordt, insgelijks overdrachtelijk, int net brenghen gebruikt. Carl e. Eleg. 1006:
Gheselle, ic sal u wisen bet, Hoe ghien brenghen sult int net,
en in den val brengen. Zoo zegt de duivel in Sotte boerde (Dram. Poezie p. 215) 82:
Hoert, ghi heren over al, Ic hebbe bracht in den val
Desen brueder met minen treken.
In 't Latijn zegt men daarvoor: in laqueum, in transennam aliquem ducere. (Zie Plaut. Pers. IV, 3, 11.) toegelicht door Erasmus, Adag. I. 10, 5, en IV. 5, 70 (XCVIII).
| |
Strecken
397 toereikend zijn, lang genoeg zijn. Zie recken.
| |
Stuer
193 grimmig, fel, norsch, stuursch, in 't algemeen onvriendelijk. Zie De Jager, Lat. Versch. p. 363. Vad. Mus. I, 78, 43:
Niemen en si fel noch stuer.
Stroph. Ged. 114, 247:
Dat ons in der lester ure Die duvel niet en si te sture.
MLoep II, 4217:
Wat baet is an een stueren sin, Daer heil, salicheit noch ghewin
Noch gheenre leye goet off en comt Ende gheen hoirre beyden en vroemt?
| |
Subtijl
211 vernuftig, schrander, listig, slim (Lat. subtilis, cautus, callidus, astutus). Wap. Mart. III, 24, 223. Vr. e. Minne I, 137:
En wart mensche noit van sinne So subtijl no so vroet,
Soe hi meer pijnde om die minne Soe hi meer in dolen stoet.
Zie Gloss. op MLoep, Lksp. Hildgb. Daarvoor subtijllic Lksp. III, 4, 161. Spieg. der Jong. 292.
| |
Suldu
216, 222, zie op DI. - Sultu (= saltu 478) 453, 467. - Sulstu 497, 501, 513, zult gij, moet gij. - Sulstuse 202, 511, gij zult (moet) hen.
| |
Zware
119 bw. zeer, erg; versterkt de beteekenis van het volgend adjectief en heeft veel overeenkomst met hard. Zoo zegt men ook thans zwaar ziek, evenals hard ziek, erg bedroefd, enz.
| |
Zweren
356 zweren, bij hoog en laag beweren, b.v. dat iets wat men koopen wil, te duur is. - Van zulk eenen kooper spreekt Salomo in zijne Spreuken XX, 14: ‘Malum est, malum est, dicit omnis emtor, et cum recesserit, tunc gloriabitur;’ welke woorden aldus luiden in Fecunda Ratis 967:
Emptor ait rerum ‘Non sunt hec munera tanti’
Cum quibus auersus pulsanti corde triumphat.
| |
| | | |
T.
| |
Tael (tale)
93 woorden die gesproken worden; zie lieder tael en smeekers tale. Parthonop. 2014. R.v. Cassam. 513, 1325, 1598:
Gi hebt mi berecht so wale Dat ics mi houde ane uwe tale.
Walew. 94:
Ic sect jou allen in corter tale.
Rein. 1075:
Wat cost Reinaerde scone tale?
Carl e. Eleg. 272, 1173:
Nu moochdi horen sine tale.
Limb. IX, 536:
Daer was menegherande tale, Die ic qualec vertrecken soude.
| |
dine Tafle sal di voeden
225 stel u tevreden met hetgeen uw eigene tafel opdischt. Hetzelfde voorschrift luidt aldus in Sp. Hist. I, viii, 36, 27:
Laet di dine lijftocht lichte genoegen; Alstu di sout ter spisen voeghen,
Ganc niet ter weelden, mer ten etene, Dit radic di wel te wetene.
| |
cromme Tanden
359, zie knauwen.
| |
Tanen
375 opwekken, aankitsen. Doctr. Sauage (Denkm. III, 179) 71:
Als ghi siet eenen fellen zot Ne tanes niet, het ware spot.
Waar de woorden van onzen Moralist door Dr. Stoett in Tijdschr. v. Nederl. T. en Letterk. X, 119, worden aangehaald, heeft deze aangestipt, dat ook het Fr. tanner in dezen zin wordt gebruikt. En dit blijkt uit de Fr. vertaling van de aangehaalde woorden uit Doctr. Sauage:
Si vous véez un fol plain de mélancolie
Onques devant la gent ne le tannez mie.
Kiliaen verklaart taenen, tenen door irritare. Het woord staat elders, soms in eenigszins gewijzigde beteekenis, van lokken, troonen, d.i. aanhitsen, prikkelen om iets te doen. Zie Rijmb. 29533. Lancel. III, 15386. Alex. IV, 327. Rose 3451. Wap. Rog. 1338, waar tane staat voor taenne, samentrekking voor tanene. - Eindelijk zij nog opgegeven, dat de door Kiliaen vermelde vorm tenen voorkomt Walew. 8562 en Seghel. 3828.
| |
Tauerne
424 herberg, kroeg (Lat. taberna). Hildgb. 148, 433:
So willen wise alle drincken gaern, Ist op die strate of in taveern
Ende onsen vrienden schencken weder.
B.v. Seden, gloss. Clignett, Bijdr. p. 20.
| |
Taxeren
357 schatten, waardeeren, den prijs eener koopwaar bepalen. - Manierlic tgoet taxeren, een fatsoenlijk bod doen bij het koopen. - In B.v. Seden 708 heet het houeschegelike dinghen.
| |
Te.
