Ik had haar niet herkend, wat wilt ge, ik had haar meer dan twaalf jaar niet gezien, maar ze stelde zich beleefd voor, één keer, twee keer, de derde maal ging er een belletje rinkelen en besefte ik dat het mijn dochter was, die voor mij stond. Ze droeg jeans, baskets en een T-shirt van Greenpeace: niet bepaald het type vrouw waar ik wild van word.
Dag pa, patati, patata en ik liet haar een tijdje praten want dat schijnen meisjes van die leeftijd graag te doen en ik wist toch niet wat zeggen tegen een wildvreemde, die zomaar m'n leven kwam ingestormd omdat ik ooit met sperma had gemorst.
En opeens viel er een stilte, enfin, zij liet die vallen, mij trof geen schuld, behalve toendertijd met die zaadcellen misschien maar zelfs daar valt over te discussiëren want de pil bestond toch ook en het spiraaltje en wat weet ik nog allemaal, maar nee, 't is altijd de man die het gedaan heeft en daar stond ik dan met die trien tegenover mij en die stilte tussen ons en ze schoof heen en weer, zenuwachtig waarschijnlijk of high van de XTC of andere chemische rommel. Als ik de spermatozoïde in handen krijg die mij dat gelapt heeft...
't Is toch waar, hè? voegde ze eraan toe en ik wist niet wat antwoorden omdat ik niet snapte waarover het ging, dus zei ik ‘tja’, ik moest toch iets zeggen. Maar het was duidelijk dat ze met die summiere uitleg geen genoegen nam, want van mijn voeten keek ze naar mijn hoofd en met zo'n blik van ‘jij kan het weten’ dus zei ik nog eens ‘tja’ en nu was ik het die heen en weer wiebelde en dat kon toch niet meer zijn van die ene hasjsigaret in '68 zeker?
En toen vroeg ze half lachend of ik haar niet zou binnen laten want we stonden nog altijd in de deuropening van mijn flat naar mekaar te koekeloeren. Toen ze langs me heen liep en ik haar nieuwsgierig zag rondkijken had ik al meteen spijt dat ik niet kordaat ‘nee’ had gezegd. Je zou zien, ik zat zeker een half uur met haar opgescheept, als het al niet langer duurde want ze ging onuitgenodigd aan de keukentafel zitten.
Ze zei dat ze mijn neus had en ik vroeg of ze er tevreden mee was en ze lachte terwijl ik me afvroeg wat ze nog meer van me wou. Een pilsje en mijn levensverhaal, bleek al snel, en terwijl ik het eerste uitschonk hoorde ze me uit als een volleerde BOB'er: wat ik deed en of ik alleen woonde en waarom dit en waarom dat en ik zuchtte en ze zei dat ik niet moest antwoorden als ik niet wou. Ik antwoordde dat het geen kwestie van willen was, 't was alsof ik haar zou vragen te zeggen waar zij was en wat zij deed op 13 augustus 1986, klokslag 13 uur. En ze dacht na en zei toen dat ze het niet meer wist en of er soms iets belangrijks was toen. Voila, dat bedoelde ik, had ze meteen de korte inhoud van mijn leven.
Ze dronk gulzig en om de stilte te doorbreken, wees ik naar het bier en zei dat ze melk dronk toen ik haar het laatst zag, waarop ze met grote ogen aankeek alvorens in tranen uit te barsten.
Foute opmerking, verdomd foute opmerking.
Ik stond wat onhandig op dat vreemde kind te kijken, wist niet hoe het verder moest. In een ver verleden had ik dat nog meegemaakt, snotterdende vrouwen, en de beste remedie was toen steevast koffers pakken en wegwezen geblazen maar dat kon nu niet. Ik bedoel: dit was mijn flat, verdomme, en zij was het die moest ophoepelen. Was mijn zaad toch maar op de rotsen gevallen.
