Een fragment uit Une saison en enfer (1873)
Vertaling: Paul Claes

Mijn beurt. het verhaal van een van mijn dwaasheden.
Al lang maakte ik me sterk dat ik alle mogelijke landschappen in mij had, en vond ik de grote namen uit de schilderkunst en de moderne poëzie belachelijk.
Ik hield van idiote schilderijen, deurstukken, decors, doeken van kunstenmakers, uithangborden, volksprenten; ouderwetse literatuur, kerklatijn, erotische boeken vol spelfouten, romans uit grootmoeders tijd, sprookjes, kinderboekjes, oude opera's, simpele deuntjes, naïeve rijmpjes.
Ik droomde van kruistochten, ontdekkingsreizen waarover geen verslag bestaat, republieken zonder geschiedenis, onderdrukte godsdienstoorlogen, omwentelingen in de zeden, verhuizingen van volkeren en continenten: ik geloofde in al wat betovert.
Ik vond de kleur van de klinkers uit! - A zwart, E wit, I rood, O blauw, U groen. - Ik bepaalde de vorm en de beweging van elke medeklinker en ging er prat op met spontane ritmes een poëtisch woord uit te vinden dat op de een of andere dag toegankelijk zou zijn voor alle zinnen. Ik liet de vertaling achterwege.
Het begon als een studie. Ik schreef stiltes, nachten neer, ik noteerde het onuitdrukbare. Ik legde duizelingen vast.
De ouderwetse kunst der poëzie had een groot aandeel in mijn alchemie van het woord.
Ik wende aan gewone hallucinatie: ik zag zonder meer een moskee in de plaats van een fabriek, een tamboerkorps bestaande uit engelen, kalessen op de wegen in de hemel, een salon op de bodem van een meer; de monsters, de mysteries; een titel van een vaudeville liet nachtmerries voor me oprijzen.
Daarop verklaarde ik mijn toversofismen met woordhallucinatie!
Op de duur leek mijn geestesverwarring me gewijd. Ten prooi aan zware koorts voerde ik niets uit: ik benijdde de dieren om hun gelukzaligheid - de rupsen die de onschuld in het voorgeborchte belichamen, de mollen, de sluimer van de maagdelijkheid!
Mijn karakter verzuurde. Ik zei de wereld vaarwel in een soort van romances:
Ik hield van woestenij, verschroeide boomgaarden, verwelkte winkels, verschaalde dranken. Ik sleepte me voort door de stinkende steegjes en leverde me met gesloten ogen over aan de zon, de god van het vuur.
‘Generaal, als er één oud kanon op de stukgeschoten wallen overblijft, bekogel ons dan met droge aardklompen. Door de ruiten van de schitterende warenhuizen! in de salons! Doe de stad in haar eigen stof bijten. Laat de regenpijpen roesten. Vul de boudoirs met brandend robijnpoeder...’
Och, dat mugje dat zich bedrinkt aan het pisbakje van de kroeg, dol op bernagie, en dat oplost in een straal!
Ten slotte, o geluk, o gelijk, wiste ik uit de hemel het azuur weg, dat een soort van zwart is, en ik leefde als een goudsprankel van natuurlijk licht. Van vreugde drukte ik me zo koddig en verward mogelijk uit:
Ik werd een fabelachtige opera: ik zag dat alle wezens tot geluk gedoemd zijn: de daad is geen leven, maar een soort van krachtverspilling, uitputting. Moraal is hersenverweking.
Ieder wezen leek me recht te hebben op verschillende andere levens. Die heer weet niet wat hij doet: het is een engel. Dat gezin is een nest jonge honden. Bij verschillende mensen praatte ik hardop met een moment uit een van hun andere levens. - Zo heb ik eens een zwijn liefgehad.
Geen enkel sofisme van de waanzin - de waanzin die achter de tralies gaat - zag ik over het hoofd: ik zou ze allemaal kunnen opnoemen, ik ken het systeem.
Mijn gezondheid ging achteruit. Doodsangst kwam opzetten. Ik viel soms in een dagenlange slaap en hield er de naarste dagdromen aan over. Ik was rijp voor mijn laatste uur en langs een weg vol gevaren voerde mijn zwakte me
naar de uithoeken van de wereld en van Cimmerië, de bakermat van de duisternis en de wervelwinden.
Ik moest op reis, de ban die op mijn hersens lag verbreken. Op de zee, die ik liefhad als moest ze mij van een smet reinigen, zag ik het kruis van de troost oprijzen. Ik was door de regenboog veroordeeld. Het Geluk was mijn doem, mijn wroeging, mijn worm: mijn leven zou altijd te groots zijn om het aan kracht en schoonheid te wijden.
Het Geluk! De dodelijke zoete tand ervan waarschuwde me bij het kraaien van de haan - ad matutinum, bij het Christus venit - in de somberste steden.
Dat is voorbij. Vandaag kan ik de schoonheid groeten.