Wanneer het woordje te voor de onbepaalde wijze van een werkwoord moest gebezigd worden, dan beschouwden onze oudste schrijvers dit altijd als eene vervoeging, en duidden dezelve ook aan door de verlenging met e. Zie B.v. Seden, gloss. - De in dit gedicht voorkomende voorbeelden zijn de volgende:
te biddene 64. - t. dienne 433. - t. doene 36, 388. - t. drinckene 168. - t. gane 76, 340. - t. gheuene 248, 295. - t. hatene 59. - t. hebbene 495. - t. coepene 358, 381. - t. loepene 174. - t. nemene 506. - t. scuwene 90, 164. - t. sine 135. - t. soppene 231. - t. zwerne 356. - t. teekenne 519. - t. tempterne 124. - t. vaerne 507. - t. vaghene 240. -
| | | |
t. vane 306. - t. verdwijne 144. - t. verstane 69: - t. vliene 109. - t. wetene 333. - Op de eenige plaats, waar die e ontbreekt in te segghen 491 zal die letter dus wel moeten worden bijgeschreven.
| | | |
Teekenne
519, een teeken geven van zijne aanwezigheid, door het maken van eenig geluid doen blijken dat men zal binnentreden.
| |
Teenen
(te enen) 267, tot eenen. Esopet XXI, 1:
Een esel sprac teenen liebaert.
| |
Theere
399 vertering, uitgaven. B.v. Seden, gl. op tere.
| |
Tempteren
124, kwellen, Lat. temptare, dat eigenlijk beteekent beproeven, verzoeken. St. Amand I, 609:
De viant, die plachene seere Te tempteerne in sijn ghedochte,
Maer hi weerstont al dat hi mochte.
Zoo ook zeggen wij wel dat is voor hem eene zware tentatie.
| |
Terlincspel
423 teerlingspel, dobbelspel. B.v. Seden, gl. op terning.
| |
Te weghe gaen
322, 340, op weg, op reis gaan.
| |
Tilic
345 vroeg, tijdig, bijtijds. B.v. Seden, gloss. op tiliken. Winter en Somer 187:
Vrient, ic sal mi haesten sere,
Ic sal daer morghen tilijc wesen, Eer di sonne es opgheresen.
| |
Toebehoeren
8 passen, betamen, gepast zijn. MLoep II, 1058:
Nu comt die goede Pyramus Ende droech een zwaert van goeden oirde,
Als goede mannen toe behoerde.
Ibid. IV, 227:
Mer want den vrouwen toe behoert Wijflicheit ende zuete woirt.
Dezelfde beteekenis heeft de kortere vorm horen. Bgr. v. Couchi fr. II, 1561:
Der vrouwen hoort omoedicheit Ende daer toe onderdanicheit.
| |
Toehoeren
27, 502, toebehooren, het eigendom zijn, wat iemand aangaat. Rein. 7783:
Tis int ghemeen gebrocht voort: Elc trec hem aen, dat hem toe hoort.
Dat Gode toehoert, wat een gedeelte uitmaakt van de vereering van God. Omnia quae ad cultum Deorum pertinent, zegt Cicero de Nat. Deor. II, 28, 62. - Dien kindre toehoren 200 is eene omschrijving voor de ouders.
| |
Toecht
371 imperatief van toghen, toonen, laten zien, doen blijken. B.v. Seden 241, 570. Ferguut 667. Esopet XXI, 3. R.v. Cassam. 1051. Parthonop. 1924:
Scoon ghelaet can hi wel toghen.
Ovl. Ged. III, 107, 167:
Al tocht een man goet ghelaet.
Sp. Hist. I, viii, 34, 55:
Want alse die vrient machlichte Di toghet een droeve aensichte.
| | | |
Lancel. II, 44360 (R.v. Moriaen 1814):
Walewein hi sach hen togen Te hemwaerd menege suer ansichte.
Bgr. van Couchi fr. II, 526:
Dat ghelaet ende dat ghebaer, Dat die bastaert toochde daer,
Dat was groot boven mate.
Ibid. fr. II, 2138:
Een edel vriendelijk ghebaer Dat so mochtemen daer zien togen.
| |
Toren
199, 389 verdriet, leed, smart. Rein. 914:
Daer die bliscap was te voren, Daer sach men toren ende nijt.
Sp. Hist. I, vii, 66, 12. Ferguut 1475. R.v. Cassam. 460:
Ons doet Claerwijs groeten toren Ende groet verdriet ende groet onraste.
Lansel. e. Sandr. 922:
Dies heeft mijn herte soe groten toren.
B.v. Seden, gl. Huydec. op Stoke III, p. 266. Clignett, Bijdr. p. 16. - Ook vindt men dikwijls toern geschreven. MLoep, gloss.
| |
Torment
118 kwelling, foltering, smart (Fr. tourment). Het tegenover-gestelde is vruegde. MLoep I, 116:
By wilen si in vroechden loeghen By wilen leden si torment.
Rose 5914. B.v. Seden, gloss. - Vooral staat dit woord, zooals hier, van der hellen torment. N. Doctrin. 134. Parthonop. 1847. Rein. 2183:
Mi stonder omme in der helle te sine, Daer die torment es entie pine.
Lksp. III, 8, 34:
Groet torment dat euwelijc duert.
Elders ook genoemd die helsche pijne. Spieg. der Jong. 132. - Van het znw. torment heeft men ook een ww. tormenten. Parth. 2227:
Maer mi crinct een ander smerte, Dat mi sere torment mijn herte.
N. Doctrin. 2652:
Want si sijn ghetorment zeere Met ewigher pinen, sonder verlaet.
| |
Tote
71, 475, 487 tot. Rein. 646, 1097, 2212. B.v. Seden, gl.
| |
met goeder Trauwen
184, met een oprecht hart, ongeveinsd. Ferguut 1265:
Enen pellen ginc men daer spreden, Daer si op saten onder hen beden,
Ferguut ende die joncfrouwe, Diene minde met goeder trouwe.
