In een van zijn recente gedichten schreef Adriaan Morriën: ‘Het voelt vaak goed niet zo lang meer te hoeven leven / en afscheid te nemen van jou, u, jullie, voorgoed.’
Het genoegen is geheel wederzijds.
Meer dan vijftig jaar lang al worden we lastig gevallen door de goedkope stunts van deze lettré. Hij heeft het altijd van het buiten-literaire moeten hebben, van in de media breed uitgesponnen anekdotes en schandaaltjes.
In zijn jeugd is Adriaan ziek geweest.
Als twintiger heeft hij Ter Braak de hand geschud.
Als dertiger heeft hij Hans Lodeizen ‘ontdekt’ en is hij lid van Gruppe '47, in welks hoedanigheid hij de tas van Heinrich Böll mag dragen.
Als veertiger maakt hij ruzie met Willem Frederik Hermans, die hij verwijt hem - wederom - ziek te hebben gemaakt.
Als vijftiger klemt hij scheermesjes tussen zijn ogen en gaat hij met zijn dochter naar bed.
Als zestiger is hij opnieuw ziek.
Als zeventiger ‘ontdekt’ hij Rogi Wieg (‘Hij deed me aan Hans Lodeizen denken’) en maakt hij nog steeds ruzie met Hermans.
En nu hij in de tachtig is, smaakt hij het genoegen dat iedere Hollander in eigen land ten deel valt als hij maar oud genoeg wordt: bijzetting in het Mausoleum van Kranige Types. Men kan hier langer dan vijftig jaar bespot en afgezeken worden, maar als een zekere leeftijd gepasseerd wordt, slaat de verguizing om in bewondering.
Ten onrechte. Het is geen prestatie om oud te worden: het is een kwestie van geluk. Ook is het geen prestatie om een tijdgenoot van Slauerhoff, Bilderdijk of Vondel te zijn geweest.
Maar - eerlijk is eerlijk - Morriën heeft het tactisch gespeeld. Door met het mini-talent Wieg aan te pappen wist hij zich verzekerd van diens niet aflatende pluimstrijkerij en tevens van de sympathie van diens compaan Joost Zwagerman. Als door de wol geverfde netwerker heeft Morriën het voor elkaar gekregen dat er van deze vroegoude jongeren op gezette tijden een mal stukje of een idioot interview met de oude bosneuker te genieten valt.
Want een bosneuker is hij, daarover laat hij zelf geen twijfel bestaan in zijn openbare uitspraken. Laatst was het weer raak, in een gesprek met Zwagerman, dat deze eerst in HP/De Tijd en daarna in zijn boek Collega's van God liet afdrukken, bij wijze van, zoals het op de achterflap heet, ‘verhelderend en soms ontroerend portret’.
‘Er gaat veel erotisch plezier verloren,’ beweert Morriën in dat interview. ‘Ook in dit opzicht zijn de dieren voorbeeldig. Als een hond een reu ziet, ruikt hij van voor en achter aan haar en bespringt haar - of niet.’ Het zal duidelijk zijn waarom Morriën door Wieg &Zwagerman een grote opmerkingsgave wordt toegedicht.
Ja, hij observeert de natuur graag, Adriaan Morriën: ‘Een man was vroeger niet in de gelegenheid het aanbeden lichaamsdeel van de vrouw werkelijk grondig te bestuderen, ook niet als je een geliefde had. Je kon natuurlijk moeilijk tegen je meisje zeggen, schat, mag ik misschien een uurtje naar je kut kijken. Penthouse heeft die werelden ontdekt. Penthouse en Playboy vind ik cultuurverworvenheden.’