Ze veegde met haar Greenpeace-mouw langs de neus, die ze van mij had, vermande zich, glimlachte en zei dat ze zich aanstelde. Ik zag geen reden om haar tegen te spreken.
En of ik nog werkte en mij nooit verveelde, zo alleen? Nee, met werken was ik gestopt toen ik zag dat al m'n geld opging aan alimentatie en verveling, tja, er is TV en radio en er zijn m'n boeken. Dat had haar moeder haar verteld, dat ik graag las en of ze m'n boeken 's mocht zien. Ik had er geen, loog ik, en dat ik mijn lectuur in de bibliotheek ontleende. De waarheid is dat ik nooit een voet in een bibliotheek zette, een boek is een hebbeding: je koopt het, je leest het en je bewaart het. M'n slaapkamer is rondom bezet met goedkope Ikea-rekken vol boeken, honderden, duizenden misschien, op, over, onder mekaar. Maar ik wou niet dat ze de neus, die ze van mij had, in mijn lectuur stak. Ik had haar binnen gelaten, ok, ze was de vrucht van een overijverige zaadcel, die onder mijn verantwoordelijkheid viel, juist, maar aan alle intimiteit zijn grenzen.
En of ik ooit aan haar gedacht had? Of aan ma? Of aan terugkomen? Ik haalde mijn schouders op, bedacht plots dat ze door dat antwoord weer aan het stotteren kon gaan en zwakte het af tot een neutraal ‘ach’. Daar leek ze vrede mee te nemen.
Zij hield van muziek, zei ze, en van lezen. Maar ze leende nooit boeken in de bibliotheek, ze vond dat niet echt hetzelfde. Of ik dat begreep? Ik knikte. Ze had mijn neus en mijn boekenpassie geërfd. Leuk, nu we dat wisten mocht ze opkrassen wat mij betrof. Ik bedoel: wat verwachtte ze in godsnaam van me, wou ze even twaalf jaar bijpraten of zo, jezus waren we morgen nog bezig. En dan nog, ik zag de zin niet omdat het geen zin had: we waren natuurlijke verwanten et voila, point et fini. D'r was geen enkele wet, die ons verplichtte mekaar te leren kennen, laat staan vrienden
[advertentie]
te worden. D'r zijn verdomme kinderen genoeg zonder ouders, dus als we het van die kant bekeken, had zij het nog niet eens slecht getroffen.
Na een lange aarzeling vroeg ze me wat ik van haar vond en spontaan antwoordde ik ‘gegroeid’, een antwoord dat er meteen de sfeer in joeg en ik vroeg of ze nog een pils wou en ze knikte, verwonderde er zich over dat ik haar tempo niet volgde, terwijl ik nochtans aan haar beschreven was als iemand die er weg mee wist.
Ik drink met periodes.
Welke periodes?
100 jaar wel, 100 jaar niet.
Ze grijnsde en tot mijn ergernis merkte ik dat er iets groeide tussen ons. Ik besefte dat ik met open ogen in haar val was gelopen door met een paar one-liners zelf het ijs te breken. Vrouwen, ik zal het wel nooit leren. En het beterde niet toen ze me zei dat ze me aardig vond. Ze was nochtans bang geweest om me op te zoeken, iedereen had het haar afgeraden, mama, vrienden, vriendinnen: iedereen. Maar het viel best mee, ik had haar niet de deur uitgegooid, of zo. Nog niet, giechelde ze.
Doe ik alleen met getuigen van Jehovah, merkte ik op. God, misschien was ze d'r wel een, tenslotte wist ik niets over haar.
Ze las de twijfel in mijn ogen en stelde me gerust. Geen getuige, geen drugs, nergens lid van, zelfs niet van een boekenclub, nooit ergens bij willen horen: geen chiro, geen jeugdclub, geen betoging. Nee, ze deed het liever haar way en ze had daar niemand bij nodig. Die filosofie was me niet vreemd, ik kende nog zo iemand.