Belg. Mus. III, 441:
Maria stont met groten rouwe, Seere beweent met goeder trauwe
Bi den cruce, daer Jhesus an hinc.
Het woord trouwen voor entrouwen, dat menigmaal in samen-spraken voorkomt (zie Ovl. Ged. I, p. 77, 312, 315, 338, 358) is eene adverbiale erkenning van de waarheid van hetgeen gezegd is, juist, precies, zeker, oprecht, in waarheid (Fr. vraiment).
| |
enen Troest doen
79 iemand troosten. Op gelijke wijze vindt men: enen ere doen, iemand eer bewijzen; enen doeghet doen, iemand eene weldaad doen, (MLoep, I, 244 e.v.) en eene menigte dergelijke wendingen, opgegeven in Mnl. Wdb. I, 239 c) en II, 247, 8) op welke laatste plaats ook wordt geciteerd St. Christine 63: (Dat) ic hem doch moegh
| | | |
doen.... troest ende vrede. Zie ook Van Helten in Tijdschr. v. Nederl. T. en Lkunde III, 294. - Dat doch hier imperatief is van doen, zie hier boven op doch, en B.v. Seden, gloss.
| |
Tsienste
314 zie sienste.
| |
Twint
402, 497 weinig, een beetje, zooveel als niets. B.v. Seden, gloss. - men achtes twint, men laat er zich weinig aan gelegen liggen; men bekommert zich deswege niet. - Op beide plaatsen is het lidwoord een of en weggelaten, dat er elders meestal bij staat. Zie Lksp., gloss.
| |
U.
| |
Up dat (opdat)
87, 268, 281, 348, indien. Eigenl. zooveel als op voorwaarde dat. Mnl. Rijmspr. II, 28:
Mi heeft menech man gheloghen Ende waent dat hi mi heeft bedroghen,
Dien ic wale soude bedrieghen, Op dat ic hem woude lieghen.
Ibid. 98. Hildgb. 89, 67:
Al bleefstu doet in een kijff, Wat verloerstu dan dijn lijff,
Op dat di God ghenadich waer?
Zie Huydec. op Stoke, I, 55, III, 108. Van Wijn op Heelu 53. Diet. Doctr., gloss. - Dezelfde beteekenis heeft ook wel eens dat. Pharthonop. 4317:
.... Ic wille bi u Herberghen, dat u bequame si.
| |
Upperste
391 hoogste. Wap. Mart. III, 69. (Stroph. Ged. p. 58):
Gods wesen es, alsict kinne, Tupperste goet, die upperste minne,
| |
Up sitten
432 een paard bestijgen, op een paard gaan zitten, (Lat. adscendere equum of in equum). Carl e. Eleg. 35:
Neemt uwen spere ende uwen schilt, Wapent u, sit op uw paert.
Parthonop. 4344:
Als die heren quamen van messen
Saten si op aldaer, ende reden Scone orse van fieren leden.
Esopet XX, 13:
‘Sit op,’ seide tpart, ‘ic sal di draghen, Wi selen daer omme varen jaghen.’
Walew. 4416:
Doe sette hi die joncfrouwe voren
Up tscoonste part dat hire sach, Ende hi sat up so hi eerst mach.
Bgr. v. Couchi fr. I, 258; fr. II, 2552:
Mettien so es hi ghegaen Te zinen paerde ende up gheseten.
| |
Up strecken
448 opstrijken, opstroopen, in de hoogte schuiven, b.v. sine mauwen, om ongehinderd zijn werk te kunnen verrichten. - up ghestrect hu mauwe is een accusativus absolutus in navolging van het Oudfransch. Zie Stoett, Syntaxis § 67. - Voor upstrecken vindt men ook opscorten. Vr. en Minne, VIII, 92:
Mittien quam daer in ghevloghen Een knecht mit eene glavelote;
Eene slippe van sinen rocke Opghescort doer die lichtheden.
| |
Uut sturten
300 uitstorten, uitgieten. Dezelfde schrijfwijze vindt men Rijmb. 34119. St. Christ. 1103.
| |
| | | |
Uut werpen zijn woort
156 zijne woorden uitflappen, zonder nadenken spreken. Lat. effutire i.q. effundere; waarbij Facciolatus aanteekent: ‘Transfertur ad eos, qui silere tacenda nequeunt, aut inaniter temereque loquuntur’ en deze beteekenis staaft met onderscheidene citaties, o.a. Terent. Phorm. V, 1, 18:
..... Ne vos forte inprudentes foris
Effutiretis, atque id porro aliqua uxor mea rescisceret.
| |
V.
| |
Vaen (te vane)
306 aanvatten, aangrijpen. Esopet LVI, 14:
Rein. II, 275:
Tis reden, die hem rechts verstaet, Dat hi dieflic goet aen vaet.
Lancel. II, 42719 (Rom. v. Moriaen 172):
Ende daar ic naden breidel vinc.
| |
Vaer
12 angst, vrees. Kar. d. Gr. I, 333. Carl e. Eleg. 304, 398. Rein. 2979. MLoep II, 1053:
Thisbes was in groten vaer, Off die lewinne quaem tot hair.
Theoph. 1167:
Dus claghde hi met groten mesbare Sine sonden ende met vare.
Parthonop. 637:
Ende emmer was hi des in vare, Dat het bi den duvel ware.
Lksp., gloss. - Vandaar vervaert sijn, bevreesd zijn, in angst verkeeren. Diet. Doctr. II, 33, 68. Carl en El. 806. Parthonop. 711, en onvervaert, onverschrokken; Ren. v. Montalb. II, 1050. Bgr. v. Couchi fr. II, 1246. Parthonop. 1436.
| |
Vaghen
240 afvegen, schoonmaken. Wap. Mart. I, 465. (Stroph. Ged. p. 20):
God helpe mi, want hi vermaecht, Dat mijn sin so werde gevaecht.
