terug  begin  verder
[p. 57]

Kas Deprez
Elk zijn deel: zij de taal, wij de vlag

Uit: Cahier 1. Lijn, Grens, Horizon van Vertoog en Literatuur, Antwerpen 93, verschijnt in september 1993 bij uitgeverij Kritak.

In het Belgisch parlement hebben de Vlaams-nationalisten tegen Maastricht gestemd. Ze hebben daarmee het zoveelste bewijs geleverd dat ze niet tegen de wereld kunnen. Hun dorp, hun streek, hun volk, já - omdat de Vlamingen dit waard zijn. Maar de wereld, néén, de wereld is slecht en hij is bovendien tegen ons. De wereld respecteert de Vlamingen niet.

Om iets te zijn moeten wij Vlamingen zijn.

Ze hadden het nochtans goed voor. August Vermeylen schreef al in 1900 dat Vlaanderen geen einddoel kon zijn. Vermeylen was een socialist, geen echte Vlaming, maar zijn gevleugelde woorden hoorden ze graag: ‘Om iets te zijn moeten wij Vlamingen zijn. Wij willen Vlamingen zijn om Europeeërs te worden’. Zij hebben er ons de oren van onze kop mee gezaagd, met hun Vlamingen zijn om Europeeërs te worden.

Ze zijn Vlamingen geworden. Geen mirakel, zoals ze het zelf graag voorstellen, maar toch ook geen gewoon marxistisch mensenwerk. Je creëert een mythe, de mythe van het Vlaamse volk, en die mythe wordt werkelijkheid. Dit lukt lang niet alle nationalisten, ik ken heel wat nationalistische bewegingen die vol afgunst naar de Vlamingen kijken.

In 1830 bestonden er alleen Belgen (een Belgische bourgeoisie), geen Vlamingen en geen Walen. Maar de Romantiek

[p. 58]

maakte ook bij Vlaamse schrijvers, filologen, onderwijzers, priesters en studenten de grote gevoelens los. Gevoelens van trots met betrekking tot dat glorierijke verleden toen de graven van Vlaanderen hun Franse suzereinen recht in de ogen durfden te kijken. Toen wie des gilden vriend niet correct kon uitspreken, genadeloos afgeslacht werd (nu krijgt ge in dit geval geen job meer bij de BRT, de tijden zijn veranderd).

Dat volk moet herleven, sprak Hugo Verriest op 26 december 1872 tot de Bond der Westvlamingen voor Taal en Volk in Roeselare. Vele generaties lang hebben we in opdracht van de leraar dictie zijn woorden voorgedragen:

 

‘Eertijds heeft er een volk bestaan, edel en groot, de wereld rond bekend. Voor vijf zes honderd jaar en had gij onder de zon geen bezochte streek gevonden, waar men de Vlaming niet kende, waardeerde en prees... Welnu, dat groot, dat edel volk moet wederom onder de zon komen, leven, roeren, spreken, werken, in een woord bestaan. - Geen ander volk, geen nieuw volk, dat volk!’.

 

Verriest en de zijnen hebben het gehaald. Hun volk is een realiteit geworden, een culturele en politieke realiteit. Vlaanderen heeft zijn eigen vlag, zijn eigen parlement (dat voortaan ook rechtstreeks verkozen zal worden) en zijn eigen regering. Zijn minister-president zat op de wereldtentoonstelling in Sevilla de Vlaamse dag voor, bracht officiële bezoeken aan Hongarije en Tsjechië, ging praten met bevoorrechte partner Lubbers in Den Haag, vliegt in het najaar naar de Québécois, die andere kampioenen van het taalnationalisme, en organiseert conferenties over het Europa van de Regio's en de Culturen. Dat volk is met andere woorden al bijna een staat geworden.

Ze hadden zich Europa anders voorgesteld.

