terug  begin  verder
[p. 111]

J. Mboya
Verzinsels

Tweede prijs verhalenwedstrijd

Strontgeur is een voorteken. Wie zijn neus weet te volgen, verandert instinctief van richting. Minderbegaafden ontdekken de stinkende drol niet voor hun schoen erin wegzakt. Zelf behoor ik tot die klasse van rhinituspatiënten. Voortekenen zijn aan mij niet besteed.

 

Ik was dan ook stomverbaasd toen Inge op een morgen wakker werd met de onbedwingbare behoefte het lijdende mensdom te redden.

‘Lenig deze nood maar,’ gromde ik, mijn ochtenderectie tegen haar buik duwend.

Hooghartig keerde ze me de rug toe, wat me de kans gaf de achterste gelederen aan te vallen.

‘Volgens mij zit zelfs je kop vol zaad!’ Ze rolde het bed uit en sloeg een kamerjas om.

‘Maar liefje ...’

Ik probeerde haar aan het verstand te brengen dat ze haar taak ruimschoots had vervuld door mij te redden, dat ik zonder haar tot de ondergang was gedoemd; boter aan de galg.

De volgende weken merkte ik hoe weinig er nodig was om een idée folle om te buigen tot een idee-fixe. Inge stak zwaarwichtige betogen af tegen vrienden en kennissen, behing de slaapkamer met foto's van schilferige melaatsen, schreef ontelbare brieven en bad om de Geest. Toen die verscheen, in de gedaante van een miezerig pennelikkertje met peenhaar en uilebril, stuurde ze mij de kamer uit. Van achter de deur hoorde ik hoe ze zich liet overtuigen van de absolute noodzaak haar baan op te zeggen om zich te laten inlijven bij een dubieuze organisatie die hulp verleende aan de ‘Derde Wereld.’

‘Derde impliceert twee voorgangers. Ben je 'r zeker

[p. 112]

van dat die het zonder jou kunnen stellen?’ vroeg ik haar.

‘Probeer niet me belachelijk te maken,’ antwoordde ze bits.

Veel snapte ik er niet van. Met ‘Derde Wereld’ bedoelde ze donker Afrika. Daar woonden ze nog in hutten, dronken ongekookt water en doodden de tijd met neuken, van op afstand bekeken een vrij primitieve bedoening. De ‘Eerste Wereld’ was de hare, dat was me ook duidelijk, maar tussen één en drie lag twee en ik had er geen flauw idee van wat er onder die noemer ressorteerde. Bruine goddelozen waar niets mee te beginnen viel, dode Indianen en verbrande Joden voor wie alle hulp te laat kwam of een stam die ik over het hoofd had gezien? Bestond er een volk dat zich, dank zij eerdere bemoeienissen, mocht verheugen in de aanwezigheid van spa rood, drilboormachines en captagon? Een natie die ontrukt was aan de vergetelheid om daarna te worden doodgezwegen door breed glimlachende televisiepresentators? Instinctief volgde ik hun voorbeeld. Ik trok mijn mondhoeken op en zweeg. Slechts hij die de bedrieglijke rust van het lange gras respecteert, vermijdt de giftige beet van de pofadder.

Langzamerhand verkreeg Inge de status van heilige. Ze straalde moed, menslievendheid en offervaardigheid uit, borg haar sensuele aura weg in een hutkoffer, hulde zich in een waas van ongenaakbaarheid. Veel te laat interpreteerde ik alle voorheen genegeerde signalen: de nachtelijke hoofdpijn, de verhitte discussies, de ongemakkelijke stiltes. Ik zat tot mijn nek in de drek. Inges verheven positie, volkomen onterecht verkregen, ergerde me zodanig dat ik zelfs geen moeite deed de beerput uit te kruipen. Nooit had ze het over de drang naar avontuur, over de behoefte mij te ontvluchten, de sterkste te zijn. Stelselmatig vergat ze te vermelden dat die halfzachte wereldverbeteraars haar vier keer meer betaalden dan de directrice van de kinderkribbe. Ze werd gegijzeld door haar eigen verzinsels!

[p. 113]

Inge was niet meer.

 

Dat het tijdelijk was, had ik niet begrepen. Het zou trouwens geen verschil hebben gemaakt; ik verspilde net zo weinig tijd aan de toekomst als aan het verleden. De gave om uit gisteren morgen af te leiden, was enkel tovenaars gegeven.

