terug  begin  verder
[p. 86]

Bart Bulteel
Een weekend uit het leven van Narciscus

Voor Katleen

‘Wij spreken over onszelf als een blinde over kleuren’
Paul De Wispelaere
‘Alle motieven zijn oorzaken, en alle oorzakelijkheid brengt noodzakelijkheid met zich mee.’
Arthur Schopenhauer
‘Hoe hard het lot met kwelling ons mag slaan.
Wees stil, ge maakt het erger, laat begaan.
Wie duwt de golven van de zee terug?
De poging zelf doet weer een nieuwe golf ontstaan.’
J.H. Leopold

1.

De voorbije vrijdagnamiddag is bij hem het idee gegroeid om een verhaal te gaan schrijven. Een positief verhaal. Maria Magdalene, een ongeloofelijk positief verhaal! Zo'n verhaal waar kop noch staart aan te vinden valt.

Een eerste probleem bij het opkomen van een dergelijk idee, is natuurlijk de vraag of een mens wel in staat is om van woorden zinnen te maken die zoniet mooi zijn, dan toch klinken of op z'n minst iets te betekenen hebben. Bovenal in staat zijnde een ander mens de kloten van het lijf te rukken, daartoe is de mens in staat, maar verder... Ja, verder... I don't know. Who cares?

[p. 87]

Een ander obstakel is de onweerstaanbare drang luiheid boven alle andere genoegens in het leven te prefereren. Die waanzinnige leegheid van de luiheid, het niet in staat zijn te gaan zitten en een blad papier vol te krabbelen, uit angst vooral, uit nagenoeg de vrees niet één woord te vinden dat de muur doorbreken kan. Jaja, die luiheid koester ikzelve van harte, zo lief is me die luiheid dat zelfs de dringende behoefte om te kakken wordt verdrongen en vervangen door nogmaals de glazen te vullen met sprankelende edele drank, een Pomerol van '76 of zoiets. Een waarlijk groot obstakel is die luiheid!

Prachtig is dat, op de pot een sigaret uitzuigen, en denken aan het schrijven van een verhaal. Waren er niet die verdomde problemen van alledag, zoals schijten of wijn drinken met vriendinnen, of verliefd zijn op de vriendinnen waarmee ik wijn drink.

Maar ik nam mij gedurende deze namiddag voor, niet over de liefde te schrijven. Allemachtig neen, niet over de liefde! Daar zijn zoveel boeken als je maar wil over de liefde. Je gaat een bibliotheek binnen, betaalt 200 frank aan één of andere aquariumdame achter het loket en je kan één jaar lang boeken lezen over de liefde.

Ik wilde ook niets gaan schrijven betreffende, neem nu bijvoorbeeld, de dood. Daar wordt een mens zo triest van, als je schrijft over de dood. Niet over de dood dus. Niet over verlies of afscheid of tranen. Een positief verhaal, weet je wel, had ik me voorgenomen en dat zou ik volbrengen. Doch Hemel In Den Hoge, heeft u reeds ooit een positief verhaal gelezen? Ik bedoel, zo'n verhaal waar je, na lezing, er bijna euforisch van door het leven wandelt. Een verhaal waarbij je schaterlachend denkt; het leven heeft zin en ik ZAL leven! U moet mij es zo'n verhaal tonen mocht u desalniettemin de witte raaf tussen de miljoenen zwarte schapen gevonden hebben, om het zo maar es te formuleren.

Kijk, ik zeg altijd, een mens die wil schrijven, kan alleen schrijven over datgene wat hij rondom zich ziet gebeuren.