Hildgb. 173, 158: Tis al om niet hoe schoen si vaghen.
Vandaar afvaghen, uitwisschen. Vaderl. Mus. II, 176, 21.
| |
Vallen in iet
duidt niet altijd eene neêrvallende beweging aan, maar heeft dikwijls de beteekenis van ergens toe overgaan, iets beginnen. Alzoo 217 vallen in strijde. Wint. en Som. 450:
Dese twee heren en sijn niet clene Ende sijn ghevallen in een kijf.
220. vallen in accoorden, de verbroedering beginnen. Zoo ook het tegendeel. Denkm. III, 218, 32:
Pieter ende Pauwels vielen in discoorden Ende vochten overdadelike.
Hiertoe behoort ook in zonden vallen (Sp. Hist. I, viii, 70, 2) waarvoor thans meest vervallen gebezigd wordt. - Aan eene nedervallende beweging wordt men als van zelf herinnerd bij de uitdrukking 35: in orisoene vallen, als men denkt aan de daarbij gebruikelijke kniebuiging. Zie orisoen. - Doch ook voor het gewone spreken vindt men de uitdrukking in ene tale vallen. Parthonop. 6269, en voor besproken
| | | |
of belasterd worden vindt men: in iemans monde vallen. Ovl. Ged. I, 81, 576:
Sone, het ghesciet te elke stonde, Dat een man valt in clappers monde.
| | | |
Varen (te vaerne)
507 reizen, gaan. Hier staat wel over zee varen, doch daarmede wordt niet het gevaar der zee bedoeld, maar de onderneming der reis. Varen toch heeft de algemeene beteekenis van reizen, hetzij met schip of wagen, te voet of te paard. Vergelijk de woorden Kruisvaarders, Hemelvaart, voortvarend enz. Rom. d. Lorrein. II, 1811:
Ritsart bereide sine vaert Om te vaerne tsirer suster waert.
Limb. XII, 1286: die gravinne
Bereide met enen bliden sinne Te varne ter brulocht wert.
Esopet XIX, 3:
Si bat hare moeder, dat si vare In peelgrimagien over hare.
Ovl. Ged. III, 109, 206:
Op den lande ende in die zee
Selen si varen in allen hoeken Om avonture te besoeken.
| |
Vast, geplaatst bij houden, hebben, draghen
geeft aan die verba de beteekenis van stevigheid, dus onveranderlijk, voortdurend. Alzoo 65: tgheloeue Gods vast houden, steeds en onwrikbaar in 't geloof blijven. Sp. Hist. I, i, 2, 18:
Die int gelove wille wanderen, Houde dit vaste in sinen sin.
121: vast in therte hebben. Carl en El. 899:
Dit hoorde al Elegast Ende hilt int herte vast.
| |
Vele
349 bw. zeer, grootelijks. Lksp., gloss. - te vele 58 in te groote mate. - Als onbepaald telwoord gerekend, doch met den genitief geconstruëerd, zooals 105, 504, geldt het, evenals het Latijnsche multum, voor substantief met de beteekenis van veelheid, groote menigte; evenals het tegenovergestelde lettel. Lksp. III, 25, 110. Rein. 5319:
So moochdi segghen dat ic vele Ghelucs ende eren hebbe verloren.
Ovl. Ged. III, 107, 204:
Quaet clappen brengt vele doghens in.
Ook thans nog is veel een zstnw. in het spreekwoord Veel honden is des hazen dood.
| |
Verblijden
146 blijde zijn, zich verheugen. Carl en Eleg. 1156:
Dat hem die coninc beval, Seiden si Elegast al,
Die sere verblide van den woorde, Als hi die niemare hoorde.
Rijmb. 21060:
Alst wert gheboren, in dien tiden Sullen vele liede verbliden.
Het tegenovergestelde is drouuen 463.
| |
Verbolghen
472 vertoornd. B.v. Seden 744. Ovl. Ged. III, 111, 497. Bgr. v. Vergi 656, 1070. Ferguut 3491. Rein. 1394:
Dat ic binnen den hove vinde, Es up mi verbolghen al.
Rom. v. Cassam. 770. Mnl. Dist. Caton. III, 21. Vr. en Minne I, 394:
| | | |
Hovesche worden ende goedertieren, Ende die wel te poente wachten,
Sijn altoes van diere manieren, Dat si verbolghen moede sachten.
Het tegendeel is onverbolghen, zonder zich boos te maken. - Het ww. belgen en zich belgen beteekent eigenlijk zich dik maken, opzwellen; vandaar toornig worden. St. Brand. 933. Bgr. v. Vergi 680. Rein. 5396:
Mit groten recht mach ic mi belghen.
Zuster Hadewijch I, 15, 57:
Bi wilen belghen ende daer na soene, Doet de minne ghestade sijn.
Welk denkbeeld overeenstemt met de woorden, aan Chremes in den mond gelegd door Terent. Andr. III, 3, 23:
Amantium irae, amoris integratio est.
| |
Verbueren
406 verliezen, kwijtraken. Carl en Eleg. 209: (van dieven)
Si weten wel dat si verburen Lijf ende goet; mach mense vaen.
Esopet XXVII, 15:
Die om .1. cort delijt verburen Dat ewelijc sal gheduren.
