terug  begin  verder
[p. 103]

Jos Evens
Praagse Lente Revisited

Helga heeft haar rosse haren strak rond haar hoofd gecoiffeerd. Ook de zwarte, crèpe jurk spant rond haar slanke jongenslijf. Helga keert vandaag haar kontje tegen de krib.

Bij wijze van afscheid en tot weerziens zoent Jaroslav haar oranje geverfde lippen - ze voelt zijn snorharen schuren -, en aait met zijn dikke, harige hand tussen haar benen.

- Wanneer kom je weer thuis? vraagt Helga, terwijl ze zich van hem afkeert en lusteloos aanstalten maakt om het pak dat hij vanavond zal dragen, te strijken. Jaroslav is gediplomeerd ingenieur, maar werkt als loodgieter, en heeft sinds de toeristen uit West-Europa de stad overrompelen, nog een bijbaantje als ober.

- Het gewone uur ... als het God belieft.

Jaroslav knipoogt. Ze weet dat ‘God’ zowel op haar als op Hem slaat. Hij snokt aan de versleten veters van zijn eeuwige sportschoenen. Helga heeft hem zo leren kennen. Hij is met die dingen vergroeid, maar met zijn hangbuik past hij er niet meer bij.

Ze ranselt zijn weerbarstige broek als ze Vaclav de deur hoort dicht slaan en met veel gebons de houten trap naar de straat, vier verdiepingen lager, hoort af rennen.

Ongeduldig werkt ze aan het kledingstuk, ongeconcentreerd, terwijl haar ogen de schrale, afgebladderde muren aftasten. Met de heen en weer gaande bewegingen van haar strijkijzer telt ze het ritme van de lekkende kraan als een metronoom mee.

Tweeduizend Kronen méér per maand voor deze bouwvallige studio in deze huurkazerne aan de rand van de stad sinds het ‘gordijn’ werd neer gehaald.

Haar vingers betasten de warme stof van Vaclavs broek en graaien gretig in het kruis.

Ze is klaar.

Nu.

[p. 104]

Ze keurt zichzelf voor de spiegel. Er moet enkel nog een goudkleurig halssnoer rond haar bleke, slanke hals, en een dito armband rond haar smalle, bleke pols.

Dat is alles.

En God?

Ja, god!

De ijzeren plaatjes onder de afgesleten hakken van haar rode schoenen ketsen vonken uit de stoepstenen. Ze posteert zich op de hoge berm van de tramhalte midden in de asfaltvlakte van Strasovice, de brede toegangsweg naar het centrum van Praag. Het is er bloedheet. Ze benijdt de boyscouts, ginder op een caféterras met een halve liter Pilsener Urquell voor zich. Duitsers. Blote benen onder glazen blond bier. Bruisende branie.

De snerpende tram snijdt onbarmhartig door dit beeld van verlangen. Ze hijst zich op aan de tot op het koper afgesleten trapleuning die aan de deur is bevestigd. En zoals altijd ‘vergeet’ ze haar ticket in het aantikkertje te steken. Weer vier Kronen gespaard. Als de controleur komt, trekt ze per toeval haar jurk wat hoger op.

Maar hij komt niet.

Nooit meer?

Nooit meer. Het Praagse Bestuur van Buurtspoorwegen probeert de bij Siemens-Nixdorf aangekochte computers uit en ontslaat massaal zijn personeel.

Er zitten maar een paar reizigers op de donkerbruine, kunstleren banken. De gekende gezichten. De wanden van het tramstel zien eruit zoals de muren van de traphall thuis: ooit crèmekleurig, maar nu vaal door het aangekoekte vuil en als Kandinsky's doorkerfd met talloze zwarte strepen van erlangs schurende schoenen, tassen en paraplu's.

Helga kijkt voor de tienduizendste keer naar het groen van de randstad Stresovice dat als een dot schaamhaar boven de gebouwen van de Praagse bovenstad uitsteekt.

En voor de tienduizendste keer ziet ze hoe het stilaan vergruizelt tot het grijs en het grauw van de stadsgebouwen,

[p. 105]

waarvan er elke dag weer méér in de steigers staan.

