|
|
|
| |
| | | |
[nummer 34]
Bart de Man
De bossen van Vlaanderen
| |
Wat voorafging

Mevrouw Lut Teck De Brakke Hond Verdussenstraat 13
2018 Antwerpen
Berchem, dinsdag 31 maart 1992
Mevrouw
Teck,
In het maartnummer van uw tijdschrift word ik door Bart de
Man getypeerd als iemand - ik citeer - ‘die zijn medemens het
liefst ziet verrekken in een concentratiekamp’. Uit de brief
die ik inmiddels van Bart de Man ontving en waarin hij mij zijn excuses
aanbiedt, leid ik af dat deze typering als grap is bedoeld. Die subtiliteit
was mij ontgaan. Gelieve de hierbij ingesloten brief van Bart de Man in
de eerstvolgende aflevering van De Brakke Hond op te nemen als mijn Recht op Antwoord.
Leonard Nolens
P.S. Gelieve tevens,
voor de goede orde, dit briefje te laten voorafgaan aan de brief van Bart de Man.
| | | |
Antwerpen, 29 maart 1992
Geachte heer Nolens,
We vernamen dat onze parodie op een interview met u in De Brakke
Hond u erg heeft gekwetst: vooral die passage over het
concentratiekamp... We kunnen u alleen maar verzekeren, mijnheer Nolens, dat we nooit de intentie hebben gehad om u
persoonlijk daarmee te viseren. Ons was het met deze parodie te doen om een
speelse ondermijning van uw doctrinaire poëtologische ernst die plots overal
zonder slag of stoot de hemel wordt ingeprezen.
Uit uw poëtologie spreekt ons inziens een bijna reactionaire verachting voor
het kleinmenselijke terwijl u zelf toch op een kleinmenselijke manier poëzie
produceert. We vermoeden trouwens dat u inderdaad vaak tegen uzelf - als
beul en slachtoffer als het ware - tekeer gaat. Maar we vinden toch dat het
moet mogelijk zijn om uw poëtologische overtuigingen - los van eventuele
artistiek-psychologische redenen voor deze overtuigingen - te gispen.
We zouden zeggen: u moet aan onze pastiche dus niet al te zwaar tillen.
Trouwens, de speldeprikken die in De Brakke Hond in de richting van uw
absolutistisch kunstenaarschap worden uitgedeeld, verzinken in het niet bij
de positieve besprekingen in zoveel gerenommeerder bladen. De Brakke Hond
als orgaan bij uitstek van de Vlaamse, literaire subcultuur heeft zich
immers van in den beginne tot taak gesteld om het Vlaamse literaire
establishment met argusogen te volgen én te saboteren waar mogelijk. Maar of
éne Bart de Man nu dit literaire establishment op de korrel neemt, verandert
weinig of niets aan die literaire mainstream in Vlaanderen waarin u willens
nillens een plaats hebt. We hebben daar geen moeite mee zolang het maar
mogelijk blijft om onder de één of andere vorm de éénzijdige ernst en het
epigonisme van het literaire bedrijf aan de kaak te stellen. Het omgekeerde
geldt natuurlijk even zozeer: het is uw goed recht, mijnheer Nolens, om de
dingen te schrijven die u schrijft.
| | | |
Nogmaals onze excuses dus maar eigenlijk maakt u zich onnodig zorgen als u
denkt dat het ons te doen was om uw persoon: niet wie of wat u bent, maar
waar u voor staat - en hoe die beeldvorming in uw geval door derden tot in
het absurd ‘heilige’ toe wordt uitvergroot - was ons
onderwerp van kritiek. We hopen alleszins dat u ook begrip hebt voor ons
standpunt en we verzekeren u dat onze speelse kritiek te goeder trouw werd
geformuleerd.
Oprechte groeten,
Bart de Man
Collectief van specialisten modernisme en deconstructie in beeldende kunsten
en literatuur

Prometheus
Uitgeverij
De heer B. de
Man p/a De Brakke Hond Verdussenstraat 13 2018 Antwerpen
België
Singel 118 1015 AE Amsterdam Telefoon
31.0.20-6385051 Telefax 31.0.20-6385459 NMB 68 2956333
Amsterdam, 3 april 1992
Geachte heer De Man,
Zouden wij eens een
afspraak kunnen maken?