En nu krijgt dat volk met Maastricht de kans om de vol-

[p. 59]

gende stap te zetten. Maar de Vlaams-nationalisten passen, omdat ze zich Europa anders voorgesteld hadden. Als een meer egalitair en democratisch Europa bijvoorbeeld, waar alle talen evenveel prestige genieten en evenveel macht hebben. Of, nog beter, als een Europa waar voor het Nederlands een hoofdrol weggelegd is. Voor een dergelijk groots nummer kunt ge het best Jozef Deleu vragen, hij zal het voor de allerhoogsten opvoeren - voor de Nederlandse koningin bijvoorbeeld: ‘Majesteit, wij hebben u nodig’; op zo'n moment komt onverbiddelijk de eigenzinnige grensbewoner in hem boven.

 

Maastricht komt voor de Vlaams-nationalisten te vroeg. Vlaanderen is niet sterk genoeg om in het nieuwe Europa mee te tellen. Samen met Nederland zal het wellicht wel lukken. En dan worden we eindelijk wat we altijd al hadden moeten zijn: Nederlanders. Want niet in Vlaanderen en ook niet in Nederland horen we thuis, maar in de Nederlanden. Europa kan pas dan ons nieuwe huis worden als het eerst zijn kamers degelijk inricht. Waarmee ze bedoelen dat in Europa eerst enkele binnengrenzen herschikt moeten worden. Het Europa van de Vlaams-nationalisten is het Europa van de volkeren, van de taalgebieden dus.

Het meest extreme voorstel in dit verband las ik in Leidraad, het tweemaandelijks vormingsblad voor leidsters en leiders van het Vlaams Nationaal Jeugdverbond, een van de kweekscholen van het Vlaams Blok. In het Bloeimaandnummer van 1991 zette E. de Lobel, jarenlang hoofd van de studiedienst van het Blok, uiteen waarom hij tégen België en vóór Europa is. België heeft volgens hem niet minder dan vier volkeren verdeeld: de Nederlanders, de Fransen, de Duitsers en de Luxemburgers - ‘België bestendigen is daarom een tegennatuurlijke verdeeldheid bestendigen’. De Lobel zegt ja tegen Europa, maar niet tegen het huidige Europa, want dat is zo mogelijk nog onnatuurlijker dan België.

[p. 60]

Algemeen-Nederland congresseert.

De Lobel is een rechts-extremist en dus totaal oninteressant, behalve als vergelijkingspunt, als Algemeen-Nederlands vergelijkingspunt. Ze zijn talrijker dan je denkt, de Algemeen-Nederlanders, en ze organiseren sinds enkele jaren het ene congres na het andere, met steeds datzelfde thema: Hoe kan het Nederlands in het nieuwe Europa overleven? Op die congressen nodigen ze bij voorkeur de grote kanonnen uit, uit Vlaanderen en uit Nederland, in de hoop dat die zich voor een zo hecht mogelijke samenwerking tussen de twee constituerende delen van de Nederlanden zullen uitspreken. De Vlaamse gezagsdragers blijken daar meestal toe bereid te zijn, de Nederlandse niet.

Inhoudelijk het sterkste vond ik het congres dat door de Landelijke Vereniging van Neerlandici op 21 en 22 november 1991 in Amsterdam georganiseerd werd. Als politici spraken daar, van Nederlandse kant, mevrouw Hedy d'Ancona, Minister van Cultuur, en van Vlaamse kant, de heer Louis Vanvelthoven, Voorzitter van de Vlaamse Raad. Hun toespraken illustreerden het verschil in taalpolitieke denken tussen de twee landen perfect. En daar was van Vlaamse kant dus niet eens een Vlaamsnationalistisch spreker voor nodig.

(De teksten van deze twee toespraken zijn te vinden in het tweede jaarboek van de LVVN, 1992).

Lezen en luisteren en kijken.

