terug  begin  verder
[p. 23]

Wim Neetens
Menselijke middelen

(Zondagmiddag)

Bobo begint op en neer te wippen op het perron als de trein in zicht komt. Het omroepsysteem meldt iets over de Intercity uit Londen maar ik vang alleen het woord customers op; we zijn nu allemaal klanten. Eindelijk schuift de locomotief onder de Victoriaanse glazen koepel binnen en ik snuif met welbehagen de bruine, verbrande lucht op van de machinerie die krijtend tot stilstand komt.

‘Is dit jouw broer? Dada, is dit jouw broer?’ roept Bobo in het Engels als de eerste passagiers uitstappen in een tumult van openklappende portieren. Armen reiken uit de raampjes van de coupés om de portieren langs de binnenkant te ontsluiten, omdat de ouderwetse treinen hier geen grendels of krukken aan de buitenkant hebben - een van de Britse aangelegenheden die me alleen nog opvallen als er bezoekers komen, maar ik geniet met des te meer aandacht van het curieuze, filmische beeld.

‘Nee,’ zeg ik, ‘ik heb 'm nog niet gezien.’ Ik benijd Bobo zijn enthousiasme - de kinderlijke combinatie van angst en overgave die echt plezier is. Ik voel alleen een vage nieuwsgierigheid (in een van zijn korte, opgewekte brieven heeft Ronald onlangs gemeld dat hij een baard heeft laten groeien) en zoals steeds bij dit soort ontmoetingen, op perrons, scheepskades en in luchthavens: een onbestemd heimwee, te zwak om echt door te breken, een flauwe lichamelijke herinnering aan een tijd dat deze rituelen nog geen deel van mijn leven uitmaakten, dat ik op de ene of andere manier altijd thuis was, en niet elders waar ik per boot, per trein of per vliegtuig moest worden opgezocht op geregelde tijden, volgens spoorboekjes en uurregelingen.

‘Ronald!’ roep ik. Vier wagons verder zie ik hem uit de trein stappen met in elke hand een kleine koffer; zijn lange leren jas en zijn pak steken deftig af tegen de kledij van de andere reizigers - klanten die bijna allemaal dagjesmensen

[p. 24]

voor het strand zijn met plastic tassen vol proviand en speelgoed. ‘Ja! Ja! Ja!’ roept Bobo nog voor ik heb aangewezen om wie het gaat. Maar hij heeft het al begrepen, mijn broer heeft zijn koffers op de grond neergezet en zwaait naar ons met één hand. De korte, volle baard is gedurende één ogenblik onthutsend maar dan denk ik, ja, natuurlijk, een baard, er hoort een baard bij. Even blijven we allebei staan, weifelend, en dan beginnen Bobo en ik in zijn richting te stappen terwijl hij om zich heen kijkt voor een beschikbaar bagagewagentje.

‘Ronald,’ zeg ik.

‘Michael,’ zegt hij.

Het is geleden van toen onze vader begraven is dat ik hem nog heb gezien, en ik ben weer vergeten hoe groot hij is: ik moet op mijn tenen staan. We kussen elkaar op de wangen, driemaal zoals thuis, en ik til Bobo op voor een kus. ‘Jij bent mijn oom,’ zegt hij in het Nederlands.

‘Ik ben jouw oom!’ zegt Ronald. ‘En Michael is mijn broer,’ zegt hij terwijl hij me nogmaals omhelst.

‘We zeggen niet Michael maar Maikl,’ zegt Bobo. ‘Hè Dada Maikl zeggen we.’

‘Maikl,’ zegt mijn broer. ‘Mij best.’ Hij lacht en laat zich op zijn baard kussen door Bobo. Hij is best charmant. Bobo laat zijn hand langs de rossige baard glijden en zegt: ‘Prikkebaard, Dada. Net wat je had gezegd.’

‘Net wat ik had gezegd,’ zeg ik en ik voel ook aan de baard - voorzichtiger dan Bobo, minder wellustig. ‘Het staat je,’ zeg ik.

‘Ik moest toch iets doen...’ zegt mijn broer terwijl hij zijn koffers op een bagagewagentje laadt: één echte koffer en een uit de kluiten gewassen aktentas, ‘om dat terugwijkende voorhoofd te compenseren...’ We lachen allebei. ‘Het staat je,’ zeg ik nogmaals en we stappen op. Ik duw het karretje over het perron en Bobo loopt voor ons uit en roept ‘Service please! Service please!’ zoals echte kruiers of kelners in een pub. De andere reizigers lachen en Ronald vraagt: ‘Hóe noemt hij jou eigenlijk? Dada?’

[p. 25]

‘Dat is iets waar Emily mee begonnen is,’ zeg ik. ‘Het is iets van het Noorden. Hier in het Zuiden zeggen ze Dad of Daddy maar waar Emily vandaan komt is het Dada, tenminste toch bij de... bij gewone mensen.’ Ik wil zeggen bij de arbeidersklasse maar ik houd me in. ‘Ik vind het wel mooi. Hij gebruikt het ook als hij Nederlands met me spreekt.’

‘En Papá?’ zegt Ronald, met de nadruk op de tweede lettergreep. ‘Dat hoor je toch in toneelstukken en in films? Papá!’ haalt hij dramatisch uit, met een arm voor zich uit.

‘Dat is, dat hoor je alleen bij de upper classes, en zelfs die gebruiken het geloof ik niet meer. Ik wed dat de prinsjes nu ook wel Daddy tegen hun vader zeggen,’ babbel ik, blij met de kans om uit te leggen. ‘Papá staat een beetje belachelijk, alsof je in een stuk van Oscar Wilde of Noel Coward speelt.’ Ik roep Bobo bij me en neem hem bij de hand om het station uit te lopen. Ronald pakt zijn koffers van de kar en we stappen het verbluffende zonlicht in. Ik blijf even staan en kijk naar mijn broer om te zien of hij het ruikt: ik ruik het elke keer als ik van Londen kom, ik kijk er al naar uit als ik op de trein zit.

Hij snuift diep en zegt: ‘Je kunt de zee ruiken. Hè wat lekker.’

‘Ja,’ zeg ik, ‘ik weet het. Alsof je ineens meer zuurstof krijgt hè? Ik ruik het niet meer. Hoor je de meeuwen? Die hoor je hier overal, in de stad of aan het strand, het is echt heel bijzonder maar na een tijdje hoor je ze ook niet meer omdat je er niet meer op let.’

‘Kaukaukaukaukau!’ roept Bobo.

‘Ja, meeuwen,’ zegt mijn broer. Hij staat wat ontheemd om zich heen te kijken. Voor ons is de taxistandplaats en Queen Street die recht naar de pier afdaalt. De dagjesmensen verdrummen elkaar op de voetpaden om eerst op het strand te zijn.

‘Zullen we lopen of wil je de bus nemen,’ vraag ik. ‘Het is een goed kwartiertje lopen. Dan heb je meteen wat van de stad gezien. Je koffers zijn niet zo zwaar. Het is meestal

[p. 26]

[advertentie]

[p. 27]

bergaf. Of wil je met de taxi,’ voeg ik eraan toe wanneer ik zijn blik volg.

‘Ik heb in Londen zo'n oude taxi genomen,’ zegt Ronald. Ik weet niet of het een antwoord is.

‘Ronald,’ zeg ik. ‘Wil je met de taxi, met de bus of te voet.’

‘Jij wilt blijkbaar te voet,’ zegt Ronald.

‘Ik laat jou de keus. Jij bent de gast,’ zeg ik. ‘Klant is koning.’

‘Laten we maar lopen. Dat was blijkbaar de bedoeling,’ zegt Ronald en hij tilt zijn zwaarste koffer op. Ik neem zijn aktentas, een vreemd ding in mijn hand dat me direct het gevoel geeft dat iedereen naar me kijkt, zoals een dief die zich schuldig voelt over de koopwaar onder zijn jas. Bobo stapt aan mijn andere hand mee en gedurende een tijdje lopen we met zijn drieën zwijgend Queen Street af. Ik bijt op mijn lip. Ik zie mijn broer na twee jaar terug en binnen de tien minuten hebben we al ruzie. Hij wou natuurlijk met de taxi, ik heb in zijn plaats beslist. Ronald weet het even goed als ik, hij loopt met zijn neus in de wind en een niets-aan-de-hand-uitdrukking op zijn gezicht net een stapje sneller dan Bobo en ik. De stilte hangt als een bel om ons heen.

‘Hoe was Londen,’ vraag ik tenslotte. ‘Heb je tijd gehad om wat rond te lopen?’