[p. 88]

Bijvoorbeeld -om zo maar eens een voorbeeld te noemen- de horden mensen die 's avonds in hun zetel de beroemde Bekende Vlamingen aangapen, welke door de Grote Vlaamse Ontspanningszender in beeld worden gebracht. Dat zie je zo rondom je gebeuren, wanneer je des avonds de straat door wandelt in de blauwachtige schijn die uit de huizen schittert. Dan hoor je ook applaus en welke prijzen mensen hebben gewonnen. Heel boeiend, die prijzen, om zo over naar huis te schrijven. Neem nu een gloednieuwe wagen met open dak of een eikenhouten keuken. Boeiend toch! Ach, mocht ik eens een verhaal gaan schrijven over auto's. Of een boek over het smoelwerk van M. Verdrengh. Een pukkelbestudering, een analyse van knipoog-neurotische gedragingen, brilafstotelijk bijziende pupilogie, kunstmatige lachperversie en weet ik veel. Prijzen dat je met zoiets zou winnen! Man, man! Doch eigenlijk kunnen auto's mij gestolen worden en het smoelwerk van Verdrengh evenzo. Eigenlijk kan mij dit alles geen kloot bommen. Een kloot die bomt is pijnlijk. Meestal betreft het hier een soort honymoonitis bij de man. In een meer wetenschappelijke versie betekent ‘geen kloot bommen’ eigenlijk ‘geen reet schelen’.

 

Als Maya en ik allen zijn, zo heb ik het goede voornemen, dan zal ik de koe bij de uiers vatten, dan zal ik achter het scherm van de computer mijn gezicht verbergen en doen alsof ik prachtige zinnen voor haar in elkaar flans. Als ze zal vragen ‘gaat het schat?’, zal ik beleefd antwoorden ‘schitterend, mijn Honnietje, mijn modellerende Engel. Uitstekend!’ zoude ik zeggen. ‘Morgen schrijf ik een prachtig wedstrijd-verhaal. Je zal zien.’

Maar hij diende eveneens de koe bij de uiers te vatten, als hij en Maya alleen zouden zijn, en inderdaad, enkele minuten later, toen Eva en Tite nog niet geheel de voet van de heuvel hadden bereikt, bereed hij haar als een woeste Neanderthaler.

[p. 89]

2.

Neen, waar het hem om gaat, is het wakker worden, zo om elf uur 's morgens. Zo een ochtend waarbij je denkt, mocht ik pissen tegen een boom en dan die boom in mijn broek steken in plaats van wat anders, wel dan zou dit gelijken op hetgeen dezenmale zich onder de lakens bevindt. Een boom, moet ik toegeven. Wat wil je, liggend wakker worden naast een mens die gisteren nog zienderogend verliefder en verliefder werd, die mijn woorden in zich opnam, als waren het de meest fundamentele vitaminen dat een lichaam nodig had.

 

Titel in de krant: ‘Winst van extreem-rechts schokt Duitsland’. Die klootzak van een oud Waffen SS'er, die godvergeten vierkantswortel van een Franz Schönhuber, mocht ik uwe tanden kunnen zien liggen naast die van Mengele, ik zoude een tevreden man zijn deze morgen. Maar neen, ik heb mij voorgenomen een verhaal te schrijven, ezel die ik ben en daarvoor, voor het schrijven van zo'n kloteverhaal, daarvoor ben ik nu, op dit moment, geheel en al te lui. Een verhaal waarover dan nog wel? Misschien over die grijpers in lunaparken. Je kan er negerpopjes grijpen voor tien frank; zwart kroeshaar, idiote gelaatsuitdrukking, uitgestoken tong en met een etiket om de nek met het opschrift: ‘je suis nikker’.

Ik vouw de krant dicht en gooi ze naar de kop van de hond Pachka die niet begrijpt wat haar overkomt. Ik haal de Grote Winkler Prins Wereldatlas en duid met een kalme vastberadenheid op de wereldkaart een mogelijke vluchtroute aan. Peru of Mexico? We zien nog wel.

 

Hij moet iets zeggen. Dat voel je zo aan. Het moment dat van je verwacht wordt dat je iets gaat zeggen. Iets in de trand van ‘ik hou van je’ of ‘wat ben je mooi’, maar als er deze morgen iets is waar hij nu net geen zin in heeft, dan is het wel te spreken. Doch hij lost dan maar de wijselijke woorden:

[p. 90]

‘Lieve Maya, als ik van iemand hou, dan ben jij het, maar als ik van niemand hou, dan ben jij het niet.’

