terug  begin  verder
[p. 65]

J.M.H. Berckmans
De wortel in de brievenbus

Je weet niet wat het is. Nog steeds niet. Na al het dolen en al het dwalen. Door die miljoenen straten van die duizenden steden. Overal ter wereld. Na al het schorremorrie waaraan je overbodige porties van je weinige nog resterende vrienschap hebt geschonken en die je allemaal verraden hebben, de ene na de andere, sommigen overdag, de meesten 's nachts. Wellicht zal je 't ook nooit weten. Ik zeg wellicht. Waarschijnlijk. Misschien. Eventueel. Mogelijkerwijs. Bijwoorden van, van wat eigenlijk, bijwoorden van twijfel en wanhoop. Bijwoorden van radeloosheid. Van kommer en kwel, tot je er krom en knoestig bijloopt en de lui in de straten zeggen kijk daar heb je die sukkelaar weer. Die met z'n beige anorak en z'n vettige jeans. Laat ze maar zeggen. Het zijn de lui in de straten maar. Het zijn Willy en Jeanine en Leo en Sylvia maar. En die zeggen zoveel. Die zeggen dat de zon schijnt of dat het regent. Terwijl het gewoon maar sneeuwt of de apocalyps is losgebarsten en het einde van de tijd nabij is. Dat we moeten verschijnen voor de Alwijze en Hij over ons zal oordelen. Dat sommigen aan z'n rechter en sommige anderen aan z'n linkerhand zullen zitten. Die zeggen dat binnenkort de regering valt, of op z'n minst door de Wetstraat gaat strompelen. Ze weten alles van alles en ze kennen iedereen. Dat helpt. Ze hoeven nooit nog met iemand kennis te maken. Nooit nog iemand de hand te drukken.

Misschien dat het je ooit in een flits te binnen schiet, terwijl je ergens straalbezopen in een goot ligt, op de voorlaatste bank van de bus naar het stempellokaal zit te twijfelen aan jezelf, aan de zin van je daden, aan de geldigheid van je roserode stempel straks, terwijl je ergens staat te pissen in een pissijn, in het holst van de nacht in een gore kroeg. Allicht Jean-Jaques.

[p. 66]

Het aller, allereerste ogenblik, toen je uit die bittere, troosteloze kut die bittere, troosteloze aarde werd opgesmeten, bedacht je aan de snelheid van een elektron in een deeltjesversneller dat je er je hele verdere leven zou moeten over doen om die ene enkele metafoor te vinden, nu, met wat meeval een half leven later, maar met wat jij rookt en zuipt en snuift en spuit en neukt zonder kondoom, vorig weekend nog met die straalbezopen pothoer van 't Faboert, zal dat wel niet zo zijn, bon, zegt men hier, soit, veertig jaar later denk je dat er niet die ene enkele metafoor bestaat maar dat er honderdduizend metaforen voor bestaan en dat je ze allemaal moet boekstaven voor het te laat is, voor niemand er nog weet kan van hebben, voor ze nooit nog kunnen worden geopenbaard. Aan de wereld. Aan de mensheid. Aan het nageslacht, al is het niet het jouwe en zal het ook nooit meer het jouwe zijn want jij sterft uit, jij teert weg, jij verpietert zienderogen. Jij gaat zienderogen naar de bom.

Na het avondeten, na het zwelgen van het varken aan de trog, valt mijn vader in slaap op de woonkamerstoel en kijk ik met mijn moeder naar het Rad van Fortuin. Alle dagen kijk ik met mijn moeder naar het Rad van Fortuin, terwijl mijn vader na het zwelgen hangt te slapen aan de woonkamertafel, het hoofd zwengelend van links naar rechts, beurtelings gesteund door z'n linker dan wel z'n rechterhand, af en toe uitbarstend in een apocalyptische hoest- en schetenbui. Maar verder slapen doet hij, nu hij verzadigd is. Hij slaapt en hoest en schijt en heeft nog weet van nougabollen.

We letten er niet meer op. We raden kurketrekker en John Major een hele tijd voor de kandidaten, kurketrekker was makkelijk met al die k's, John Major was iets moeilijker maar we vonden 'em toch. Het woord van de superronde was kernenergie maar de trezebees kwam er niet op. Niks aanbouwkeuken. Morgen opnieuw proberen. Voor de auto of de eetplaats.