Met vriendelijke groet,
Mai Spijkers
| | | |
| | | |
De bossen van Vlaanderen II /
De Wispelaeres terminale citatis
Er gaat geen bladzijde voorbij in het boekenleven van Paul de Wispelaere of er gebeurt een citaat uit iemands anders
werk. Hij kan geen drie zinnen neerzetten of er staat een schrijversnaam van
een ‘Grote’ te pronken. En als hij toch mordicus zelf
iets wil schrijven, brengt hij het niet verder dan een geforceerde
opstelletjes-stijl. Maar volgens de critici schreef de monstre sacré van de
Vlaamse letteren weer eens een meesterwerk!
Het verkoolde alfabet
heet De Wispelaeres inventaris van zijn absoluut impotent
kunstenaarschap. Die titel is natuurlijk zelf al een (deel van een) citaat,
zoals heel De Wispelaere zelf een terminaal citaat is op zoek naar
wederopstanding. Ook waar hij een eigen notitie uit de pen wringt - het gaat
hier om een autobiografie in dagboekvorm nota bene - gebeurt dit meestal
naar aanleiding van verkoolde woorden van een ander. Eventjes zeggen hoe
zoiets een eigen leven probeert te leiden.
| |
Citaat
Het is alom geweten dat De Wispelaere iets heeft met zijn tuin en zijn
huis en zijn meisjes-studenten. Dat gaat zo: De Wispelaere zit in zijn
vesting die hij met zijn eigen handen heeft opgekalefaterd, kijkt naar
zijn tuin die hij met zijn eigen handen heeft aangelegd, denkt aan zijn
meisje-studente-en-ondertussen-echtgenote die alras
‘literatuurdocente’ is en in die hoedanigheid ook in
citaten kan spreken en die hij met zijn eigen handen mag aanraken en
begint te schrijven aan zijn journaal. De ideale Vlaming als het ware
met z'n eigen huis, tuintje - wat zeg ik: de | | | | bossen van
Vlaanderen en miniature -, vrouwtje en nog een schoon hobby die deze drievuldigheid voor het
nageslacht bewaart: de literatuur. (Alsof het zonder literatuur al niet
erg genoeg is!) Zie hem daar zitten in zijn bastion aan zijn eikehouten
tafel die hij - of zijn vader - met eigen handen, enzovoort. Hij kijkt
naar buiten - eigen tuin eerst! - en hoort vrouwtjelief beneden de vaat
doen maar... prangende vraag: ‘Wat moet ik noteren ik mijn
autobiografisch dagboek als er in mijn leven niets gebeurt tenzij
citaten?’ Nog even naar de tuin kijken, nog even een trekje
aan de sigaar, nog even denken aan een citaat en onder barensweeën die
onbeschrijfelijk zijn legt De Wispelaere een ei: ‘Een toevallige blik door het raam: de hoge
vogelkersheesters steken hun gespreide handen met talloze berijpte
vingers uit in de mistige lucht.’ (p. 81) Let op de
adjectieven die in een opstel de lagere school waardig steeds een
substantief vergezellen en vooral: let op de originele personifiërende
beeldspraak die vorige les in de klas uitvoerig werd besproken en die De
Wispelaere als modelleerling de week erna in zijn opstel prompt toepast
terwijl hij denkt: ‘Wat zal mijn leraar tevreden zijn nu hij
ziet dat zijn les vruchten afwierp en vooral: wat zal ik mooie punten
krijgen nu mijn leraar met mij tevreden is!’ Maar ook
modelleerlingen worden geplaagd door twijfels aan hun kleurloze
volmaaktheid, dus ook De Wispelaere. Vandaar dat hij onmiddellijk na dit
ei er een bedenkelijk eitje bijlegt: ‘Hij
twijfelt aan de zin van deze aantekening. Maar de gedachte dat
misschien niemand op de hele wereld het ooit op deze manier heeft
genoteerd, verzoent hem er weer mee. Iemand moest het toch zien en
opschrijven, want anders had het nooit bestaan.’ Met
deze laatste zin beweegt De Wispelaere zich weer op vertrouwd
citatenterrein. Even verder flapt hij er trouwens zelf uit dat Max
Frisch ooit het volgende schreef: ‘Pas doordat
een wereld verteld wordt, bestaat zij ook.’ (p. 147)
Alleen heeft De Wispelaere de ‘wereld’ uit Frisch'
citaat ergens anders gemonteerd in zijn tekst, wat dan de zeer
bescheiden opmerking oplevert dat handige Paul weer iets geschreven
heeft dat ‘niemand op de hele wereld ooit op deze manier heeft
genoteerd’.