In de drukke Kripotestraat wringt ze zich tussen de haastige Pragenaars en drentelende toeristen door. Toch is ze sneller dan de tram die nog tot op de hoek in dezelfde richting moet en als een luie reuzetor zijn weg lijkt te zoeken tussen het denderende verkeer van stinkende Skoda's en Duitse luxe-auto's. Roestig of blinkend staal bakt in de zon, terwijl mensen de schaduw van de hoge gevels opzoeken.

Helga slaat de verkeersvrije zijstraat in die op de Vitava dood loopt. Rechts op de pier staat het theatergebouw. Hier werkt ze, als dienster in het eraan verbonden tuinrestaurant. Hoe lang zou dit imposante gebouw hebben leeg gestaan? Nu heeft het Nationaal Marionettentheater er een stek gevonden.

Links staan er twee treurwilgen, op de rand van de stroom. Zelfs hier, midden in de stad, is de Vitava door harig groen afgeboord. Even tuurt ze naar de overkant, waar de okergele huisjes van Mala Strana staan te zinderen in de voormiddagzon.

Ze loopt de lage, koele passage onder het theatergebouw in. Door de openstaande deuren, onder de steunbogen bekijkt ze pas geschilderde decorstukken: de metaalkleurige commandeur Gonzalo trekt haar aandacht omdat hij overal bovenuit steekt. Wie die pop moet manipuleren, zal zijn werk hebben, denkt ze, terwijl ze nu al rugrillingen krijgt als ze denkt aan het moment dat die figuur in volle vuurwerk door de muren breekt en Don Giovanni op zijn verantwoordelijkheid zal wijzen: een leven van vertier, dat eindigt zonder plezier.

Ze houdt van de verfgeur die hier hangt en talmt een beetje.

Als ze verder loopt, versnelt ze haar pas bij de smalle deur van de kraaknette toiletten. Het duizelt haar als ze denkt aan de donkergrijze wandtegels en helwitte wastafels en deurtjes erachter. Een wc-oase in Praag. Een staaltje van Scandinavische hygiëne. Ginder gebouwd en als een kant-en-klaar pakket naar hier overgebracht.

Om naar het tuinrestaurant op het einde van de gang te gaan

[p. 106]

[advertentie]

[p. 107]

moet ze een vijftal treden omhoog en bukkend onder een lage deur door, meer een gat dat vroeger als kolensleuf moet hebben gediend. Na het grijs en de grafkoelte koestert ze zich in de kleurige warmte van het zonlicht.

De toeristen vinden hier - gelukkig - slechts aarzelend hun weg.

Jozev is er al.

Hij groet haar zonder haar aan te kijken. Zijn eeuwige glimlach lijkt op zijn ingevallen gezicht bevroren. Hij is bezig voorzichtig en uiterst traag pas afgewassen glazen van de tafel op het rek te zetten. Zijn fijne, bijna delicate handen strelen de voorwerpen, zo lijkt het. Teder respect voor dingen, als waren ze van Boheems Crystal.

Hoelang was dat nu geleden? - toch nog geen twee maanden, dacht ze - dat hij bevend gaten in de buitenmuur van het gebouw had geboord om rekken te bevestigen. ‘Zelfs de Russen hadden in 1969 het theatergebouw niet durven beschadigen,’ had hij weifelend opgeworpen vooraleer hij de boor in de monumentale zandsteen puntte, maar Helga had zich achter hem opgesteld en hem aangemoedigd door hem plagerig in zijn magere billen te knijpen terwijl de boor als door boter in de muur gleed.

Ze hadden de slappe lach gekregen waardoor de boor nog een scheve trek op de steen had achtergelaten, als een spoor van bloed na een ontmaagding. Waarna ze nog harder hadden gelachen, maar elkaar niet meer hadden aangekeken.

Waarom niet?

Moest er nog iets worden bewaard?

Maar Jozev had na die lachbui stil met die rare glimlach voor zich uitgekeken, de boormachine aan haar gegeven en zich op de toiletten, toen nog in aanbouw, teruggetrokken.