[p. 67]

Om negen uur gaat mijn moeder slapen, ze moet er om zes uur uit om bij Aloïs de broodjes te gaan smeren en te beleggen voor de meisjes van de verpleegstersschool, en ga ik op de beenharde sofa liggen en kijk naar de bewegende beelden. Iemand heeft klaarblijkelijk iemand anders vermoord en nog een derde is naar de moordenaar op zoek. Het is niet eenvoudig maar hij komt er uiteindelijk wel uit. Hij wordt een handje toegestoken door nog een vierde, een neger die er alles van weet omdat hij alles gezien heeft vanuit een huis aan de overkant. Hij vat de moordenaar bij de schrale lurven, de lurven van een sukkel die ook niks beters meer wist dan iemand anders overhoop te schieten. Voor een dollar of vijf. De stoel staat voor het televisietoestel en ik kan de onderschriften bij de beelden niet lezen, maar zolang de beelden bewegen maakt het ook geen zak uit. Als ik het kijken beu ben sluit ik m'n ogen, strek m'n benen en draai me om, met m'n buik naar het woonkamervenster, naar de nu onzichtbare muur met de tien triljoen triljard donkerrode bakstenen. De muur van het mastodontische huis in de Van Schoonbekestraat.

Telkens mijn vader begint te hoesten en te schijten schrik ik even op, bekijk heel even het vieze vuile vettige stinkende oude lichaam, berust, hou ondanks alles zielsveel van hem want tenslotte zorgt hij mee dat ik overleef, sluit weer de ogen, draai me weer om, probeer de bakstenen muur in het pikdonker te onderscheiden maar kan hem niet zien.

Om twintig voor tien staat mijn moeder weer op. Ze moet gaan pissen. Ze zal te veel koffie gedronken hebben na het eten.

Blik vol weerzin richting mijn vader, daarna pissen, daarna terug door de bijkeuken en de keuken en de woonkamer tot aan de tussendeur. Ze knijpt haar ogen tot spleetjes en kijkt op de klok die in de keuken hangt. Ze zegt tandeloos is dat nu twintig voor tien of twintig voor elf.

Ik zeg dat het twintig voor tien is. En dat haar tijd van

[p. 68]

[advertentie]

[p. 69]

gaan nog niet gekomen is. Dat ze nog een half leven voor de boeg heeft. Dat ze minstens honderdachtentwintig wordt, met de knoken die zij heeft, dat ze nog veel boeken van Willy Corsari kan lezen, dat ze nog honderd miljoen Zweedse puzzels kan oplossen, dat ze die vetzak een hele eeuw overleeft. Dat ze daar gerust kan in zijn. Dat die zich wel eens doodschijt of stikt in z'n hoest.

Gij zoudt beter morgen eens in bad gaan, zegt mijn moeder, ge stinkt waar ge zit, 't is precies of ge hebt in uw broek gescheten.

Toen ik vanmiddag van het ziekenfonds weer naar Den dorstigen Haan liep liet ik heimelijk een schuivertje van een scheet, er had al de hele dag een blubberige massa vanuit m'n endeldarm op m'n sluitspier gedrukt maar ik had geen schijtpapier in huis en dus had ik het al die tijd opgehouden en onderweg van het ziekenfonds naar Den dorstigen Haan was er met het heimelijke schuivertje een scheutje stront m'n onderbroek mee binnengeschoten, het eerste kwartier had het wat nattig aangevoeld aan m'n reet maar na een half uurtje was het opgedroogd en voelde ik er niets meer van.

Voor het overige was er geen hond in Den dorstigen Haan. Alleen ik. Er was niet eens muziek. Gino zat in het Frans te konverseren met Marion over wat ze nu eigenlijk feitelijk aan de muur gingen hangen, de Orangina of de Duvel. Het waren allebei spiegels. Ik dronk twee koffies en daarna vier pilsjes. Ik legde m'n hoofd op de tapkast en dacht na over de ene, enkele metafoor, waar niemand, niemand ooit op zal komen, geen hond, geen everzwijn, geen veldmuis. Daarna wandelde ik naar m'n vader en m'n moeder. Ik zeg wandelen want stappen kan ik nu niet meer. Stappen is me halverwege m'n bestaan te veel geworden. En misschien is stappen tenslotte wel die ene, enkele metafoor. Voetje voor voetje vooruit. Altijd maar verder, door weer en wind, bij nacht en ontij. Maar denkelijk niet, omdat

[p. 70]

er honderdduizend metaforen zijn. Indien geen miljoen miljard. Die je allemaal moet boekstaven. Voor je aan het eind van de reis bent. En aan het eind van de reis staat Hein met de zeis. Dat is bekend. Dat hebben ze gisteren nog op het half-acht-journaal gezegd. Voor de weinigen die het nog niet wisten. Maar de meesten wisten het al, al houden ze er geen rekening mee. Ze stappen maar door en ze doen maar raak. Ze kletsen maar wat uit hun steeds dikker wordende nekken. Allemaal lulkoek.