In Collega's van God vallen ook Morriëns bordeelpraatjes (de rode draad in interviews met hem) weer eens op, zoals gewoonlijk in de trant van: Hoerenloper Komt Voor Goed Gesprek. ‘Ik bezocht tijdens mijn huwelijk met een zekere regelmaat prostituées. Ik heb daar wel degelijk intieme momenten beleefd. Er was, jaren geleden, een prostituée die ik vaak bezocht. Wij stonden op vertrouwelijke, intieme
voet. Op een gegeven moment hield ze op met werken en verdween. Ik voelde mij een soort weduwnaar. Ik rouwde om haar.’
Voor Morriën is de prostitutie geen vrouwenhandel of symbool van verkrampte sexualiteit maar iets intiems, iets moois zelfs. Hoewel, toen zijn eigen dochter in een bordeel ging werken, schrok hij toch wel. ‘Het is even wennen,’ bekende hij in het interview met Zwagerman. ‘Je kunt erdoor gecorrumpeerd raken, door de prostitutie.’ Maar gelukkig: ‘als ik erover nadacht, wist ik dat Adriënne er niet door zou veranderen.’
Later stelde zijn andere dochter voor om voor de Nieuwe Revu een reportage te maken waarin pa haar zus in het bordeel bezoekt: ‘Als klant dan hé. Nou, daar vielen de monden van open, bij Nieuwe Revu. Een vader die zijn dochter betaalt om met haar de liefde te bedrijven...’
Eigenaardig, inderdaad. Het moet wel een heel puriteins blad zijn, dat Nieuwe Revu! Paps was echter ook niet meteen enthousiast. ‘Ik zei: ja maar ik geil helemaal niet op jullie! Enfin, het hele plan is uiteindelijk toch doorgegaan. Het werd een wat lacherige, lievige ontmoeting, weinig seksueel maar heel affectief.’
Lacherig. Lievig. Heel affectief. De familie Morriën is, zo blijkt, doodnormaal. Zoals een andere vader zijn dochter over de bol aait, zo ruikt paps haar van voor en achter en bespringt haar - of niet. Paps wil de insect opwaarderen, deze lacherige, lievige, affectieve dimensie in de opvoeding, een dimensie die in té veel gezinnen ontbreekt heden ten dage.
Is het een wonder dat zijn ene dochter (die van het bordeel) totaal geflipt is, zich aan de onbevoegde psycholoog Henk Jurriaans (ook al zo'n monster van egocentrisme: in de jaren zeventig verkocht hij zich als ‘levend kunstwerk’ aan het Stedelijk Museum) heeft vergooid en zich op premières en openingen bij voorkeur half naakt vertoont?
Ze moesten hem een dwangbuis aandoen, die Morriën. Dat was ook zeker gebeurd als hij zijn perversiteiten nú zou praktizeren, bejaard of niet.
Het is vooral de combinatie van onsmakelijk gedrag en kwijlerige verwoording die weerzin opwekt. Sex is bij Morriën altijd ‘de liefde bedrijven’ en hij praat en schrijft erover zoals de tandeloze kwezels van het Begijnenhof het over de Here hebben.
Als hij naar de hoeren gaat, hoort hij geluiden die hij niet meteen thuis kan brengen, ‘een zacht getrippel, een onderdrukt gepraat en gelach waarvan de vrolijke raadselachtigheid mij wordt onthuld wanneer de meisjes binnenkomen’ (in Lasterpraat, 1975).
Als hij naar zijn dochters kijkt, heet het: ‘Er ligt iets tergends in de naaktheid van kinderen, zoals er iets wanhopigs schuilt in de schoonheid van een vrouw’ (in Alissa en Adrienne, 1957).
Als hij geil is, schrijft hij: ‘niemand is zoo snel verwonderd, / zoo spoedig door een blik, een blanken arm bekoord’ (in Alleenspraak, 1942).