Wap. Mart. III, 233. (Stroph. Ged. p. 65):
Nu andworde mi bet voert Of ics niene hebbe verboert.
| |
Verchieren
31 opluisteren, door giften en gaven of door andere bewijzen van vereering versieren. Lksp., gloss. - De schrijfwijze verchieren - zoo ook meermalen voorkomende in de Ged. van Hildgb. Zie gloss. en verder Stroph. Ged. p. 82, 57, St. Brand, 1757, 1763 en chierheit ibid. 1999 - meende men vroeger te moeten toeschrijven aan het Fransche chière, chère. Zie De Jager's Taalk. Mag. IV, 356 en 646. Doch thans geldt die opvatting niet meer, en liever neemt men de ontleening uit het Hd. zieren aan, terwijl die uit het Fransch aan eene volksetymologie moet worden toegeschreven. Zie Franck, Etymol. Wtb.
| |
Verdienen
208 quaet verdienen, iets kwaads beloopen, behalen, zich op den hals halen. Eigenlijk zich iets kwaads waardig maken. - Zoo ook 482: ionstelichede verdienen, zich genegenheid verwerven. - Die media significatio heeft ook ons verdienen; immers zegt men dit zoowel van straf als van belooning.
| |
Verdrach
490 imperatief van verdraghen, dulden, zich laten welgevallen. Evenals vrach van vraghen. Zie De Jager, Verscheidenh. p. 204 en Lat. Versch. p. 469.
| |
Verdwijnen
142, 144 te niet gaan, opraken. St. Franc. 4351, 8297. - Vroeger gebruikte men daarvoor ook dwinen. B.v. Seden, gloss. In de beteekenis van opraken, afnemen vindt men ook gliden, zooals wij nog zeggen door de vingers glijden. Mnl. Dist. Caton. II, 17:
Spare, want saen glidet Have, diemen niet en midet.
en tegliden. St. Amand I, 1086:
Dats Gods gracie, die niet teglijt, Maer altoos meerst ende verblijt.
Zoo ook afgaen. Ovl. Ged. III, 147, 25 alwaar de Rijcheit zegt:
Maer als mi mijn goet afgaet, Dat ic hier vormaels hadde vercreghen,
Soe en vindic niement die mi bestaet.
Eindelijk vindt men daarvoor ook nog ontvlieten. Ovl. Ged. I, 79, 424.
| |
Vergheten met genitief
318. Zoo ook Rijmb. 32442:
Men vergat sijns an die spise.
| | | |
Flor. en Bl. 3009. Rein. 2673:
Hoe mochte ic vergheten dies.
Op gelijke wijze heeft ook het tegenovergestelde ghedincken den genitief bij zich. Diet. Doctr. II, 2337:
Maer sunderlinghe suldi weten, Dat ghi tgoetdoens sult vergheten
Dat ghi dore uwen vrient doet; Maer doet v v vrient goet,
Over de regeering van die beide werk woorden zie Stoett, Syntaxis § 15 (5).
| |
Verhoeden den dach
343 den helderen dag waarnemen, niet ongebruikt laten voorbijgaan, namelijk om bijtijds een nachtverblijf te zoeken. (Lat. hospitium de luce capescas). Zie Mnl. Wdb. III, 462 op hoeden. In dien zin staat Lancel. II, 44189 (Rom. v. Moriaen 1644):
Ende sage oft hi mochte gewinnen Herberge op dien nacht.
| |
Verhoghen
117. Foutieve lezing voor vor (h)oghen.
| |
Vermaert
67 bekend, algemeen genoemd. Eigenlijk: door de mare d.i. het gerucht bekend geworden, hetzij in goeden zin, zooals hier, met de beteekenis van beroemd, geprezen, hetzij in kwaden zin met die van berucht. Rein. 4222:
So wart hi voor een dwaes vermaert, Ende men hout daer mede spot.
MLoep III, 662:
Maer hoe doet dan die vrouwe waert, Die in schanden wert vermaert?
Het transitieve vermaren, verkondigen, alom bekend maken, thans niet meer in gebruik, vindt men in Camph. Psalm. door Oudemans VII, 405 opgegeven en bij Coornhert, geciteerd in gloss. op MLoep. - Voor vermaert vindt men ook wel vermeert geschreven of vermeerret. Zie Limb. VIII, 907. Lanc. en Sandr. 772. MLoep II, 4160; en zoo ook ghemeert. Ovl. Ged. III, 127, 273:
In den hemel ende op der erden Sal uwe name ghemeert werden.
welk denkbeeld ook door onzen Moralist geopperd is in Strophe 12.
| |
Vermiden
306 vermijden, nalaten; waarvoor ook miden. Mnl. Dist. Caton. II, 17. Ferguut 4895. - hem vermiden van iet 222 b.v. van costen, zich ontzien van het maken van onkosten, uitgaven vermijden. Lancel. II, 43458 (R.v. Moriaen 912):
Her Walewein sprac: ‘So moetti vermiden Van uwer groter onmaten.
| |
Vernaemt
103 genoemd, alom erkend, hier in kwaden zin, dus zooveel als berucht. Meestal echter staat dit woord in goeden zin; zooals Lancel. II, 46193 (Rom. v. Moriaen 3557):
Hi ware starc riddere ende coene Ende vernaemt van groten doene.
Lksp. III, 5, 65:
Want hijs vernaemt een wijs man.
Bgr. v. Couchi fr. II, 2689:
Als die de beste was van wapen, Onder riddere ende cnapen
Vernaemt, die men al doe wiste.
| |
Verstaen
(als zstnw.) 264 naer mijn verstaen, naar mijn verstand, naar mijne opvatting, d.i. zooals ik het begrijp. Lksp., gloss. Lancel. II, 11718. Spieg. d. Jong. 405. Elders daarvoor als ic kinne. Vr. en Minne I, 373.
| |
| | | |
Verstandel
70 verstandig. B.v. Seden, gloss. De uitgang el dient tot vorming van bijvoeglijke naamwoorden. Zie eene menigte voorbeelden opgegeven in Mnl. Wdb. II, 608.
| |
Vertrecken
378, 410 verhalen, vertellen, mededeelen. Limb. IX, 537. Lksp. II, 56, 73. Kar. de Gr. II, 4308. Rein. II, 2081. Rijmb. 130. Borchgr. van Vergi 450. Franc. 3507, 5881. Ferguut 258, 2871. Zedelessen 490 (Sp. Hist. I, viii, 74, 26):
Die wijn doet dat ment (nl. iets heimelijcs) vertrect
Esmor. 497:
Na dien dat ghi hebt ghehoert Soe willict u vertrecken voert,
Waer dat u mijn vader vant.