Helga had verder geboord, alsof ze voor haar leven vocht, de pluggen in de gaatjes gewurmd, de schroeven doorheen de gaatjes van de houders gedraaid en de planken erop gehaakt.

Toen Jozev terugkwam, was hij zonder iets te zeggen, maar nog steeds met die vreemde glimlach op zijn gelaat, aan de slag

[p. 108]

gegaan. Zonder morren had hij de gaten geboord om de spoeltafel te installeren en de zaak verder afgewerkt.

Helga kijkt toe hoe hij de glazen op de rekken plaatst. Ze neemt haar tijd en keert haar rug naar het groepje toeristen dat - nu al! - aan een tafeltje heeft plaats genomen. Het beste plaatsje, met zicht op de Karluv Most, dicht tegen de muur aan de kant van de Vitava, onder een eucalyptus die zijn dikke puntmutsen van bloemen in de zon koestert.

- Heb je die dikke Duitser gezien, Jozev? zegt ze, terwijl ze zich van het terras afkeert.

- Hoe weet je dat het een Duitser is?

Jozevs stem is laag en nasaal.

- Dat ruik ik.

Jozev zucht.

- De oorlog is al lang voorbij, Helga.

- Maar de bezetting nog niet.

Ondanks haar afkeer neuriet Helga nu, terwijl ze dromerig over de Vitava kijkt en voor het eerst ziet dat nu zelfs de Burcht in de steigers staat. Een groen zeil dekt bijna de helft van het gigantische, witte gebouw af. Hopelijk vindt Vaclav Havel in dat stulpje nog ergens een kamertje met uitzicht, denkt ze.

Jozev heeft zich ondertussen naar haar en dus naar het terras gekeerd. Ze ziet zijn mond bewegen.

- Wat zeg je?

- Je hebt gelijk. Die man mankeert enkel nog zijn Lederhosen.

- Wedden dat-ie bier bestelt?

- Zijn we dan al open?

Helga schudt haar hoofd.

- Ik ben hier nog niet klaar. Jij?

- De glazen staan nog niet allemaal op hun plaats.

- Wanneer open je de kassa, Helga?

- Verdorie Jozev. Ik heb vergeten wisselgeld te halen.

- Off you go!

- Ik ben zo terug.

Helga kijkt toch nog even naar de tafel waar de dikke man

[p. 109]

zit. Hij buigt voorover naar de vrouw in de witte jurk die tegenover hem zit. Ze is gebruind en slank en draagt een zonnebril, hoewel het licht, zéker hier onder de bomen, gebroken is.

Helga vermoedt dat dàt zijn vrouw niet is. De man is te oud en hij werpt te gretige blikken op haar. De dame lìnks van hem is waarschijnlijk zijn vrouw. Ze heeft haar handtas op haar brede schoot gelegd. Ze draagt een donkerblauwe rok onder een gebloemde blouse. Haar dikke haren zijn gekamd naar het model van een Duitse legerhelm. Zij kijkt stil voor zich uit en af en toe naar hen, halvelings de conversatie volgend en zeker niet geneigd om er zich mee te bemoeien. De man tegenover haar is blijkbaar wèl in het gesprek verdiept, hoewel hij zélf geen woord zegt.

Helga zou hen kunnen vragen wat ze willen drinken. Ja, dat kan nu wel. Haar schoenen kletteren over de straatklinkers van het pad tussen de tafels en leggen het gesprek van de Duitsers onmiddellijk lam. Vier paar ogen tasten haar lichaam af. Waar de tafels zelf staan, voelt ze de scherpe grindsteentjes aangenaam prikken tegen de dunne, versleten zolen.

Vier bier dus.

Jazeker.

Ze wandelt tergend traag naar Jozev en geeft de bestelling door.

Jozev noteert ze, en gaat rustig verder met glazen wassen.

- Ga nu maar eerst naar de bank, Helga.

- Goed.

