terug  begin  verder
[p. 76]

Lucianus
De Maanmannen

Vertaling: Patrick De Rynck
Het is van 1679 geleden dat dit fragment uit Echt gebeurde verhalen van de Oudgriekse schrijver Lucianus (o ca. 120 in Samosata aan de Eufraat) nog integraal in het Nederlands kon worden overgezet.

Ik wil vertellen wat ik voor bizarre en verbijsterende dingen gezien heb tijdens mijn verblijf op de maan. Eerst en vooral: de maanbewoners worden niet uit vrouwen geboren, maar uit mannen. Zij kennen alleen maar mannenhuwelijken, en zelfs het woord ‘vrouw’ is hen volslagen onbekend. Tot zijn vijfentwintigste wordt men ten huwelijk gevraagd, daarna vraagt men zelf ten huwelijk. Zij zijn zwanger van hun kinderen, niet in de buik, maar in hun kuit. Als ze is bevrucht, zwelt de kuit op. Na enige tijd snijden ze haar open en halen ze een kind tevoorschijn, in dode toestand. Ze leggen dat met de open mond naar de wind gekeerd en zo komt er leven in. Ik denk dat ons Griekse woord ‘kuitebuik’ vandaar is overgewaaid naar ons, omdat bij hen de kuit als buik dienst doet.

Nog sterker is het volgende: zij kennen een soort mensen die ze ‘bomelaars’ noemen. Die ontstaan als volgt: de rechterteelbal van een man wordt weggesneden en in de grond geplant. Daar groeit een reusachtige vleesboom uit, als een fallus. Hij heeft ook takken en bladeren. Zijn vruchten zijn eikels van een el groot. Als die rijp zijn, plukt men ze en haalt men er door ze te breken mensen uit. Hun geslachtsdelen worden eraan toegevoegd en zijn van kunststof, bij de enen van ivoor, bij de arme mensen van hout. Hiermee hebben ze gemeenschap met hun echtgenoten.

[p. 77]

Als iemand daar oud wordt, sterft hij niet, maar lost zich zoals rook in lucht op. Het voedsel is voor iedereen hetzelfde: ze steken een vuur van houtskool aan en roosteren daarop kikkers. Die vliegen bij hen massaal door de lucht. Terwijl de kikkers gebraden worden, zitten de mensen in een ronde, zoals rond een tafel, en genieten van de opstijgende rook die ze oplikken. Dat voor wat betreft hun voedsel. Hun drank is lucht, die ze uitpersen in bekers. Dit geeft een vocht dat lijkt op dauw. Ze doen geen kleine of grote boodschap. De openingen in hun lichaam zijn niet dezelfde als bij ons en de knapen bieden dan ook niet hun zitvlak aan voor het liefdesspel, maar hun knieholten boven de kuit. Daar hebben ze namelijk openingen.

Het wordt bij hen als mooi beschouwd als men kaal en onbehaard is, zij halen hun neus op voor langharigen. Op de staartsterren, wij noemen dat in het Grieks ‘haarsterren’, doet men het omgekeerde: daar wordt iemand met lang haar mooi genoemd. Ik weet dat van reizigers daar, die er geweest zijn. De maanbewoners hebben wél een baard, iets boven hun knieën. Hun voeten hebben geen nagels; ze zijn eentenig. Boven hun zitvlak is er bij hen allemaal een lange kool gegroeid, als een soort staart. Die staat altijd in bloei en zelfs als ze op hun zitvlak vallen, breekt hij niet.

Ze snuiten honing, maar wel heel zure. Als ze hard werken of aan sport doen, zweet hun hele lichaam melk uit. Ze kunnen er zelfs kaas mee maken, door er wat van hun honing op te laten druppen. Olie maken ze uit uien. Hij is bijzonder vet en welriekend als parfum. Ze hebben veel wijngaarden die water voortbrengen, want de pitten van de druiven zijn als hagelstenen. Ik denk overigens dat, als de wind die druivelaars wat doet schudden, dat het dan bij ons hagelt, omdat die druiven worden kapotgewaaid.

Ze gebruiken hun buik als zak en leggen er alles in wat ze nodig hebben. Ze kunnen hem namelijk open en dicht doen. Ingewanden lijken er niet in te zitten, zelfs geen lever,

[p. 78]

behalve dat hij van binnen dicht begroeid is met haar: babies kunnen, als ze het koud hebben, daar dan ook in kruipen.

De rijken dragen kleren van zacht kristal, de armen van geweven brons. Dat brons komt in die streken overvloedig voor. Ze bewerken het door er water op te sprenkelen, zoals wij met wol doen.

Hun ogen dan. Ik durf het bijna niet te vertellen uit vrees dat men mij als een leugenaar zal beschouwen, zo ongelooflijk is het. Toch zal ik het zeggen: hun ogen zijn uitneembaar. Wie daar zin in heeft, neemt ze uit hun kassen en houdt ze bij tot hij moet zien. Dan zet hij ze terug in en ziet. Omdat veel mensen hun ogen kwijtspeelden, lenen ze die van anderen om te kijken. Er zijn er zelfs die meerdere paren in voorraad hebben, uiteraard de rijken. Hun oren zijn plataanbladeren, behalve bij de eikelkinderen. Bij hen alleen zijn ze van hout.

En tenslotte zag ik in het paleis nog iets wonderlijks. Daar staat een reusachtige spiegel, boven een ondiepe put. Als nu iemand in die put afdaalt, hoort hij alles wat bij ons op aarde wordt gezegd. En als hij in de spiegel kijkt, ziet hij alle steden en volkeren alsof hij ernaast stond. Ik heb bij die gelegenheid mijn familie en mijn hele vaderland gezien; of zij mij hebben gezien kan ik niet met zekerheid zeggen.

Als er mij iemand niet mocht geloven, dan zal hij merken dat ik de waarheid spreek, wanneer hij daar zelf ooit voet aan land zet.

[p. 79]



illustratie

[p. 80]



illustratie

[p. 81]



illustratie

[p. 82]



illustratie

[p. 83]



illustratie

[p. 84]



illustratie

terug  begin  verder