terug  begin  verder
[p. 44]

Arthur Rimbaud
Alchemie van het woord

Een fragment uit Une saison en enfer (1873)
Vertaling: Paul Claes



illustratie

Mijn beurt. het verhaal van een van mijn dwaasheden.

Al lang maakte ik me sterk dat ik alle mogelijke landschappen in mij had, en vond ik de grote namen uit de schilderkunst en de moderne poëzie belachelijk.

Ik hield van idiote schilderijen, deurstukken, decors, doeken van kunstenmakers, uithangborden, volksprenten; ouderwetse literatuur, kerklatijn, erotische boeken vol spelfouten, romans uit grootmoeders tijd, sprookjes, kinderboekjes, oude opera's, simpele deuntjes, naïeve rijmpjes.

Ik droomde van kruistochten, ontdekkingsreizen waarover geen verslag bestaat, republieken zonder geschiedenis, onderdrukte godsdienstoorlogen, omwentelingen in de zeden, verhuizingen van volkeren en continenten: ik geloofde in al wat betovert.

Ik vond de kleur van de klinkers uit! - A zwart, E wit, I rood, O blauw, U groen. - Ik bepaalde de vorm en de beweging van elke medeklinker en ging er prat op met spontane ritmes een poëtisch woord uit te vinden dat op de een of andere dag toegankelijk zou zijn voor alle zinnen. Ik liet de vertaling achterwege.

Het begon als een studie. Ik schreef stiltes, nachten neer, ik noteerde het onuitdrukbare. Ik legde duizelingen vast.

 
Ver van de vogels, de kudden, de dorpsvrouwen,
 
Wat dronk ik geknield op deze heidegrond
 
Waaromheen het prille hazelarenhout
 
In een lauwe groene middagnevel stond?
[p. 45]
 
Wat kon ik wel drinken uit die jonge Oise
 
- Stemloze olmen, bloemloos gras, grijze hemel! -
 
Drinken aan die gele nappen, ver van 't huisje
 
Dat mij lief was? Een gouden vocht dat doet zweten.
 
 
 
Ik leek het loense uithangbord van een kroeg.
 
- Er stak een storm op die de wolken verjoeg.
 
's Avonds was 't bosvocht in 't zuiver zand verdwenen,
 
De wind van God wierp ijsbrokken in de venen;
 
 
 
Wenend zag ik goud - en kon niet drinken. -
 
 
 
's Zomersochtends om vier uur
 
Duren nog de liefdesdromen.
 
Uit struiken stijgen aromen
 
Van nachtvertier.
 
 
 
Op de werf van de gebouwen
 
Bij de zon der Hesperiden
 
Arbeiden al - in hemdsmouwen -
 
De Timmerlieden.
 
 
 
Rustig in hun Schuimwoestijn
 
Plaatsen zij het fraai plafond
 
Waar de stad haar schijn-
 
Hemels schilderen komt.
 
 
 
Geef die Werklui, knappe dienaars
 
Van een Babylonisch koning,
 
Venus!, voorrang op de Minnaars
 
In hun zielsbekroning.
 
 
 
O Herderkoningin,
 
Breng de werkers het elixir,
 
Om hun krachten te verkwikken,
[p. 46]
 
's Middags gaan zij de zee weer in.

De ouderwetse kunst der poëzie had een groot aandeel in mijn alchemie van het woord.

Ik wende aan gewone hallucinatie: ik zag zonder meer een moskee in de plaats van een fabriek, een tamboerkorps bestaande uit engelen, kalessen op de wegen in de hemel, een salon op de bodem van een meer; de monsters, de mysteries; een titel van een vaudeville liet nachtmerries voor me oprijzen.

Daarop verklaarde ik mijn toversofismen met woordhallucinatie!

Op de duur leek mijn geestesverwarring me gewijd. Ten prooi aan zware koorts voerde ik niets uit: ik benijdde de dieren om hun gelukzaligheid - de rupsen die de onschuld in het voorgeborchte belichamen, de mollen, de sluimer van de maagdelijkheid!

Mijn karakter verzuurde. Ik zei de wereld vaarwel in een soort van romances:

Lied van de hoogste toren
 
Laat komen, laat komen
 
De tijd om van te dromen.
 
 
 
Ik wachtte zo zeer
 
Dat ik niets meer weet.
 
Alle vrees en leed
 
Vervlogen voorgoed.
 
En een dorst naar meer
 
Verduistert mijn bloed.
 
 
 
Laat komen, laat komen
 
De tijd om van te dromen.
[p. 47]
 
Zoals de weide
 
In vergetelheid,
 
Die met wilde kruiden
 
Zich bloeiend verbreidt
 
In het brommend wiegen
 
Van de vieze vliegen.
 
 
 
Laat komen, laat komen
 
De tijd om van te dromen.

Ik hield van woestenij, verschroeide boomgaarden, verwelkte winkels, verschaalde dranken. Ik sleepte me voort door de stinkende steegjes en leverde me met gesloten ogen over aan de zon, de god van het vuur.