Morriën doet zich graag modern en verlicht voor inzake de seksualiteit, maar zijn vrouwbeeld behoort eerder tot de tijd dat de Papen het voor het zeggen hadden. De tijd waarin de vrouw een hoer, een ding, een stuk speelgoed voor de man was (Morriën: ‘En 't liefst van alles: een ander / die je kunt aanraken, aaien en kussen’ in Speelgoed, 1980) dan wel een broedmachine annex kindersloof (Morriën: ‘Zie ik een vrouw, dan zie ik haar met kinderen op haar arm’ in Samenhang, 1942). En zo'n door en door vrouwonvriendelijke en volledig op zijn eigen lusten gefixeerde man laat zich voorstaan op z'n gevoeligheid en wordt door Hans Warren ‘de vriendelijkste schrijver van Nederland’ genoemd.
In de literatuurgeschiedenis wordt zulke flauwekul nog eens gekwadrateerd en heet Morriën bijvoorbeeld geëvolu-
eerd te zijn ‘naar een hedonistisch individualisme’ en is hij ‘de meest “vrouwelijke”, de passiefste en de gevoeligste van de nieuwe generatie’, in welk perspectief ‘Morriën inderdaad de romanticus (is), wiens verzen over liefde, verliefdheid, sensualiteit, verwachting, moederlijkheid, natuur, verlangen, een traditioneel-dichterlijke sfeer van verdroomde werkelijkheid opriepen die nauwelijks aan de dreigende buitenwereld herinnerde.’ Deze apekool kan men lezen in de aan Morriën gewijde bijdrage van Pierre H. Dubois in 't Is vol van schatten hier (1986).
Men kan echter beter te rade gaan bij Hermans. Deze had Morriën al in 1955 door: ‘Het is werkelijk een beetje flauw van hem dat hij altijd alleen maar op die gedragen toon schrijft over vogeltjes, kinderlachjes, lentezonnetjes en suikerzoete meisjes’ en: ‘Het leven is in Adriaan Morriëns novellen een onophoudelijke vakantiekolonie vol archaïsche zinswendingen. In zijn proza zal iemand bijv. niet met plezier naar spelende kinderen kijken, nee, hij “laat er met welgevallen de blik op rusten”’ (in Mandarijn Morriën, opgenomen in Mandarijnen op zwavelzuur, 1983).
Zo is het maar net. Alle schandaaltjes en al het blijmoedige getrippel en getrappel (Hermans: ‘Zelfs geslachtziek worden is een feestelijke gebeurtenis in zijn verhalen’) dienen slechts om te verhullen dat hij niet kan schrijven.
Hij is aartslui en literatuur die een zekere vormvastheid en regelmaat vereist kan hij niet aan. Noodgedwongen beperkt hij zich daarom tot snipperwerk: invalletjes, ideetjes, stukjes, achtregelige gedichtjes. ‘Mijn schrijftafella ligt vol met eerste bladzijden, fragmenten, stukken dialoog, losse dichtregels,’ schreef hij al in 1964, in Mens en engel. We geloven het graag, en ook dat nu zijn héle schrijfkamer er vol mee ligt. Fictie kan hij niet aan en doet hij gemakshalve maar af als ‘verzinsels’. Dit vanuit de aloude gedachte van Du Perron en ter Braak dat de werkelijkheid (bij Morriën: vogeltjes kijken, onder de rokken van meisjes gluren)
boeiend genoeg is. Het poëticale erfgoed van Forum reikt hem steeds weer goedkope excuses aan: het gaat niet om het verhaal maar om de stijl, niet om de vorm maar om de persoonlijkheid, hij is geen ‘echte dichter’ en dat moet ook niet want ‘kunst is in laatste instantie altijd vrijblijvend’. Dit viel bijvoorbeeld te lezen in een interview van Guus Middag met hem, in het NRC/Handelsblad van 13 augustus 1993. Het is onbegrijpelijk dat iemand die niets anders kan dan vijftig jaar oude opvattingen nabauwen op zoveel welwillendheid bij zijn interviewers stuit.