Ja, wat zeggen mensen zoal niet in de vroege ochtend nadat zij hun krant hebben gelezen? Dat de morgenstond stront in de mond heeft of dat Karel Dillen eigenlijk Stalin of Saddam Hoessein is en ons allemaal liefst zou vergassen of martelen of ons opzadelen met een heks van een wijf als die dochter van hem, ook al een Dillen. Zoiets zou een mens dan kunnen zeggen. Maar hij zegt wat anders, want met Maya 's morgens trachten een discussie aan te gaan, is zo dom als een kat leren te zwemmen.

 

Een verhaal jandorie. Over auto's allicht! Er valt mij niets anders te binnen. Ja, een auto heeft bijvoorbeeld vier wielen met banden daarop. Dat is nu iets waar een mens nooit eerder bij heeft stilgestaan en waar ik persoonlijk mijzelve nooit eerder op heb gelet. Een mens kan niet alles weten. Ik zal mijn volk leren... leren weet ik veel. In 3500 woorden kan ik niet eens het hele Chinese alfabet nederschrijven. Wat een droeve dagen me god!

 

We voelen ons verschrikkelijk smerig wanneer wij, in het gezelschap van ene Ninja of zelfs ene Maya, met de gedachten bij enig ander wicht zijn, ergens verweg gestockeerd, doch nooit verdwenen. Zoals gedachten gaande naar die zwartharige freule op haar zolderkamertje in Brugge, toendertijd. Libië werd die dag bestookt door Amerikaanse bommenwerpers, waarbij een pleegdochtertje van Moammar de reis naar Allah begon. Wel, in het gezelschap zijnde heden-ten-dage, reeds volwassen, van Maya, zo tijdens een zaterdagnamiddag in de loop van een jaar (jaren lopen maar en lopen maar, dat je er geen vat meer op hebt), haar geur opsnuivend en vol hunkering smekend om haar stevig lichaam, denken wij aan de geur van een ander heel mooi meisje met een hele mooie naam, die ik helaas vergeten ben, die in Brugge vertoefde op een schimmelende zolderka-

[p. 91]

mer. Maar het meisje neukte naar mijn mening met teveel jongens ineens en daar ik niet hou van mooie meisjes die met teveel jongens ineens neuken, heb ik, toen het mijn beurt was, mooi afgehaakt. Jaren later heb ik haar in de bioscoop voor het eerst weergezien en ze had dezelfde geur als toen ze op het zolderkamertje verbleef en ze was nog even mooi als toen en haar naam, die ik helaas vergeten ben, klonk nog evenzo mooi en wellicht.... Nu woont zij in Spanje, naar ik verneem. Nu bruint ze in de Granadiaanse zon tot ze huidkanker krijgt en begint te stinken, er lelijk uitziet en die ik niet eens zal kunnen schrijven, laat staan helpen, aangezien ik haar naam helaas vergeten ben. Of misschien was er niet eens een Brugge of een meisje op zolderkamer. Misschien droom ik dat maar.

 

Dat van Kaddafi weet ik wel nog, want ik was ten gronde gezakt voor mijn examens en dat was bovenal de schuld van die smerige Amerikanen met hun Rambo Ronald. Maar nu, wat zal ik voor eeuwig op het papier toevertrouwen? Een betoging in Brussel met meer dan 100.000 deelnemers ter bevordering van de verdraagzaamheid. Ik moet ergens, op één of andere manier, de link leggen tussen tijdgeest en dagdagelijkse bezigheden. Met af en toe een mopje tussendoor, troost ik mezelf. Ouwe moppen bijvoorbeeld, voor eeuwig vast te leggen. Zo een mop als: ‘waarom heb ik geen borsten?’

Antwoord: ‘Ik zou nooit van ze kunnen afblijven’.

