terug  begin  verder
[p. 49]

Paul de Kwispelaere
Geplet door het alfabet

Wanneer word ik baron, verdomme, zoals schoon Moniek en haren Lambiek?

 

Een boek beginnen is een marteling, het schrijven nog erger. Ik voel me leegbloeden en geef mezelf door aan het blad. Ondertussen gaat buiten de pauwhaan te keer. Zijn staart is weer volgroeid. De okkernoten ballen hun vuisten. En de paardekastanjes maken obscene gebaren. Lag ik maar in bed bij I. die allicht zit te bladeren in een van die Spaanse rotboeken van haar. Bladerde ze maar wat meer in mij. Ik schrik van mezelf. Word ik een geile oude man? Je l'espère, Valère. Die pauwhaan moet er aan! Zijn gekrijs doet mij verlangen naar een tomahawk gemaakt uit het eikehouten blad waarop mijn besproete hand steunt. (Ouderdomsvlekken is zo een oneerbiedig woord. Wie verstaat nog de ziel der woorden?) Een blad dat mijn vader met eigen handen heeft afgetrokken... Ik word hier gek in dat rotdomein van me! Vleermuizen, neem mij mee: uwen verkleefden dienaar Batman.

In 1920 stelde Kafka: ‘Arbeid adelt’. Aangestreept bij Max Frisch: ‘Rust roest.’ In hun gezelschap - en onder de handen van I. - word ik gerevitaliseerd. Het gesprek met gelijkgestemde geesten geeft mij zuurstof. Haar lichaam maakt van mij opnieuw den Wattman, den Batman. Mijn grootvader maakte steeds van die schertsende rijmpjes als de kalebasperen, meegedragen in de bekken van lijsters op zijn met schimmel gelardeerd caput ploften. Morgen word ik 100 jaar. Maar mijn schrijverschap staat in het zenit van zijn incontinentie. Ik voel me eventjes zo gelukkig als een varkensboer die het land hier verpest maar die het niet kan verdommen want buiten loeit de pauwhaan. Buur, eet uw hart uit! Ondertussen verzuurt de grond waarop uw kont rust. De wereld die jij beschrijft, is volstrekt verleden tijd,

[p. 50]

[advertentie]

[p. 51]

zegt I. Jezusgodallemachtig: lees dan maar die rotspanjolen in plaats van eigen volk eerst. De hormonenmaffia bestormt mijn nest. Vlaanderen de leeuw. Leve de verloedering. Morgen word ik 1000 jaar.

 

Deze stille, zonnige oktoberdagen zijn de lelijkste van het jaar. Ze hebben iets van een oersaaie party. Ze verlopen als een heel langzaam draaiend wiel met rosse spaken. (Roest!) De pauwhaan kraait victorie. Ze zullen hem wel temmen, de okkernoten met hun goeiedag. Als een beetje wind over het gras strijkt, ruik ik de zure geur van dit verpeste varkensboerenland. Er zijn nog struikrozen, maar ze grijnzen als Walter Capiau. De stokrozen hebben zich teruggetrokken op de hoogste top van het VTM-gebouw. Op de morgen van zo'n dag ben ik tijdens Rat van fortuun verwekt. Spermatozoön en eicel kwamen uit BRT-duisternis bij elkaar in een willekeurig punt van de ether en legden mij onherroepelijk vast. Hier zit ik nu en kan niet anders. Wanneer brengt I. mij verdomme een ontbijt met alles erop en eraan? Ik moet als een koning worden behandeld en word voortdurend geschoffeerd. Flaubert: ‘Wij muzenzonen verdienen de beste vrouwen.’ Een schrijver naar mijn hart. Waarom geven ze hem niet de Ako-prijs i.p.v. aan schlemielen met een brilletje?

Er staan essen, bessen, tressen, zessen, esdoorns, linden, iepen, kastanjes, elzen, wilgen. Vermiljoen, vermiljoen, wat ben ik een oen! Weer die grootvader met zijn kalebassen... Dat voorjaar lopen er ook de eerste Suffolk-schapen, met hun blèrekoppen. De grote kalebasperen krijgen weer hun piskleur. De hele middag heb ik die tuin verwenst. Morgen verhuis ik naar Linkeroever. Antwerpen '93, here I come.

 

In dit land van boekheidenen leest alleen een elite mijn boeken. Ze zuigen zich vol aan mijn bloed en tranen. Voor hen en alleen voor hen laat ik mijn tuin onderhouden. Ik

[p. 52]

word duizelig van de afgrondelijke wijsheden die ik verkondig. I. stut mij! en laat die Puig zichzelf soigneren! Als Vlaanderen deze notities leest, zal het voor een keer een echte mens hebben leren kennen. Een echte mens leeft in niets en niemand ontziende eerlijkheid. Zelfs mijn lafheid biecht ik op. Brodsky: ‘Veel lol met Pol, maar zeg niet te vlug schol.’ De diepzinnigheid in mijn geschriften zit inderdaad waar men het niet vermoedt. Ik kan het niet treffender dan Brodsky zeggen. Met hem sta ik op eenzame hoogte en bekijk het gepeupel dat niet leest en alleen maar schrijft om zijn pens te vullen.