‘Niet zo veel,’ zegt hij. ‘Ik had met twee mensen van de LSE een afspraak om te lunchen en dat is wat uitgelopen. Ik ben alleen nog een paar boeken gaan zoeken.’ Hij noemt een grote boekhandel in Londen. ‘Ik heb ook een hemd gekocht. 'n Móói hemd,’ zegt hij, knikkend, nagenietend van zijn gelukkige keuze.

Door het mooie hemd weet ik dat we er weer uit zijn; ik zeg maar niet dat er een boycot tegen de boekhandel loopt vanwege hun connecties met extreem-rechts. Opgelucht vraag ik welk soort hemd en hij beschrijft het: blauw met een geel streepje. Ik zeg dat ik het straks graag wil zien.

We zijn nu dicht bij zee, je voelt de wind. Ik loods mijn

[p. 28]

broer en Bobo door een paar smallere straten en in de buurt van de pier komen we uit op de boulevard langs de zee; we steken de straat over en lopen op de brede promenade boven het strand.

‘Wat een drukte!’ zegt Ronald.

‘Ja! Ja!’ roept Bobo. ‘Wat een drukte! Laat ons op het strand gaan! We gaan op het strand Dada!’

‘Nee, straks, Bobo. We gaan thuis een stukje eten en dan kunnen we Ronald meenemen naar het strand.’

‘Ik wou vanmiddag nog wel even mijn notities overlopen voor morgen,’ zegt Ronald.

‘Ja natuurlijk,’ zeg ik haastig. ‘Maakt niet uit, Bobo komt bijna alle dagen naar het strand.’ We staan over de balustrade geleund, lichtblauw geverfd Victoriaans ijzersmeedwerk met dolfijntjes en schelpen, vanwaar we goed de drukte op en onder en naast de pier kunnen zien.

‘Het is me wat,’ zegt hij.

‘Het is geen Knokke,’ zeg ik.

Door Ronalds ogen zie ik weer voor het eerst de menigte van witte en verbrande lijven die in badpakken of in ondergoed over het strand en langs de kraampjes onder de pier krioelt, de tatoeages, de gokautomaten onder de arcades, de lege bier- en colablikjes, de grote proppen gesponnen suiker in wit en roze en groen die kinderen triomferend voor hun ouders uitdragen, het lawaai, de stank van friet en worst en hamburgers. Ik herinner me hoe geschokt ik was dat de charmante, negentiende-eeuwse badplaats uit de brochures in de realiteit niet meer of minder was dan een kermis aan zee. Ik kijk geamuseerd naar mijn broers verbazing.

‘Tssss...’ sist hij. ‘Ik kan de zee niet eens meer ruiken nu ik er zo dicht bij ben, laat staan horen. Hoe kunnen die mensen...’

‘Ik ken ook een versje in het Nederlands!’ onderbreekt Bobo hem. ‘Wil je het horen?’

‘Eh, ja, natuurlijk,’ zegt Ronald en we zetten de bagage op de grond en staan naast elkaar terwijl Bobo klaar gaat

[p. 29]

staan voor zijn vertoning. Het is de eerste keer dat hij het uitprobeert op iemand die Nederlands begrijpt; Engelsen lachen en zeggen dat ze het mooi vinden maar het dringt nog niet helemaal tot Bobo door waarom ze hem niet begrijpen.

Zijn handjes liggen samengevouwen voor zijn borst: ‘De zee kun je horen,’ zegt hij, ‘Met je handen voor je oren,’ en hij maakt met zijn handjes schelpen voor zijn oren. ‘In een kokkel,’ gaat hij verder, en de kokkel ligt in zijn rechterhandje dat hij aan het publiek toont: ‘in een mosterdpotje’ (linkerhandje), ‘of aan zee!’: met gespreide armen biedt hij het publiek de pointe aan. Mijn broer klapt in zijn handen en roept ‘Bravo!’. Een paar voorbijgangers die tijdens de vertoning zijn blijven staan, lachen en knikken naar Bobo en naar mij en lopen weer verder.

‘Heb je het zelf gemaakt?’ vraagt Ronald.

‘Nee,’ zegt Bobo.

‘Judith Herzberg,’ zeg ik. ‘Mooi hè?’

Bobo loopt verder en Ronald kijkt weer over het drukke strand uit. ‘Tja,’ zegt hij. ‘Poëzie op de promenade. Het is niet wat je in deze entourage zou verwachten.’

‘Je went er wel aan hoor,’ zeg ik. ‘Als je tenminste wilt. Ik vind het best leuk nu. Het is een aparte sfeer. Je kunt je erin mengen als je wilt en je kunt je erbuiten houden. Je hoeft geen hamburgers te eten. Ik zie het als een soort volksopstand tegen de goede smaak!’

‘En als je er niet aan wilt wennen? Ik weet niet of ik aan zo veel smakeloosheid wil wennen,’ zegt Ronald ernstig. Zijn blik is gericht op een dikke, bleke man met in een hand een ijsje en in de andere een waterpistool. Hij draagt een natte witte onderbroek waar een getatoeëerde zeemeermin uit opduikt die sierlijk over zijn hangbuik omhoog kronkelt. Haar navel valt samen met de zijne en in haar handen, die ze boven het hoofd houdt, draagt ze de zon en de maan, die over zijn tepels zijn getekend. Het is een tatoeage die ik nog nooit heb gezien en ik neem mezelf voor er een aantekening over te maken als ik thuiskom.

[p. 30]

‘Als je het niet wilt zien dan kun je ernaast kijken,’ zeg ik. ‘Zoals de koningin het zich kan permitteren het personeel niet te zien door wie ze omringd en bediend wordt. Ik veronderstel dat je zo wel kunt leven, maar ik wil het niet proberen.’

‘Je hoeft mij niets te vertellen over personeel,’ zegt Ronald.

‘Nee, natuurlijk niet,’ zeg ik.

Mijn broer zwijgt, we tillen de koffers weer op en we lopen verder, Bobo voor ons uit. ‘Kaukaukaukau,’ roept hij.

‘Je doet het klinken alsof het een soort moreel gebrek is als iemand aan die kermis niet mee wil doen,’ zegt mijn broer na een tijdje, denkend. ‘Als die kerels ervoor mogen kiezen om zich te laten tatoeëren, dan heb ik toch ook het recht om dat niet mooi te vinden?’

‘Ja, nee, natuurlijk,’ zeg ik, ‘alleen is het niet zo duidelijk of het echt om keuzes gaat.’ Ik kan het zo duidelijk uitleggen thuis bij Emily en Anya, aan mijn studenten, in artikels, maar tegenover mijn broer overvalt me een onoverwinbare schroom om aan het verhaal te beginnen. ‘Ik bedoel, je groeit op met een hele cultuur om je heen die je gewoon vindt, en die iets lijkt uit te drukken wat bij jouw leven past,’ probeer ik. ‘Als je... Omdat wij ons geld verdienen met een ander soort werk geven we ook andere vormen aan ons leven, vormen die we samen met onze status aanleren en verwerven, terwijl...’ Het vertrouwde jargon kapseist en lijdt schipbreuk nog voor het de haven van mijn gedachten uit is. Ik maak een weids gebaar in de richting van het strand en houd op met doceren.

‘Waar wij opgegroeid zijn waren er ook die tatoeages hadden en er waren er die er geen hadden. Vader had er geen,’ zegt Ronald.

‘Het gaat natuurlijk niet alleen om tatoeages,’ zeg ik.

‘Nee, maar ik gebruik jouw voorbeeld.’

‘Het was jouw voorbeeld,’ zeg ik.

‘Volgens jouw theorie zouden wij allebei tatoeages

[p. 31]

moeten hebben, en dat klopt niet. Omdat we er niet voor gekozen hebben,’ zegt hij beslist, definitief.

‘Nee,’ zeg ik. Er valt weer een stilte terwijl we voorbij een bank lopen waar twee landlopers op liggen te slapen.

‘En daar gaat jouw nieuwe boek dan over?’ vraagt Ronald na weer een tijdje stappen.

‘Over allerlei symbolen die met de zee en het water te maken hebben,’ zeg ik. ‘En hoe verschillende euh... groepen mensen daarmee omspringen. Zeemeerminnen, dolfijnen, ankers, dat soort dingen, dingen die door de ene op zijn borst getatoeëerd worden en door de andere vreselijk ordinair gevonden worden. En waarom.’

‘Heeft dat eigenlijk nog iets met literatuur te maken?’

‘Bah,’ zeg ik, ‘dat loopt hier allemaal zo'n beetje door elkaar. Heeft jouw werk nog veel met psychologie te maken?’

‘Toegepast,’ zegt hij, ‘toegepast, natuurlijk.’

