terug  begin  verder
[p. 30]

Slavenka Drakulić
Hoe wij het communisme overleefden en bleven lachen

Slavenka Drakulić (1949) is een vooraanstaande Joegoslavische schrijfster en feministe uit Kroatië. Ze schreef de laatste tijd in Time, Die Zeit en The Independent essays en artikels over de burgeroorlog in haar land en begin dit jaar was ze te gast bij Adriaan van Dis. Haar romans werden ondermeer gepubliceerd in de Verenigde Staten, Engeland, Frankrijk en Duitsland. In het Nederlands verscheen bij de Prom eind 1991 de ‘novella’ Marmeren Huid. Het boek is intussen al aan zijn tweede druk toe. Binnenkort verschijnt bij dezelfde uitgever de essaybundel Hoe wij het communisme overleefden en bleven lachen. Slavenka Drakulić toont daarin op een literair journalistieke manier hoe het communisme het hele dagelijkse leven doordrenkte: van voedsel tot religie, van privacy tot make-up. De Kroatische schrijfster fixeert zich bij voorkeur op kleinigheden en dat levert leuk leesvoer op. Zo vindt Drakulic bijvoorbeeld dat het communisme uiteindelijk failliet is gegaan omdat het regime niet in staat was om voldoende wc-papier of tampax te produceren.
Hieronder drukken we bij wijze van voorpublicatie twee reportages uit deze essaybundel af: Een praatje met de censor en Hoe wij het communisme overleefden.

Hoe wij het communisme overleefden

Vertaling: H. Heldring-Stolk

Vesna hield de panty tegen het licht, stak er onderzoekend een hand in, spreidde haar vingers en trok daarna langzaam, op zoek naar een ladder, haar hand er weer uit. Het ene been was heel, in het andere ontdekte ze een ladder. ‘Deze is niet goed,’ zei ze, legde hem terzijde en pakte een andere van de stapel voor

[p. 31]

haar. We zaten op een mooie zondagochtend in haar keuken. Ik was even langsgekomen om een stofzuiger te lenen, omdat de mijne het die ochtend na jarenlange trouwe dienst had begeven. Haar moeder die tegenover ons zat greep de afgedankte panty en zei: ‘Maar Vesna, wat zonde, die kun je nog best in huis dragen. Ik breng hem wel weg om te laten repareren.’ Vesna keek haar boos aan en barstte toen in lachen uit. ‘Nee, dat doe je niet,’ zei ze tegen haar moeder, en tegen mij: ‘Telkens als ik een oude panty weg wil gooien, probeert ze die te redden, te repareren, er een kussen mee te vullen, een vuilniszak mee dicht te binden of eigengemaakt vruchtesap door te zeven; zij weet wel honderd verschillende manieren om oude kousen en panty's te gebruiken. Het is net of ze nog in de jaren vijftig leeft.’ Haar moeder dronk kalm haar koffie en schudde haar hoofd, alsof wij haar toch nooit zouden kunnen begrijpen. ‘Ik leef dan wel niet in de jaren vijftig, maar je weet maar nooit wat er kan gebeuren. Weet je niet meer, nog maar een paar jaar geleden konden we geen panty krijgen. Toen vroeg je me of ik die oude, “gespaarde” panty's voor je wilde stoppen. Dat heb ik gedaan, met nylon-draad, op een lamp (goddank dat ik die oude peren bewaard heb. Ik zal eeuwig spijt hebben dat ik mijn ouwe, trouwe maasbal heb weggegooid). Trouwens stel je voor, zo'n panty weggooien vanwege één ladder...’

Ik zei dat ik niet wist dat er nog vrouwtjes waren die ladders ophaalden, nu kousen een massaprodukt zijn geworden, al zijn ze nog steeds niet goedkoop. In deze contreien tenminste niet. Zij zei dat er nog maar één vrouw was die dat deed. Ze had eerst een winkeltje gehad, maar werkte nu thuis. Ik zag haar voor me, aan een tafel met een lamp en een gek naaimachientje. Misschien is het wel dezelfde vrouw aan de Maksimirska ulica, waar ik eens in de maand naartoe ging met een zak vol kapotte kousen. ‘Wilt u erop wachten?’ vroeg ze me dan, omdat ze wel wist dat ik er alvast een apart had gehouden met ‘maar één ladder’, om meteen weer mee terug te kunnen nemen. Dat moet minstens twintig jaar geleden geweest zijn; toen waren kousen een schaars en duur artikel dat je pas na veel reparaties