Soms hoor je mensen lachen achter een soort van geluidsmuur, je weet niet waarom ze lachen, je weet niet wat er te lachen valt, maar ze lachen, loeihard, allemaal samen, soms in een soort van sauluspaulusvisioen hoor je mensen praten aan een tafeltje in de kroeg, je zit wel eens in de kroeg, je weet niet waarover ze praten, je weet ook niet wat er op het einde van de twintigste eeuw nog te zeggen valt, wat voor zin de woorden nog hebben, of de grammatika nog enigerlei steek houdt, en wat voor absurde steek dan wel. Een van de bok gepoepte steek misschien.

Je probeert te luisteren maar je hoort niets, je hoort alles en niets, je hoort de woorden maar je verstaat ze niet en alles ontgaat je. Niets onthoud je, niets blijft je bij. Het zijn woorden in de gure, bitsige, noordwester, die, als je de hoek omslaat, ijskoud in je gezicht blaast.

Lang, heel erg lang, heb je je afgevraagd wat nu eigenlijk het ergst is.

Je hebt gedacht dat het de stilte was, maar het was de stilte niet, je kan de radio opzetten of luidop in jezelf zitten praten. Al is dat geen garantie voor de ene of de andere aanwezigheid. Van aanwezigheid gesproken. Je dacht dat het de afwezigheid was. Van iemand die haar hand in de jouwe zal houden op je sterfbed. Maar verrekken kan je evengoed alleen. Zoals iedereen. Zoals Willy en Jeanine en Leo en Sylvia. Die kreperen ook maar achter zo'n hospitaalgordijn. Ach nee, kreperen is niet de goede metafoor. Er

[p. 71]

zijn er betere. Bij voorbeeld inderdaad stappen. Het ene voetje voor het andere. Van hier naar daar en van elders naar nergens. Van nu naar nooit meer.

Van het ziekenfonds naar Den dorstigen Haan en onderweg in je broek schijten tot je kotsmisselijk wordt van jezelf. Van de viespeuk die je geworden bent. Dat is misschien de metafoor. Kotsmisselijkheid. Walg en afschuw.

Maar nee, in je broek schijten is het ergste niet, het hele weekend in je nest liggen met een uitzuipster van een pothoer is het ergste niet, je hoestende schijtende vader is het ergste niet, je bittere, verweerde moeder is het ergste niet, je weet niet wat het ergste is, er is geen beeld voor, er is geen woord voor, misschien is TILT wel het ergste, de knalrode digitale letters op de flipperkast, misschien zijn de zeventien stappen van je bed naar je keuken het ergst, opstaan, uiteindelijk wel moeten opstaan, de zeventien stappen, onderweg de meest linkse knop van de draagbare radio indrukken, de muzak die weer losbarst tot ze je haast onmiddellijk verschrikkelijk pijn gaat doen, het water in de ketel, het teutje op de ketel, het vuur er onder, het filterzakje van gisteren in een van je zestien vuilniszakken, de thermoskan omspoelen, de filter er op, het zakje er in, de vier lepeltjes koffie, onderuit gaan hangen in je zetel, nu eens links dan weer rechts, wachten tot de ketel fluit, koffie zetten, je drie beschuiten met Planta, zitten, denken, proberen te denken, vroeger vlogen de gedachten in woorden door je hoofd en kon je er nog wat van maken, kon je er nog een touw aan vastknopen, een of ander soort van strop, later werden het lettergrepen, nu zijn het alleen nog maar letters, of stukjes van letters, het beentje van de p, het bovenste krulletje van een c, het hakje van de q, niks kan je nog in woorden vatten, en misschien is dat het ergste, misschien is dat de ene enkele metafoor, dat niks nog in woorden te vatten is.