Inge was niet meer.

Ik stond versteld van de leegte die ze achterliet: een opgeschud kussen naast mijn hoofd, drooggekookte pannen in de keuken, een geplunderde kleerkast, vacuüm verpakte condooms. Ergens had ik het gevoel dat ze ook een stuk van mezelf had meegenomen. De dag leek langer. Mijn mond die twee jaar lang niet had stilgestaan, vond plots geen woorden meer. Mijn speeksel smaakte niet meer naar het hare.

Inge was weg.

Ze zou terugkomen om weer te vertrekken. Telkens opnieuw. Tot ik zou plooien. Tot ik zou afzien van mijn uitstapjes die steevast eindigden in het bed van een goed doorvoede schone. Tot al mijn waarheden ontmaskerd waren als leugens. Tot ik zou bekennen dat ik van haar hield, zelfs wanneer ze haar naaktheid had afgelegd en zich als een ontevreden, schurftige slang verschool in het duister om alles wat een vrouw tot vrouw bestempelt te bedekken met afwijzend zwart.

Inge was weg, Inge was niet meer.

Jomo zou de schouders hebben opgehaald. John zou het op een zuipen hebben gezet. Jo treurde.

Eén dag.

 

De tweede dag maakte ik mezelf wijs dat ik háár de bons had gegeven. Op slag hervond ik mijn verloren ziel. De zon scheen, de postbode overhandigde me de maandelijkse cheque, fluitend trok ik de stad in. Wat er ook op België viel aan te merken, het bier bleef verrukkelijk. De

[p. 114]

[advertentie]

[p. 115]

vrouwen waren ook niet mis, hoewel ik de indruk kreeg dat ze steeds magerder werden. Absoluut onbegrijpelijk, wanneer je zag hoeveel geld ze te spenderen hadden. Terwijl ik mijn twaalfde of dertiende pilsje achterover goot, dacht ik na over een vervangster voor Inge. Mijn dode huis bezorgde me kippevel.

Een etalagekippetje uit het glazen straatje?

De idee trok me niet aan. Hoewel hoeren ideale bedverwarmers waren, boden ze geen soelaas voor de kou bij het ontwaken. Ik bestelde nog een biertje. Nuchter denken was nooit mijn sterkste punt geweest. Er streek een grijs gestreept katje langs mijn been. Verstrooid schopte ik het weg. De kelner keek me woedend aan, bukte zich om het beest te aaien, werd ervoor beloond met een vuurrode schram op zijn pols. Lachend grabbelde ik de blazende furie bij het nekvel en duwde haar met de neus in mijn versgetapte pint. Toen ze niet langer tegenspartelde, loste ik mijn greep en nam haar op schoot. Even leek het of ze haar klauwen in mijn kruis zou slaan. Het gezonde poezeninstinct won het. Spinnend vleide ze zich tegen me aan. Slechts een blinde kon deze hint negeren. Waarom zou ik genoegen nemen met tandeloos pluimvee als het in mijn macht lag een wilde carnivoor te temmen?

Vastberaden deponeerde ik mijn verovering onder tafel en ging op zoek naar haar grote zus: een zwerfkat met een flinke kont en bloedrode nagels. Een meisje dat ik zou voeden met mijn eigen vlees. Een vrouw om de kou uit mijn huis te verdrijven.

 

Overdag bleek het een hopeloze zaak. Overjarige slonzen en piepkuikens beheersten het straatbeeld. De cafés lagen er donker verlaten bij. Pas tegen een uur of vijf kwam er leven in de brouwerij. Overwerkte typistes die stoom moesten afblazen bij een glas vermout, kribbige schooljuffen, die op weg naar huis de stad afzochten naar een rok tot

[p. 116]

net onder de knie, winkelmeisjes, azend op een prins om hen over de toonbank te tillen, sociale werksters met gezwollen voeten. Degelijkheid was hun leus, vermoeidheid hun excuus, dagelijkse sleur hun kuisheidsgordel. Ze waren verloren voor de liefde, rijp voor het huisvrouwensyndicaat.

Ik besloot 's nachts op pad te gaan. Duisternis zou de jacht een extra dimensie geven. De speer in aanslag, speurde ik naar een verdwaalde leeuw of een hongerige panter. Wat ik vond waren volgevreten cavia's, schichtige muizen, af en toe een stoeipoes met een buik vol jongen. IJzig neonlicht had het wild verdreven.