[p. 32]

weggooide. ‘Je kunt toch nooit weten,’ ging Vesna's moeder verder, ‘er kan wel ieder moment een burgeroorlog uitbreken: de Serviërs tegen de Kroaten, de Tsjechen tegen de Slovaken, de Hongaren tegen de Joden. Je moet overal rekening mee houden.’ ‘Maar moeder, als dat gebeurt, komt er zoveel ellende dat toch niemand zich nog druk zal maken over kousenschaarste,’ sputterde Vesna. ‘Het klinkt misschien raar, schat, maar ook in oorlogstijd moeten mensen zich zien te redden. Hoe denk je trouwens dat wij het communisme hebben overleefd?’

Ja, hoe deden we dat eigenlijk? Zeker niet door allerlei nuttige zaken weg te gooien. In het algemeen valt er in communistische landen toch al niet veel weg te gooien. Je zou zelfs kunnen zeggen dat een communistisch huishouden bijna een schoolvoorbeeld is van een ecologische kern, behalve dat deze ecologie uit een heel andere overweging voortkomt: niet uit zorg voor de natuur, maar uit een specifieke angst voor de toekomst. Zo'n ecologische kern heeft in het algemeen twee grondprincipes, verzamelen en recyclen. Je bent eindeloos bezig met recyclen, een artikel (een panty bijvoorbeeld) te herdefiniëren door het in iets anders te veranderen, het steeds weer ergens anders voor te gebruiken, en je gooit het pas weg als je (door er van alles mee te proberen natuurlijk) absoluut zeker weet dat het niet meer te gebruiken is. Maar om op de juiste, dat wil zeggen een nuttige, manier te kunnen recyclen, moet je eerst weten wat je moet verzamelen. Verzamelprincipes, om het zo maar eens te noemen, hangen voor een belangrijk deel af van bepaalde soorten experimenten in bepaalde communistische landen, of misschien nog eerder van bepaalde graden van armoede. Maar in principe kan men dat verzamelen in verschillende categorieën onderbrengen: gebruiksartikelen (oude lappen, schoenen, huishoudelijke artikelen en meubels, potten en pannen, manden, bezems, kranten); voorwerpen die in niet-communistische landen meestal weggegooid worden (ook wel bekend als verpakkingsmateriaal zoals flessen, potten, blikken, doppen, kurken, elastiekjes, plastic zakken, pakpapier, kartonnen dozen); voorwerpen uit het buitenland (praktisch alles uit

[p. 33]

een ander land, van potlood of opschrijfboekje tot jurk, van kauwgom tot snoeppapiertje); artikelen die misschien niet meer te krijgen zullen zijn (daar valt van alles onder, zoals bloem, koffie, eieren, wasmiddelen, zeep, panties, schroeven, spijkers, touw, ijzerdraad, parfum, postpapier, boeken; je weet gewoon nooit, je kunt nooit voorspellen wat je te wachten staat en dat is uiteindelijk de voornaamste reden om te verzamelen. En hoewel ik best weet dat arme mensen in niet zo arme (Westerse) landen misschien op dezelfde manier verzamelen en recyclen, waren het toch in de eerste plaats de mensen in Oost-Europa, omdat ze bijna allemaal zo arm waren dat ze het wel moesten doen. Ze leven natuurlijk ook in een toestand van voortdurende schaarste en weten van de ene dag op de andere niet wat ze in de winkels zullen vinden.

Ik dweilde de vloer van mijn huis met een oude mannen-onderbroek en had nooit beseft hoe gek een bezem in een onderbroek eruitziet, totdat een vriendin, uit het buitenland natuurlijk, me er lachend op wees. Maar net als de moeder van Vesna vond ik het zonde om hem weg te gooien, zolang hij nog herdoopt kon worden en herschapen tot dweil. Had je niet een zwabber kunnen kopen, vroeg mijn vriendin. Jawel, maar waarom eigenlijk? Mijn grootmoeder heeft het altijd hiermee gedaan, mijn moeder ook en trouwens: tot eind negentienzestig kon je nergens zwabbers kopen. De ervaring heeft geleerd dat echt katoenen ondergoed fantastisch goed stof opneemt en ook heel goed is voor vloeren, ramen en tegels. Daarom gebruikt mijn moeder het nog steeds.