Zie mij al betogen, wrijvend aan mijn borsten en draaiend aan de linker- of rechtertepel of aan beide. De tijdgeest, daar gaat het 'm om. Toen ik over het postmodernisme wou gaan schrijven, toen werd het postmodernisme vervangen door post-postmodernisme en dus had ik pagina's vol dingen over wat al voorbij is en in Den Hoge, ik wil niet schrijven over dingen die voorbij zijn, maar over organische dingen die groeien, die nu bestaan en die zullen blijven bestaan. Deze zoektocht naar zekerheid eindigt slechts bij de eeuwige twij-

[p. 92]

[advertentie]

[p. 93]

fel en des te meer vragen, ideeën en gedachten, des te meer twijfel. Tijdens zo'n periode van diepe ontroering en intrieste twijfel aan mezelf, vraag ik aan alle mensen die ik ontmoet, zo vlakaf in hun gezicht: ‘wat is de huidige tijdgeest?’ Meestal horen mijn slachtoffers het inderdaad donderen in Bagdad (tv, VTM, een hotel, vuurwerk boven Bagdad-stad).

‘Ja,’ zeg ik altijd. ‘Een verhaal schrijven staat of valt met kennis ter zake betreffende de vroegere bestaande en de huidige zijnde tijdsgeest’.

Iemand antwoordde dat zij alleen de heilige geest kende, maar die vrouw -jaar of 60, bruin-grijs haar, kutmadam uit bourgeois-milieu enzomeer-, hoorde ik later, was dezelfde vrouw die een prijs -een eikenhouten keuken, denk ik- had gewonnen in één of ander Ontspanningsspelletjesprogramma op de Grote Vlaamse Ontspanningszender, de dag dat ik in het blauwachtig licht liep in de straat, niet ver van mijn hol vandaan.

Ik zeg: ‘aha mevrouw, een geile geest! Nymfomanie dus. Dan ken ik een goede psychiater voor je. Wacht, ik bel hem even.’

Neen, ik was niet boos. Eerder woedend was ik. Niet dat ik wat tegen een vrouwmens zou hebben, verre van, hoe dichter ertegen, hoe liever. Neen, woede uit machteloosheid, begrijp je. Ik vroeg verder of de vrouw kon lezen en ze werd boos.

Ik zeg: ‘mevrouw, ze zouden u moeten ophangen met uw benen in de lucht, zoals Mussolini, en je op je kont schoppen tot bloedens toe.’ Zo erg ben ik domheid gaan haten, dat ik simpele vrouwmensen ‘en publique’ in een verbale ruzie begin uit te schelden. Ik liet haar niet eens de tijd om weder te praten of te roepen.

‘Wat is de huidige tijdgeest?’ snauw ik haar toe. Daarbij hou ik met geklemde handen haar polsen vast en ik rammel haar door elkaar. Haar ogen gulpen van boven naar onder, op het ritme van mijn stevige armen.

[p. 94]

‘Euh! Euh!’ kraamt ze uit. ‘Wilfried Martens!’ roept ze en miljaar, met dit toverwoord overvalt mij een rust, een gelatenheid. Ik laat de angstige vrouw -ze heeft in haar broek geplast. Ik zie het, want in de richting waar de vrouw verdwijnt, volgt een nat spoor, de horizon tegemoet- met rust. Ik laat haar gillend vluchten en bedenk; natuurlijk: Mobutu, Martens, Thatcher, Reagan, Dewinter, Degrelle, Hilter... The Missing Link is founded.

Innig triest neem ik plaats achter mijn schrijftafel en bedenk dat alleen het woord mij redden kan. Ik spreek mezelf moed in met de woorden: ‘ooit schrijf ik een groots optimistisch verhaal voor de mensheid en daarna wil ik nooit meer wakker worden.’

3.

Wakker worden omdat mensen je voordeur inbeuken, is erg onaangenaam. Wakker worden is sowieso onaangenaam. Dus vloek ik deftig en met een ruk trek ik de deur uit haar voegen en zeg: ‘pardon?’

Twee heren, door Jehovah gezonden, willen mij kennis laten maken met een zekere god. Zij willen getuigen van zijn boodschap. Nog woedend door hun vermetele onaangekondigde bezoek, zeg ik: ‘boodschap? Hier zie, boodschap’ en ik ren naar de plaats waar de honden Pachka en Sappho puddingen van stronten nederdroppen, neem met mijn hand zo'n boodschap op en richt mij weder tot de Vikingen van god. Tot mijn verbazing blijven zij duizelingwekkend kalm, zodat ik even uit mijn lood geslagen ben -ervaring doet het 'm. Hoeveel deuren verpletterden niet reeds het smoelwerk van deze dapperen (een dikke neus dat die ene had, die met het gestreepte pak en metalen bril), niet bang de naakte waarheid onder ogen te zien?- en ik hen tenslotte vraag: ‘wat is dat hier op mijn hand?’. Ik schotel hen de rekening voor onder hun neus.