Romans heeft Morriën dus niet geschreven. In een als recensie vermomde hagiografie schreef Wieg dat Morriën ‘zich niet echt in staat (achtte) om een omvangrijk, boeiend boek te schrijven.’ Niet echt. We kunnen het ons levendig voorstellen. Vervolgens schrijft Wieg: ‘Toch denk ik dat hij ten minste één grote roman had kunnen schrijven. (...) Een dergelijke roman zou met kop en schouders boven de meeste moderne literatuur uitsteken.’
Het is handig als je paladijnen hebt: ze verklaren je nooit geschreven roman zonder blikken of blozen tot meesterwerk. En dat in een twee pagina's beslaand openingsartikel van ‘De Republiek der Letteren’ van Vrij Nederland. Je vraagt je wel eens af wie zijn gezonde verstand nog gebruikt in de literaire media. Carel Peeters in ieder geval niet, want die liet - als eindredacteur -Wiegs schaamteloze kontlikkerij passeren.
Wieg en Morriën, het is een fraaie symbiose. De eerst papte aan met de tweede, die hem vervolgens een plaatsje in het fonds van Van Oorschot bezorgde. En dus heeft Morriën na Lodeizen een nieuwe treurwilg ontdekt en schrijft Morriën volgens Wieg ‘wereldliteratuurtjes, of nog beter: wereldminiaturen’. Overal waar de Oude en de Jonge Kwezel verschijnen prijzen ze elkaar de hemel in. Het is vooral een lachwekkende voorstelling, maar de dienstdoende redacteuren kijken liever de andere kant uit. Ondertussen probe-
ren ze ons op de mouw te spelden dat ze objectief zijn, dat ze zich tot taak hebben gesteld kwaliteit te herkennen, dat het gaat om de regels van de smaak en dat het helemáál niet waar is dat de literatuur een groezelig achterkamertjescomplot is waar recensies worden geritseld, reputaties worden gemáákt en prijzen onderling worden verdeeld.
Het is Adriaan Morriën, the grand old man himself, die van deze machinaties het symbool bij uitstek is. Schrijven doet hij niet veel, maar leuteren des te meer. Hij is de lettré bij uitstek. Alles is hij in zijn rijke, arbeidzame leven wel geweest: redacteur van verscheidene tijdschriften, lid van talrijke jury's, adviseur, fondswerver, universitair docent, recensent, literair journalist. En aangezien iedereen in Letterenland hem wel kent uit een van deze nobele functies, heeft hij overal een makkelijke binnenkomer.
In de eerdergenoemde ‘recensie’ schrijft Wieg over Morriëns laatst verschenen prozawerkje, Het kalfje van de gnoe. Dat gaat op de volgende manier: ‘In het stukje “Horror” leidt bijvoorbeeld een geluid in de avond, “geritsel of gekraak van papier, of van hout dat wringt, zoals dat in oude huizen het geval kan zijn,” tot een panische angst voor iets verschrikkelijks; angst voor de stilte. En Morriën sluit af met de regels: “De poes zit bij de ijskast en tuurt voor zich uit. Heeft hij een muis gehoord, geroken, gezien? U zult het nooit weten.” Men is blij dat er geen inbrekers in huis zijn. Maar men beseft in de stilte ook dat men aan zijn lot is overgelaten, dat God niet bestaat. En dit alles in drie pagina's.’
Zó denkt Wieg Morriën de eeuwigheid in te schrijven: door angst voor de stilte ‘iets verschrikkelijks’ te noemen (horror!), door de oerlullige jij-bak waarmee Morriën zijn ‘wereldminiatuur’ besluit (‘U zult het nooit weten’ op te kloppen tot het pathetische ‘men beseft in de stilte (...) dat God niet bestaat’. Volgens Wieg is Morriën dan ook een ‘kalme filosoof-psycholoog die in muzikale, exacte taal
spreekt.’ Volgens mij is Morriën een onverbeterlijke ouwehoer die zijn kletspraatjes verwoordt in de wezenloze neuzelstijl van de naturalist: ‘geritsel of gekraak van papier, of van hout dat wringt, zoals dat in oude huizen het geval kan zijn.’ Op de dag dat hij de geest geeft is hij - behalve door Wieg en Zwagerman - door iedereen vergeten.