Toen besefte ik dat deze vriendin helemaal niets wist van wat je met oude kleren kun doen: truien van uitgehaalde wol, oude jassen binnenste buiten gekeerd en vermaakt tot kinderjasjes, of een nieuw laken gemaakt van twee oude. Zij was zich niet bewust dat in de ecologie van de armoede niets wordt afgedankt, vooral geen kleren. Weggeven wordt minder vaak gedaan (‘ben ik soms minder dan jij?’), behalve aan zigeuners. Iemand zou zich wel eens beledigd kunnen voelen, omdat nieuwe kleren nu eenmaal een teken zijn van grotere welvaart.

[p. 34]

Wij gebruiken oude kleren niet alleen voor andere doeleinden - dat is de tweede fase - we dragen ze eerst nog op in huis, zoals dat heet. Iemand die voor het eerst bij een doorsnee gezin binnenkomt zou wel eens raar op kunnen kijken als hij, wat bepaald niet ongebruikelijk is, een eerzaam, respectabel persoon - laten we zeggen een professor - aantreft in een gestreepte pyjamabroek, een oude trui met mottengaten of gestopt met een ander kleur wol, op pantoffels en met een versleten badjas aan. En omdat dit soort ‘verzamelen’ een nationale sport is, vind niemand het erg in zulke rare vodden gezien te worden.

Door de omstandigheden waaronder wij leven is er van privacy geen sprake, of eigenlijk deel je die met de hele gemeenschap. De flats waarin wij wonen zijn te klein, te vol of te veel opgedeeld en veelal struikel je over elkaar op weg naar keuken of badkamer. Omdat een huisgezin onder het communisme zich nu eenmaal niet zelf kan bedruipen, ben je gedoemd tot afhankelijkheid van je buren. Iedereen vraagt elkaar om gunsten, je leent koffie, suiker of andere huishoudelijke zaken van elkaar of je hebt behoefte eens flink te schelden op de politiek of je moet je kind op een betere school zien te krijgen. En iedereen die bij je langskomt ziet je natuurlijk in afgedragen kleren rondlopen. Misschien heeft dat ook wel een goede kant: je weet in ieder geval wat je aan elkaar hebt.

Het is duidelijk dat dit verzamelen en opnieuw dragen van oude kleren een logisch gevolg is van schaarste, maar als je ver van een communistisch land leeft is het moeilijk enige logica te ontdekken in het verzamelen van wegwerpartikelen. Waarom bewaart iemand bijvoorbeeld een oude schoenendoos? Als je eenmaal thuis bent met je nieuwe schoenen, gooi je zo'n doos toch gewoon weg. Maar een mooie sterke schoenendoos kan nog voor allerlei doelen gebruikt worden. Meestal worden, of werden, ze gebruikt voor het opbergen van foto's en oude rekeningen. De mensen bewaren ze onder in een kleerkast of linnenkast of boven in een slaapkamerkast. Als je vraagt familiefoto's te mogen zien, halen ze geen fotoalbum te voorschijn, maar een stoffige schoenendoos. Strik of touw wordt in

[p. 35]

je aanwezigheid behoedzaam losgemaakt, alsof er in die ene schoenendoos iets heel kostbaars zit, een stukje van hun leven, te kostbaar om iedere dag te voorschijn te halen. Dit gebruik van de schoenendoos is gemakkelijk te verklaren: er waren een hele tijd geen albums te koop en later waren ze heel duur. Trouwens, de mensen hier lijken niet zoveel foto's te hebben, en het komt niet zo vaak voor dat ze ze bekijken of aan anderen laten zien. Schoenendozen zijn ook geknipt voor rekeningen, vooral oude, van tien, twintig of dertig jaar geleden. Rekeningen van allerlei kleine aankopen of van de huur of bankrekeningen. Als je namelijk te maken hebt met zo'n enorme inefficiënte bureaucratie moet je vele jaren terug kunnen gaan om je onschuld te kunnen bewijzen. Zo'n schoenendoos is als een computer, vol keurig opgeslagen gegevens die onontbeerlijk zijn om te kunnen overleven in een systeem dat ervoor bedoeld is de mens als individu te gronde te richten.