Ze slentert de koele passage door. De zon schijnt nu vlak op de hoge zijgevel van het theatergebouw. Ze maakt gebruik van de treurwilgen om de stralen te ontwijken. Aan de overkant van de Vitava kan ze de elegante huizen achter de harige bomen zien.

Maar hier staan slechts deze twee treurwilgen en ze moét nu wel de desolate asfaltwoestijn in, tussen de hoge herenhuizen door, waartussen de helblauwe lucht als door een reusachtige

[p. 110]

verfborstel geschilderd lijkt. Ze klimt de heuvel op, naar het lommerrijke Karelsplein, waar het dichtstbijzijnde bankkantoor is gevestigd.

Ondanks haar lichte jurk voelt ze het zweet hardnekkig op haar lijf plakken.

De bankbediende bedient haar automatisch. Ze hoeft niets meer te zeggen. Hij ziet haar en hij weet het: zoveel geld en vergeet het voor de rest. Toch gunt ze hem een glimlach. De koelte onder de gewelven doet haar deugd.

Fluitend loopt ze de straten naar beneden en steekt de brede Kripote weer over. Er staan nu erg veel mensen aan de ingang van het theatergebouw. Haar vriend Zdenek heeft er een ticketverkoopstalletje. Het is net open. Helga probeert zich tussen de aanschuivende mensenrij door te wurmen en botst daarbij tegen een grote man die hevig gesticulerend de weg naar de passage verspert. Even keert hij zich bruusk om, maar gaat dan verder met agressief razen tegen Zdenek.

Hij spreekt gebrekkig Duits. Zijn hoofd is rood aangelopen en zweet parelt onder zijn neus en op zijn hoog voorhoofd. Hij bezweert Zdenek dat hij naar de opera wil en wél op déze avond. Zdenek probeert vruchteloos uit te leggen dat de voorstelling is uitverkocht. Hoe kan dat? roept de man, en hij is nog wel van het verre Holland naar deze stad afgezakt, speciaal om een opera te zien, en hij blijft enkel maar tot morgenochtend. Hij zwaait met een dik pak bankbriefjes dat Zdenek herhaaldelijk en beslist weigert aan te nemen.

- Knijp zijn ballen af, sist Helga Zdenek toe in het Tsjechisch en kijkt de man brutaal aan.

Zou ze het zélf doen?

- Zeg dat hij zijn rotgeld in zijn reet stopt!

Ze kent Zdenek. Ze weet hoe hij nu op zijn lippen moet bijten, hoe hij in homerisch gelach zou willen uitbarsten en heel zijn zootje, zijn kistje vol kleingeld, zijn reserveringsformulieren, zijn programma- en ticketboekjes in de gigantische smoel van deze zoveelste opdringerige toerist rammen.

- Scheer je weg, fluistert hij, met gespannen kaken, maar

[p. 111]

zijn ogen blinken. Helga loopt schaterlachend de onderaardse gang door naar het Tuinrestaurant, waar Jozev rustig als altijd van de bar naar de voorraadkamer sloft.

Onder de bomen geraken de tafeltjes stilaan volzet. Het lijkt wel een lusttuin vol onderuitgezakte wanstaltigheid, de dikke, witte billen in korte zomerjurken en shorts als heipalen tussen de sierlijke tafelpootjes geplant.

Maar ze zitten nog altijd op een droogje.

Ze kijkt nog nalachend naar Jozev en beweegt zijdelings haar hoofd in de richting van het terras.

- Hoe is het, doen we er iets aan?

Jozev haalt zijn schouders op.

- 't Is nog te vroeg, Helga.

- Okee. Als jij het zegt.

- Viviane is er nog niet. Met de broodjes. Stel dat ze daar vragen om iets te eten, dan moeten we twee keer de bestelling opnemen.

Ze knikt.

Gretig.

- Ja, ze moeten maar wachten.

Zijn stem klinkt koppig.

Zijn ogen staan harder de laatste tijd, hongerig ook, zelfs als hij glimlacht.

- Ja, ze moeten maar wachten.

Ze buigt zich aan de voorkant van de bar staand diep voorover naar de wastafel toe, alsof ze zò de nog resterende glazen wil afwassen.