Ze schreef een beetje.
Je kan niet een beetje schrijven, wond ik me op. Je schrijft of je schrijft niet. Net zoals het idioot is om een
beetje kanker te hebben of zo. Je kan wel een beetje voetbal spelen, een beetje studeren, een beetje verliefd zijn...
Een beetje vader.
Ze gooide het er zomaar tussenin en het was raak en een uppercut en het trilde van mijn hoofd naar mijn tenen en alles d'r tussenin en dat was ik niet meer gewoon want precies om dat soort toestanden te vermijden, had ik me als een moderne kluizenaar teruggetrokken. Zoals een andere vrijgezel me ooit zei: met een vrouw geen gezeur als ik er zelf aan sleur. En al is dat geen citaat van Shakespeare, het bevat meer waarheid dan ‘to be or not to be’.
Sorry, zei ze. Ik wuifde haar excuus weg. Nooit excuses aanbieden als je meent wat je zegt en gelijk hebt, verdomme. Maar wat dan nog? Het leven is geen lijn met links goed en rechts kwaad, het is een cirkel waarop we ons wanhopig vastklampen om er niet af te vallen, trappend naar wie onder ons hangt en klauwend naar de sukkel die zich een hele piet waant omdat hij wat hoger bengelt. En zonder overgang: wat schrijf je?
Verhalen. Ze haalde haar schouders op, gespeeld nonchalant. En een ietsje blufferig: ze verschijnen regelmatig in tijdschriften. Ze relativeerde meteen zichzelf: maar dat doet de reklame van Ariël ook. En opgewonden: wil je ze eens lezen, ik heb er toevallig een paar bij me. Ik knikte, ze rommelde in haar handtas en gaf me drie literaire tijdschriften, waarin bladwijzers haar verhalen markeerden. Ik begon meteen te lezen, deed halverwege het eerste teken dat ze het bier wist staan take two, merkte plots dat ik aan het roken was terwijl ik nochtans meer dan tien jaar geleden stopte.
De verhalen waren goed en vlot geschreven, lazen weg alsof ze zonder de minste moeite neergeschrevn waren en bleven na afloop hangen. Ik was meteen verkocht, dus gaf ik haar het mooiste compliment dat ik kon bedenken: je zou niet zeggen dat door een vrouw geschreven zijn.
Daar klonken we op, want die meid van me begreep wat ik bedoelde en we rookten de asbak vol terwijl we over literatuur en schrijvers roddelden: mijn idee van een feestje bouwen. In feite ben ik omwille van dat schrijven hier, zei ze. Ik antwoordde dat ze geluk had, dat ik nog ergens een balpen liggen had maar die one-liner ging volledig de mist in.
Ze wou over mij schrijven, enfin... over zichzelf eigenlijk maar via de vader, die ze niet kende toen ze beleefde wat ze nu wou beschrijven en daarom wou ze me leren kennen om de juiste context te pakken te krijgen en zo en of ik het begreep?
Geen snars.
We lachten en dronken pils. Rookten.
Ze keek naar mij en ik naar haar en ik vroeg of ze nu genoeg van me wist en ze knikte van ja en ze stond recht, stopte de tijdschriften in haar handtas en stapte op.
Aan de buitendeur gaf ze me aarzelend een hand en dan kordaat een zoen. M'n buurman liep net voorbij en hij knipoogde maar ik dacht: val dood, man.
Ze draaide zich nog één keer om en zei dat ze nog wel binnenwipte, bij gelegenheid, als ze in de buurt was en als het verhaal er ooit kwam zou ze het me laten lezen. En ik antwoordde: dat zou leuk zijn, want ik moest toch iets zeggen. En toen was ze weg en ik weer alleen.
En ik ging zitten, op de stoel waar zij had gezeten en ik keek rond en ik zag de twee pilsglazen, die ik moest afwassen.
't Is altijd iets met kinderen.