Maar in ieder huisgezin heeft het verzamelen van glazen potten de hoogste prioriteit, en dat komt, geloof ik, omdat je daar weer andere verzamelobjecten in kunt bewaren. Het zou ook hierbij weer doodnormaal zijn zo'n potje weg te gooien als het leeg is, bij voorkeur in een glasbak. Maar nee, als je hier eenmaal woont, merk je algauw dat er een andere manier van hergebruiken is. Er is altijd wel iets dat nodig opgeborgen moet worden. Een handvol roestige spijkers of een bepaald soort schroeven dat je in de winkel nooit kunt vinden als je ze nodig hebt, of misschien knopen of elastiekjes of plastic dopjes of kurken, oude scheermesjes (je weet tenslotte niet hoe lang je die nog zult kunnen krijgen in de winkel), stukjes zeep of touw (voor 't geval), broodkruimels, koffiebonen, verse knoflook of eigengemaakt zoetzuur. In de grotere potten kun je 's winters nog eens wat eten bewaren op een balkon, net als in een koelkast, heel handig. En bovendien: als er een pot breekt kun je het deksel nog gebruiken als asbak. Bijna iedereen rookt, dus wie heeft er genoeg asbakken?

De meeste mensen verzamelen blik, vooral grote blikken maar kleine blikjes ook wel. ‘Dit is zonde om weg te gooien,’

[p. 36]

[advertentie]

[p. 37]

zei mijn buurvrouw, een oude dame, altijd en dan zette ze er een rode geranium in; tientallen blikken zette ze op vensterbanken, in gangen, op trappen, in de badkamer zelfa. Ik geloof dat vrouwen ‘goud’ blik liever hebben dan ‘zilver’ blik; en dat ziet er inderdaad leuker uit op vensterbanken en balkonnetjes, in achtertuintjes en zelfs binnenshuis, overal waar je maar bloemen wilt hebben. Je neemt gewoon een blik, een spijker en een hamer, keert het ondersteboven, slaat er met hamer en spijker een gat in en klaar ben je, zomaar een nieuwe bloempot. Dat noem ik nu ecologie. Soms kom je een plant tegen in een oude waskom of pot, die dan vaak helderblauw of felrood is met witte stippen. Planten die het in de steden niet zo goed doen door gebrek aan zon, zien er zo wat levendiger uit. Als je je tenminste de weelde kunt permitteren oude potten daarvoor te gebruiken, want meestal eindigen die ergens onder de gootsteen om aardappelen of uien in te doen. Misschien komen ze eens of twee keer in de tien jaar te voorschijn, als een keuken of kamer geschilderd wordt (wat de mensen hier nog zelf doen), en dan dienen ze als verfpot.

‘Zelfs nu nog kan ik het niet laten plastic yoghurtbekers af te wassen,’ zegt Vesna. ‘Toen ze die in de jaren zestig begonnen te produceren (vroeger werd yoghurt altijd verkocht in glazen potjes met statiegeld), was ik nog op school en daar gebruikten we ze voor waterverf. Thuis speelden we er keukentje mee of dronken eruit of bewaarden er zout en peper in. En al gebruik ik ze tegenwoordig niet, ik verzamel ze toch - God mag weten waarom. Ik denk dat verzamelen tegenwoordig niet zozeer een feitelijke toestand weergeeft als wel een geestelijke. Wij hunkeren nog naar dingen en wij zijn bang voor de toekomst, het zit dieper dan ik dacht.’ Haar woorden deden me denken aan weer een andere vorm van verzamelen, een andere hunkering: toen ik als kind zielsgraag een mooi cellofaan snoeppapiertje of een wikkel van een chocoladereep wilde hebben. Die kon ik alleen maar krijgen van een schoolvriendinnetje dat een vader in het buitenland had. Ik stopte ze dan tussen de bladen van een boek en als ze mooi glad waren kon ik er lang naar staren, ook naar

[p. 38]

de vreemde woorden zoals framboise of sucre of chocolatier, en dan rook ik nog die bijzondere, heerlijke dingen die erin gezeten hadden en die ik nooit geproefd had. In het ‘buitenland’ (daar werd alles mee bedoeld wat maar over de grens lag) werd ieder snoepje beeldig verpakt, terwijl wij alleen maar een snoepje kenden dat 505 sa crtom heette en dat verpakt in een rood trommeltje als nieuwjaarscadeau bedoeld was (niet als kerstcadeau, Kerstmis bestond immers officieel niet). Geen wonder dat er niet meer keuze was: er bestond toentertijd, in begin negentienvijftig namelijk, maar één suikerwerkfabriek, genaamd naar de oorlogsheld Josip Kras.