‘Generaal, als er één oud kanon op de stukgeschoten wallen overblijft, bekogel ons dan met droge aardklompen. Door de ruiten van de schitterende warenhuizen! in de salons! Doe de stad in haar eigen stof bijten. Laat de regenpijpen roesten. Vul de boudoirs met brandend robijnpoeder...’

Och, dat mugje dat zich bedrinkt aan het pisbakje van de kroeg, dol op bernagie, en dat oplost in een straal!

Honger
 
Als ik zin heb, dan alleen
 
Nog in aarde en in steen.
 
Mijn enige morgenmaal
 
Is lucht, rotsen, kolen, staal.
 
 
 
Honger, keer. Graas, honger, in de
 
Zemelweide.
 
Ga het vrolijk gif der winde
 
Gauw verleiden.
[p. 48]
 
Vreet de keien om te malen,
 
Oude steen van kathedralen;
 
Grof grind van een oude zondvloed,
 
Mannazaad in grauwe dalen.
 
 
 
De wolf huilde in het lover
 
En hij gaf de fraaie veren
 
Van zijn hoendermaal weer over:
 
Zowel hij als ik verteren.
 
 
 
Veldsla, vruchten langs de weg
 
Wachten enkel op de plukker;
 
Maar de spinnen in de heg
 
Vinden slechts viooltjes lekker.
 
 
 
Laat me slapen! laat me stomen
 
Op 't altaar van Salomon.
 
Naar de Kedron gutst in stromen
 
Over roest mijn vleesbouillon.

Ten slotte, o geluk, o gelijk, wiste ik uit de hemel het azuur weg, dat een soort van zwart is, en ik leefde als een goudsprankel van natuurlijk licht. Van vreugde drukte ik me zo koddig en verward mogelijk uit:

 
Zij is weergevonden!
 
Wat? de eeuwigheid.
 
Als de zee verbonden
 
Met de zon.
 
 
 
Ziel die eeuwig zijt,
 
Doe uw eed gestand,
 
's Nachts in eenzaamheid,
 
Overdag in brand.
[p. 49]
 
Wil u niet neerleggen
 
Bij wat mensen zeggen,
 
Bij wat zij verlangen!
 
Ga gerust uw gangen.....
 
 
 
- Nooit iets verwachten.
 
Geen orietur.
 
Weten en wachten,
 
Geen straf is beter.
 
 
 
Laatste morgenuur,
 
O satijnen vuur,
 
Uw licht
 
Is mijn plicht.
 
 
 
Zij is weergevonden!
 
- Wat? - de Eeuwigheid.
 
Als de zee verbonden
 
Met de zon.

Ik werd een fabelachtige opera: ik zag dat alle wezens tot geluk gedoemd zijn: de daad is geen leven, maar een soort van krachtverspilling, uitputting. Moraal is hersenverweking.

Ieder wezen leek me recht te hebben op verschillende andere levens. Die heer weet niet wat hij doet: het is een engel. Dat gezin is een nest jonge honden. Bij verschillende mensen praatte ik hardop met een moment uit een van hun andere levens. - Zo heb ik eens een zwijn liefgehad.

Geen enkel sofisme van de waanzin - de waanzin die achter de tralies gaat - zag ik over het hoofd: ik zou ze allemaal kunnen opnoemen, ik ken het systeem.

Mijn gezondheid ging achteruit. Doodsangst kwam opzetten. Ik viel soms in een dagenlange slaap en hield er de naarste dagdromen aan over. Ik was rijp voor mijn laatste uur en langs een weg vol gevaren voerde mijn zwakte me

[p. 50]

naar de uithoeken van de wereld en van Cimmerië, de bakermat van de duisternis en de wervelwinden.

Ik moest op reis, de ban die op mijn hersens lag verbreken. Op de zee, die ik liefhad als moest ze mij van een smet reinigen, zag ik het kruis van de troost oprijzen. Ik was door de regenboog veroordeeld. Het Geluk was mijn doem, mijn wroeging, mijn worm: mijn leven zou altijd te groots zijn om het aan kracht en schoonheid te wijden.

Het Geluk! De dodelijke zoete tand ervan waarschuwde me bij het kraaien van de haan - ad matutinum, bij het Christus venit - in de somberste steden.

 
O seizoenen, o kastelen!
 
Welke ziel is niet te helen?
 
 
 
Ik heb de tover bestudeerd
 
Van het geluk dat geen bezweert.
 
 
 
Een groet zij het toegezwaaid
 
Als de gallische haan kraait.
 
 
 
Ach! gedaan met alle streven:
 
Het belast zich met mijn leven.
 
 
 
De ban nam ziel en lichaam aan
 
En heeft mijn werk te niet gedaan.
 
 
 
O seizoenen, o kastelen!
 
 
 
De dag dat hij zal wijken, ach!
 
Wordt ook mijn laatste levensdag.
 
 
 
O seizoenen, o kastelen!

Dat is voorbij. Vandaag kan ik de schoonheid groeten.

terug  begin  verder