‘Welja’ zeg ik, ‘toegepast. Maar er zijn er ook die nog echt aan literatuur doen hoor,’ lach ik. ‘Anya is een van onze knapste Shakespeare-studenten. Je zult haar straks ontmoeten; ze komt het huis niet vaak meer uit want ze is aan het laatste hoofdstuk van haar scriptie bezig.’

‘Is dat niet vervelend,’ vraagt mijn broer, ‘zo'n vreemde huurster die voortdurend in je huis zit?’

‘Welnee,’ zeg ik. ‘Het is hier heel gewoon; bijna iedereen die ik ken heeft een lodger. Het helpt de lening af te betalen.’

We zijn aangekomen bij de plek waar wij gewoonlijk op het strand zitten, ter hoogte van ons huis, dat maar twee straten van de promenade verwijderd is. Het is er rustiger dan bij de pier; wat mensen die op handdoeken liggen te lezen en te praten, een paar kinderen in de branding. Ik vraag hoe het met mijn schoonzus Suzanne gaat en met hun dochters Pim en Lara. ‘Goed,’ zegt Ronald, ‘alles okee. Hoe maakt Emily het?’ En ik vertel over haar nieuwe contract voor een kinderboek.

[p. 32]

‘Mag ik bij Ken en Annabel op het strand?’ vraagt Bobo in het Engels, wijzend. ‘Nick is ook bij hun.’

‘Ja natuurlijk,’ zeg ik. ‘Maar vraag of ze je voor etenstijd thuisbrengen.’

Bobo springt het trapje af en loopt naar een stel met een zoontje van vijf.

‘Buren,’ zeg ik. ‘Nick gaat naar dezelfde speelgroep als Bobo.’

Mijn broer staat naar de huizen langs de promenade te kijken, roomkleurige negentiende-eeuwse taarten met uitbundig stucwerk.

‘Als je 's komt met kersttijd dan kun je de verlichting zien,’ zeg ik. ‘Dan is het heel vroeg donker en overal langs de promenade is feestverlichting. Het is echt heel feestelijk.’

‘Ja, dat zal wel,’ zegt Ronald.

‘We zouden toch nog iets afspreken voor de Kerst,’ zeg ik. ‘Misschien later, met Emily erbij?’

‘Ja,’ zegt Ronald. ‘Jaja.’

We steken de boulevard over en lopen naar onze straat, twee huizenblokken hoger.

‘Al heel wat minder chic,’ zegt Ronald, ‘maar best toch nog een aardige buurt.’ Het zijn kleine huizen, met een souterrain en drie verdiepingen die vaak als aparte maisonettes verkocht zijn en daarom in verschillende kleuren zijn gelakt, zodat hetzelfde huis soms twee of drie verschillende kleurstroken vertoont. Bij ons is alleen het souterrain anders dan de rest: dat is geel, terwijl de gevel erboven, de onze, lichtblauw geverfd is.

‘Dat is de buurvrouw,’ zeg ik wanneer ik haar net buiten zie komen en geduldig het trapje voor het souterrain op zie klimmen met haar wandelstok en haar twee honden. ‘Mrs Hodges. Ze zal je vast aan haar honden voorstellen.’ Het zijn twee Yorkshire terriers die naast elkaar aan de leiband lopen, ze springen op mijn enkels omhoog en besnuffelen Ronalds voeten.

[p. 33]

‘Mrs H,’ zeg ik. ‘Dit is mijn broer uit België.’

‘Aangenaam,’ zegt ze. ‘Dit zijn Edward en Mrs Simpson. Edward en Mrs Simpson, zeg goeiedag tegen de meneer uit Europa.’ Ze springen tegen mijn broers broekspijpen omhoog.

‘Hallo,’ zegt hij. ‘Hallo.’

Mrs H zegt: ‘Als het goed is kom ik morgen voor de bovenboel,’ en ik knik dat het goed is. Ze roept haar hondjes bij zich en ze stapt verder de straat af.

‘Wat vroeg ze?’ vraagt Ronald terwijl we mijn huis binnenstappen.

‘Ze komt morgen om de slaapkamers te doen,’ zeg ik. ‘Ze maakt schoon voor ons.’

‘Oh,’ zegt mijn broer verbaasd.

‘Het betaalt haar sigaretten,’ zeg ik. ‘Fag money noemt ze het.’

Achteraan het huis op de benedenverdieping hebben we een grote keuken. Er is een terrasje aan waar we in de zomer ook eten, en daar zitten Emily en Anya koffie te drinken. Ik merk dat Emily zich heeft opgeschikt voor Ronalds aankomst: haar haren zitten bij elkaar gebonden in een strakke knoet en ze heeft haar ogen opgemaakt. Anya draagt een groot zwart T-shirt en sandalen. Ze kijken op wanneer we binnenkomen en Emily staat meteen op om Ronald te kussen - tweemaal, zodat ze allebei even in de war zijn als Ronald zijn wang nog een derde keer aanbiedt. Ze lachen.

‘Dat is lang geleden!’ zegt Emily in het Nederlands, en Ronald zegt: ‘Je hebt vorderingen gemaakt!’

‘Dat gaat wel,’ zegt Emily, maar dan gaat ze weer in het Engels verder: ‘Je broer voert hier in zijn eentje een strijd voor het voortbestaan van het Nederlands. Hij voelt zich een bedreigde minderheid.’

‘Dat is hij ook,’ zegt Anya die nog steeds aan de tafel zit. ‘Net als de grote witte walvis.’

Mijn broer reikt haar een hand en ze zegt: ‘Ik heb je naam gezien op de posters.’

[p. 34]

‘Schuldig!’ zegt mijn broer lachend, maar Anya blijft hem gewoon aankijken.

Ik neem mijn broer mee naar mijn werkkamer. Ik heb er gisteren wat opgeruimd en mijn bureau vrijgemaakt zodat hij ruimte heeft om te werken. Ronald laat zich zakken op de bank en zegt: ‘Zal ik hier slapen?’ ‘Nee,’ zeg ik. ‘Je krijgt Anya's kamer voor de tijd dat je hier bent. Anya slaapt bij Emily en ik slaap bij Bobo op de kamer. Hij vindt het leuk als een van ons 's bij hem komt slapen.’

‘Is ze echt een Shakespeare-specialiste?’ vraagt Ronald.

‘Ja,’ zeg ik. ‘Ze wordt beslist ook een Naam.’

‘Je zou het haar niet aangeven,’ zegt hij. ‘Ik bedoel, je zou denken dat ze met andere dingen bezig was.’

‘Hoezo?’ vraag ik.

‘Zo maar,’ zegt hij, ‘Ik weet niet.’ Hij begint een paar spullen uit zijn aktentas te laden en schikt ze naast zich op de bank. Boeken, papieren, computerdiskettes.

‘Is je lezing al af of heb je er nog werk aan?’ vraag ik.

‘Zo goed als af,’ zegt hij. ‘Ik moet er nog een paar verwijzingen in verwerken, maar de basistekst heb ik al een tijdje klaar.’ Hij is gewetensvol, niet als de types die ik ken die een boekje lezen op de trein of op het vliegtuig, 's avonds op hun kamer een paar ideeën opschrijven en hun lezing aankondigen met de mededeling dat het voornamelijk hun bedoeling is discussie uit te lokken en dat ze daarom niet al te lang aan het woord willen blijven.

‘Waar gaat het over?’ vraag ik.

‘Over transferentie,’ zegt hij. ‘Overdracht van gevoelens.’

‘Ik snap transferentie,’ zeg ik. ‘Wat heeft het met jouw vak te maken?’

‘Dat je soms het verschijnsel krijgt dat de organisatie in de ogen van de medewerkers een soort almachtige vader wordt, met wie ze steeds opnieuw een aantal oedipale toestanden gaan uitvechten. En dat komt de doelstellingen natuurlijk niet ten goede.’

[p. 35]

‘De doelstellingen!’ lach ik. ‘De winst zul je bedoelen.’ Ik verbaas me nog steeds over het gemak waarmee mensen als Ronald deze nieuwspraak gebruiken, maar het wordt stilaan tijd dat ik eraan wen: het is de taal van iedereen nu - ‘medewerkers’, klanten, we zijn het allemaal. De universiteit is tegenwoordig ook zo'n ‘organisatie’: onze studenten zijn onze klanten, onze collega's zijn interne klanten, en allemaal samen zijn we geen gewone personeelsleden meer, maar wel Human Resources, Menselijke Middelen, die in deze barre tijden door het management zo voordelig mogelijk moeten worden benut, net als paperclips en warm water.

‘En verder? Wat vertel je daarover?’ vraag ik.