[p. 95]

Ze kijken elkaar aan en antwoorden tegelijk: ‘Filip Dewinter!’

‘Yo de mannen! Kom er maar in. Ik zet vlug koffie en dan gaan we gezellig wat praten.’

Omdat zij de strontzakken van gewone mensen weten te onderscheiden, bedien ik deze dienstboden der goden nederig, aanhoor hun verhalen waar ik niets van begrijp, of liever, die me zo onwaarschijnlijk lijken dat mijn gedachten direct afdwalen naar Maya's lichaam, naar haar woorden, naar haar adem.

‘Hoe kan iemand nu iets niet willen dat hij wilt?’ vraagt ze hem fluisterend. Hij kijkt haar aan, weet niet wat antwoorden. Hij staart als naar een onbereikbare Engel en het enige wat hij kan uitbrengen is ‘ik heb je lief’.

‘Hoe kan je iets niet willen dat je wilt’ is zo een zin die me niet loslaat, die gebakken in mijn hersenen, herinnert aan een verre kindertijd, waar alles mooi was en toch niet te begrijpen.

‘Meneer, god zal u redden,’ zegt de metaalconstructie tegen me.

‘Pardon?’

‘Wel, wij zijn allen voor god...’

Ik vraag hen beleefd mijn woning te verlaten, omdat ik op een heilige rustdag werkelijk wil rusten en omdat ik over vijf minuten een afspraak heb (gelogen natuurlijk).

Aan de deur krijg ik twee boeken in mijn armen gedrukt. Ik bedank en ga weer binnen (allemaal ervaring, dat liegen. Hoe langer je leeft, hou meer leugen en privacy hand in hand gaan. Daar heb je geen 100.000 betogers voor nodig).

Hij houdt haar knie vast, zegt een zin -of was het een woord, maar dat is hij vergeten- en laat haar knie weer los. Zij zit op zijn schrijftafel, met opgetrokken benen, half gespreid. Zij zegt dat ze zichzelf niet eens kent, niet weet wat ze wil, dat alles haar onverschillig laat. Hij zou haar kunnen helpen, een theorie op de mouw spelden (zoals die Vikingen

[p. 96]

van daarnet) over de zinvolheid van het bestaan. Hij zou haar kunnen troosten, haar tegen zich aan drukken, in haar oortje gieten dat het feit dat zij in zijn aanwezigheid vertoeft, al zò zinvol is, omdat hij dan kan blijven voortbestaan, omdat hij zich dan niet eens voor een trein hoeft te werpen en geen gif dient in te nemen. Hij zou dit alles kunnen zeggen en haar zachtjes in de slaapkamer dwingen en nederduwen en strelen gaan, woorden lozen om te zeggen dat ze mooi en prachtig is en hij zou van die eeuwigheidsbeloften kunnen doen etcetera. Maar neen, het enige wat hij doet is kijken, staren en bewonderen, tot ze onrustig slaapt. Hij breekt niet één schelp. Hij vervuilt niet één vierkante millimeter huid. Dan geeft hij haar misschien wel de laatste zoen en legt zich te slapen, misschien wel voor de laatste keer en dan denkt hij, het was een mooie laatste dag, en vervolgens trotseert hij de aanvallende dromen, in angst, in vreugde en in geborgenheid. Wellicht voor de laatste keer.

Ik vind, er wordt te weinig over god geschreven, hedenten-dage, zo weinig zelfs dat verkopers aan de deur met god gaan rondzeulen. Vandaar dat tijdens een weekend in het leven van Narciscus de priemende gedachte zich opdringt om een uniek verhaal over god te gaan schrijven. Een groots optimistisch verhaal in het teken van god. Zo bijvoorbeeld hoe god 's morgens opstaat, zich scheert en lekker nog es Gaia tot de zijne neemt.