Jozev gaat aan de andere kant van de bar staan en hoewel ze naar haar handen kijkt, weet ze dat hij nu naar haar haren kijkt, naar haar wit, sproetig gezicht, waarin hij haar groengrijze ogen weet alhoewel ze haar blik heeft neergeslagen, zodat ze nu samen kijken in haar openhangende decolleté, met de melkwitte kussentjes daarin. Een straaltje zweet droogt traag in het gleufje ertussen, de veraf gelegen poort tot haar paradijs.

Maar eerst moet het vee worden bediend.

Viviane stommelt de trappen op. Ze draagt een enorme korf

[p. 112]

en Jozev snelt haar te hulp. Hij lijkt lichtjes voorover gebogen te lopen. Helga grijnst als hij zich schuw van haar weg draait en snel Viviane van haar last verlost.

Viviane is mollig en het karwei heeft haar verhit. Er tekenen zich ringen van zweet onder haar oksels af. Ze draagt een lichtblauwe T-shirt. met een Kristuskop erop, en daaronder de slogan: Kill Your Idol.

Ze smakt het deksel van de korf open en begint boerend en blazend de sandwiches, in plastic verpakt, op de toonbank rechts van de bar te stapelen. Ze kijkt op, en laat haar ogen glijden naar Helga en Jozev die haar bewegingen hebben gevolgd en van daaruit naar de paar dozijn hongerige, en dorstige klanten. Ostentatief haalt ze haar neus op, veegt ze met de muis van haar hand uitgebreid af, en werkt verder.

Jozev en Helga kijken geamuseerd toe hoe ze met haar dikke handen oneerbiedig in de broodjes knijpt, haar neus bewerkt en weer in het brood knijpt. Even staat de tijd stil. Als Helga haar ogen bijna dicht doet, ziet ze een waas rond Viviane, de muur tussen terras en Vitava lijkt van karton en de boomblaadjes, de Burchtheuvel in de verte onder de blauwe hemel lijken een geschilderd decor.

Ze draait haar hoofd naar de restaurantgasten.

Het filmbeeld wordt scherp gesteld.

Jozev en Viviane zijn druk bezig: de glazen worden zorgvuldig op het rekje geplaatst, de flessen worden stuk voor stuk schoon geveegd, de bierbakken in de voorraadkamer netjes opgestapeld, eerst links, dan - ja, beter toch maar weer rechts. O ja Helga, de vloer moet nog maar eens worden geveegd en nog een keer? En nog eens.

De onrust aan de tafeltjes groeit, maar er moeten nog flessen worden ontkurkt en de tapkraan functioneert niet voor honderd procent. Jozev duikt weg onder de bar en frutselt aan het toevoersysteem. Helga gaat voor hen staan. Ze weet dat hij nu - laag gehurkt zoals hij daar zit - haar hoge benen kan zien en ze laat haar knieën traag en plagerig tegen elkaar glijden. Een hand glijdt traag langs de buitenkant van haar dijen onder haar jurk,

[p. 113]

en dan naar de binnenkant, eerst één vinger onder de rand van haar slipje, dan de hele hand. Helga drukt haar onderbuik naar voren, terwijl ze afwisselend naar Viviane kijkt die schaapachtig in een bierworstje bijt, en dan weer naar de mensen aan hun tafeltjes, ver weg in een waas.

Maar de beelden breken in haar ogen.

- Fraulein, bitte! schreeuwt er iemand.

Jozevs hand is stil nu. En dan glijdt ze van haar af.

Helga gaat opzij en Jozev kruipt onder de bar uit. Ze knikt naar de onrustige gasten. Maar het rekje zakt te fel door onder de last van flessen, ijsemmers en knabbelnootjes.

- Hier moet nog een stutje onder, Jozev.

...

- Jozev, heb je de koelkast wel laten draaien vannacht?

...

- Helga, vergeet de mat niet schoon te maken voor de bar.

...

- Viviane, denk je aan de uitjes voor de broodjes? Heb je ze nog niet gesnipperd?

