Benno Barnard is een bezig baasje. Daar is natuurlijk niets op tegen. Integendeel. Eindelijk nog eens iemand die met literatuur vorstelijk zijn brood verdient. Dat hij de romans van bekende Vlamingen eindredigeert en daarmee meer geld verdient dan de auteurs zelf. Tot daar aan toe. Dat hij samen met kornuit Geert van Istendael de Vlaamse literaire markt en Antwerpse klasserestaurants afschuimt om het kruim van schrijvend Vlaanderen bij uitgeverij Atlas onder te brengen en daarbij meer geld incasseert dan het kruim. Het zij zo. Dat hij charmant badinerende poëziecommentaren kwijt kan in het tijdschrift van vriend Herman. Niets op tegen. Maar dat hij zichzelf als heuse schrijver al wil vereeuwigen terwijl hij nog groen achter de oren is, dat gaat er bij mij niet in. Barnard mag dan namelijk een eindredacteur met flair zijn, een zeer gewiekste impresario en een verdienstelijk poëziebespreker én vertaler maar een schrijver is hij nooit geweest. Hij mag zich nog zo uitsloven om de eigen gedichtjes en autobiografische impressies reeds zelf bij voorbaat te gaan interpreteren nog voor ze zijn opgedroogd. Het kan niet baten. Barnard is een literator die graag met taal speelt - zij het ook nogal risicoloos en zeer zuinig, al te stilistisch verantwoord. Iets schrijven van belang is hem niet vergund omdat hij blijkbaar niets te vertellen heeft.
Na Uitgesteld paradijs is hij allicht in zichzelf als heuse schrijver gaan geloven. Hij beschreef toen enkele typische Belgica vanuit de optiek van geamuseerde buitenstaander voor geamuseerde buitenstaanders - Nederlanders bijvoorbeeld - en het resultaat was inderdaad een staaltje goede journalistiek. Het stuk dat hij schreef over zijn Caraïbisch bezoek als eindredacteur bij Portocarero (Tropisch België) is een mooi lapje tekst en voor mijn part het beste
dat Barnard tot nu toe aan elkaar heeft gebreid. Precies omdat hij in dit proza zichzelf als observator niet voor de voeten loopt. Hij beschrijft met een lichte, vaak ironische toets wat hij ziet zonder te pas en te onpas de camera op zichzelf te richten. Helaas dus. De jubel bij de ontvangst van Uitgesteld paradijs was dermate unisono en de positie van Barnard in de literaire goegemeente is ondertussen zo untouchable dat Barnard zich alles meende te kunnen veroorloven. Resultaat: Het gat in de wereld waarin hij voortdurend zichzelf én zijn eigen ‘oeuvre’ van enkele tientallen gedichtjes interpreteert als schreef hij een postume monografie over een onsterfelijk auteur.
Die ongelooflijke zelfingenomenheid begint al bij de samenstelling van de bundel zelf. Zijn autobiografische reisimpressies steken van wal met een stuk over zijn Rozendaalse jeugd en over zijn vaderlief dat hij nog maar enkele jaren geleden in boekvorm had uitgebracht. En daar begint Barnards interpretatorische reklame voor zichzelf. In een aantekening bij dit stuk heet het ietwat koketterend dat het vorige boek met dit Rozendaals vaderstuk ‘miraculeus genoeg inmiddels uitverkocht’ (p. 275) is. Wat is Benno fier te kunnen zeggen dat zijn Tijdverdrijf voor enkle fijne luiden met poëziecommentaren - nota bene een materie die niemand leest buiten hijzelf en Herman dus - ooit uitverkocht is geraakt. En dan begint Barnards zelfbewieroking pas goed te stinken.