Toen ik als puber nog geilde op mijn schoonzus die van het Antwerpse afkomstig was, toen kwam dat vooral dankzij haar mooie uitspraak. Een vrouw die waarlijk een mooi soort Nederlands uitkreet -ooo! ooo! schat! etcetera-, dat is voor een Westvlaming zowat datgene wat kaviaar voor een doodgewone Cambodjaan of Ethiopiër is.

Toegegeven, Maya spreekt goddelijk Nederlands. De ‘h’ en de ‘g’ zijn altijd correct uitgesproken. Vooral als ze op zondag in alle ernst me zegt: ‘Me god, Narciscus, wat Hou ik van je!’ Wel, diezelfde avond, net als gisterenavond, nummerde hij waarlijk haar benen. Om ze zodoende beter uit

[p. 97]

elkaar te kunnen houden, begrijp je. Ik zweer het u, nummeren van benen is zowaar het grootste talent waarmede Narciscus begiftigd is.

4.

Taal is vals. Taal is het instrument van de leugen. De waarheid is niets anders dan de stilte. Met de waarheid alleen valt niet te leven. Daarom meent hij dat de werkelijkheid in het schrijven en in zijn woorden pervers en vulgair moet zijn, zodat het waar is en zodat geschreven kan worden zoals het alleen te begrijpen valt.

 

De vooravond van een nieuwe werkweek is wat de dag vòòr ‘Goede Vrijdag’ voor Christus was.

Ik voel de ledematen van Maya in alle zuiverheid; haar lenden, het schokbrekend golven van haar keurig gevormde heupen, het meesleurende gewelf van haar zachte rug en de schokkende dijen die me opvangen en terugslaan. Je herkent de dingen alsof ze nooit zijn weggeweest, hoewel verandering inherent is aan afwezigheid. Als pollen in de wind worden we met de hartstocht meegesleurd. Zij is een deken die me wil beschermen tegen het kervend groeven van sporen die niet vervagen en die, als de tatoeage van een Joodse vrouw uit Auschwitz, nooit verdwijnen. En zelfs al verdwijnen de littekens, de beelden blijven, maar ook al blijven de beelden, de wijsheid overwint.

Ik denk, ocharme, laat ik het schrijven van een groots optimistisch verhaal aan een ander over. Laat de geroepenen opstaan en laat hen woorden vinden die klinken, mooi zijn en/of iets willen verduidelijken. Maar laat ikzelve, geheel alleen met Maya, met rust, voor altijd, voor eeuwig. Laat de wereld die mèt mij is, van mij zijn en wanneer ik sterf, sterft alles mee met mij en wanneer ik verdwijn, zal alles en allen met mij mee verdwijnen. De waarheid die de leugen is.

Verleden! Op een dag in Parijs tripte hij met zijn ego in

[p. 98]

een park, zo 's morgensvroeg, toen plotseling een eend, uit de lucht, in het water dook en hij dacht; het wordt lente!

Zo om de vier weken overvalt hem onverwacht een optimistische gedachte. Dat doet deugd. Het zou een mens overeind kunnen houden, mocht hij tenminste geen kranten lezen.

En toen het trippen voorbij was, liet hij z'n ego achter zich, door straten dolend op zoek naar zijn ega, een zekere Maya, een keischone godin die soms in het hotel zijn tenen kittelt en aardig wat afweet van architectuur -en die studente is in Gent en waar Narciscus zo innig veel van houdt, zoveel zelfs dat hij het haar zegt, tijdens het ontbijt, doch eigenlijk zijn woorden op tijd inslikt, omdat hij geen woorden vindt-.

Hij sloeg ongure steegjes in tot hij plotseling aan de Sacré Coeur halt hield en bad tot god: ‘laat mij alstublieft dat verdomde hotel terugvinden!’ Hij heeft het ook teruggevonden, een dag of wat later, en een huilende Maya heeft hij

[p. 99]

gevonden en de herinnering aan het Parijs van toen heeft hij teruggevonden, een zondag op het terras van hun woonst. Wat een mens allemaal niet vinden kan, behalve de juiste woorden waar hij op hoopt.