Zeven slapeloze nachten later woonde ik nog altijd alleen.

Aan bijslapers had ik geen gebrek gehad. Ik hoefde me enkel typisch ‘negers’ te gedragen of ze duikelden zo mijn bed in.

Jo kreeg huisarrest. Wanneer die in behoorlijk Nederlands een interessant gesprek wilde aanknopen, werd bij steevast getrakteerd op gefronste wenkbrauwen en hatelijke opmerkingen: ‘Trek in wit vlees, misschien?’ of ‘Op de versiertoer, jongen?’ John deed het beter. Hij bestelde een biertje, klungelde wat met het wisselgeld, zocht met neergeslagen blik een rustig plekje en wachtte. Zijn timide oogopslag fungeerde als magneet, lang werd zijn geduld nooit op de proef gesteld. Mijn troefkaart was Jomo. Zijn vreemde waarheden en onvoorspelbaar gedragspatroon doorbraken elke barrière. Het werd me duidelijk dat niet alleen Inge aan een derde-wereld-fascinatie leed. Wanneer je dat eenmaal doorhad, bleek de rest kinderspel.

Ik had de truc ontdekt toen ik in de tweede eenzame avond het Kiekenskot was binnengestapt. Ik vergeleek de half-rauwe kip en de kleffe frieten met Inges stoofschoteltjes en voelde me neerslachtig worden.

‘Mag ik...?’

[p. 117]

‘Natuurlijk.’ In een poging galant te zijn, stond ik op. Ze begreep het verkeerd.

‘Als u weg gaat, zal ik me schuldig voelen. Bovendien...’

... heb ik het nog nooit met een nikker gedaan, verstond ik.

‘... eet ik niet graag alleen,’ kleedde zij het in.

‘Mijn bord is leeg.’

Ze heette Marleen, studeerde psychologie, at als een mus, dronk als een tempelier, rookte als een schoorsteen en wreef haar knie tegen de mijne terwijl ze me het hemd van het lijf vroeg.

‘Hoe is het ginder? Bevalt het je hier? Heb je geen heimwee? Waar heb je Nederlands geleerd? Hou je van Pink Floyd? Hoe zeg je “Santé” in het Kenyaas? Lijd je onder discriminatie? Waarom ben je weggegaan?’

Ik vertelde haar wat ze wilde horen. ‘Verschrikkelijk. Niet zo erg. Enorm. Op straat. Nog nooit van gehoord. Je zwijgt en drinkt. Ik weet niet wat je bedoelt. Om niet van honger te sterven.’

Ik degradeerde mezelf tot kneus, zij repliceerde als een volleerde zieleknijper.

‘... alles van je afzetten, bouwen aan een positief zelfbeeld...’ Ik luisterde nauwelijks. Haar tieten joegen me het water in de mond.

‘Je zit te dromen. Gaat het niet?’

Gaat het niet? Dat waren ook Inges woorden geweest. Was dit de sleutelzin? Vielen bleekneuzen voor stumpers? Mijn tong reageerde sneller dan mijn verstand.

‘Bij ons is het lichaam de baas over de ziel. Ik wil je uitkleden. Ik heb nog nooit een naakte blanke vrouw gezien.’

Het bleef een tijdje stil.

‘Hier zou Freud van smullen,’ zei ze eindelijk.

‘Is dat je vriend?’ vroeg ik.

[p. 118]

[advertentie]

[p. 119]

Nog geen half uur later leidde het wild de jager naar het warme nest.

 

Allemaal verschillend. Allemaal gelijk.

Marleen, Nicole, Patricia, Rita en Moniek.

Ze waren niet te koop, niet te verleiden, stonden erop zelf in de aanval te gaan.

Niet dat ze het ooit zouden toegeven. Praten wilden ze, contacten leggen, christelijke naastenliefde beoefenen. Ontpopte het negertje zich echter als een man met dwingende behoeften, dan verdwenen zij naar het toilet om terug te keren met gestifte lippen en zwart omrande ogen, de missionarissenziel gezakt tot op buikhoogte.

Slechts twee had ik er gemist. Bij Karine was ik te vlug van stapel gelopen. De tepels onder haar dunne truitje hadden me ze opgegeild dat ik nog voor de inleidende formaliteiten achter de rug waren, mijn voet tussen haar dijen wrong. Het kostte me een klap in mijn gezicht.