| | | |
Met andere woorden: wat is hier gebeurd? De Wispelaere weet niet waarover
schrijven, kijkt uit zijn raam, zegt iets over een heester in een
taaltje om u tegen te zeggen en probeert zijn onbenullige
‘aantekening’ te vergulden door een citaat dat hij
bladzijden verder als dusdanig kenbaar maakt. Een citaat dat aan zijn
aantekening proporties geeft die omgekeerd evenredig zijn met de
banaliteit van de notitie. Of gelooft Paul De
Wispelaere heus dat hij door het beschrijven van een heester
met een infantiel cliché die heester - en de wereld tout court - echt
doet bestaan op een manier die niemand op de hele wereld, enzovoort. Ik
vrees van wel, De Wispelaere is er warempel heilig van overtuigd dat de
hele wereld zich voor hem ontvouwt om door zijn meesterhand voor altijd
vereeuwigd te worden: ‘Door het raam blikkend
ziet hij een roerloze kraai als een fluwelen toque op de spitse kop
van een elzeboom zitten. Hij heeft de indruk dat de vogel daar
poseert opdat hij hem zou beschrijven.’ (p. 98)
Ik heb veeleer de indruk dat Paul de Wispelaere met zijn aparte onkunde
poseert. Vroeger schreef men in dagboeken naar aanleiding van één of
ander betekenisvolle ervaring wel eens een notitie die kon uitgroeien
tot een citaat wegens haar beklijvende verwoording of haar
toepasbaarheid. De Wispelaere gaat daarentegen meestal uit van een al
dan niet als dusdanig kenbaar gemaakt citaat om dan wanhopig op zoek te
gaan naar een ervaring waarop dat literair axioma - want op die manier
behandelt De Wispelaere de ex- of impliciet geciteerde uitspraken van
zijn favoriete auteurs - toepasselijk is. Die toepassing van een
literair axioma op de werkelijkheid - zoals een tang op een varken - is
dan De Wispelaeres schrijverschap.
En zo gonst het in
Het verkoolde alfabet
van de al dan niet gecamoefleerde
‘wijsheden’. Bovendien wordt altijd alles
geformuleerd in de stijve steltentaal van een Vlaamse boerenzoon die het
Algemeen ‘Beschaafd’ Nederlands in woord en daad
machtig is en dat ook wil bewijzen met zijn o zo propere maar
nietszeggende phrases. Zelfs als hij tot zijn liefste spreekt, | | | | hanteert hij een bloedloze cursustoon. Hij: ‘Om al die redenen zijn het huis en de tuin waarin wij
samen dagelijks leven niet alleen nuttige en aangename woon- en
werkruimten, maar ook symbolen met een mythische zin. De tuin is een
herschepping van het paradijs uit mijn kinderjaren waarvan ook jij
de verhalen kent en koestert omdat het de verhalen van alle
paradijzen zijn.’ (p. 72) En dat daast zo maar verder
op die valse universele toon van ik-de-wereld-en-de-schepping. Terwijl
Paul De Wispelaere alleen maar een simpel schrijvertje is op zoek naar
kopij die hij - net als elke would-be-schrijver - nergens vindt en
daarom citaten afschrijft. Naar de letter of naar de geest.
| |
Plagiaat
Maar het is bekend: De Wispelaere begon zijn schrijverscarrière als
plagiaris. In 1963 al werd hij door Piet Van
Aken de mantel uitgeveegd omdat hij in zijn roman
Een eiland worden
stukken van Lawrence Durrells The Alexandria
Quartet had afgeschreven. De hele rel - zie: George Adé in De dood van het N.V.T. (p. 36-37) - kreeg nog een
staartje toen Claude Krijgelmans in het
Nieuw Vlaams Tijdschrift
(1964, nummer 3) Weverbergh de
levieten las omdat die het plagiaat van De Wispelaere uit strategische
overwegingen naar de buitenwereld toe ontkende terwijl hij het
binnenskamers toegaf. Het blijkt dat Weverberghs strategische
helderziendheid toen lang niet blind was. Krijgelmans: ‘Dat de Wispelaere een plagiaris is, spreekt vanzelf,
maar de al te doorgrondelijke raadsbesluiten van Weverbergh hebben
wat anders met hem voor. Hier wordt dan als een toppunt fier aan
toegevoegd dat elke Vlaamse romancier binnen tien jaar voor De
Wispelaere zal staan beven.’ Niet alleen lauwert
iedereen in Vlaanderen De Wispelaere ondertussen voor zijn onbestaand
schrijverschap, zelfs Jeroen Brouwers meende
een monument voor hem te moeten optrekken (De Morgen
van 20-3-92) en geeft geen krimp als hij De Wispelaere citeert waar die
de volgende beuzelarij ten beste geeft: ‘Gisteren
| | | |
had ik nog een dag langer te leven dan
vandaag.’ Dat is weer zo'n diepzinnige uitspraak die
niemand - buiten De Wispelaere en Toon
Hermans natuurlijk - ooit op die manier waar ook ter wereld heeft
uitgezweet.