Ik maak me geen zorgen, zei d'Ancona, het Nederlands verdwijnt niet en het zakt al evenmin tot een tweederangs status af. ‘Een eersterangs taal is geen kwestie van omvang, van aantallen. Een eersterangs taal is in de eerste plaats een taal die gekoesterd wordt als een dierbaar instrument voor het uiten van gedachten en gevoelens’. Nederland en Vlaanderen vormen een taalgebied waar men volgens d'Ancona ‘goed en zelfbewust met zijn taal omgaat. Een teken daar-

[p. 61]

voor is de wijze waarop men met zijn literatuur omgaat. Ik vind natuurlijk dat er altijd meer gelezen kan worden. Niettemin de dag-, week- en maandbladen in Nederland tonen aan dat de intelligentsia intensief bij de Nederlandstalige literatuur betrokken is’. Men kan ‘in tegenstelling tot alle defaitistische geluiden (...) gelukkig waarnemen dat het in Nederland en Vlaanderen bruist van de activiteiten’ (p.11).

Niet dat er in Nederland helemaal geen taalproblemen zouden zijn, maar die hebben niets met het Engels te maken, noch met de bedreiging die eventueel van een verenigd Europa zou uitgaan. Zo vinden veel leraren Nederlands dat er weer meer aandacht aan de literatuur besteed moet worden; veel kinderen vernemen op school vrijwel niets meer over de letteren. D'Ancona's antwoord op Europa 93 bestaat in het opzetten van akties die het lezen proberen te bevorderen, in steun aan groepen en verenigingen die met het boek begaan zijn, en in een krachtig bibliotheekbeleid.

Maar niet alleen de belangstelling voor het boek moet aangewakkerd worden. Het lezen is immers al lang niet meer alléén zaligmakend. Veel van wat onze kinderen nu weten, weten ze via de televisie. De televisie is geen verderfelijk medium, alleen zijn veel mensen niet tot een evenwichtig gebruik ervan opgevoed. ‘Het juiste antwoord op de huidige media-consumptie lijkt mij het verbeteren van mediacompetentie, waarin lezen, luisteren en televisiekijken in een evenwichtige verhouding verweven zijn’ (p. 14).

Ze zegt het niet met zoveel woorden, maar het is duidelijk dat in haar ogen de Nederlanden op geen enkele manier tot de bevordering van de taal en letteren in Nederland kunnen bijdragen. Het is een project dat integendeel schade kan berokkenen.

In verband met het buitenland liggen de zaken natuurlijk anders. Daar is samenwerking geboden, maar die samenwerking is er al. Daar dient nu eenmaal de Taalunie voor. Er is de jongste jaren heel wat gedaan. Het aantal docentschappen Nederlands in het buitenland is sterk toegenomen; binnen de

[p. 62]

EG is het aantal formatieplaatsen tussen 1967 en 1987 bijna verdubbeld. In 1990 schreven zich bijna 5000 kandidaten in voor de toetsen voor het Getuigschrift Nederlands als Vreemde Taal.

 

Het buitenlands cultureel beleid hoeft overigens niet per se gemeenschappelijk te zijn om vruchten af te werpen. Denk aan het recente wedervaren met de Stichting Vertalingen (wie zegt promotie van de Nederlandstalige Letteren in het buitenland, zegt vertalen). Het is met de Stichting Vertalingen als Nederlands-Vlaamse onderneming mis gegaan, maar dit betekent niet dat er nu minder vertaald wordt. ‘Gekozen is voor een pragmatische aanpak en dat blijkt te werken’ (p. 16).

Conclusie van de Nederlandse minister: de taal is springlevend, er wordt veel kwaliteit gebracht. Als er al een bedreiging voor het Nederlands bestaat, moeten we die zoeken in gevoelens als ‘blaséheid, driftigheid, overmoed van de kant van de sfeermakers, je er te onpas mee bemoeien’ (p. 18).

Het vervult de Vlamingen met trots.

In het betoog van Vanvelthoven kwamen de woorden leesbevordering, bibliotheekbeleid en mediacompetentie niet voor. De voorzitter van de Vlaamse Raad vond dat hij in Amsterdam over de geschiedenis van de Vlaamse emancipatie moest vertellen. Ze kennen ons daar niet, ze weten niet hoe hard wij voor het Nederlands gestreden hebben. Dus sprak Vanvelthoven over de tijd toen de machthebbers, de notabelen, de weldenkende burgers in Vlaanderen een taal gebruikten die de modale Vlaming niet kende en niet begreep. Die ellende begon niet met België, maar al ‘zowat drie eeuwen vroeger, toen na de val van Antwerpen het Noorden zijn eigen weg ging’ (p. 21).