Maar nee, je weet het maar al te goed, alles is in woor-

[p. 72]

den te vatten, alles is een verhaal, sommige verhalen zijn romans, sommige romans zijn wereldgeschiedenis, alles kan je zeggen, alleen dat wat jij wil zeggen kan je niet zeggen. Op dat ene enkele beeld kom je nooit of nooit nog. Je kan tienduizend straalbezopen pothoeren neuken zonder kondoom, de ene zal misschien Suzanne heten en de andere allicht Erika, bijwoorden van hopeloze onverschilligheid, je kan een miljoen CD's uitbrengen met het hoesten en de scheten van je vader, je kan zuipen tot je doodgaat, je kan zwelgen tot je stikt, je kan in je broek schijten tot heel Barakstad de straat oversteekt als ze je zien aankomen, je kan als een uitgemergelde kliedernatte schurftige gele straathond in de eerste de beste goot gaan liggen tot het sossenkarretje komt en je in hun cel je roes laat uitslapen, alles kan je doen, maar dat ene beeld vind je niet, het enige, het allerlaatste, het definitieve, het beeld dat nog nooit iemand gevonden heeft. Behalve jij. Dat vind je niet. En daaraan ga je dood. En alleen daaraan.

Om een uur of één eet m'n vader z'n portie kaas, weer wakker en gebiologeerd door wat er over het scherm rolt. Golden Girls in het duits of Miami Vice in het turks.

Om twee uur eet hij vijf schijven boerenringworst.

Om drie uur eet hij de overschot van de waterzooi op. Er rest alleen nog koude kip en wat worteltjes.

Om vier uur schilt hij met het vijfentwintig jaar oude maar nog steeds vlijmscherpe aardappelmesje z'n drie mandarijntjes.

Hij zegt ge moet eens zien hoe die mandarijntjes er uit zien, verrimpeld en verschrompeld, en zuur, nog nooit van m'n leven heb ik zulke mandarijntjes in huis gehad, Het is schandalig wat ze tegenwoordig allemaal durven verkopen.

Ik ben weer wakker en zeg dat het nog veel te vroeg is voor mandarijntjes, het is nog maar eind oktober en voor goeie mandarijntjes moet ge wachten tot in december.

Daar heeft mijn vader niet van terug en om vijf uur, vlak

[p. 73]

voor hij de TV afzet en in z'n nest van stront en zweet kruipt, eet hij nog een paar madeleintjes van de Witte Produkten en zegt dat de madeleintjes ook niet meer zijn wat ze vroeger waren.

Daarna zet hij met het telecommando de TV af, doet het licht uit en gaat slapen, ik blijf liggen op de sofa, ik blijf staren naar de onzichtbare muur, ik blijf zoeken naar het ene, enkele, onbedenkbare beeld, misschien is het het beeld van een zwijn, misschien is het het beeld van een nijlpaard, misschien is het het beeld van een sukkelaar in een beige anorak en een vettige jeans die onderweg van het ziekenfonds naar Den dorstigen Haan in z'n broek schijt, misschien zijn het tien triljoen triljard donkerrode bakstenen, wellicht is het een hoest en een scheet, ik weet het niet, ik zal het ook nooit weten, omdat het ene, enkele beeld niet bestaat, omdat alle metaforen zinloos en uitgesloten zijn, omdat alles niets is. Daarom. Omdat alles niets is. Ik heb het al honderdduizend keer op m'n blote knieën tegen Frieda Vindevogel gezegd, soms uitgebarsten in het meest desolate, verbijsterende snikken, maar ze wil me niet geloven. Ze wil me wijsmaken dat er een zin is. Dat de zin die ene, enkele metafoor is. Maar er is geen ene, enkele metafoor. Er zijn er honderdduizend. En die moet ik, voor het veel en veel te laat is, voor de deurwaarder hier weer staat met z'n exploten en z'n inventaris, nog allemaal te boek stellen. En daar ga ik vroeg of laat aan dood. Eerder vroeg dan laat, als ik nog veel met die Suzanne in de nest kruip. Ze kreeg niet eens haar benen meer gespreid en ik had alle moeite van de wereld om het gaatje van haar kut te vinden. Tenslotte vond ik het. Het was nauw en vettig en ik dacht van er die ene, enkele metafoor in te vinden, maar alles wat ik vond was 's anderendaags een kondoom vol zaad in m'n bed. En een naakte vrouw met een veel te vette pens en een honger van jewelste, zodat ik nog een broodje kaas kon gaan kopen bij de Kaasspecialist. Naast Arlette Gazette. Maar dat had ik

[p. 74]

voor een nachtje neuken wel over. Dat broodje maakte de zaak niet.