Hij noteert braafjes dat het in die beschrijving over zijn jeugd om een vaderportret gaat. Nu ja, ‘mijn vader’, wel te verstaan, met de nadruk dus op Barnards ego (door hem zelf gecursiveerd, B.d.M.). En: ‘Bovendien ben ik in veel opzichten zijn evenbeeld, zodat er in mijn portret ook een zelfportret als zoon opdoemt.’ Vervolgens is de zoon niet meer te stuiten en komt de aap uit de mouw. Dat stuk en het
hele boek gaat natuurlijk over niemand anders dan Zijne Excellentie BeBa: ‘Wat het eigen gezicht van die zoon betreft: de overige hoofdstukken vormen een min of meer picassiaans zelfportret als volwassene, een vertekende fysionomie (...) die (...) een goed beeld oplevert van wie ik ben.’ (p. 275-276) Godallemachtig! Schrijft er iemand zogezegd een stuk over zijn ouwe vader en begint hij al direct te leuteren in een breed uitgesmeerde voetnoot dat hij aan een ‘picassiaans zelfportret’ bezig is en - hoe genereus toch van BeBa - dat het zowaar ‘een goed beeld oplevert’ van Zijne Majesteit.
Waarover gaat die stalinistische hymne tot meerdere eer en glorie van Barnards poëzij dan wel? Over zijn gedichtjes natuurlijk waarvoor zijn jeugdjaren met papa het materiaal hebben geleverd: ‘Alles wat ik schrijf heeft op een of andere manier daar zijn oorsprong, iedere zin is herleidbaar tot dat dorp, ons huis in dat dorp, mijn kamers in dat huis. Wie een gedicht van mij leest, betreedt een pastorie: mijn strofen zijn verdiepingen, de syntaxis is mijn bouwplan, elk woord is een lamp, een boek, een spiegel, elke witregel een overloop. Al mijn gedichten zijn huizen, pogingen tot een onruimtelijke reconstructie van het huis.’ (p. 16) En patatie patata... Schoon gezegd, merkt u op. Ja, schoon maar vals want die beeldrijke pastorie-gedicht metafoor is eigenlijk heel dunnetjes. (Natuurlijk dat de typografie van een gedicht een ruimtelijke structuur suggereert die onruimtelijk is: een soort van huis bijvoorbeeld...) Maar vooral: welke jonge snaak heeft de vermetelheid om met een dergelijke bombast zijn eigen poëzie te gaan bezingen? Dat getuigt van een onmetelijke verwatenheid die nergens op berust want Barnards gedichtjes zijn niet meer dan propere faits divers. Allicht daarom dat Barnard ze het liefst maar zelf exegetisch vereeuwigt. Maar moet een lezer zo-
iets dan slikken onder het mom van autobiografische impressies voorgeschoteld te krijgen? En wat gezegd van zijn arme vader die heel wat betere gedichten schreef en die simpelweg wordt misbruikt voor toeterende propaganda van 's zoons tweederangs produkten?
Die stuitende zelfverheerlijking - die voortdurende interpretatie van zichzelf als would-be schrijver - gonst door het ganse boek en maakt elke observatie tot voorwendsel en daarom finaliter ongenietbaar. Barnard die tweemaal vertelt in twee verschillende maar dus eigenlijk dezelfde opstelletjes hoe hij in Austin, Texas aan vijf studenten les gaf - wat mag van die herhaling wel het belang zijn? - verklapt in een lucide moment het geheim van zijn woordverliefdheid. Opnieuw is hij bezig met zichzelf niet te interpreteren maar te redigeren, deze keer, en zijn diagnose is voor één keer daadwerkelijk veelzeggend: ‘Lees ik mijn beschouwing over, dan ontwaar ik een vreemde leegte, opgevuld met technische middelen, stijl, woordenvloed.’ (p. 95) Vervolgens legt hij de vinger op de wonde die Barnard heet en heeft het over ‘geverbaliseerde horror vacuï’. Ook hier weer speelt zijn schoonschrijverij hem parten. Het gaat bij Barnard niet om een existentiële angst voor het niets maar om een schoolvoorbeeld van verbaal narcisme. Hij die altijd nogal formalistisch, als literator met de taal speelt, probeert dat spel zelfverliefd op te blazen tot substantiële proporties. Vermits hij echter niets heeft waarover hij zou kunnen schrijven tenzij de eigen woordverliefdheid levert dit maniëristische inflatieverschijnselen op. Die zeepbellen hebben dan wel de schijn van ‘geverbaliseerde horror vacuï’ maar wie zijn proza even au sérieux neemt, ontdekt geen spoor van ‘horror’ maar alleen wat heroïserend gekoketteer met de eigen woordacrobatie. Immers, wanneer Barnard de kans krijgt om echt eens ongelukkig te worden, pakt hij al
onmiddellijk de biezen en trekt er nog profijt uit ook: ‘Na twee dagen van huiselijke onmin had ik een Nederlands maandblad gebeld: een artikel over Triëst leek me de aan gewezen manier om een toestand te ontvluchten die daar zijn oorsprong had.’ (p. 197) En zo werd weer een autobiografisch intermezzo: Liefde in het fin de siècle geboren. Uit goddelijke nonchalance, volgens Barnard. Uit woordjesmelkerij en pure geblaseerdheid, volgens mij.