Wij waren natuurlijk uiterst geboeid door deze snoep-papiertjes - ons eerste contact met iets uit het buitenland - en wij voelden dat er daar nog meer onbekends en begeerlijks lag te wachten. Later verzamelden we allerlei kaartjes en stickers uit het buitenland, van snoep, bier, kaas en kleren; daarna sigaret-tendoosjes, bierblikjes of colaflesjes, die door toeristen in zee werden gegooid terwijl ze op de pont stonden te wachten. Het enige waar het om ging was dat het uit het buitenland kwam. Waarom? Omdat alles wat vreemd was, van verpakkingsmaterieel tot een bierblikje, mooier ontworpen was. En omdat wij alleen maar armoede kenden, intrigeerde die duidelijk andere wereld ons hevig. Pas heel veel later, misschien wel te laat, begrepen wij dat het allemaal ging om consumptieve belangen, gewoon om kopers te trekken. Maar ik geloof niet dat wij hier echt van overtuigd zijn geraakt, want zelfs nu zijn we nog hartstochtelijke verzamelaars van buitenlandse artikelen, alsof we ons nog steeds dat legendarische ‘buitenland’, echt of namaak, proberen eigen te maken.

Het is een heel vertrouwd gevoel: ik zie mezelf nog als vijfjarig kind naar de badkamer gaan, mijn moeders lippenstift pakken, mijn kauwgom uit mijn mond halen, er een beetje lippenstift opdoen en dan goed mengen totdat de kauwgom roze werd. Dan ging ik naar buiten en deed tegen de meisjes alsof het een echte ‘Bazooka Joe’ was (hoewel ik die maar eens had geproefd en ook nog maar één stukje). Ik hoopte dan dat ze

[p. 39]

jaloers zouden zijn, maar ik deed tegelijk een schietgebedje dat ze me niet zouden vragen het papiertje dat eromheen hoorde te zitten te laten zien met het kleine stripverhaal (het eerste stripverhaaltje dat ik ooit had gezien), waarop figuurtjes met elkaar spraken door middel van wolkjes in een volstrekt onbekende taal van een andere planeet.

Mijn grootmoeder stierf in de jaren zeventig, maar daarvoor lag ze eerst nog een paar maanden in het ziekenhuis. Mijn moeder nam de gelegenheid te baat om tenminste enigszins haar kasten en laden ‘uit te mesten’, zoals ze dat noemde, want mijn grootmoeder stond er om bekend dat ze alles verzamelde wat ze tegenkwam. Wat er in die solide oud-eiken kast zat, kon er nog mee door. Er hingen alleen maar oude jassen in (ik was vooral dol op een groene, die ergens tussen de twee wereldoorlogen was gemaakt en die een zijden merkje hed met Modewerkstätte Franziska Bundschuh), verder een kale astrakan bontjas die naar mottenballen stonk, verscheidene paren bijna nieuwe, handgemaakte schoenen, handschoenen, een stapel lakens en mijn moeders doopjurk. Weer een andere kast had meer iets weg van een klein pakhuis of een boot, op expeditie door onbekende wateren. Hij zat vol met keurig opgeslagen wasmiddelen die keihard waren geworden, flessen met ranzig geworden olie, ettelijke kilo's suiker, bloem en koffie (kennelijk de eerste levensbehoeften), een paar pakken thee, koekjes, pasta, blikjes tomatenpuré (ze was dol op Italiaans eten), bonen, en zelfs een of twee kilo zout, hoewel niemand zich herinnert dat daar ooit een tekort aan was. Al dat eten stond op de onderste planken. Op de bovenste planken lag de rest, zoals een rol witte tule, een heleboel wol in allerlei kleuren, zowel gloednieuwe als gerepareerde panties en kousen (ik geloof zelfs van voor de Tweede Wereldoorlog), zwarte en bruine haarverf, shampoo, allerlei zeep, wc-papier, medicijnen waarvan de uiterste datum allang verstreken was zoals antibiotica, aspirine, insuline (hoewel er niemand in de familie suikerziekte had) en dan nog wat andere pillen zonder etiket, watten en ongeveer vijf of zes pakken maandverband. Eigenlijk leek haar kast nog meer op een

[p. 40]

museum van schaarse artikelen tijdens het communisme dan op een pakhuis.