Van gelijke beteekenis is uut trecken. Lksp. III, 26, 155:
Doe elck dus hadde ghesproken Ende sine redene uut ghetroken.
Zoo ook versegghen. Stemmen uit den Voortijd, p. 78:
Niet versegghen die ghebreckelicheit ons evenkerstens.
| |
Verwinnen
111 bestrijden, overwinnen, bedwingen (Lat. superare). Stemmen uit den Voortijd, p. 90:
Starcheit die ghebreken te verwinnen.
Ovl. Ged. III, 126, 221:
Die hem selven niet can verwinnen, Hoe sal hijt anderswaer beghinnen!
Lksp. I, 46, 10. Vr. e. Minne I, 373:
Dan behoert hem, als ic kinne, Vier ander poenten, sonder waen,
Selen si den evelen moet verwinnen.
| |
Vesten in therte
177, 409 goed onthouden, in 't geheugen prenten. Meestal wordt vesten alleen, zonder bijvoegsel, gebezigd. MLoep I, 48. 2458:
Ibid. II, 4232:
Een yghelijc mijn lessen veste.
Ibid. II, 4236:
Wael ghevest is wael gheleert.
Het tegenovergestelde is iet uut sine sinne steken, er niet meer aan denken, uit zijne gedachten zetten. Zie B.v. Seden 321.
| |
Vlyen
123 vluchten, weggaan, verdwijnen. - Later is in dit woord de letter d ingevoegd vlieden; evenals in castyen, kastijden, ghescien, geschieden.
| |
iet Vlyen
109, 114, 134, 423 ontvluchten, vermijden, haten, zich onthouden van iets. - 496 blame vlien, schande ontgaan, vrij blijven daarvan. - 493 vlye te sine, wil niet zijn (Lat. noli esse). - 495 vlie te hebbene, wil niet hebben (Lat. noli habere).
| |
van iet Vlyen
259 ontvluchten, ontloopen, zich verwijderd houden. Mnl. Dist. Caton. II, 24. Rein. 7393:
Diet wel gaet, gheeft men eer en lof; Maer diet misgaet, daer vliet men of.
Evenzoo wordt ontflien gebruikt. Wap. Mart. II, 43:
Waerstu een dorper, du spraecs van coen, Nu es dine herte dies ontfloen.
| |
Voeren (te voren)
390, 474 vooraf, eerst.
| |
| | | |
Voeren gaen
285 het vooruit gaan, de eerste plaats innemen. B.v. Seden 674. Het tegenovergestelde is 287: volghen of naer volghen. Rein. 632:
Volghet mi, ic sal vore gaen,
of bachten enen gaen. B.v. Seden 677.
| |
onder Voet houden
201 in bedwang houden. Stoke VII, 1197 zegt onder voet legghen:
Ende lech de hoverde onder voet, De di nimmer goet en doet.
92 onder iemens voet gheworpen werden, in iemands macht geraken. - Deze spreekwijzen moeten alzoo in overdrachtelijken zin worden opgevat. In eigenlijken zin - waarbij echter de overdrachtelijke opvatting niet is uitgesloten - staat zij in Bgr. van Couchi fr. I, 498, waar gesproken wordt van den valk, die
Den heygher hadde onder voet.
| |
Voort
410 verder. Met een verbum samengesteld, b.v. voort vertrecken, verder aan anderen mededeelen. B.v. Seden, gloss. vort. Stoke VIII, 159:
Dat heb ic seder wel ghehoert Van hem diet mi seide voert.
In dezelfde beteekenis staat ook voort brenghen. Spieg. d. Jong. 371:
En brenct niet voort een anders quaet,
en het boven opgegevene versegghen.
| |
enen Vorgaen
284 vóór iemand loopen. Hetzelfde als voeren gaen. Het tegenovergestelde 287 enen naer volghen, achter iemand loopen. - Over den vorm vorgaestu zie op aflech.
| |
Vorsien
152 voorzichtig, vooruitziende. Lancel. II, 11328. Rein. 6780:
Sijt wel voorsien ende wijs van sinne.
wees dies vorsien, wees deswege op uwe hoede, d.i. bedenk, welk kwaad daaruit zou kunnen ontstaan. Dit adjectief heeft den genitivus bij zich. Teestye p. 484, 1389:
Van sulker weelden wes vorsien,
en dit is in overeenstemming met het Latijnsche prudens d.i. providens. Zoo zegt Tacitus Hist. II, 25 prudens doli.
| |
Vorsienlic
282 bedachtzaam, welberaden, het antwoord eener boodschap geduldig afwachtende; vandaar nederig, bescheiden.
| |
Vorwist
389 vooraf gewaarschuwd. Zie bewist. Het ww. wisen beteekent in 't algemeen onderwijzen. Ovl. Ged. I, 82, 647. St. Amand 1676, 2691:
Amand, die heilighe man vercoren, Was te Pevele, als ghi moghet hooren,
Daer hi de Jueden wijsde ende leerde,
en zoo moet vorwisen beteekenen: vroeger, vooraf leeren, (profeteeren). St. Amand II, 2642:
Dat hi ten .XL. sten daghe opvoer -- Voorwijst ons Baruch,
alwaar echter de aangehaalde autoriteit foutief is, gelijk zulks in dat dichtstuk meermalen wordt aangetroffen.
| |
Voughen
94, 366 voegen, passen, betamen. Rein. 4851:
Ghestadicheit voecht wel den heren.
| | | |
Vandaar de uitdrukking int ghevouch, in die mate als 't betaamt. Lksp. III, 23, 90. St. Franc. 3219. Clignett, Bijdr. 169. Mnl. Dist. Caton. I, 18:
Al comt so dattu heves ghenouch Haven, houti int ghevouch.