Vanvelthoven bracht het verhaal van de Vlaamse ont-

[p. 63]

voogdingsstrijd en hij bracht het slecht. Ten eerste sprak hij vrijwel uitsluitend over de Vlamingen; de Walen en de Brusselaars kwamen nauwelijks in zijn relaas voor. Op die manier kun je onmogelijk de geschiedenis van België inzichtelijk maken. Het zijn de Vlamingen, de Walen en de Brusselaars die samen het unitaire België afgebroken hebben, en ze hadden daar elk hun eigen specifieke redenen toe. Maar ja, dan verliest de geschiedenis wel een deel van haar Vlaamse glans.

Ten tweede stelde hij het als goed socialist zo voor dat het de socialisten zijn die Vlaanderen gemaakt hebben; hij loofde August Vermeylen en Kamiel Huysmans en verder niemand. Het zijn nochtans vooral de katholieken die de Vlaamse natie tot stand gebracht hebben, pastoors en onderwijzers die de Vlaamse volksmens onder meer tegen het socialisme wilden beschermen. Moderne historici hebben dit al zo vaak gezegd en geschreven. De Vlaamse Beweging was (is nog steeds in belangrijke mate) de politieke uitdrukking van de kleine burgerij en de intelligentsia uit de katholieke zuil. Maar de naaste medewerkers van Vanvelthoven zijn neerlandici - Joris Dedeurwaerder, Martine Tanghe, Johan Nootens... -, en die lezen geen modern historisch werk. Die zijn als Algemeen-Nederlandse filologen ook niet in staat om dat werk te appreciëren (geblokkeerd als ze zijn door het negentiende-eeuwse geschiedenisbeeld dat ze in Leuven/Gent/Brussel van hun professoren Nederlands meegekregen hebben). Vanvelthoven moet dringend enkele jonge en lastige historici aanwerven.

Echt Nederlands, en wij de paracommando's van dat echte Nederlands.

Vlaanderen beschikt sinds 1970 over cultuurautonomie. De Vlaamse Cultuurraad bevestigde in 1972 bij decreet dat de officiële taal van Vlaanderen het Nederlands is. Er is onlangs voorgesteld dit decreet te amenderen, deelde Vanvelthoven zijn toehoorders mee, en uit de manier waarop hij

[p. 64]

[advertentie]

[p. 65]

het zei kon je opmaken dat hij zelf het idee ook niet ongenegen is. Er zou namelijk in dat amendement aangegeven worden dat met Nederlands het echte Nederlands bedoeld wordt:

(a) inzake spelling: de spelling zoals die op advies van de Spellingcommissie wordt vastgesteld;

(b) inzake woordenschat: de woorden en uitdrukkingen die door de gezaghebbende woordenboeken als Algemeen Nederlands worden beschouwd;

(c) inzake syntaxis: de syntaxis die door de Algemeen Nederlandse Spraakkunst als Algemeen Nederlands wordt beschouwd.

Het officiële Vlaanderen weigert met andere woorden een bijdrage aan de ontwikkeling van het Nederlands te leveren. Het Nederlands is de taal van de Nederlanders. Zij maken de taal en de Vlamingen nemen ze van hen over. De Vlaamse top-schoolmeesters zullen aan de Vlaamse ambtenaren, studenten, enz. uitleggen wat dat allemaal inhoudt. Daar hebben die zeer goede boeken voor, bijvoorbeeld ‘Correct Taalgebruik’ van Willy Penninckx en Paul Buyse.