Over doodgaan gesproken: als Adriaan Morriën het over de dood heeft, heet zo'n stukje natuurlijk ‘Uurwerk’ en staan er zinnen in als: ‘Hoeveel mensen zijn door een horloge gelukkig gemaakt! Het verdeelt het uur in fragmentjes en vergroot aldoende ons besef van tijd’ (opnieuw een scherpe observatie van Adriaan). En: ‘Het maakte voor mij aanschouwelijk dat ik van mijn moeder hield, zoals je dat ineens beseft wanneer je naar de hand van een vrouw kijkt of je meisje in de verte ziet aankomen.’ En: ‘Ik zou naar een klein oud dameshorloge kunnen zoeken, om het in mijn zak bij mij te dragen, als een luttel maar niet al te jachtig in memoriam’.
In een van zijn eerste wereldliteratuurtjes beschreef Morriën voor het NRC hoe hij in de tram naar een meisje zat te gluren, en het was weer een en al gedartel van zoete geuren en paarse strikjes en trotse ongenaakbaarheid wat de klok sloeg. Toen het desbetreffende meisje daarop in een ingezonden brief verklaarde dat ze niet van zijn indiscrete gekoekeloer gediend was, werd Adriaan boos: bejaarden hadden toch immers ook recht op ‘erotiek’! Een vermakelijke reactie, want de brief was fake: iemand had Adriaan een poets gebakken. En diens gekwetste, ik-word-gediscrimineerd-houding illustreerde nog eens heel duidelijk dat humor volledig ontbreekt in zijn vochtige universum.
Recentelijk verscheen zijn Verzamelde gedichten en stond Adriaan weer even in de schijnwerpers. De meeste recensenten namen hem goedmoedig in bescherming - ach ja, hij is zo vrouwelijk hè - en ook mocht hij bij verschillende gelegenheden zijn zegje doen. Het was weer bar en boos.
Bij Rineke Dijkmans fotografische portretten van veertienjarigen schreef hij een stukje met de zinnen: ‘Ik zag er niets van mijn gading bij’ en ‘Ik heb mijn blik van blaam gezuiverd. Ik heb details ontdekt, verbazing, kinderlijkheid. Ik heb nu heel duidelijke voorkeuren’.
In het eerder aangehaalde interview van Guus Middag klopt Morriën zich luidruchtig op de ribbenkast. ‘Hoe komt iemand aan gevoel voor stijl?’ vraagt Middag hem slijmerig. ‘Dat zal vermoedelijk wel aangeboren zijn,’ antwoordt Morriën quasi-bescheiden. Vermoedelijk wel - zelfs een interview met hem verraadt nog dat hij geen schrijver is maar een klessebes: het wemelt van de overbodige tussenvoegsels zoals ‘een beetje’, ‘nogal’, ‘enigszins’, ‘wel niet’, ‘echt’, ‘tamelijk’, ‘natuurlijk’ enz. En zo iemand beroemt zich op zijn stijl. Het is enigszins een beetje om je tamelijk dood te lachen. Adriaan Morriën beschouwt zichzelf als een fijnproever. Ik beschouw hem als een teupke. Dat is een woord dat mijn moeder wel eens gebruikt. Het betekent: tandeloos zoogdier.