Rein. 3676:
Ende ghinghe mit hem al int ghevoeghe,
welke plaats in het overigens zeer nauwkeurig Glossarium door Martin is overgeslagen.
| |
Vrach
177, 329, 332, 344 imperatief van vraghen, navragen, onderzoeken. De Jager, Verscheid. p. 204 en Lat. Versch. p. 469. B.v. Seden, gloss.
| |
Vrauwe
183 in de gewone beteekenis vrouw, iemand van het vrouwelijk geslacht, Lat. femina (waarvoor ook wel wijf 186, 187). - 471 meesteres, gebiedster, (Lat. domina), het vrouwelijke van heer; terwijl wijf 140, 150, 189 het vrouwelijke is van man, dus echtgenoot (Lat. uxor, coniunx). B.v. Seden, gloss. Lippijn 100:
De viant geeft luttel om een lieghen Om toren te maken tusschen man ende wijf.
| |
Vroe
160, 452 vroeg (Hd. früh); vooral in tegenstelling met spade (Hd. spät). Rein. 2071:
In allen tide spade ende vroe Was ic een hovesch kint noch doe.
Ibid. 7567:
Oec wil ic dat ghi vroe ende spade Comt tot minen secreten rade.
Zeer dikwijls gebruiken de dichters deze beide woorden slechts als stoplappen; somtijds wel eens driemaal op dezelfde bladzijde. Zie Lksp. III, 26, 33, 49, 53.
| |
die Vroede
134, 162 de verstandige man, de wijze. Rein. 331. Eigenlijk een adjectief vroet, zooals 202. B.v. Seden, gloss. - Het tegenovergestelde is onvroet 515.
| |
Vroedelike
298 op verstandige wijs. Vr. en Minne I, 325:
Daer si ghemint af wesen souden, In dien dat si waren ghestade,
Ende hen vroedelike wouden houden.
Lksp. III, 3, 679:
Dat ghi vroedelike leeft Van dien dat u God gheeft
| |
Vruechde
14, 136, 438 vreugde, blijdschap.
| |
Vul
203 vol. - vul houerden, vol trotschheid, overmatig trotsch. Rein. 2331:
Ic kende Brunen valsch ende quaet Ende vul van alre overdaet.
| |
Vulbringhen
456 verrichten, ten einde brengen. Dezelfde beteekenis heeft vulleesten. B.v. Seden, gloss.
| |
Vulcommen
126 volbrengen, vervullen, gevolg geven aan, b.v. aan zijne belofte (Lat. votum solvere, exsolvere). Daarvoor ook wel sijn belof doen. Alex. I, 657. Rijmb. 7879. Lksp. III, 3, 110:
Want ware dat sake dat ghi loghet
Ende ghi niet en doet u belof, Ghi souter scande hebben of,
en een belof vuldoen. Rijmb. 11744. - Grootelijks verdient het opmerking, dat vulcommen hier eene transitieve beteekenis heeft, welker
| | | |
mogelijkheid door De Vries ontkend is in gloss. op Lksp. Is die bewering juist, dan zou men kunnen vermoeden dat hier had moeten staan volvulle, dat gebruikt is in Lksp. II, 53, 79. III, 12, 43. Diet. Doctr. I, 20:
Soe wie sinen evenkersten mint, Hi heeft volvult die wet.
| |
Vulmàken
372 volmaakt maken, maken dat er niets ontbreekt Rijmb. 17863, waar van den Tempel gezegd wordt dat die
Vulmaect wart in den .VII. den jare Na die figure, na die ghebare
Recht alse Salomon die here Ghemaect hadde wilen ere,
waarvan het verhaal in de Staten-Vert. 1 Kon. VI, 38 aldus eindigt: Ende dit Huys was volmaeckt na alle sijne stucken, ende na alle sijne behoorte: alsoo heeft hij seven jaren daer aen gebouwt.
| |
W.
| |
hem Wachten van iet
230, 354 zich voor iets hoeden, zich van iets onthouden. Met genit. MLoep II, 1635:
Daer hem billic een goet man Naerstelijc sal wachten van.
Rein. 482:
Ooc biddic u dat ghi sijt vroet, Dat ghi u wacht van baraet.
| |
Waerstuus niet in hoeden
224 waart gij desgaande niet op uwe hoede. Zie in hoeden sijn.
| |
Want.
Redeg. vgw. omdat 3, 23, 61, 101, 143, 203, 338, 366, 433, 464, 491. Zoo ook Wap. Mart. I, 510, 875.
| |
Wantrouwel
163 onbetrouwbaar. Over den uitgang el zie verstandel.
| |
Wat
435 iets. Stemmen uit den Voortijd p. 59: ‘Want die niet en heeft, die en heeft ghenen anxt wat te verliesen.’ Rom. d. Lorrein. II, 1830:
Yoen seide: ‘In rouke wat, Ic aventure om dat.’
| |
Waterkin
168 watertje, klein water, fontein.
| |
Weenen
422. Eig. tranen storten; doch ook wel enkel bedroefd zijn, zich zelf beklagen, berouw hebben. Hier wordt gezegd: Men ziet dat hij die lichtelijk borg blijft, int hende weent, d.i. dat hij bij slot van rekening zijn verlies betreurt, daar hij verplicht is te betalen, waartoe de schuldenaar niet in staat is. Zoodanige waarschuwing, als de Moralist hier bedoelt, bevatten ook de door Erasmus, Adag. I, 6, 97, als spreekwoord opgegevene Latijnsche woorden Sponde, noxa praesto est, d.i. Wie zich veelal ten borge stelt, dien staat de schade voor de deur. Onze naburen zeggen daarvoor:
Dein schaden gewiss und entschieden ist So bald du ein Bürge geworden bist.