Nancy had ik overschat.

Ze was me te hulp gesprongen toen ik het aan de stok kreeg met de portier van King's.

‘Laat die varkenssnoet maar stikken. Hiernaast is het veel leuker.’ Zo waren we in Chicken Licken verzeild geraakt. Ze trakteerde me op een pils en ik besloot het verloop van de avond aan haar over te laten. Ze danste very close. Het fiasco van de vorige avond indachtig, probeerde ik mijn opwinding weg te moffelen. Ze liet zich niet verschalken.

‘Best lekker,’ zei ze.

Ik wachtte. Zij ook. Vroeg in de morgen namen we afscheid zonder dat er iets was gebeurd. Ze had me zelfs niet gekust.

Vanaf toen hield ik me strikt aan de regels. Zij mochten het initiatief nemen om John in te pakken en daarna nam Jomo het over. Jo hield zich op de achtergrond. Indien nodig, kon hij geserveerd worden als ontbijt. Zover was het nog nooit gekomen.

[p. 120]

Allemaal verschillend. Allemaal gelijk.

Johns terughoudendheid werd beloond met een glimlach, Jomo's aanval op hun deugdzaamheid bestempelde hem als een man van eer. Jo's eerzame bedoeling werd genegeerd.

Ze profileerden zich als onneembare vestingen, gingen uit de kleren om mij ‘een plezier te doen’ en kreunden als gegeselden. In de rest van het scenario speelde ik niet meer mee, maar ik kon het me levendig voorstellen. Het spoedbezoek aan de psycho-analist om de ‘misstap’ goed te praten, de neerslag van hun fel overtrokken ervaringen in het geheime dagboek zonder sleutel, het wachten op het geschikte nieuwsgierige Aagje dat hen via jaloerse blikken zou bestempelen tot ‘vrouw van de wereld’.

Wie was hypocrieter? Jo in Jomo's vel of Marleen-Nicole-Patricia-Rita-Moniek-Karine-Nancy vermomd als feministische martelares? Ik die me gaf om daarna zonder scrupules te nemen of zij die namen om zich vervolgens zonder gezichtsverlies te kunnen geven?

Ze maakten me zo moe, die geëmancipeerde vrouwtjes. Ik verlangde naar een wijfje, zwart als ebbehout, bij wie de lichaamssappen niet waren ingedijkt door verstand, een meisje dat lief had met armen en benen en spieren, dat mokte aan tafel en lachte in bed. Ik droomde van een blonde ijsprinses die smolt in mijn mond, verzon zelfs een naam voor haar.

Inge zou ze heten.

 

‘Ik mis je.’

Drie kantjes vol in haar kinderlijke handschrift. ‘Goed aangekomen, een ware schok, onbeschrijflijke armoede, in opleiding, veel bureau-werk, Daniël en Mark en Eddy en Marieke en Marleen, een toffe bende, vochtig heet, zwarte kindertjes in plaats van witte...’

Een boel gezwans en helemaal aan het eind, bijna on-

[p. 121]

leesbaar. ‘Ik mis je.’

Jomo verscheurde de brief, John zocht de snippers tezamen, Jo kleefde ze lukraak aaneen. ‘Ik mis je’, kwam bovenaan te staan. Grinnikend las ik verder. Goed, in opleiding, onbeschrijflijke Eddy, toffe kindertjes, Marleen vochtig, Daniël ware schok.

Zorgvuldig fixeerde ik de grijns op mijn gezicht. Geen enkele vrouw was tranen waard. Zeker niet wanneer ze verkoos te leven in een hoerenkast waar men met zijn allen vochtig geschokt liep te wezen.

 

Misschien werd het Janine of Alixe of Marie-Jeanne. Nooit meer Inge.

 

Het lot hield het bij Marianne.

Op een afgeschreven droom na, was ze de eerste bij wie het orgasme niet gevolgd werd door een greep naar de doos kleenex op het nachtkastje. Ze nestelde zich in mijn armen, slaakte een diepe zucht en viel in slaap.

‘Is er iets te bikken?’

Ik lag al een kwartier naar haar te kijken, naar haar regelmatig deinende borsten, naar de sproeten op haar schouders, naar de lijntjes in haar hals. Toch had ik haar niet zien wakker worden. Zo was ze er niet, zo was ze er.

‘Wat lig je nu te koekeloeren? Ik scheur van de honger.’