...

- Ober! Ober! roept de dikke Duitser, Ich habe schon seit lange Zeit bestellt!

Zijn kreet brengt de mensen nu samen. Het koor moppert en gromt.

Maar daar is Jìri, de theaterrekwisiteur, een zestienjarig artistiek genie. Als een duivel uit een doosje duikt hij op uit het keldergat. Hij heeft een grote marionet onder zijn linkerarm, een stoffen pop met porseleinen hoofd. De dikke, rosse vlechten slingeren rond het bolronde, witte gezicht. De blauwe ogen, groot als eieren, staren dwaas en onbestemd. Jìri gooit zich bij de muur die het terras van de Vitava afboordt, op de grond, de paarse, gazen jurk van de pop tussen zijn blote, bleke benen, het hoofd achterover op zijn lies. Hij neemt verf en penseel, en begint traag de open mondholte van de pop, een weidse trechter, af te boorden met bloedrode verf, de lippen wellustig uitwer-

[p. 114]

kend, in harmonie met het in veelkleurig groen en rood en geel uitgevoerde vestje dat over de paarse jurk is getrokken.

In een oogwenk wordt hem het licht van de zon benomen door tientallen fotografen. Ze hebben vanop hun stoeltjes ademloos zijn bewegingen gevolgd: hoe hij achteloos de pop als een kip onder zijn armen hield, hoe hij daarbij de paarse jurk tegen zijn naakte, kortgebroekte benen liet glijden. Ze observeerden zijn nonchalante houding tegen de muur, maar ook zijn geconcentreerde blik toen hij met de tong tussen zijn lippen, met zijn vrije hand zijn lange, zwarte haren die hem voor de ogen gleden, achterover vegend, aan zijn decoratief werk begon.

Jìri kijkt niet eens op, maar werkt naarstig verder, en kan slechts door de benen van de fotografen heen zien wat niemand van hen ziet: Jozev en Helga: zij voorover gebogen liggend op het blad, hij staat achter haar, kaarsrecht. Hij heeft haar jurk hoog opgeschort en laat zijn handen over de binnen- en buitenkant van haar billen glijden.

[p. 115]

Jìri concentreert zich op de pop. Op haar open mond met het kleine besproete wipneusje daarboven en die grote kinderogen daar nog boven. De zonnestralen vallen plots weer op hem. De aandacht van de gasten heeft zich verplaatst.

Jozev heeft Helga eerbiedig voor zich op het koele, stenen pad gelegd. Hij is helemaal naakt en zij trekt haar zwarte jurk op tot tegen haar hals en klemt haar slipje als een dood vogeltje in de palm van haar hand.

Jozev glijdt op haar en dan in haar. Als hij even kantelt ziet Helga de open gesperde ogen boven haar, de schuimende, vloekende lippen, maar door de ruk in en op haar hoort ze niets. Ze fluistert Jozev in nog dieper in haar te komen, en trekt tegelijkertijd haar bekken wijd open, terwijl ze zijn achterste ranselt met de scherpe ijzertjes van haar hakschoenen. Ze ziet dat zelfs Viviane nu met haar onderbuik tegen de rand van de broodjestafel schurkt, terwijl ze hele stukken Duitse salami in haar mond propt.

Ze ziet geen schuifelende schoenen meer, geen hevig benenwerk, geen schuimende tronies: iedereen is weg, behalve Jìri ginder ver, die de marionet op haar buik heeft gedraaid en het poppenhoofd in zijn geopende gulp op en neer laat gaan. De paarse voile van de jurk stroomt tussen zijn benen weg.

Ze voelt nu Jozevs lichaam schokken boven haar en schatert het uit, en dan lacht Jozev, en dan Viviane, hoogrood, de tranen stromen uit haar ogen en ook Jìri ligt nu met zijn bleek hoofd in een kramplach achterover.

- Je zult moeten wachten, Commandeur Gonzalo, duizend lentes lang! schreeuwt Helga en boort haar vingernagels in Jozevs billen.

Als om ze nooit nog los te laten.

terug  begin  verder