De Brune berijmde deze les aldus l.c. p. 101:
En zijt niet licht voor yemant borgh, Indien ghy vry wilt zijn van zorgh.
| |
Weerden
191 waardeeren, liefhebben, hoogschatten. Lksp. I, 33, 35:
Hier bi mach men leren Dat goet is vader ende moeder eren
Ende weerden telker stat.
In die beteekenis vindt men ook wert hebben. Ovl. Ged. III, 145, 126:
Her Reinout heeftene herde weert.
| | | |
R.v. Cassam. 659. Ferguut 2326. Kar. de Gr. I, 1976:
Want hi heeft die vrouwe wert,
waarvan het tegenovergestelde is onweert hebben, verachten. St. Amand II, 3370. Parthonop. 7605. Insgelijks enen werde of werdecheit doen. Diet. Doctr. II, 206, 1722.
| | | |
Weert (waert)
273 (van een persoon gezegd) geacht, hooggeschat. Kiliaen: carus, gratus. Rijmb. 20516:
Antipater die ward tien tiden Waerd ende lief in allen siden.
Ibid. 23434:
Hens geen prophete waerd in sijn lant.
| |
Weert
369 waard, herbergier, hij in wiens huis men den nacht heeft doorgebracht. - 372 gastheer, een die zijne vrienden onthaalt. B.v. Seden, gloss.
| |
te zinen Weinsche
4, naar zijnen wensch. Zoo ook het ww. weinschen. Bgr. v. Couchi fr. II, 2145. Zie ook meinsch.
| |
Wijnwater
34. Dit kerkwoord staat hier aldus geschreven; en zoo vindt men het ook Lancel. II, 11306 en Sp. Hist. in het HS. IV, ii, 85, 40. Zie Penon's Glossarium op Verwijs' Bloemlezing.
| |
Wijs
van iet 418 bedreven in iets, der zake kundig; heeft den genitief bij zich, Stoett, Synt. § 24. MLoep I, 1356:
Een edel jonghe, van kunsten wijs.
Ibid. 2517:
Hi was wijs van hogher kunst.
Daarom zou ik in Rein. 6940, waar Martin schrijft:
Ghi heet alle weghe wijs te sijn,
liefst willen lezen aller weghen, zoodat de zin is: men zegt, dat gij alle paden en gangen weet te vinden, zelfs in het duistere van den nacht. - Op dezelfde wijze wordt vroet geconstruëerd. Esmor. 574:
Als ghi van uwer saken sijt vroet.
| |
Wildi
195 wildijt 15, zie op di. - wiltu 508. - wilstu 419, 425, 427, 435 wilt gij. - wilstuut 310, 377, 403, 410 wilt gij het.
| |
Wincken
161 door gebaren, met een ander spreken, d.i. door uiterlijke teekenen iets aan een ander te kennen geven, wat een derde niet weten mag. In 't Latijn wordt daarvoor nutus gebruikt. Zoo zegt Plinius VI, 30, 35: Quibusdam pro sermone nutus motusque membrorum est en Ovidius Amor. II, 5, 15:
Multa supercilio vidi vibrante loquentes;
Nutibus in vestris pars bona vocis erat.
| |
Winnen (als subst.)
400 naer dijn winnen, overeenkomstig uw gewin, naar uwe inkomsten.
| |
in goeder Wise
226: op behoorlijke wijze; dijns selues spijse sal di voeden in goeder wise. Dit voorschrift is overeenkomstig de bede vervat in Spreuk. XXX, 8: Voed mij met het brood mijnes bescheidenen deels.
| |
| | | |
Wiselic
477 wijslijk, op verstandige wijze.
| |
te Wiue nemen
140 tot vrouw nemen, haar huwen. Lancel. III, 23150. Mnl. Dist. Caton. III, 13:
Sone, wachti, by dinen live, Dat tu nemeer wijf te wive
En nemes, du en kense wel: Want der wiven sijn vele fel.
Zie B.v. Seden op te manne gheven d.i. uithuwelijken, waarvoor in Mnl. ook huwen gevonden wordt; zie 510.
| |
Woort (meerv.)
409 woorden. Stoett, Etym. § 72. R.v. Cassam. 585:
Doe Cassamus hare wort verstoet, Van jammere vielen hem op den voet
Die tranen ute beide sijn ogen.
B.v. Seden, gloss. Lancel. II, 11512:
Die coninginne sprac dese wort Tote haer selven, die ghi hebt gehort.
Doch evenzeer vindt men worde. Lancel. III, 10798:
Alse die coninc Hestoran horde Deser .III. goder ridders worde.
| |
Wouckenere
137 woekeraar. Wap. Mart. I, 370. (Stroph. Ged. p. 16):
Dits die minne, die dicke doet Ridderscap wesen verwoet
Teestye, gloss. Lksp. III, 4, 175 alwaar in het HS. boven wisseleren met eene latere hand geschreven staat woeckeneren. Zie ook Van Vloten, Kluchtsp. p. 47 geciteerd door Verwijs gloss. op Vr. en Minne p. 156. - De Ouden schreven het woord wouckenaer welluidendheidshalve met n om de volgende r, evenals wij nog schrijven kamenier, dat volgens het Latijnsche cameraria eigenlijk kamerier had moeten zijn. Zie Mnl. Wdb. III, 1147. Vergelijk ook toovenaar en moordenaar naast tooveren en het Eng. murderer. Zie Te Winkel's Gramm. Figuren, bl. 285 vlg.
|
|
|