We waren nog steeds niet verbaasd, totdat we een van haar laden opentrokken. Dat was zelfs ons, verzamelaars bij uitstek, te machtig. Die la zat vol plastic zakken, gewassen, gedroogd en gesorteerd in bundels met elastiek eromheen, zakken in allerlei maten en kleuren. Heel grote van buitenlandse warenhuizen of beroemde winkels, misschien wel twintig jaar geleden meegebracht van onze reizen naar Oostenrijk, Duitsland, Italië, Spanje of Zweden; ook kleinere van winkels in Zagreb; dan nog de gewonere zonder opdruk, tot hele kleintjes toe. Het had iets van een archeologische verzameling, een inventarisatie van de ontwikkeling en het gebruik van plastic zakken vanaf het eerste moment dat ze hier in gebruik werden genomen, met de stijgende welvaart (toen ze gratis verstrekt werden), tijden de economische crisis (toen ze verdwenen), tot aan de huidige tijd, waarin je er extra voor moet betalen. Vrienden uit de USSR vertelden ons dat plastic zakken zeer gewild waren, vooral als ze een opdruk hadden, omdat de vrouwen ze daar als handtas gebruiken. Dat deden wij niet, maar wij wasten ze voor andere doeleinden, totdat ze bij het vuil terechtkwamen, als vuilniszakken natuurlijk.

Ik geloof dat die laden van mijn grootmoeder niet alleen duidelijk maakten hoe wij het communisme overleefden, maar vooral waarom het communisme faalde: het faalde door het grote wantrouwen, door een altijd aanwezige vrees voor de toekomst. Natuurlijk was het zo dat de mensen uit armoede verzamelden, maar dat was een zeer specifieke armoede, een armoede die voor het hele land gold. Iedereen was arm, arm en misdeeld zijn was een toestand die nauwelijks ooit veranderde, omdat noch woorden, noch verklaringen, noch beloften of dreigementen van politici daar iets aan kunnen veranderen. En bovenal was verzamelen een bittere noodzaak, omdat in wezen niemand geloofde in een systeem dat ruim veertig jaar lang, zonder onderbreking, niet in staat was gebleken zijn burgers van de eerste levensbehoeften te voorzien. Terwijl de politieke

[p. 41]

leiders het voortdurend hadden over een veelbelovende toekomst, verzamelden de mensen voortdurend bloem, suiker, potjes, bekertjes, panty's, oud brood, kurken, touw, spijkers en plastic zakken. Als die politici maar eens de kans hadden gehad in onze kasten, kelders en laden te gluren - en dan niet op zoek naar verboden boeken of ander belastend materiaal - zouden ze hebben kunnen zien wat voor toekomst het communisme met al zijn prachtige plannen te wachten stond. Maar ja, zij hebben nu eenmaal niet gekeken.

Een praatje met mijn censor

Vertaling: Christel Jansen

‘Ik zie er anders uit dan je je voorstelt,’ klonk een mannenstem door de telefoon, een beetje nasaal maar prettig om te horen. Deze zin gaf de doorslag en ik besloot in te gaan op de uitnodiging van mijn censor, kameraad inspecteur M. Naar zijn eigen zeggen werkte hij voor de staatsveiligheidsdienst (SDB), verantwoordelijk voor de pers. Ik wist weliswaar van het bestaan van zulke mensen af, maar dat kon niet verhinderen dat zijn plotselinge uitnodiging voor ‘een informele ontmoeting om even met elkaar te praten’ me overviel. Ik had het kunnen weigeren, maar er was iets waardoor ik mijn weerzin overwon, iets dat me ertoe dreef in te stemmen met een ontmoeting de volgende dag.

In Joegoslavië is de hoofdredacteur, aangesteld met goedkeuring van onder andere het Centraal Comité van de Communistische Partij, meestal ook de censor van de krant. Maar het gegeven dat hij zijn baan kan verliezen wanneer er ‘vergissingen’ in zijn uitgave zijn geslopen, wordt niet beschouwd als afdoende controle. De SDB heeft een speciale dienst voor toezicht op de media. Kameraden inspecteurs als M. houden in de gaten of de

[p. 42]

gedrukte pers, de radio en tv de ‘lijn’ die door de partij is uitgezet wel goed volgen. Hun baan houdt eveneens in dat ze redacteuren en journalisten nauwlettend in de gaten houden en dat ze, wanneer ze dat nodig achten, bijna onopvallend druk op hen uitoefenen. Het is geen gemakkelijke taak, want de partijlijn verandert onophoudelijk, afhankelijk van welke vleugel van de partij - de democratisch gezinde of de stalinistische - aan de macht is.