Waarom zijn onze schoolmeesters, en met hen alle Vlaams-nationalisten, voor zo'n programma van standaardtaalovername gewonnen? Omdat het Vlaamse volk op die manier van zijn vele gallicismen en dialectismen bevrijd wordt. De gallicismen zijn in de ogen van de Vlaams-nationalisten het gevolg van onderdrukking, en de dialectismen zijn het gevolg van armoede. Eindelijk worden de Vlamingen weer zichzelf dank zij de woorden en uitdrukkingen die Penninckx en Buyse hen aanreiken.

Dat het Nederlands niet door de Vlamingen gemaakt wordt, hoeft nog niet te betekenen dat dezen geen enkele rol te spelen hebben, dat hun enige opdracht erin zou bestaan die taal zo goed mogelijk te leren en zonder fouten te schrijven. Er is voor de Vlamingen met betrekking tot het Nederlands integendeel een zeer edele taak weggelegd, namelijk die van soldaten van het Nederlands - wat zeg ik, die van elite-solda-

[p. 66]

ten, van paracommando's van het Nederlands (de term komt van Penninckx, zie De Standaard van 15.2.1992).

De Nederlanders zijn zo naïef dat ze niet eens weten dat het Nederlands bedreigd wordt. Wij, de soldaten, moeten hen dat diets maken, en hen ervan overtuigen dat we samen zoveel sterker zijn. ‘De publieke opinie in Vlaanderen verwacht’, zei Vanvelthoven in Amsterdam, ‘dat Nederland en de Vlaamse Gemeenschap hier in Europa met één stem spreken en duidelijk aangeven dat 20 miljoen Nederlandstaligen in Europa aan hun trekken komen’ (p. 28).

Vlaanderen vecht al meer dan 150 jaar voor zijn taal. Het zal blijven vechten. Het zal vechten voor het Nederlands in Vlaanderen, in Nederland, in Europa en in de wereld.

Wat is er socialistisch aan het denken van Vanvelthoven in verband met het Nederlands? Wat heeft hij in Amsterdam gezegd dat een Vlaams-nationalist er niet gezegd zou hebben? Niets, denk ik - behalve dat een Vlaams-nationalist het er, terecht, wat minder over de socialisten onder de flaminganten gehad zou hebben. Waarmee ik niet wil zeggen dat Vanvelthoven een Vlaams Blokker is. Natuurlijk is Vanvelthoven geen Vlaams Blokker, hij is een socialist. Hij heeft alleen als socialist niets te vertellen.

Op het jongste congres van het Davidsfonds kreeg Vanvelthoven lof toegezwaaid door Lieven Van Gerven.

Nederland moet officieel Nederlands spreken.

Vlaanderen probeert zijn taalnationalisme naar Nederland te exporteren. Dit gebeurt via de Algemeen-Nederlandse verenigingen: Algemeen-Nederlands Verbond, Algemeen-Nederlands Congres, Algemeen-Nederlands Zangfeest, Algemeen-Nederlandse Stichting Ons Erfdeel, enz. Het zijn de Vlamingen die in deze verenigingen de toon aangeven. De Nederlanders moeten hun taal letterlijk beschermen, vinden de Algemeen-Nederlanders, anders ontwikkelt er zich een elite - zie Vlaanderen in de 19e eeuw - die in steeds meer

[p. 67]

domeinen van het maatschappelijk leven Engels zal gebruiken. In Vlaanderen is taal politiek, is taal taalwetten; Vlaanderen beschikt over de meest uitgebreide taalwetgeving ter wereld.

Nu moeten ook de Nederlanders taalwetten maken. Politiek Nederland had aanvankelijk helemaal geen zin om aan dit taalnationalistisch gedoe mee te doen. Maar de Algemeen-Nederlanders blijven maar congressen organiseren, en ze blijven maar herhalen dat Nederland inzake taalbewustzijn duizend jaar achterstand op Vlaanderen heeft. Het kan niet anders of ze bereiken uiteindelijk vijf Nederlandse parlementariërs - de vrienden van Deleu bijvoorbeeld. Die vijf beginnen wetsvoorstellen te formuleren, en die voorstellen worden door iedereen aanvaard - je moet als verkozene des volks al een heel slecht karakter hebben om tegen je eigen taal te stemmen.