‘Ik geef een paar modellen om die transferenties op het spoor te komen, en een paar voorbeelden van strategisch handelen om de zaak te controleren en te hanteren. Vanuit het management natuurlijk,’ voegt hij er zelf aan toe. Hij steekt een hand in de lucht en zegt: ‘Je hoeft me niet te vertellen dat er andere standpunten mogelijk zijn. Maar ik ben geen vakbondsman, ik praat voor het management. Daar betaal ik mijn hypotheek mee af,’ zucht hij terwijl hij nog wat boeken op de bank gooit.

We zwijgen een tijdje.

‘Regelen we iets voor Kerstmis?’ vraag ik. ‘We kunnen er straks nog over praten, met Emily erbij. Ik wou dit jaar graag iets organiseren met de hele familie erbij, hier.’

Hij kijkt me aan: hij heeft mijn gedachtenstroom gevolgd. Onze vader was wel een vakbondsman. Ik ga er overheen: ‘Kerstmis is hier echt iets heel speciaals. Iedereen is door het dolle heen, Christmas pudding en mince pies. En voor Bobo zou ik het fijn vinden dat hij zijn familie hier 's kon ontvangen. Pim en Lara zijn wel een stuk ouder dan Bobo, maar ze moeten elkaar toch regelmatig zien, vind ik. Vind je niet?’

‘Ja. Natuurlijk,’ zegt Ronald. ‘Alleen zijn Pim en Lara met de Kerst waarschijnlijk op skivakantie.’

[p. 36]

[advertentie]

[p. 37]

‘Oh,’ zeg ik.

‘Dat was al zo geregeld,’ zegt hij.

‘Ja, natuurlijk,’ zeg ik. ‘We kunnen er later met Emily erbij nog over spreken,’ zeg ik. Ik laat hem kort zien hoe hij de computer op moet starten en ik laat hem in de kamer achter.

Ik vind Emily in de keuken en we beginnen samen te koken. Ze vraagt of ik blij ben dat mijn broer er nu eindelijk is en ik zeg ja. Ik zeg nog 's dat ik ze met de Kerst allemaal samen wil vragen en ze kijkt me aan en ze knikt.

‘Als jij dat tenminste goed vindt,’ zeg ik en ze zegt: ‘Ja, natuurlijk.’

‘Anya is er dan waarschijnlijk toch niet, dan hebben we haar kamer voor Ronald en Suzanne en voor Pim en Lara kunnen we wel iets organiseren. Ik bedoel, Bobo moet het al zonder grootouders stellen.’

‘Ja,’ zegt ze, ‘jaja.’

‘Je klinkt alsof je het niet zo'n goed idee vindt,’ zeg ik.

‘Toch wel,’ zegt ze, ‘toch wel.’

‘We kunnen er nog over praten met Ronald erbij,’ zeg ik.

Bobo komt thuis met Nick erbij en hij vraagt of hij zijn oom mag laten zien aan zijn vriendje. Ze stormen de trap op en ik roep ze achterna ‘Kloppen!’ maar ik hoor ze zonder kloppen Ronalds kamer, mijn kamer binnenlopen. Anya roept uit haar kamer op de tweede verdieping of het stiller kan en daarna hoor ik alleen nog maar geroezemoes en gedempt gelach uit mijn kamer komen.

‘Het klikt wel tussen die twee,’ zeg ik tegen Emily.

‘Ja,’ zeg Emily. ‘Hij vindt een oom hebben fijn. Ik vind het ook leuk voor jullie beiden, dat Ronald hier is.’ Ze legt een hand op mijn borst en kust me vluchtig, op de wang. ‘Met mijn zussen zo dicht in de buurt vergeet ik het soms, dat jouw mensen zo ver weg zijn.’

‘Jullie zijn mijn mensen nu,’ zeg ik. ‘Ja toch?’

‘Natuurlijk,’ zegt ze, ‘natuurlijk.’

[p. 38]

Aan tafel vertelt Bobo over een computerspelletje dat Ronald voor hem heeft meegenomen en Emily zegt: ‘Je hebt je oom er toch voor bedankt,’ en Bobo zegt: ‘Ja, natuurlijk,’ maar hij staat op van zijn stoel en loopt naar Ronalds plaats om hem nog een zoen op zijn baard te geven. Ik kijk in verbazing.

‘Ik had ook iets voor jullie meegenomen,’ zegt Ronald.

‘Oh, dat is lief,’ zeg ik.

‘Tenminste ik wou iets van de luchthaven meenemen maar mijn vlucht was zo vroeg dat de duty free shop nog dicht was.’

‘Maakt niet uit,’ zegt Emily. Ze vraagt naar Ronalds werk en hij vertelt over een project waar hij samen met collega's aan gewerkt heeft en waar ze een boek over willen maken. Het heeft te maken met iets wat hij kwaliteitskringen noemt, maar ik luister maar half waar het over gaat. Ik kijk naar zijn beweeglijke spreekstijl en naar de manier waarop hij Emily en Anya met zijn ogen aan zijn verhaal bindt, en tussendoor Bobo nog af en toe een likje aandacht gunt om hem stil te houden. Zijn Engels is heel goed, beter dan ik me herinner, met een lichte Amerikaanse tongval en een fijne woordspeling af en toe. Hoewel het buiten donker wordt steken we geen lichten aan; het kaarslicht flakkert op onze gezichten en haalt ons dichter naar elkaar toe rond de tafel. Ik denk aan mijn schoonzus, en aan Bobo's nichtjes die hij niet zou herkennen als hij ze op het strand op het lijf liep.

‘Jammer dat Suzanne niet meegekomen is, en de kinderen,’ zeg ik als er een stilte valt.

‘Oh,’ zegt mijn broer. ‘Ja, dat kwam nu niet zo gelegen.’

‘Misschien met de Kerst,’ zeg ik. ‘Hè Emily?’

‘Ja,’ zegt Emily. ‘Ronald misschien moest je...’

‘Ja,’ zegt Ronald, ‘later.’

Ik merk dat Ronald het nieuwe streepjeshemd draagt, waar ik vergeten ben naar te vragen. Ik zeg dat ik het mooi vind en vraag of hij het niet aantrekt voor zijn lezing morgenvroeg

[p. 39]

‘Nee,’ zegt hij, ‘geen streepjes.’

‘Bloemen dan?’ vraagt Anya, het eerste wat ze zegt tijdens de maaltijd. Het klinkt niet echt als een grapje maar mijn broer lacht wel en zegt: ‘Of misschien moest ik ook zo'n gewaad dragen als jij.’ Ze heeft voor de gelegenheid een feestelijke rode sari over haar T-shirt aangetrokken.

‘Je zou het kunnen doen als symbolische daad,’ zegt Anya. ‘Zo veel sari's zullen er op jullie congres wel niet rondlopen.’

‘Op Shakespeare-congressen wel dan?’ vraagt Ronald, zonder lachen. Emily en ik kijken elkaar even aan en kijken dan in ons bord.

‘Het zou je verbazen,’ zegt Anya. ‘Je zou het de Britten niet aangeven maar ze hebben ons wel leren lezen.’

‘Ben jij boos op Ronald?’ vraagt Bobo.

‘Nee,’ zegt Anya. ‘Hoe kom je erbij. Hij herinnert me alleen’ - nu kijkt ze in onze richting, naar Emily en naar mij - ‘aan de tijd toen ik pas in Engeland was, en ik voortdurend op dit soort vragen moest antwoorden.’ Nu richt ze zich weer tot Ronald: ‘Toen ik hier voor 't eerst aankwam heeft de douane me vier uur ondervraagd omdat ze niet geloofden dat ik hier aan een Shakespeare-project kwam werken. Ik moest Othello navertellen. Stel je voor, precies Othello!’

‘Wat dachten ze dan dat je hier kwam doen?’ vraagt Ronald.

‘Op kosten van de welvaartsstaat leven en de openbare orde ondermijnen, wat anders? Ik was lid van de Communistische Partij in India.’ Terwijl ze haar verontwaardiging voor de zoveelste keer beleeft sluipt het Indische zijdelingse hoofdschudden opnieuw in haar bewegingen; het is lang geleden dat ik het bij haar nog heb gezien.

‘Oh,’ zegt mijn broer. ‘En waar ben je dan nu precies mee bezig?’

‘Op kosten van de welvaartsstaat leven en de openbare orde ondermijnen, natuurlijk!’ zegt Anya en we lachen hartelijk, ook Bobo, opgelucht.

[p. 40]

Ronald dept zijn mond met zijn servet en vraagt waar Anya's werk precies over gaat.