‘Je bent net een wolk. Die worden ook uit het niets geboren. Eén moment van onoplettendheid en de blauwe lucht zit vol witte slierten. Je sliep ineens...’

‘Hang de poëet niet uit. Als ik niet vlug iets te eten krijg, ga ik in rook op.’

‘Bij ons zijn het de vrouwen die dienen.’

‘M'n oren, piero!’

De uitdrukking was nieuw voor mij, de toon liet aan duidelijkheid niets te wensen over.

‘Voor het geval je 't vergeten was, je bent niet meer in

[p. 122]

de rimboe. Als je me hier wilt houwen, dan...’

‘Ga maar.’

Zonder op antwoord te wachten, sprong ik uit bed en sloot mezelf op in de badkamer. Ze kon verrekken. Als die dragonder dacht dat ik haar knechtje zou worden, dan zat ze 'r glad naast. Ik kon mezelf wel voor de kop slaan, de stommiteit om mezelf met een manwijf op te zadelen! Onder de douche boende ik me helemaal schoon. Geen molecule van haar liet ik heel. Het zou je maar gebeuren, een warm-bloedige, complexloze griet die zich ontpopte als een neo-koloniale trut op zoek naar een gedienstige boy! Stomend liep ik terug naar de slaapkamer. We zouden eens zien wie er de baas was.

Ze lag nog net zoals ik haar had achtergelaten, met de handen onder het hoofd en de knieën opgetrokken, ze had alleen de dekens van zich afgeschopt.

‘Wat doe je hier nog?’ De wind die door het open raam naar binnen kwam hardde haar lichaam, ontkrachtte mijn woede, zoog me naar het bed.

‘Doe niet zo dwaas, Jomo. Als het echt niet anders kan, kunnen we elkaar nog altijd opeten. Eerst een aperitiefje?’

Moeiteloos spon ze me in en hield me onder de duim. Bij ons is het lichaam nu eenmaal de baas over de ziel.

Ze had een goddelijk lijf en een onverbeterlijke techniek. Elke vezel, iedere spier was erop getraind om los van de rest te opereren. Het bracht me zodanig van de wijs dat ik weken lang haar rotkarakter negeerde.

Van mijn vader had ik geleerd dat je hield van een vrouw zolang ze je bed deelde. Op straat kon je haar beschimpen, bij de maaltijd mocht je haar slaan, als je in staat was met een welgerichte straal de brand te blussen was alles in orde. Inge had me duidelijk gemaakt dat blanke vrouwen veeleisender waren. Een tong diende niet alleen te likken, maar ook lieve woordjes te produceren en wie aan tafel de ongelikte beer uithing werd als straf alleen naar boven ge-

[p. 123]

stuurd. Bij Marianne kon ik mij die moeite besparen. Aan gelul had ze geen boodschap, zei ze. Dat beviel me wel. Tot ik doorkreeg dat ze ook aan mij geen boodschap had. De zwerfkat bleek een onbetrouwbare jakhals te zijn, het lenige lijf een verfijnd martelinstrument. Genot werd handelswaar.

Ze palmde mijn huis in, stelde het open voor haar uitgebreide vriendenkring, gebruikte me als loopjongen, stak zich in het nieuw met geld dat ze uit mijn broekzak had gejat en pareerde mijn woede door uitgekiend een rits of knoopje te openen.

Jomo werd een schim, John meed het daglicht, Jo kreunde in het duister. Ze had mij volkomen behekst. Haar geur deed al mijn zwellichaampjes in de houding springen, haar gebarsten alt liet hen balanceren op de toppen van hun tenen, haar warme adem blies hen de lucht in, waar ze hulpeloos bleven rondzweven tot het hare hoogheid behaagde hen te ontvangen. De duur van deze knellende vernedering was afhankelijk van het aantal nee's waarop ik was betrapt en van mijn handigheid om nee als ja te laten klinken.

Ze was het kwade lot waarvoor mijn grootvader me steeds had gewaarschuwd. Van hem wist ik ook wat me te doen stond: doden om niet gedood te worden. Me losscheuren was onmogelijk, haar klauwen zaten als weerhaken in mijn vlees.

Hulpeloos als een op de rug gevallen kever was ik. Wat ginds, thuis, als blijk van mannelijkheid werd aanzien, zou hier geclasseerd worden als een ordinaire moord.