Hij ziet de stad in de verte. Hij hoort auto's op de autosnelweg razen. Shit ja, denkt hij, nu moet ik iets vertellen over dat Sodom daar beneden. Als er in Vlaanderen één smeriger en zeikeriger kutstad is dan Kortrijk, dan treedt hij in een klooster -het boeddhisme ligt Narciscus nauw aan het hart-, maar hij weet, hij beseft, dat zijn leefwereld zich situeert in een afschuwelijke verschrikkelijke, met domheid versierde, provinciestad. Een parochiaal oord van verderf.

Hij, Narciscus, woont op de heuvel. Op die heuvel bevindt zich het hol en in het hol schrijft Narciscus soms en als hij niet schrijft, dan doet hij iets anders, zoals slapen, eten, schijten, vogelen, wijn drinken enzomeer.

Zeker een rotstad, dat Kortrijk, een droge woestenij, veel droger dan de woestijn van Kaddafi (die bevat tenminste hier en daar wat olie). De bevolking daar beneden lijdt wellicht aan hersenarmoede en veelal zijn diegenen die toch van nature enige herseninhoud hebben meegekregen, de streek reeds lang ontvlucht, richting Gent, Antwerpen en Brussel.

Wat rest zijn duizenden zombies in auto's -god, ik moet een autoverhaal schrijven- en hier en daar een eenzame Narciscus, meer niet.

 

Narciscus weet niet of nog boekverbrandingen plaatsvinden in Kortrijk, maar verder is daar sinds 1302 weinig of niets veranderd, behalve dan dat er meer Franse burgers in de stad vertoeven dan toen en dat deze zich nu niet meer te paard, maar met auto's van het merk Renault, Citroën en Lada verplaatsen. Verder zijn de Kortrijkenaren cultuurbarbaren gebleven en bovenal blinden voor de essentie van het leven. Zij zoeken zekerheid in beton, ijzer, geld en macht en hoe meer zij houvast zoeken in de materie, hoe stuurlozer hun geest wordt, tot zij eindigen in een hel van pervers ge-

[p. 100]

drag of zij dolen rond in hun eikenhouten keuken of ze sterven in hun pas aangekochte Amerikaanse slee.

‘Leven er meer bomen dan mensen op aarde?’ vraag je.

‘Meer bomen,’ vermoed ik.

‘Ja.’

‘De aarde zonder bomen is niet levensvatbaar?’ vraag je.

‘Neen,’ zeg ik. ‘Zonder mensen zou onze aardkloot mooier zijn dan Venus of Neptunus, maar nooit, lieve Maya, nooit zò mooi als jij!’

Of je nu in drank, decadentie en drift je heil zoekt of in humanisme, heelheid en heiligheid, de eenzaamheid blijft; het besef in elke levensfase als pion deel uit te maken van de toereikende grond van het toeval, als jojo heen en weer geslingerd te worden door het fundamenteel lot geheel alleen te staan, op elke plaats, op elk ogenblik en in elke vorm van samen leven, dan rest ons louter nog de ambivalente en enige zekerheid dat alles in het alleen-zijn voortdurend verandert.

Eén lot is mij beschoren, te schrijven. Eén verzet rest mij nog, te schrijven. Eén vrouw bemin ik nog, zij. Wat in duivelsnaam kan deze marginaliteit mij bijbrengen, behalve het gelukzalig wentelen in de eigen bedorvenheid? Kruisvaarder tegen de oppervlakkigheid of kluizenaar met de minderheid? Als je elke dag water in de wijn moet doen, wat voor water-rotzooi rest dan nog?

De velden staan naakt, gelijk de wilgen, in het avondlicht. De honden blaffen als vreemden voorbijtrekken aan mijn hol. De wolken kabbelen weg naar het oosten. Ik praat met enkele eksters over de mens-domheid dezer dagen en zij lachen. Als Galliërs onder elkaar maken wij van een gewone avond een Bourgondisch feest; wij dansen op de weide - eksters, honden, eenden, egels, wilgen, berken, krokussen, uilen, kikkers, mussen, kippen, larven- op het ritme van de wind, de regen, de zon en de aarde. Zalig, stil en waar.

terug  begin  verder