‘Over vriendschappen en vijandschappen tussen vrouwen in de stukken van Shakespeare,’ zegt ze.

‘Is daar, kun je daar, interessante conclusies uit trekken?’ vraagt hij beleefd.

‘Shakespeare voerde graag oproerige en wetteloze vrouwen ten tonele,’ zegt Anya, met iets van beginnend enthousiasme. ‘Feeksen, hartstochtelijke vrouwen, gekke vrouwen die de bestaande orde uitdaagden of overtraden.’

‘Ophelia! Desdemona!’ zegt Ronald.

‘Ja, precies,’ zegt Anya. ‘En het is interessant om te kijken welke relaties die bandeloze vrouwen hebben met de vrouwen die dan wél meespelen met de machtshebbers; of er solidariteit tussen hun is of vriendschap of jaloersheid of vijandschap.’ Ze heeft haar eten laten staan en tekent met haar vingers kruisen en strepen in het tafellaken terwijl ze in de richting van mijn broer over de tafel leunt, haar olijfkleurige huid glimmend in het kaarslicht, de feestelijke rode stip op haar voorhoofd fonkelend. ‘Een bijkomend aspect dat de hele zaak nog een dubbele bodem geeft is natuurlijk dat die vrouwenrollen oorspronkelijk door jonge jongens gespeeld werden. Zo krijg je in die stukken een hele reeks dubbelzinnigheden over seksuele rollen en verlangens.’

‘Is dat, is wat jij doet dan wat ze Vrouwenstudies noemen?’ vraagt mijn broer.

‘Ja, min of meer,’ zegt Anya.

‘Anya zit eigenlijk in het programma voor Homo- en Lesbische Studies,’ legt Emily uit.

Mijn broer kauwt, slikt en knikt. ‘Kun je daar ook al voor doorleren?’ vraagt hij tenslotte lachend, achteroverleunend, de pointe van de avond leverend. Maar er valt een stilte aan de tafel. Bobo vraagt of de t.v. aan mag en niemand antwoordt.

‘Er zijn honderdduizend postgraduaatstudenten in dit land,’ zegt Anya tenslotte. Ze probeert de zachtere toon van

[p. 41]

daarnet in haar stem te houden maar het lukt niet. ‘Vind je het zo gek als er een stuk of tien zijn die proberen de cultuur uit die hoek te bekijken? Elf, om precies te zijn. In het hele Verenigde fucking Koninkrijk.’

‘Ik betaal hier geen belastingen,’ zegt mijn broer korzelig. ‘Het is mijn geld niet.’

‘En als het jouw geld wel was?’ vraagt Emily geduldig, vriendelijk, ze wil het echt weten. Mijn broer veegt nogmaals zijn mond af aan zijn servet: ‘Ik ben niet naar hier gekomen voor dit soort confrontaties,’ zegt hij en hij staat op en loopt naar de keuken. Ik neem de lege borden bij elkaar en loop hem achterna.

Hij staat tegen de koelkast geleund, hijgend alsof hij gerend heeft. ‘Dat was echt niet nodig,’ zegt hij met dunne lippen.

Ik schik de borden in de vaatwasmachine. ‘Nee,’ zeg ik. ‘Het spijt me dat het niet klikt met Anya.’

‘Het gaat niet om Anya alleen! Het lijkt wel alsof ik hier in dit huishouden de morele schuld van de hele kloteboel op mijn kop krijg!’

‘Je krijgt helemaal nergens de schuld voor,’ zeg ik, maar hij gaat gewoon door: ‘Jullie zijn zo godverdomd zelfgenoegzaam! Boeken schrijven over de volksopstand tegen de goede smaak, een beetje de verloren zoon van de arbeidersklasse spelen, met een lesbische lodger uit India die dan nota bene nog bij de Communistische Partij is, je zoontje noemt je Dada zoals het gewone volk! Maar ondertussen laat je wel schoonmaken door een kreupele bejaarde die zich anders geen sigaretten kan permitteren en wordt je huis afbetaald met een studiebeurs uit de Derde Wereld! Zien jullie niet hoe afschuwelijk jullie zijn?’

‘Ronald, asjeblieft!’ zeg ik.

‘Shakespeare! Alsof er voor zo iemand niks nuttigers te studeren valt! Dát zal de honger pas uit de wereld helpen, lesbische relaties in Shakespeare!’

‘Oh daar gaat het dus om!’ roep ik nu ook, eindelijk

[p. 42]

kwaad. Ik ben op de keukentafel gaan zitten met mijn handen onder mijn billen om het beven te bedaren.

‘Daar gaat het onder ándere om!’ raast hij verder. ‘Jullie leven in zo'n klein wereldje! Als ik mijn mond open doe over het bedrijfsleven, waar échte mensen werken die lang niet zo veel verdienen als jij of ik, dan trek je zó'n ogen alsof ik van de maan kom!’

‘Ik trok helemaal niet zo'n ogen.’

‘Maar jullie hebben het wel bij het rechte eind, jullie weten precíes hoe de wereld in elkaar zit en vooral hoe hij in elkaar zou móeten zitten. Homo- en Lesbische Studies! Ook dat nog. Weet je wat jullie “gewone mensen” daarvan zouden vinden?’

‘Nogal wat gewone mensen zijn homo's en lesbiennes,’ wil ik zeggen, ik heb dit soort discussies wel vaker beleefd, maar hij geeft me de kans niet: ‘Oh nee!’ haalt hij uit, lachend van woede: ‘Dat is het toppunt!’ - zijn oog is gevallen op het dolfijntje dat ik voor mijn vijfendertigste verjaardag net boven mijn enkel heb laten tatoeëren. Het is zichtbaar tussen mijn sandaal en de rand van mijn broek. ‘Jezus Maria Jozef!’ roept hij en hij beent de keuken uit, door de eetkamer en de gang in. Ik hoor hem aarzelen in de gang en dan knalt de straatdeur dicht. Edward en Mrs Simpson blaffen beneden. Ik kijk naar het dolfijntje op mijn been. Ik heb er een tijdje spijt van gehad, van de tatoeage, maar nu was ik er net aan gewend.

 

(Zondagnacht)

 

Als ik naast Bobo onder het laken kruip wordt hij wakker. Hij gaat slaperig een plas doen op zijn potje en komt dan weer in het bed. We liggen naast elkaar op onze zij als lepeltjes, zijn adem blaast in mijn nek.

‘Dada,’ fluistert Bobo.

‘Ssst,’ zeg ik tegen de muur. ‘Niet praten nu, het is midden in de nacht. Lekker slapen.’

[p. 43]

‘Ik vind een oom wel fijn,’ zegt Bobo. ‘Behalve bij het eten.’

‘Ja,’ zeg ik.

‘Vind jij een broer fijn?’

‘Ja natuurlijk,’ zeg ik. ‘Slaap nu maar lekker.’

‘Ik vind een oom het fijnst. Fijner dan een broer.’

Na een paar minuten hoor ik zijn adem diep en regelmatig worden. Ik zal niet kunnen slapen zolang mijn broer niet thuis is: ik lig gespannen te wachten tot hij aanklopt of aanbelt, want hij is zonder sleutel de deur uit gelopen.

In onze slaapkamer hoor ik Emily en Anya praten. We hebben de avond in stilte doorgebracht.

‘Ik denk dat het beter is dat je nu naar je eigen kamer gaat,’ zei Emily tegen Anya.

Daarna hebben Emily en ik met Bobo t.v. gekeken tot hij naar bed moest. Emily heeft haar nieuwe verhaal aan hem voorgelezen en lang met hem geknuffeld voor hij wou slapen; hij was overstuur doordat Ronald de deur was uitgelopen en de weg hier niet kent. Daarna hebben Emily en ik op de bank zitten lezen, terwijl ze aldoor met een hand over mijn nek streelde.

‘Wat Kerstmis betreft,’ zei ze en ik zei: ‘Misschien, als we met zijn allen bij elkaar zijn, dat het beter meevalt,’ en toen lazen we voort.

Ik hoor dat ze ergens over discussiëren maar ik kan niet horen waar het over gaat. Ik wacht, en hoewel ik een inspanning doe om mijn ogen open te houden in het duister dommel ik toch in een soort slaaptoestand. Dolfijnen slapen met de helft van hun brein, zodat de andere helft eraan denkt regelmatig boven water lucht te gaan happen. Als de ene helft uitgeslapen is wordt die wakker en dan kan de andere helft indutten. Om half een schrik ik op van tikken op het raampje in de straatdeur. Edward en Mrs Simpson blaffen kort.