 

‘Ik ben omringd door zwarten, maar de enige naar wie ik verlang, weigert mijn brieven te beantwoorden. Soms vraag ik me af of je wel bestaat, of ik je niet heb gedroomd. Waarom schrijf je niet? Wat is er mis, Jo?’

Jo?

Zoals elke avond waren we ook gisteren in de kroeg geëindigd.

[p. 124]

‘Om het eerst lazarus?’

Marianne had zich vol overgave van haar taak gekweten. Ik had halverwege afgehaakt; het bier smaakte naar kattepis, naar bitterzure onverteerde gal. Voor de eerste keer in vijf weken was ik wakker geworden met een helder hoofd en terwijl Marianne snorrend de katers lokte, zat ik Inges brief te lezen. De tweede, dacht ik. De vijfde, schreef zij. ‘Wat is er mis, Jo?’

De enige naar wie je verlangt, mist je, krabbelde ik op een blaadje papier dat John meteen verbrandde. Te laat. Het schrift had de gedachte vorm gegeven. Ik scheurde een nieuw velletje uit de blocnote, verfrommelde het en rende naar boven. In de schemerige slaapkamer hing een geur van ongewassen lakens en verschraalde sex. ‘Wat is er mis, Jo?’ Geruisloos sloop ik naar het bed. Marianne snurkte. Ik kneep in haar neus. Ze gromde. Haar adem rook naar kattepisbier. De enige naar wie je verlangt... Kussen op de mond of een kussen op neus en mond? Van heksenlief naar ex-lief.

Soms vraag ik me af of je wel bestaat...’ Jomo had woorden ervaren als klanken. Soms smolten ze samen tot een bevel, een vraag, een verhaal. Meestal vielen ze uiteen voor ze hem raakten. John had leren leven met aaneengekoekte lettertjes, het speelgoed van geschiedschrijvers en charlatans. Jo leek enkel te bestaan bij de gratie van Inges pen. Ik baalde ervan. Veel te lang had ik gefigureerd in andermans droom. Kon ik niet scheppen, ik kon in elk geval schrappen.

Aan de muur tegenover het bed hing een verkleurde pin-up-kalender. Ik heb je zopas gewurgd, schreef ik op de achterkant van een stel fraaie tieten. Ik bedekte Mariannes gezicht met het papier en trok zachtjes de deur achter mij dicht.

Beneden nam ik het geld uit haar handtas, propte het in mijn broekzak, verzamelde alle sleutels en sloop het huis uit. De perfecte moord was gepleegd.

[p. 125]

De hel, dat is eenzame vrijheid, een kloppende pik, een trein op weg van nergens naar nergens, een eindeloze week aan zee. Het is een gedachte, gevangen in het buisje van een goedkope pen: De enige die je gelukkig kan maken, mist je.

Vrijheid, dat is de zon op je huid, een rode lamp achter een dichtgeschoven gordijn, een knipoog van een mollige dienster, inkt die een maagdelijk blad bevrucht: Ik was gevangen. Nu ben ik vrij. Ik heb haar gewurgd in haar slaap.

Het paradijs, dat is thuiskomen in een leeg huis met kapotgeslagen meubilair, kakkerlakken onder de gootsteen, een bed vol opgeblazen condooms, met in het midden een dode rat.

Leven, dat is een hinderlaag in het park, een blauw oog, een bloedneus en een mes in mijn buik. Het is een knorrige politieagent die bij gebrek aan beter het slachtoffer arresteert. Het is een achteloze verontschuldiging na data. Het is een brief met ‘Ik kom.’

 

Ik had haar afgehaald op het vliegveld. Ze lachte en huilde tegelijk. Nadat ik de deur van het herentoilet op slot had gedraaid en haar had uitgekleed, lachte ze alleen nog maar.

‘Je bent een egoïst, Jo,’ zei ze nadien. ‘Het leed van al die hongerige kindertjes...’

‘Weegt niet op tegen de miserie van deze ene hongerige man,’ maakte ik de zin voor haar af.

‘Heb je me bedrogen? Heb je deze affaire geënsceneerd om me terug te krijgen.’

‘Maar Inge...’ Ik leidde haar hand naar het litteken op mijn buik. Het was verdwenen.

Stond schrappen gelijk met scheppen?

Had het verzinsel de waarheid achterhaald?

‘Bij ons is het lichaam de baas over de ziel,’ fluisterde ik.

Het klonk niet eens als een leugen.

terug  begin  verder