terug  begin  verder
[p. 16]

Koen Stassijns
Hedmark



illustratie

Landschappen

1.
 
Een landschap is wat landschappen zijn
 
in een oogwenk. Voorbij. Voetstappen
 
van licht en schaduw, van alles wat
 
daartussen ligt de uiterlijke schijn
 
 
 
van de verbeelding. Neem een potlood
 
en kleur maar naar eigen vermogen.
 
Het is echter achter de ogen
 
dat een landschap begint te leven
 
 
 
als in de buik van een vrouw een vrucht
 
aan een tak, kleinwild in struikgewas,
 
die ontroering dat jij er bij was
 
 
 
toen woorden vreemd gingen in een gedicht.
 
Ook daar is een landschap veel meer dan
 
wat dagdromen op het eerste gezicht.
[p. 17]
2.
 
Ik kijk. Naar een landschap. Het beweegt.
 
Is het een vlieg die op mijn oogleden trilt,
 
de wind die knopen maakt, een boom die
 
met het werkwoord staan de vloer aanveegt.
 
 
 
Ik kijk, weet niet hoe ver dit beeld van mij
 
verwijderd is, waar het verbeelding wordt en licht
 
tussen het kroos op een vijver oeverloos likt
 
aan de koele buik van het voortvarende water.
 
 
 
Ik kijk, val op mezelf terug, weet al zo lang
 
dat wij kortzichtig zijn: één ogenblik jij
 
één oogopslag ik en van het verblindende wij
 
 
 
de kruimelende uren. Je liet me én dwangsom
 
én huis. Een muur viel, opnieuw uit verveling.
 
Wij kijken maar kijken naar elkaar niet meer om.
[p. 18]
Ets
 
Tussen woudgrens en water een zee
 
van purperen regen, veel bloemen.
 
In een blokhut vlakbij rookt een schoorsteen
 
pijp, voegt een vreemde soort vrede toe en
 
 
 
verdwijnt. Schoorvoetend een visser
 
ook. Wij zuigen elkaar aan
 
de aarde vast. Stilte heerst waardig
 
als in kathedralen een glasraam
 
 
 
schitterend haar oog. Wij doen het meteen,
 
voorzichtig, binnensmonds - landschappen
 
willen soms plechtig ontwaken - en happen
 
 
 
naar meer. In schoonschrift van nagels
 
etst zij de jaren op mijn rug, een huis
 
en een kind. Het brandmerk van samen.
[p. 19]
Berg
 
Boven de boomgrens niets dan rendiermos,
 
stille vervreemding van geel en wit,
 
pauselijk haast, voorbode van sneeuw
 
en verval. Onder de voet van het bos
 
 
 
rennen dieren dieren na. Hier niet.
 
Een berg kent zijn grenzen, hij leeft aan
 
de top, weet waar wreedheid begint en gaat
 
moeiteloos om met de dood. Wij niet.
 
 
 
Schaduw ontstaat hier bij toeval van
 
een wandelaar, een dier. Wij klampen
 
ons aan schaduwen vast, bij gebrek aan
 
 
 
bewijs voor dit vlakke bestaan.
 
Een berg staat daar boven, voldaan.
 
Gek die witgele pruik op zijn kop.
[p. 20]
Hedmark
 
Vreemd land van hars en hersenschimmen.
 
Pijnbomen staan met naaldhakken in
 
de hoed van de hemel te prikken,
 
hoogmoed, vertikale verveling.
 
 
 
Bergen verbergen verdriet in hun
 
koppen van hout, vuistslag, graniet, door
 
geen mens met een mens vergeleken.
 
Maar tussen hun tanden een eenmanskoor,
 
 
 
taal is een weldoende leugen.
 
Midden het woud staan berken treurwilg
 
te zijn, lenen hun takken gewillig
 
 
 
aan wurgkoorden reikhalzend uit. Ik was
 
hier, bij gebrek aan een betere huid.
 
Waar zijn de witte clowns van de winter?
[p. 21]
Hars
 
Zie je die boom daar die man al jaren staan
 
ze elkaar in de weg en vragen zich af hoe-
 
lang een landschap zo kan duren, rug aan
 
rug. Angst druppelt dan uit hun ogen, rolt
 
 
 
als een rups naar de aarde terug en wordt
 
hars. Ze steken geen vinger uit naar elkaar,
 
blijven weerbarstig en stom. Jij niet, je praat
 
honderduit en gaat lichtvoetiger om
 
 
 
met de dood die altijd een hand langer is
 
dan mijn streling. Hij raakt je niet, je verwijt
 
me dat ik te kort schiet, me aldoor vergis
 
 
 
wanneer ik beweer niets blijft overeind. Zie je
 
die man daar die boom, ze komen elkaar
 
in barnsteen tegen, onder de aarde. Misschien.
[p. 22]
Blijf
 
Ik heb niets toegevoegd, ik schreef wat
 
ik reeds wist, dat wij noodgedwongen
 
door dit landschap heen moeten lopen
 
richting doel onbeslist. Is hopen
 
 
 
een saaie karwei, geloven loont
 
de moeite niet, geloof mij. Ik lieg
 
liever tegen mezelf dan een boom
 
aan een hogere boom op te knopen,
 
 
 
ik bedoel ik heb een zwak voor klein
 
woorden die te groot zijn verliezen
 
vaak het noorden. Het zuiden ben jij.
 
 
 
Weg met de speeltafels van taal,
 
ik heb niets meer te zeggen. Blijf
 
dus nog even. Ik ben zoals ik zwijg.
Uit: Paard van Glas
(verschijnt september '93 bij de Arbeiderspers)

terug  begin  verder