Ik haast me de trap af, me vreemd, nachtmerrie-achtig bewust van mijn ondergoed, van het dolfijntje dat op mijn blote enkel in het donker de trap afzwemt. Ik doe open voor

[p. 44]

mijn broer. Hij stapt binnen en gaat tegen de muur van de gang staan met zijn ogen dicht. Hij ziet lijkbleek en staat te beven.

‘Ik ben overvallen,’ zegt hij.

‘Nee!’ zeg ik. ‘Waar dan? Wat is er gebeurd?’

‘Vijftig pond en al mijn kaarten,’ zegt hij. ‘Onder de pier.’

‘Oh nee. Wat is er dan gebeurd,’ vraag ik.

‘Ik ben overvallen, ik zeg het net,’ zegt hij en begint de trap op te lopen. Ik volg hem en manoeuvreer hem op de overloop mijn werkkamer binnen. De kamer waar hij logeert, Anya's kamer, is vlak naast die van Bobo en ik ben bang dat we hem opnieuw wakker zullen maken.

Hij laat zich neervallen op de bank in mijn kamer.

‘Onder de pier,’ zeg ik. ‘Wat zocht je daar?’

‘Dat vroegen die flikken verdomme ook al! Mag je hier verdomme niet gaan waar je wilt of hoe zit dat?’

‘Natuurlijk wel, maar ik bedoel, als je 's nachts onder de pier...’

‘Ik was overstuur, okee? Ik had wat gedronken in een pub aan de promenade en na sluitingstijd wou ik wat langs de zee wandelen. Er kwam een kereltje aangelopen die een vuurtje vroeg.’

‘Wat voor een kereltje?’

‘Weet ik veel, Engels rotkereltje. Tuig natuurlijk. Hij vroeg of ik een toerist was, en wat ik hier kwam doen. Hij leek best onschuldig, alsof hij een praatje wou. Voor ik het wist hield hij een mesje tegen mijn buik. Zo'n mesje.’ Hij toont hoe klein het mesje wel was, alsof dat het nog erger maakt.

‘Je hebt toch niet gevochten? Je hebt toch direct je geld gegeven? Je weet nooit in welke staat ze zijn!’

‘Ja, weet ik wel, maak het nog wat erger. Maar toen hij mijn Visa en mijn Mastercard in mijn portefeuille zag zitten wou hij die natuurlijk ook. Ik probeerde hem nog wijs te maken dat ze alleen in België geldig waren maar daar trapte

[p. 45]

hij niet in. Toen gooide hij mijn spullen de ene kant op en hij dook de andere kant uit en hij was weg.’

‘Tjonge tjonge. Onder de pier, Ronald toch. Wat had je daar te zoeken?’

‘Ik had er helemaal niks te zoeken, ik deed gewoon een wandelingetje! Krijg ik er nu ook al de schuld voor dat je hier met een mes bedreigd wordt als je onder de pier gaat wandelen?’

‘Nee, Ronald, natuurlijk niet. Het spijt me dat dit jou is overkomen. Maar zoals de situatie nu is, ik bedoel, er lopen er hier natuurlijk heel wat rond die, hoe zal ik het zeggen, die wat geld kunnen gebruiken. Je bent hier niet thuis bedoel ik. Was het... was het een witte?’ vraag ik.

Hij kijkt me aan alsof onze ruzie van eerder op de avond opnieuw begonnen is.

‘Ja,’ zegt hij. ‘Gewoon tuig.’

Hij gaat languit op de bank liggen met een arm over zijn voorhoofd en zucht: ‘Heb je een slaappil of zoiets? Ik ben bang dat ik anders geen slaap kan vatten. Ik moet morgen om tien uur spreken.’ Hij grijpt naar zijn notities, die naast de bank op de grond liggen, gooit er een blik op en laat ze dan weer vallen. Hij staat weer op en loopt de trap op naar de badkamer. Ik ga in de keuken een pil voor hem zoeken en breng hem er een terwijl hij zijn tanden staat te poetsen.

‘Wil je niks drinken of zoiets?’

‘Nee bedankt. Ik wil meteen slapen. Het is gek,’ zegt hij.

‘Wat?’ vraag ik.

‘Het is zo lang geleden dat er nog iets echt van me afgepakt is,’ zegt hij. ‘Je staat er niet bij stil, maar het is iets heel ingrijpends, als er iets van je afgepakt wordt. Dingen, geld.’

‘Ja,’ zeg ik. ‘Welterusten.’

In de kamer ernaast ligt Bobo diep te slapen, de armen en benen wijd opengespreid. Als ik hem opzijschuif loop ik het risico dat ik hem weer wakker maak en ik sta een tijdje op de

[p. 46]

[advertentie]

[p. 47]

overloop te aarzelen. Dus loop ik de trap weer af naar de eerste verdieping. Ik kan op de bank in mijn werkkamer gaan liggen maar ik steek mijn hoofd binnen in de slaapkamer waar Emily en Anya liggen. In het donker zie ik enkel hun lange haren die op de kussens liggen en de golven van hun lichamen onder het witte laken. Ik sluip de kamer binnen, kruip langs het voeteneinde het matras op en nestel me tussen de twee vrouwenlijven in, mijn billen tegen Anya's buik en Emily's billen tegen mijn buik, als drie lepeltjes. Ik sla mijn arm over Emily's warme lichaam en we zwemmen met zijn drieën de nacht in. Daarna lopen we over de promenade, het is nog altijd nacht maar er is nogal wat volk op de been vanwege het mooie weer. Het wordt niet echt donker, de hemel is grijs en warm. Hoewel het nog lang geen Kerst is brandt de feestverlichting. Mijn broer heeft Bobo aan de hand en Emily en ik lopen gearmd achter ze aan.

‘Kijk!’ zegt Emily en ze wijst hoog in de lucht boven ons. Het lijkt op een bliksemschicht maar het is kleiner, beperkter, en het knetteren duurt langer, je kunt ernaar blijven kijken. En weer, en daar heb je het weer. Iedereen staat nu naar omhoog te kijken. Het gevoel dat er iets misloopt bereikt ons van ver. We roepen Bobo bij ons maar Ronald zien we niet meer. Op een bepaald punt is de promenade verbreed en er is een soort terras aangelegd dat een eind de zee insteekt, met een standbeeld erop. Aan de voet van het standbeeld staat een groepje argeloos te praten; ze hebben het vreemde, kunstmatige bliksemen niet in de gaten. De zee is oliezwart en komt nu zienderogen op, het schuim van de kolkende brei heeft al bijna de rand van de promenade bereikt. ‘Het wordt echt gevaarlijk,’ zegt Emily. ‘Het is naar de knoppen,’ en een diepe droefheid overvalt me en ik druk haar tegen me aan en til Bobo op mijn arm op. ‘Ronald!’ roep ik. We lopen naar het standbeeld toe. De laffe, grijze branding gooit nu de eerste dode vissen en meeuwen op het terras. In het water ontstaan hier en daar uitdeinende kringen, alsof er keitjes in gegooid worden maar dat is niet het

[p. 48]

geval. Er komen er meer en meer tot het hele wateroppervlak volgetekend is met deinende, bewegende kringen.

‘Kijk!’ roept Emily weer. Boven onze hoofden is een segment van de hemel zwart geworden, een wig die smal begint aan de zee-einder en breder uitwaaiert boven ons, alsof het uitspansel verlicht wordt door een stel projectoren achter de horizon en er eentje van uitgevallen is. We staan in verbazing te kijken naar het einde van de wereld. Het zwarte water likt al aan onze voeten en ik roep nogmaals: ‘Ronald!’ Hij staat met een paar mannen aan de voet van het standbeeld te praten en te lachen, ze hebben niets in de gaten.

‘Kom nu toch mee!’ zeg ik en hij zegt, lachend: ‘Het is vast weer de schuld van het militair-industriële complex?’ en de andere mannen lachen, geamuseerd, niet gemeen.

‘Nee,’ lieg ik. ‘Nee, heus, kom toch maar mee,’ maar hij blijft staan en terwijl we weglopen, Emily en ik met Bobo op mijn arm, roep ik nog over mijn schouder, ‘Ronald, Ronnie, Ronnie!’ maar hij blijft onschuldig staan praten, lachen, roken met de anderen op het terras terwijl het water stijgt om hun benen, rond de sokkel van het standbeeld dat de zon en de maan draagt in de dode lucht.

 

(Maandagochtend)

De fladderende en uitgeregende restanten van posters van vorig academiejaar kondigen voorbije debatten en disco's en demonstraties aan. Daartussen vallen de nieuwe affiches van het congres op. Ze hangen over de hele campus verspreid: ‘HRM TOWARDS 2000 - Managing the Millenium’. Ze zijn minder kleurig en minder schreeuwerig dan de studentenposters, maar in al hun soberheid stralen ze een zekere importantie uit. Het is het grootste internationale congres over personeelsbeleid dat er ooit gehouden is.