In eerste instantie was ik nieuwsgierig: ik had nog nooit een SDB-inspecteur ontmoet, misschien was ik niet belangrijk genoeg. Dit was dus de gelegenheid om kennis te maken met de macht van de SDB, gepersonifieerd in een man. Is hij groot of klein? Wat heeft hij aan? Hoe houdt hij zijn handen tijdens het praten? Ik veronderstel dat mijn reactie voortkwam uit een literaire traditie, uit een lange reeks van boeken waarin KGB-functionarissen werden beschreven die in Lubjanka honderdduizenden - nee, miljoenen - mensen ondervroegen, hen dwongen tot bekentenissen van dingen die ze nooit hadden gedaan en hen vervolgens een ijzige dood instuurden in Siberië. Ik kon maar beter niet denken aan Solzjenitsyn of Koestler, want mijn angst begon het van mijn nieuwsgierigheid te winnen. Geen echte angst, maar iets vergelijkbaars: de gedachte aan mijn mogelijke zonden. Wat had kameraad inspecteur M. eigenlijk door de telefoon gezegd? Ja, hij had me beleefd uitgenodigd voor een praatje, maar had daarbij eveneens gezegd dat hij me iets belangrijks te vragen had, en dat maakte het anders.

Wat kon hij me vragen? Ik ben journaliste bij een opinietijdschrift en geen partijlid (we hoeven de partij, de Bond van Communisten van Joegoslavië, niet eens met name te noemen omdat er geen andere partij is). Misschien waren mijn collega's ook uitgenodigd voor zulke gesprekken, maar daar werd nooit over gepraat. Kameraad inspecteur M. was hiervan op de hoogte en vertelde me dat hij me niet in mijn kantoor had opgebeld om me te beschermen. Ik schrijf soms artikelen die de publieke opinie in beroering brengen en de aandacht van de partijleiders trekken. Maar wat dan nog? Iedereen weet dat het daar niet om

[p. 43]

gaat, want met het schrijven van artikelen verander je niets. Of wel soms? Welke van mijn artikelen in het laatste nummer zouden een aanleiding zijn voor de SDB-man om mij te bellen? Het zouden mijn artikelen over de Albanezen in Kosovo kunnen zijn, maar het is evenzeer mogelijk dat hij niet was gediend van mijn recente artikelen over de cultuurpolitiek, waarin ik beweer dat we steeds meer afdrijven richting Oost-Europa. Het kon op alles betrekking hebben. Ik probeerde voor mezelf na te gaan welke ‘vergissingen’ kameraad M. voor ogen kon hebben. Bracht ik schade toe aan de publieke opinie door niet-geaccepteerde westerse ideeën te uiten en normen te introduceren die vreemd waren aan onze maatschappij van socialistisch zelfbestuur, of ging het om het verspreiden van onjuiste en gevaarlijke informatie?

Misschien zoek ik in de verkeerde richting. Misschien was het mijn privé-leven, mijn hippieverleden, de paar joints, het liften door Europa, seks met vreemdelingen. Maar misschien had het helemaal niets met mij te maken maar met mijn eerste man, die nu in Canada woont. Of de tweede, die naar de Verenigde Staten is geëmigreerd. Toegegeven, ik ga inderdaad veel te vaak naar het Westen, ik heb daar contacten en ik spreek verschillende talen, ik ben geabonneerd op drie Amerikaanse, twee Engelse en een Italiaans tijdschrift, en ik ontvang regelmatig boeken en brieven uit het buitenland. Mijn professoren aan de universiteit waren bekende filosofen en critici van het systeem. Bovendien, ik ben een feministe. Ze openen soms mijn post, en meer dan eens hoorde ik vreemde geluiden door mijn telefoon. Ik heb er tot nu toe nooit enige aandacht aan besteed, of vond het niet belangrijk genoeg om me er druk over te maken. Ik houd vast aan het principe dat openheid in mijn werk mijn beste verdediging is, ofschoon me dat nu een beetje romantisch lijkt.