Elders. Later. Niet thuis. Niet in het beschimmelde kruipkot. Niet bij mijn vader en mijn moeder maar in het café van de Cartoon's, waar ik elke vrijdagavond zit. Ik ga elke vrijdagavond twee, drie films zien. Ik heb niks beters omhanden op vrijdagavond en op vrijdagavond is er niks op de televisie. Daarom ga ik op vrijdagavond naar de film.

Een soort van Brief Encounter. David Lean, lang geleden, vlak na de oorlog, flutfilm. Zestien millimeter. Ik weet niet eens hoe ze heette. Ze trok met zwier haar jas uit en stootte daarbij m'n glas bier om. Ze verontschuldigde zich in duizend talen. Turks en Chinees. Gelukkig ook Nederlands. Ze bood me een ander glas bier aan, even later kocht ik haar een glas rode wijn. We raakten aan de praat. We hadden het over gelukkig zijn en ongelukkig zijn, ik was ongelukkig want alleen, ik had alleen nog m'n vieze vuile vettige vader en m'n verbitterde moeder, zij was gelukkig want perfekt getrouwd en twee schatten van kinderen, negen en twaalf, Femke en Steven, een jongen en en meisje, goeie job, eigen huis, twee auto's, ze was achtendertig, ze was jong getrouwd, ze was lang zonder kinderen gebleven maar had tenslotte toch niet meer zonder gekund, ik had geen kinderen, mijn sperma was te traag gebleken, we hadden er alles aan gedaan maar niets had geholpen, op de lange duur had ons huwelijk geen zin meer gehad en waren we uit elkaar gegaan, ik was niet verbitterd, ik was alleen maar heel erg boos, -- zij niet, zij was heel erg gelukkig, alleen hield haar man niet van film. Haar man las liever boeken. Die zat van zeven uur 's avonds tot drie uur 's nachts te lezen. Ze was Bleu gaan zien en ze wou de trui van Juliette Binoche nabreien. Of ik die film en die trui gezien had. Ik had de film en de trui gezien. Ze dronk rode wijn. Ik dronk alsmaar bier. We praatten over alles en nog wat, zeg maar het leven, het leven tout court, het leven zoals het is,

[p. 75]

het leven van Jan en alleman, desnoods dat van een snol, desnoods dat van een vagebond. We zagen niets in elkaar, we hielden niet van elkaar, we zouden ook nooit van elkaar houden, maar we praatten. Veel over film. We hadden ze allemaal gezien. Benny and Joon. One false Move. The unbelievable Truth. We zaten allebei haast elke dag in de bioscoop. Vreemd dat we elkaar nooit eerder hadden ontmoet. We zaten op een soort van golflengte. Daarna praatten we over de boeken waarvan ik vond dat ze ze eens moest lezen. Mein name sei Gantenbein. Biljart om half tien. Het leven van Rozeke van Daelen. Het werd later en later. We praatten. We flirtten bijna. Ik zoende haar op haar rechterwang en zij mij op m'n linker. De kroeg sloot. Onverrichterzake. Er was niemand meer. We gingen een shoarmabroodje eten in de Pitta House, the best in town. Het staat op hun T-shirts. Ik at niet vanwege m'n onderste prothese die ik zou moeten hebben uitdoen en waarover ik me dood zou hebben geschaamd, maar ik dronk een biertje. Het werd vier uur. We hadden nog de hele nacht. We hadden nog de hele wereld. Ik legde haar het gevalletje uit van de ene, enkele metafoor. Ze zei dat zij wist welke dat was. En dat was die van de wortel in de brievenbus. Dat was de enige echte.

Ik vroeg haar of ze m'n wortel in haar brievenbus wou maar ze zei je bent m'n type niet, eigenlijk feitelijk.

Weg metafoor, weg ene enkele beeld, weg bliksemschicht die heel, heel even door het hoofd van een pasgeboren baby schoot, als een elektron door een deeltjesversneller, als een scheet door het Walhalla.

Bovendien stink je, zei ze, het is net of je in je broek gescheten hebt.

terug  begin  verder