Op 1 augustus 1993 treedt in Nederland de eerste wet in verband met het Nederlands in werking. In die wet is vastgelegd dat het Nederlands de taal van het hoger onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek is. Die wet is vergelijkbaar met het decreet Coens, maar hij is liberaler (hij laat met andere woorden meer ruimte voor cursussen en programma's in een vreemde taal).



illustratie

[p. 68]

Een tweede wet is in voorbereiding. Op 29 januari 1993 ging de Nederlandse ministerraad akkoord met het voorstel van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken om ook de ongeschreven regel dat in Nederland het Nederlands de taal van het bestuurlijke verkeer is, in een wet te gieten.

Wie wordt beter van deze wetten? Niet de Nederlanders, aangezien de Nederlanders geen taalproblemen hebben. Nederland is op gebied van taal een zalig land. (De Friese taalactivisten zullen mij deze laatste uitspraak kwalijk nemen. Ze moeten echter weten dat ik inzie dat hun moeilijkheden de keerzijde van de Nederlandse taalpolitieke medaille vormen, en dat ik aan hun kant sta).

Hoe komt het dat Vanvelthoven dit niet weet?

De vitaliteit van een taal moet je niet meten aan het aantal sprekers dat die taal telt noch aan het aantal wetten dat haar moet beschermen noch aan het aantal bommen dat ervoor tot ontploffing gebracht wordt. De vitaliteit van een taal moet je meten aan de kwaliteit van het werk dat in die taal tot stand gebracht wordt, en aan de gretigheid waarmee de andere leden van die taalgemeenschap dat werk tot zich nemen. Hoe komt het dat d'Ancona dit wel begrijpt en Vanvelthoven niet?

Het Nederlands is nog nooit zo sterk geweest als nu. Hoe komt het dat Vanvelthoven dit niet ziet? Zou het kunnen dat zijn Vlaams-nationalisme hem parten speelt?

Hoe komt het dat Vanvelthoven al evenmin weet dat het met het Nederlands beter gesteld is in Nederland dan in Vlaanderen? Dat de kwaliteitskranten in Nederland daadwerkelijk kwaliteitskranten zijn, en in Vlaanderen niet? Dat in de media in Nederland meer aandacht aan cultuur besteed wordt? Dat in Nederland meer boeken, kranten en tijdschriften gekocht worden? En dat dit niet een kwestie van taalwetten is.

Wanneer gaan Vanvelthoven en Van Gerven toegeven dat

[p. 69]

het flamingantisme gewonnen heeft in België? Dat de strijd gestreden is en dat de Vlamingen nu vrijelijk boeken kunnen lezen?

Wanneer gaat Vanvelthoven toegeven dat Vlaanderen veel aan België te danken heeft? Aan België en dus aan het Frans? In België leven is invloed van het Frans ondergaan, invloed die de Nederlanders niet ondergaan. In België leven is met andere woorden een ander Nederlands spreken dan de Nederlanders, een Nederlands met gallicismen.

Dat is goed, moet Vanvelthoven de Vlamingen vertellen, want wij zijn van ons contact met de Franstaligen beter geworden. België is een prima oefening, ook met het oog op Europa. Samenleven met mensen die anders zijn, die bijvoorbeeld een andere taal spreken, dat willen wij. Vooral omdat de Walen zulke grote economische problemen hebben. Wij willen als socialisten, moet Vanvelthoven zeggen, onze solidariteit met de Waalse arbeiders blijven betuigen. Wij willen op cultureel gebied verder Franse invloed blijven ondergaan. Franse en Engelse invloed want het Engels is natuurlijk de nieuwe wereldtaal. Wij willen ons niet van de wereld afsluiten, moet Vanvelthoven zeggen. Het Nederlands is sterk genoeg om de nieuwe confrontatie aan te kunnen. Wij kunnen niet meer zonder het Engels. Het Engels is ook onze taal.



illustratie

terug  begin  verder