Het ontaaltje dat men tegenwoordig gebruikt verraadt de algehele verloedering van deze varkensboerenmaatschappij. Ik geef me ten volle rekenschap van de aristocratische teneur van mijn gedachten. Maar taal is denken en vermits denken taal is, krijg ik opeens verschrikkelijke dorst. Waar blijft I. met mijn driedubbele whisky? Voer voor mijn biografen: hij schreef pas zijn paradijselijk proza als hij purper zag van de whisky. Dan kwinkeleerde de leeuwerik en kregen de kalebasperen hun kleur van brons. (Whisky!) Over dubbele fluppen heb ik nog geen jota geschreven. Veel te plebejisch. Geef mij maar die vervloekte pauwehaan. Zoals hem, zie ik mezelf voortschrijden in de wereld der schone letteren: noli me tangere, hier He comes. Ik ben altijd een dandy gebleven: een pauwehaan. (Vroeger poseerde ik naast een sportwagen, nu sta ik bij voorkeur in mijn boomgaard fotogeniek te staan zoals Symforosa.) Met dat epiteton ornans in gedachten ween ik om mijn eigen vergankelijke grandeur.

 

Vandaag heb ik de hele morgen zitten suffen aan mijn eikehouten schrijverstafel die mijn ambachtelijke pa met zijn eigen pollen heeft geslist, gepolierd en geschapen quoi. Ook voor mij hoort het bezoek van de angeloi tenslotte meer bij Kerstmis dan de tellurische kalkoenen, en die heb ik overigens verpatst. Vroeger kweekte ik er met mijn eigen

[p. 53]

handen. Nu leg ik ze om mijn hals. Hoelang nog moet ik mezelf pijnigen met het afscheiden van deze onvergelijkelijke belletristische secreten? Terwijl de varkensboeren zich rondwentelen in de mest van hun zeugen en de biggen billenkletsend bombardon spelen, zit ik me hier af te peigeren. Waarom kan ik me niet eens goed amuseren met een tof meiske, een hamburger of Capiau's Rat van fortuun. Ik ben gedoemd tot deez' eenzaamheid. Sodomie, wanneer bezoekt gij mij?

 

Twintig jaar geleden zwom ik in een zee van tijd. Ik schreef andermans boeken lichtjes gevarieerd over en een nieuwe staatsprijs was besteld. (Wie had hier al gehoord van Durrells Alexandria Quartet? Buiten Piet van Aken natuurlijk: die achterlijke steenbakker.) Ik was toen nog niet gepromoveerd, mijn laatste zevenenzeventig boeken waren nog niet verschenen, een paar honderdduizend of weet ik hoeveel stukken en artikelen moesten nog worden geschreven, ik had zelfs nog geen voorstelling van de herenhoeve waarin ik sindsdien woon, mijn eerste bomen moest ik nog eigenhandig aftrekkken, G. zag er in het echt nog zo sloerieachtig uit als op de foto's uit die dagen, I. liep als een van de miljoenen mij onbekende schreeuwlelijken naar de nonnenschool, veel verhalen waren nog niet verteld, mijn haar was nog die naam waardig, nog niets was gekleurd door de blik waarmee ik er nu op terugkijk, de toekomst was een eindeloos open gebied... (Toen viel ik in slaap: dank I. voor de achtdubbele whisky!)

De wereld gaat naar het einde van zijn tweede millennium toe. In wat voor een helse staat wentelt deze aardkloot zich rond? Niemand leest nog boeken van belang, niemand soigneert zijn hofke, niemand zit nog aan een eikehouten schrijverstafel die zijn ambachtelijke voorouders met hun eigen Permekeschoffels hebben geboetseerd tot dit wonderlijke ding waarop ik elke dag sneev' als geeneen. Niemand dus, tenzij ik weet nog wat een kalebaspeer is, leest nog

[p. 54]

straffe boeken van Sartre bijvoorbeeld, zit met zijn luie kont in een Kennedystoel naar de pauwehaan te luisteren, snuift de nostalgische geur op van een havanasigaar die mijn eigen voorouders met hun eigen... (ge weet wel). Niemand dus, maar alleen Paul de Kwispelaere kronikeert de ondergang van het mythische paradijs zoals dat elke dag aan zijn voeten ligt: de mat die I. zelf heeft gestrikt, de kalkoenen die hij zelf heeft gekweekt, de bomen (teveel om op te noemen) die hij zelf heeft verwekt, de grassoorten die hij zelf heeft gezaaid. Ben ik Jezus of God de Vader zelve? Ik ben die ik ben. Schrijver tegen wil en dank. Nergens thuis: van pool tot tegenpool. Ik word een eiland. Ik verkool. Het alfabet heeft mij geplet, heeft mij vermorzeld tot welsprekend manna. Ecce homo, zoals ze na twee millennia niet meer worden gemaakt.

 

Wanneer word ik baron, verdomme, zoals schoon Moniek en haren Lambiek? (bis repetita placent: verstaat gij dat, Boudewijn?)

terug  begin  verder