Laten we nu eens kijken hoe die geweldig vrouwelijke en stilistisch superieure poëzie van Morriën eruit ziet. We nemen een recent gedicht - uit 1992 - dat opgenomen is in de Verzamelde gedichten:
Voorwaar, geen tendentieuze keus, dit gedicht. Eindelijk eens geen ‘kleurigheid van laaggesneden blouses’ (uit Stadsgezicht), ‘Obscene priesters (...) met homoseksuele schoenen’ (uit hetzelfde gedicht) of ‘drie jonge negers / die mij wel zien maar niet doodslaan’ (uit Onherbergzaamheid). Wat echter blijft er na aftrek van seksisme, homofobie en racisme over van Morriëns poëzie? Gemijmer over een blad in de herfst als hoogstorigineel symbool voor de ouderdom. Akelige archaïsmen (‘koude’ in plaats van kou, ‘oogwenk’ in plaats van ogenblik). Poëtische beschrijvin en uit de oude doos: ‘de ongenaakbare verte’, ‘het tastbare nauwelijks vergeelde’. Overbekende procédé's om de tijd te manipuleren (‘Ontbinding begint, is begonnen’). Een paar flauwe woordspelletjes (‘bedroeft (...) maar niet droefgeestig’, een gestorvene die ‘geredelijk glimlacht’). Een nietszeggende titel die ook ‘Tweeëntachtig woorden’ of ‘Honderdéénendertig lettergrepen’ had kunnen luiden. En tot slot een wat niksige inhoud: dichter mijmert over de vergankelijkheid van het bestaan - een thema dat ook al weer uit het kabinet van poëtische lijken stamt.
Het is duidelijk: dit is geen poëzie maar poesie, een sentimentele karikatuur van wat poëzie zou kúnnen zijn - schokkend, verrassend, onthutsend, een stoot onder de gordel en een watjekou voor de bourgeois. Maar dit zijn biedermeiergedichten, poëzie van en voor de grootste gemene deler. Zoals Morriën tegen Middag zegt in antwoord op de vraag waarom hij niet een veel exuberantere schrijver is geworden: ‘Misschien is dat een gevolg van mijn bangigheid, mijn schroom, mijn angst om me bespottelijk te maken. Dat is bijvoorbeeld Het Boek Ik van Bert Schierbeek overkomen: dat is bewonderd omdat het zo geavanceerd is, maar ook veel bespot, omdat het te uitbundig zou zijn. Als je schrijft maak je je altijd in zekere zin belachelijk, maar ik heb zulke reacties blijkbaar liever willen voorkomen.’
Ziedaar, Adriaan Morriën ten voeten uit: een bange man die uit angst nooit iets van belang heeft kunnen schrijven,
een pantoffelheld die het bordeel nodig heeft om zich een Echte Man te voelen.
Na een jarenlange vriendschap met Hermans raakte Morriën gebrouilleerd met hem. Sindsdien probeert Morriën ons duidelijk te maken dat Hermans een slecht mens is. Dat is tekenend voor hem: hij, de dichter van het kleine geluk, van ‘sierborsten onder dunne zijde’ en getrippeltrappel, vindt Hermans te negatief, te nihilistisch. Door Hermans voor slechterik uit te maken, wil hij ons eigenlijk vertellen dat hij zelf een goed mens is.
Ik vind dat stuitend. Het is opnieuw een trucje van hem om te maskeren dat hij niet kan schrijven. Hermans is niet kwaadaardiger dan Morriën - hij is alleen maar een betere schrijver. Een schrijver met een thema. Morriën daarentegen is een schrijver met een roddelverhaal.
Morriën over Hermans: ‘ik ben van plan mijn herinneringen aan zijn minnares op te schrijven. Mijn uitgever wil graag dat het boek zo gaat heten hè: De maîtresse van W.F. Hermans’ (in Collega's van God van Joost Zwagerman).
Hermans over Morriën in Mandarijnen op zwavelzuur: ‘“Ik ben de enige die nog wel eens een glimlach op het gezicht van Wim Hermans te voorschijn kan toveren,” zei hij. Zo is het, zo was het, ik lach nog altijd, als ik aan hem denk.’
Morriën in de ‘Verantwoording’ van zijn Verzamelde gedichten: ‘het is niet uitgesloten dat ik, zolang ik tijd van leven heb, nog nieuwe gedichten schrijf.’
Laten we hopen dat we er verschoond van blijven.