Het is het eerste congres dat de plaatselijke avondkrant heeft gehaald, met een foto van een glunderend departementshoofd die beweerde dat de dingen die hier gezegd worden in de komende jaren invloed zullen hebben op de

[p. 49]

manier waarop duizenden, miljoenen mensen werken, carrière maken, leven. Dat besef geeft de deelnemers aan het congres een gevoel van belang en opwinding; je ziet het aan de gewichtige, ietwat gehaaste manier waarop ze rond het congrescentrum krioelen. Er valt nauwelijks een spijkerbroek te bespeuren. In hemdsmouwen vanwege het weer en met fladderende stropdassen staan de congresgangers in groepjes bij elkaar en rennen ze tussen groepjes heen en weer, papieren en boeken en informatie uitwisselend. Er zijn maar een paar vrouwen bij, in hemdbloeses en blauwe rokken. De wind tilt hun gecoiffeerde haren op alsof ze een veiligheidshelm dragen die te hoog op hun hoofd staat.

Het congrescentrum ligt op een heuvelflank, hoger dan de rest van de campus, en je kunt van hier het hele terrein overzien: de wirwar van modernistische gebouwen, arcades en buitengangen, tegen hun zin maar onvermijdelijk overgroeid door een oerwoud van klimop, affiches en grafitti. Kwart voor tien en de ochtendlijke activiteiten in dit dorp in de stad komen op gang - studenten en docenten die in de verte naar het bibliotheekgebouw lopen, een rij wachtenden voor de bank en voor het postkantoor die allebei om tien uur opengaan, bestelwagens en vrachtwagens die het restaurant bevoorraden rijden af en aan. Een gevoel van thuishoren overvalt me en stemt me tegelijk droef en vrolijk.

Mijn broer vormt het centrum van een van de groepjes en ik merk aan de manier waarop hij bejegend wordt door de andere congresgangers dat hij inderdaad hoog in aanzien staat in deze wereld. Ik weet dat zijn boeken in vooraanstaande tijdschriften gerecenseerd worden en hij is geïnterviewd door Time Magazine en The Economist maar op de ene of andere manier trof me dat minder dan wat ik nu zie: zijn collega's, professoren van andere universiteiten, die hem teksten toestoppen en hem vragen of hij hun een paar woorden commentaar kan opsturen; de jongeren, aankomende docenten en studenten, die aan de rand van het groepje dat zich rond hem heeft gevormd op hun tenen staan om zijn

[p. 50]

woorden op te vangen; de ambitieuze jonge vrouwen met hun glinsterende veiligheidshelmen die om zijn grapjes lachen als secretaresses. De voertaal hier is een soort Algemeen Aangeleerd Amerikaans waartussen de occasionele Britse stem merkwaardig opvalt.

Door de drukte om hem heen kan ik niet recht op hem toelopen en daarom blijf ik aan de rand van het groepje hangen tot hij mij opmerkt. Hij roept mijn naam en zegt erbij, ten behoeve van de anderen, ‘Mijn broer!’ en in een wip is het groepje rond hem ontbonden en staan we daar met zijn tweeën. We kussen elkaar zoals altijd en dan snap ik waarom hij zo luid aankondigde dat ik zijn broer ben.

‘Ben je al bekomen van gisteren? Van vannacht?’ vraag ik.

‘Ik heb geen tijd om er te veel aan te denken,’ zegt hij.

‘Gelukkig.’ Hij is vanmorgen heel vroeg vertrokken en we hebben de kans nog niet gehad om te praten.

‘Ik kom naar je luisteren,’ zeg ik.

‘Oh,’ zegt mijn broer verrast. ‘Je kunt anders mijn paper wel lezen, ik heb een uitdraai voor je.’

‘Ja, maar ik wil graag komen luisteren,’ zeg ik.

‘Dat is leuk,’ zegt hij en ik zie dat hij het meent.

‘Maar daarna moet ik wel weg,’ zeg ik, ‘Anya heeft, er is...’ Ik wijs naar de andere kant van de campus, waar ingesloten tussen de toekomstarchitectuur van de jaren zeventig een speelweide voor kinderen ligt, en een vijver. ‘Er is een soort feestpicknick vanmiddag waar Emily en Bobo naartoe komen. Anya en nog een paar mensen hebben het georganiseerd.’

‘Ja, natuurlijk,’ zegt hij. ‘Maar blijf even na mijn lezing, er is een pauze met drankjes.’

Iedereen gaat nu naar binnen; de grote congresaula zit afgeladen vol. Ik ga op de eerste rij zitten zoals mijn broer heeft gevraagd en we luisteren allemaal beleefd naar de organisator en nog een paar mensen die ons welkom heten en zeggen dat de post en de bank tot vier uur open zijn en dat de

[p. 51]

publieke telefooncellen in de hall Visa en Mastercard aanvaarden, wat mijn broer, die aan de kant van het podium staat te wachten, een grimmig lachje ontlokt.

Ronald wordt aangekondigd en wanneer hij achter de microfoon plaatsneemt word ik door onverwachte, tegenstrijdige emoties overvallen. Ik zou willen juichen en roepen van trots en tegelijk wil ik hem van het podium sleuren voor het te laat is, voor hij zich belachelijk maakt: alsof hij een charade speelt, niet echt die beroemde professor is, en ik me in zijn plaats zorgen maak dat hij op de ene of andere manier door de mand zal vallen. Handenwringend luister ik naar de eerste minuten van zijn lezing. Hij is een beetje nerveus, ik zie het aan zijn op en neer wippende adamsappel en aan de manier waarop hij zijn handen dwingt plat op de tafel voor hem te blijven liggen. Maar al heel gauw overwint hij zijn plankenkoorts. Hij ontspant zichtbaar, verplaatst zijn zwaartepunt naar één been zodat zijn houding al losser, nonchalanter overkomt en hij vindt zijn normale beweeglijkheid terug: zijn handen praten met hem mee, strijken af en toe door zijn haren, nodigen ons uit om met hem mee te denken en houden ons dan weer even op afstand, alsof de ongeduldige gemeenplaatsen van ons denken hem dreigen te overrompelen en hij ruimte rond zich moet scheppen om zijn eigen ideeën te kunnen ontwikkelen.

Pas wanneer ik zelf mijn plaatsvervangende plankenkoorts van me af kan zetten en me op de deining in het publiek mee laat drijven, kan ik naar zijn woorden beginnen luisteren. In korte tijd heeft hij bijna achteloos het publiek in zijn ban. Hij geeft de sleutelbegrippen in zijn verhaal bijna hoorbaar hoofdletters mee zodat ze in ons geheugen gegrift blijven zitten; we lachen om zijn woordspelingen; we houden onze adem in als hij een stilte creëert - net iets te lang, opzettelijk - om in zijn notities een citaat van een autoriteit terug te vinden, dat hij vervolgens laat aankomen als een klap in het middenrif.

Omdat Ronald me gisteren een beetje ingelicht heeft

[p. 52]

volg ik zijn redeneringen gemakkelijk, ondanks de talloze verwijzingen naar andere auteurs en onderzoekers die niets voor mij betekenen. De abstracte, theoretische stukken van zijn verhaal lijken me niet veel meer dan een soort intellectuele oefening, maar ik word ongemakkelijk bij het centrale gedeelte van zijn lezing, waarin hij een staking in een van de bedrijven die hij bestudeerd heeft uitlegt als een soort kinderlijke opwelling van vaderhaat bij de ‘medewerkers’, die voorkomen had kunnen worden door goede training, efficiënter beheer van de Menselijke Middelen en weer die kwaliteitskringen. Ik voel aan de ontspanning in zijn tekst en aan het crescendo in zijn spreekritme en in zijn grapjes dat het einde in zicht komt. En inderdaad: ‘Alleen door permanente aandacht voor het creëren van een Cultuur waarin de Win-Win-Situatie de norm is in ieder professioneel en persoonlijk contact, kunnen we van onze medewerkers dat Ietsje Meer vereisen dat in het jaar 2000 ons Unieke Verkooppunt zal moeten zijn,’ besluit hij. De zaal barst in een daverend applaus los.

