zijt ge daar nog? vroeg ze.
jawel, zei ik.
het was onze Kazan aan de achterdeur, zei ze. Hij is niet meer zo best de laatste tijd, onze Kazan. Hij ziet al helemaal grijs op zijn keel, maar de laatste tijd is het precies nog teveel als hij moet eten.
Of ze er al mee naar een veearts is geweest, vraag ik.
Die weet ook niet wat het is natuurlijk, die stond daar ook maar in zijn witte stofjas naar onze Kazan zijn tanden te zien. En overal een keer in zijn pels duwen tot onze Kazan begon te grommen. Vijfhonderd frank heeft dat gekost en het blijft maar duren. Ik moet hem nu altijd binnenlaten
want hij is te tam geworden om zelf de achterdeur open te doen. Weet ge nog dat Marcel daar zo fier op was dat hij onze Kazan had geleerd zelf de deur open te doen?
ik zei dat ik dat nog wist.
En dat Kazan zijn pantoffels bracht als hij thuiskwam van zijn werk bij de mutualiteit, juist zoals die hond op t.v., dat had Marcel ook altijd plezierig gevonden. Nu doet hij niet anders meer dan in de keuken onder de radiator liggen, soms laat hij zijn eten staan, zelfs al is het Pal zonder patatten of rijst erdoor. Enfin, om nu terug te komen op de verdeling indertijd en die kust die zij toen meegekregen had omdat zij zolang voor moeder had gezorgd.
Ja? zei ik.
Ewel, zei ze, ge zult het amper geloven, maar nu, achteraf, had ze al een paar keren gedacht bij haar eigen van: ik had ze misschien beter niet in huis gehaald, die kust!
ge meent het, zei ik.
Had ik het geweten, ik had het misschien toch aan ons Hilde gelaten bij de verdeling, die kust, of aan onze Robert, die heeft dat zo graag, al dat zand en dat water, en die jengelende kinderen in de zomer. Pas op, het is niet dat het niet gezellig is in uw living, zo'n kust, en het was altijd het eerste wat de mensen zeiden als ze binnenkwamen, dat dat zo gezellig is. En zelfs mevrouw Vanmeerbeek, de vrouw van Albert, die collega van Marcel die laatst een attakske had gehad, heeft er ook complimenten over gemaakt. En die heeft anders zelf ook geen minne kust in haar living, eentje met van die schone witplanken badhokjes en zo, van vroeger nog.
Jaaja, zei ik.
Maar werk, zei ze, daar hebt ge geen gedacht van. In de
winter ging dat nog, maar eens dat het weer wat beter werd was er bijna geen beginnen meer aan. Wat dat er dan allemaal voor volk op af komt, dat is bijna niet te geloven.
Dat ik me dat wel kon voorstellen, zei ik.
Ja maar, het kusttoerisme is de laatste tijd sterk veranderd, hoor. Dat is niet meer zoals vroeger toen de mensen hier nog kwamen om hier een maand of langer van de goede lucht te genieten. Van 's morgens staan ze al aan te schuiven op de autostrade tegenwoordig, en 's avonds terug, dat ziet ge van hier. En alles meebrengen in frigo-boxen natuurlijk, drank en sla in tupperware dozen, en broodjes in zilverpapier, want eten in een restaurant op de dijk, dat is te duur. Enfin, de hele hutsekluts, ge kent dat. Ik begrijp dat wel, het is voor iedereen crisis, maar dat al die rommel elke avond op mijn kust moet blijven liggen, dat is niet serieus. Ha neen, leven en laten leven.
Denken ze dat ik dat zo plezierig vind, misschien? Je moet je voorstellen wat dat is, elke avond opnieuw. Ach zo'n stuk aangespoeld visnet, een stuk kurk, hout dat god weet hoe lang al over de zee zwerft en op strand komt aangespoeld, dat is allemaal niets. Dat laat ik gewoon liggen, dat hoort er nu eenmaal bij. Maar, wel, neem nu een gewone doordeweekse dag als gisteren...
Ja? zei ik.