Het is waarschijnlijk De Wispelaeres ‘angst voor de
dood’ die Brouwers - die ook aan zo'n syndroom lijdt - zo voor
hem inneemt: ‘Vooral de plotselinge overlijdens
verontrusten mij zeer.’ (p. 46) Vooral de overlijdens
van andere schrijvers wel te verstaan, want op de gewone sterveling -
iedereen behalve schrijvers en lezers - heeft De
Wispelaere het niet zo begrepen. (Daarin verschilt hij voor
één keer van mijn grootmoeder zaliger die ook altijd tot in den treure
over de laatste sterfgevallen in het dorp begon te vertellen, telkens ik
haar zag.) Bij die dodenherdenking gedenkt De Wispelaere echter in de
eerste plaats zichzelf als schrijver. Keer op keer moet hij zichzelf
influisteren dat hij schrijft-en-dus-blijft: ‘Gisteren had de dood van Graham Greene mij niet zo
aangegrepen, omdat ik nooit een persoonlijke verhouding tot zijn
werk heb gehad. Maar vandaag Frisch, dat is iets heel anders.
(Inderdaad, zie: heestercitaat) De absurde gedachte dat hij
gestorven kan zijn op het moment dat ik zijn naam aan het schrijven
was.’ (p. 146)
| |
Nestgeur
Als De Wispelaere via één of andere smoes zichzelf al niet probeert te
vieren als auteur, steekt hij hersenloze tirades af tegen de
‘verloedering’ van alles wat hem lief is: huis,
tuin, vrouwlief en natuurlijk zijn schrijverstaal die hij nochtans
alleen maar aan anderen ontleent. Als tegengif citeert hij taferelen uit
zijn jeugd (‘Het nestleven dat ik me herinner’) toen
alles en iedereen nog in een organische communio met
huis, tuin en vrouwlief leefde: Een tijd waarin door gewone
mensen met kunde en zorg aan mooie, duurzame voorwerpen werd
gewerkt, en de machines nog niet in ijltempo de Universele
Lelijkheid uit de grond hadden gestampt.’ (p. 91)
Zulke simplismen durfde
| | | | | | | |
zelfs Karel van Isacker in
Mijn land in de kering
niet te debiteren, alhoewel ook hij niet vies was van
kortzichtige beschavingskritiek. Maar De Wispelaere leest alleen maar
dagboeken van andere grote schrijvers en bij voorkeur dan nog hun
psychologische aperçu's over zijn dada's - Liefde, Dood en Het
Schrijven. Historisch gedocumenteerde werken die hem een meer
genuanceerde versie aan de hand zouden kunnen doen, ziet hij gewoonweg
niet staan. De Westvlaamse varkensboeren verpesten de grond, dus is
iedereen die niet leest of schrijft of niet tot De Wispelaeres familie
behoort een Westvlaamse varkensboer. Van politici tot Amerikanen of
eigentijdse Spanjaarden die met een Mercedes durven te rijden in plaats
van met een krakende kar: het zijn allemaal arrogante Westvlaamse
varkensboeren die De Wispelaeres huis-, tuin- en liefdesidylle bedreigen
én dus zonder meer als het Kwaad worden gebrandmerkt. Lang leve Wardje
Ruyslinck die er al net zo'n analoog
primitief vijandbeeld op na houdt en onlangs ook een vod schreef met een
tuin in de titel en een Chaplinesk jonge muze aan zijn zij.
Het is waar: De Wispelaere is een aimabel man en aimabele mannen
verdienen een betere behandeling. Vandaar mijn nederig besluit: ik
twijfel aan de zin van deze kritiek. Alleen de gedachte dat misschien
niemand op de hele wereld het ooit op deze manier zal noteren, verzoent
mij ermee. Iemand moest het toch zien en opschrijven?

|
|
|