Dat Barnard zelf zijn flapteksten schrijft, mag nu wel duidelijk zijn. En dat hij ze zelfs ondertekent met eigen kunstenaarsnaam, hoeft niet te verwonderen. Nog minder dat die glorificerende en bombastische teneur van zijn zelfexegese ook daar in het kwadraat hoogtij viert: ‘Het lijkt wel alsof ik mij fataal daar wil bevinden waar er geen daar is.’ Op die ‘tragische’ manier besluit hij een interpretatorisch vluggertje waarin hij in kort bestek zijn schrijverschap ophangt aan het hic et nunc van de mysticus. Beba: ‘Uitgesteld paradijs (...) is mijn autobiografie over een man die erg zijn best doet te begrijpen wanneer nu is. Het gat in de wereld (...) stelt zich de vraag waar hier eigenlijk is.’ Daarmee trekt Barnard het ultieme mystificerende rookgordijn op voor zijn nietszeggend stilistisch conformisme. Barnard wil het doen voorkomen dat hij de ‘afgrondelijke’ ervaringen van de moderne mysticus-nomade met onverbiddelijke precisie scherp stelt. Hij moet het er dan wel eerst zelf bij zeggen. Wie zijn proza immers leest, wordt geconfronteerd met een omhooggevallen eindredacteur die alleen maar doet alsof hij aan het hier en nu lijdt. Voor de rest produceert hij wat gladde tekstjes die op geen enkel moment beklijven. Vandaar allicht Barnards cijfermanie. Door voortdurend te zeggen hoe oud hij was toen dit of dat gebeurde of op welke dag zus of zo in zijn leven opdook, probeert hij het gestroomlijnde niets van zijn leven alsnog
enige minimalistische contouren te geven.
Het is allemaal boter aan de galg. Het enige wat bijblijft is de honger van een eindredacteur naar wat stevige kopij. Bij gebrek aan enige voeding van die aard zet hij dan maar de tanden in het eigen vlees. En om zich te overtuigen dat dit vlees er wel degelijk is, levert hij al onmiddellijk een beschrijving van de gelaagde samenstelling erbij met alle mogelijke historische kwaliteitslabels. Barnard verkeert immers alleen in het rijk van de besten. Barnard in een commentaar bij een bosgedichtje van hem: ‘Het bos van Dante, het woud van Baudelaires symbolen, het tegenbos van Lewis' Tussenwereld, maar ook de donkere horizon van Stavelot en het park van Rozendaal, waar De Génestet begraven ligt en de eik van Paaltjens staat als duizend eiken. “Ik”, verdwaald tussen al die bomen: in zeker zin is deze ik nog steeds mij. Het feit dat ik alles wat ik schrijf in de ikvorm schrijf en dat ik tegelijk probeer het zoveel mogelijk te schrijven alsof ik een ander ben, die van Rimbaud, die van mijzelf - dat feit wijst daarop.’ (p. 51) Dat feit wijst inderdaad op het Grote Niets dat Barnard is. Hij is het Zwarte Gat van de Nederlandse literatuur dat iedereen en alles opslokt - zelfs zichzelf - ad maiorem Barnardis gloriam.
Beba: een spatiaal auteur! Maar met kleine dimensies.