Drie espadrilles, zei ze, twee linkse en een rechtse: vijf zandvormpjes: een in de vorm van een blauwe ster met bovenop in reliëf een lachende halve maan, twee in de vorm van een schelp, een geel dat lijkt op een taart en een oranje in de vorm van een vierbladige bloem; een blikken doos met van die Deense koekjes, zeker uit de ALDI, de papiertjes zaten er nog in; gebruikte luiers, ge hebt er geen gedacht van, schoon dichtgemaakt met die kleefstrips die eraan zitten, hoor, daar niks van, maar ik heb hier toch om de dertig
meter van die oranje vuilbakken staan; een zandschop met steel en een andere zonder steel; een zonnebril met een glas eruit; een netje om mee op garnalen te vissen, zo'n netje met een houten latje onderaan, recht uit de souvenirwinkel op de dijk, niks aan, honderd frank weggesmeten; een rieten tas met een afgebroken hengsel; meer dan tien aanstekers, geen enkele helemaal leeg maar allemaal verstopt van het zand; rieten strandmatjes met van die groene stiksels aan de zijkanten, in stukken vaneen; een hoedje van Belga; een windmolentje met drie van de vijf schroeven eraf; een slaapzak met donkere kringen erin en brandgaatjes in het nylon; de helft van een bandje van een polshorloge; een waterpistooltje met een barst in de loop; handdoeken en badlakens, daar kan ik zo langzamerhand een uitverkoop van beginnen; tientallen kartonnen zonnekleppen van G.B.-Quick, het is zeker weer reclame want dat is hier al de hele week het zelfde met die zonnekleppen van de Quick; badminton-pluimpjes; en dan heb ik het nog niet over de gewone zever, ge hebt er geen idee van hoeveel merken sigaretten er zijn, allemaal in van die pakjes met cellofaan errond en merken van chips en weet ik veel wat er tegenwoordig uit die zilverpapieren zakken allemaal komt; isomo dozen van hamburgers uit de Quick en servetten en kuipjes waar ketchup of mayonaise in heeft gezeten; kartonnetjes met frieten; schroefdoppen en plastik flessen; merken van frisdrank en bronwater, teveel om op te noemen; bekertjes met een deksel met zo'n kruisje waar een drinkrietje door moet; bekertjes zonder deksel, liefst met de randen in reepjes gescheurd en opengeplooid tot een bloem; kartonnen bekertjes van crème-glace, dekseltje tot op de bodem geduwd, sigarette-peuken erin, en wespen dat daar dan op af komen; pizzadozen; steeltjes van frisco's; gebruikte tampons, gezwollen als dode ratten van in het water te liggen; kapotte zwembandjes met van die waardeloze ventieltjes in doorzichtig plastik; emmertjes ...
[advertentie]
hmmm, zei ik.
ja, zei ze, elke dag een zak of tien. Nog te zwijgen van de dingen die je niet wegdoet, maar ook niet gebruikt. Zoals badmintonpluimpjes of zo'n schepnetje. Ge weet nooit wie ge er nog een plezier mee kunt doen. Het kan altijd nog van pas komen.
ja, ik ken dat.
en zoals dat hier bij ons op de gemeente gaat. Als uw rommel niet in een vuilniszak van de gemeente zit, laten ze het gewoon staan. Zo gaat dat hier met dat de socialisten en de groenen er aan zijn. Vijftien frank voor een vuilniszak van de gemeente. Dezelfde zakken kosten in de ALDI vijftig frank voor een gans pak. Ge moet niet vragen hoe ze daar aan verdienen. Maar dat is het ergste niet. Tegenwoordig komt de vuilniswagen maar een keer om de veertien dagen meer, en dan mag het al geen feestdag zijn, of zo. Ge kunt al denken wat we daar dan staan hebben op twee weken. En ons eigen vuil moet daar dan nog bij.
Dat het nog een geluk is dat ze dat allemaal niet zelf moeten wegdoen, zei ik.
Ja, nee, zei ze. Het is te zeggen. Hebt gij daar niet ergens zo'n aanhangwagentje staan, want onze Marcel kan dat toch maar beter zelf weg doen. Zo een keer om de week. De buren hebben er nog niets van gezegd van al die zakken aan de straat. Dat niet. Maar ge ziet ze denken van, amaai, Madame met haar kust in haar living. En zo een keer om de week kon Marcel die zakken zelf wel wegdoen. En dat er toch nog een trekhaak aan de auto zat van toen ze nog met de caravan naar Spanje gingen, voor dat ze die bungalow hadden gekocht. En dat zo'n aanhangwagentje heel goed zou zijn want Marcel wou al die smeerlapperij niet in de koffer van de Mercedes en daarbij, dat gaat er toch niet
allemaal in ook niet, zei ze, wat ik daar zo op een week van mijn kust moet rapen.
Dat ik dat aanhangwagentje nog wel had, zei ik, en dat ze dat gerust mocht komen halen, maar...
Jamaar, het dringt niet, hoor. Dat ik dat wel kon meebrengen als we nog eens naar haar kust kwamen kijken als het schoon weer was.
Zo eenvoudig was het niet, zei ik. Er moesten eerst nieuwe banden aan want dat aanhangwagentje stond al minstens zeven jaar in het schuurtje. Maar dat ze het mocht hebben als ze de moeite deed om het te komen halen want gebruiken deed ik het toch niet.
Jaja, zei ze. We zullen wel zien. Maar dat we toch zeker nog eens moesten langskomen. Want buiten het werk dat ge eraan hebt aan zo'n kust, is er toch niks aangenamers voor in de living. Soms zette ze het geluid van de t.v. af, zei ze. En als het dan tussen eb en vloed is hoort ge het water bijna niet bewegen. Dat vond ze het beste van de avond, zei ze, dan zat ze daar maar zo wat te dromen in haar zetel, met het nieuws van halfelf op t.v. en die zee daarachter ergens in de nacht.
Dat we dat zeker zouden doen. Een keer langskomen, bedoelde ik.
Ja, als het nog eens schoon weer is.
We zouden het nog wel laten weten, zei ik.
Dat dat goed was. En dat ik nog maar eens moest nadenken over dat aanhangwagentje.
Dat ik dat zou doen. En de groeten aan Marcel, zei ik.
En gij de groeten aan Linda.
Dat het zou gebeuren, zei ik.