Tegenover me, aan de kleine ronde tafel in het café, zat een kleine, dunne man met een baard en met een zwarte jack aan - het type dat je op een feestje tegenkomt en daarna straal voorbijloopt. Hij zag eruit als een leraar op een middelbare

[p. 44]

school, hij straalde wel wat gezag uit maar had tegelijkertijd de onbeholpenheid van een autodidact over zich. Hij had in ieder geval de waarheid gesproken: hij zag er inderdaad niet als een censor uit. De ‘reden’ voor de ontmoeting was uiteraard banaal, te banaal om waar te zijn. Hij legde uit dat er een man was gearresteerd en dat mijn naam voorkwam in het adresboekje van die man. Hij noemde een onbekende, misschien wel een gefingeerde naam. Maar de gearresteerde man was bevriend met een bekende staatsvijand en kameraad inspecteur vroeg zich af wat mijn contact was met die man. Van opluchting begon ik bijna te lachen. Ik vertelde hem dat mijn baan en die van hem veel van elkaar weg hadden: we waren beiden afhankelijk van zowel contacten als van informatie. Om die reden zou ik niet verbaasd zijn als er een papiertje met mijn naam erop werd aangetroffen in de zak van een terrorist, van de minister-president van Frankrijk of van Warren Beatty.

Het gesprek verliep op de gebruikelijke wijze, ‘gebruikelijk’ in de betekenis van twee mensen in de trein die gedachten uitwisselen over de actuele politieke situatie, de inflatie, het gevaar van het nationalisme en de voedselprijzen. Maar beiden wisten we dat er iets achter zat. Ik probeerde te opgewekt en te ongedwongen te bewijzen dat ik niets te verbergen had. Hij sprak te beleefd en te charmant over zijn dochter die dit jaar naar de universiteit zou gaan, over zijn moeder en zijn kat, van een verhoor was immers geen sprake. En toch maakte hij, terwijl hij nerveus de ene sigaret na de ander rookte, een wat verloren indruk, alsof hij liever ergens anders was, alsof hij liever iets anders deed. Eventjes leek het erop dat hij degene was die medelijden verdiende, en niet ik. De onvermijdelijke zin ‘Het is nu eenmaal uw werk’, lag al op mijn lippen, toen hij zei: ‘U moet begrijpen dat ik niet zo ben als mijn collega's. Ik geloof niet in grofheid. Naar mijn mening moet je het werk van een journalist van een afstand volgen en het goed leren kennen. En als ze dan herhaaldelijk ernstige fouten begaan dan kun je ze vriendelijk waarschuwen. Vaak is dat genoeg, journalisten zijn intelligente mensen.’

[p. 45]

Bij het woord ‘vriendelijk’ bekroop me een ongemakkelijk gevoel. ‘Weet u,’ ging hij verder, terwijl hij langs me heen keek door het raam van het café, ‘in zekere zin zijn wij vrienden. Ik ken al uw artikelen, uw boeken. En ik weet niet alleen wat u denkt, maar ook hoe u denkt en ik weet hoe u op bepaalde vraagstukken reageert. Ik moet bekennen dat ik u alleen even wilde zien. U ziet er veel knapper uit dan op uw foto's.’

Ik verliet het café en ging naar mijn hoofdredacteur. Zijn kantoor is een klein, donker kamertje waarvan de muren volstaan met planken en stoffige boeken. Zijn bureau was overladen met post, papier en lege kopjes. Hij luisterde aandachtig naar mijn verhaal over het praatje met de censor. Vervolgens leunde hij over de tafel heen en zei met ongewoon luide stem: ‘Ga gewoon door met schrijven, zoals je dat altijd hebt gedaan, vergeet dat gesprek maar. Ik ben de eerste die melding maakt van verdachte personen of activiteiten bij dit tijdschrift, reken maar!’ Onder het spreken wees hij met zijn wijsvinger richting plafond. Toen pas begreep ik dat er een microfoon in zijn kantoor verborgen is en op dat moment drong niet alleen de betekenis van het woord censuur tot me door, maar ook die van de subtielere en meer verborgen afgeleide ervan: van zelfcensuur, die eenieder van ons zich heeft eigengemaakt, zodat we niet te vaak met onze censor hoeven te praten en het hem niet te moeilijk hoeven te maken.

Het gesprek met Kameraad Inspecteur M. was volkomen overbodig. Waar het om ging was de tijd tussen zijn belletje en onze ontmoeting, toen ik mijzelf onder de loep nam, mijn fouten naging, mijn leven bekeek door zijn ogen en mezelf ondervroeg zoals een censor dat zou doen. Tegelijkertijd begreep ik dat hij, als hij het werkelijk wilde, hoe dan ook een bewijs zou vinden, zelfs als het er niet was. De schuld waarover ik spreek is geen kwestie van feiten, maar van de interpretatie ervan.

terug  begin  verder