Ik klap mee in mijn handen tot mijn broer zijn mond weer dichter naar de microfoon brengt en zegt dat hij met plezier wil antwoorden op vragen. Drie of vier mannen in de zaal vragen het woord en beginnen met ‘Denkt u niet dat...?’ Uit hun toon leid ik af dat ze tot een andere school of stroming behoren dan Ronald en dat hun meningsverschillen onverzoenbaar zijn. Ronald maakt zich kort van hun opmerkingen af en verdwijnt dan door een deur naast het podium, na mij met een hoofdbeweging mee te hebben gevraagd. Ik sta op en loop samen met hem de zaal uit. Achter ons hoor ik de organisator het woord weer nemen en een aantal werkgroepen aankondigen.

We staan in het zaaltje achter de aula, waar sprekers zich kunnen voorbereiden op hun lezing en waar soms persconferenties gehouden worden. Het zaaltje is omgetoverd in een receptieruimte, met lange tafels vol glazen sherry en sinaasappelsap en schotels met hapjes. ‘Het is maar voor een

[p. 53]

beperkt gezelschap,’ zegt Ronald. ‘De grote menigte wordt naar een andere zaal gelokt voor een pauze met thee en beschuitjes.’ We lachen. Ik wil iets aardigs zeggen over zijn lezing maar ik weet niet goed wat. Ik wil niet vervallen in vormelijke complimenten waar hij alleen maar een onbehaaglijk gevoel van krijgt: Wat spreek je goed Engels! Wat kun je prachtige zinnen maken!

‘Hebben die kerels hun loonsverhoging gekregen?’ vraag ik tenslotte.

‘Wie dan?’ vraagt Ronald verrast.

‘De “medewerkers” van dat bedrijf waar die staking uitgebroken was. Die kerels met hun onverwerkte vaderhaat.’ Mijn ironische toon is vriendschappelijk bedoeld, en Ronald vat hem ook zo op.

‘Het waren vrouwen,’ kaatst hij terug terwijl hij een sherry van de tafel neemt. Er komen nog een paar mensen het zaaltje binnengewandeld. ‘Het was een textielbedrijfje. Ja, ze hebben loonsverhoging gekregen. Niet zoveel als ze vroegen, maar dat kon ook niet.’

‘Gelukkig dan, dat ze nog over een beetje vaderhaat konden beschikken,’ zeg ik. ‘Anders hadden ze niks gehad.’

Mijn broer zwijgt een tijdje, alsof hij twijfelt tussen een antwoord en geen antwoord, en zegt tenslotte: ‘Ja natuurlijk, wat dacht je.’

Ik wil nog vragen wat kwaliteitskringen zijn maar er komen twee mannen bij ons staan aan wie Ronald me voorstelt. Het zijn bedrijfspsychologen net als mijn broer, professoren aan Amerikaanse universiteiten en hun namen klinken zelfs mij niet onbekend in de oren - misschien worden ze ook wel eens geciteerd in tijdschriften en kranten. ‘Maikl hier zit in de literatuur,’ zegt Ronald, en de professoren zeggen ‘Aha!’ en drinken van hun sherry.

‘Dat verklaart zijn spijkerbroek,’ zegt Ronald ernstig en de professoren zeggen ‘Mhm, mhm.’

‘Hij heeft een boek geschreven over Kinderlijke Onschuld in de romans van Charles Dickens,’ gaat Ronald

[p. 54]

verder, en de professoren zeggen ‘Ja, ja.’ ‘Maar we wachten thans in spanning op zijn nieuwe boek, over Maritieme Tatoeages, dat een standaardwerk belooft te worden,’ gaat Ronald verder. Er valt een stilte, Ronald en ik kijken elkaar aan en barsten vervolgens tegelijk in lachen uit. De professoren lachen mee en op de ene of andere manier gun ik ze dat niet; ik besluit me uit de voeten te maken voor de sherry begint te werken en de hele zaak cynisch wordt. Maar de ene professor houdt me al bij de mouw vast: ‘Jouw broer hier,’ zegt hij op samenzweerderige toon, ‘jouw broer Ronald hier, kleine Ronnie zoals ze zeggen, hahaha, die houdt binnenkort de hele zaak voor bekeken! Niks geen standaardwerken meer! Hahaha!’

‘Hoe bedoelt u?’ vraag ik.

‘Max!’ zegt Ronald. ‘Excuseer ons even,’ en hij neemt me apart.

‘Waar gaat dat allemaal over?’ vraag ik.

‘Ik wou het je straks vertellen,’ zegt Ronald. ‘Maar Max is me te snel af geweest.’ Hij heeft een aanbod gekregen van een Amerikaans multinational - ‘transnational’ noemt hij het - om mondiaal hoofd van hun opleidingsdienst te worden. Hoofdkwartier, Chicago. De naam van de multinational beneemt me letterlijk de adem. Ik ken niemand die voor zo'n zaak werkt, het lijkt onwerkelijk. Even heb ik een beeld voor ogen, een wereldbol met een punt in Noord-Amerika van waaruit tientallen pijlen vertrekken naar andere plaatsen op de wereld, zoals je wel eens advertenties voor vliegtuigmaatschappijen ziet. Het is een beeld van macht; ik zie in mijn broers blik dat hij merkt dat ik, zelfs lichamelijk, voor het beeld terugdeins.

‘Ronny, ga je dat doen?’

‘Ja,’ zegt hij. ‘Ja, dat ga ik doen.’

‘En Suzanne, en de kinderen?’ zeg ik, omdat ik al de andere bezwaren die zich in mijn hoofd verdringen niet onder woorden kan brengen.

‘Mickey, Suzanne en ik zijn al een tijdje uit elkaar.

[p. 55]

Emily had dat al door maar jij...’

‘Wat, ik?’

‘Jij bleef maar doorgaan over... over Kerstmis godverdomme!’ zegt hij, en hij blijft een tijdje zwijgend in zijn sherryglas kijken. Zijn ogen zwemmen en ik zeg ‘Ronnie, Ronnie,’ en hij zegt: ‘Kleine Ronnie’ en we lachen allebei.

 

(Maandagmiddag)

We hebben gegeten in de foyer van het congresgebouw en ik ben met mijn broer naar de taxistandplaats gewandeld. Hij heeft beslist dat hij de rest van het congres niet bijwoont en dat hij straks de trein neemt naar Londen, en nog vanavond een vlucht naar huis te pakken probeert te krijgen. Ik heb gezegd dat Bobo het erg zal vinden dat hij weggaat zonder afscheid te nemen en hij heeft gezegd: ‘Ik kom terug, ik kom wel terug, zeg 'm dat ik terugkom.’ We hebben elkaar gekust en hij is met zijn koffertje in de taxi gestapt. We hadden geluk: het was een van de weinige ouderwetse zwarte knarren die hier nog rondrijden, de meeste zijn vervangen door nieuwe Vauxhalls.

Dit is mijn broer, denk ik terwijl hij wegrijdt, we komen uit hetzelfde nest. We reizen de wereld rond, we spreken menigten toe in talen die onze vader nooit geleerd heeft.

‘Zul je rijk worden?’ heb ik gevraagd.

‘Ik zal wel moeten,’ zegt hij en we lachen.

‘En jij?’ vraagt hij. Hij maakt met een arm een vaag, breed gebaar en ik volg zijn blik in de richting van de autoweg naar Londen: mogelijkheden, Menselijke Middelen, Win-Win-situaties, Totale Kwaliteitszorg, Unieke Verkooppunten. Ik lach.

Ik loop van het congresgebouw weg en begin over het gras de heuvelflank af te dalen. Aan de andere kant van de campus kan ik tussen het beton door de speelweide zien en de voorbereidselen voor de picknick: lange houten schragen, kleurige ballons en mannen en vrouwen die beladen met dozen en pakken heen en weer lopen tussen de tafels en een

[p. 56]

paar bestelwagens die aan de rand van de weide geparkeerd staan. De kinderen spelen tussen de tafels en bij de vijver, ik hoor ze roepen en schreeuwen. Ik ben nog te ver af om te zien of Anya en Emily en Bobo er al zijn. Er is ook muziek maar ik kan niet zien waar die vandaan komt. Het is een winderige dag; je ruikt de zee tot hier.

Terwijl ik over het gras naar de speelweide afdaal begint het zachtjes door de zonneschijn heen te regenen: malse, dikke druppels die de warmte niet breken en die door de gekke wind recht in je gezicht geblazen worden. Duivelskermis. Ik ben me prettig bewust van het dolfijntje dat op mijn blote enkel door het natte gras duikelt. Waarom heb ik Ronald er niet bij verteld dat het een vegetarische picknick is, ten voordele van een aidsfonds, vraag ik mezelf bijna luidop af. Wat is daar zo afschuwelijk aan, dat ik het moest verzwijgen? En waarom moet ik daar, nu, om lachen? Ik ben kwaad op mezelf en op Ronald, en ik lach en ik loop verder.



illustratie

terug  begin  verder