terug  begin  verder
[p. 37]

Luc De Vos
Bij het thema klassiek: een gesloten totaliteit

In zijn essay ‘Vormtucht, Chaos en Verschuivende Realiteit’ gaat Witold Brombehr flink te keer. Deze zin verzon ik toen ik klaarkwam, gedurende het spuiten als het ware. Ik zat aan mijn bureautje en had al de gehele tijd zitten nadenken over Muguette, een forse dame die ik had leren kennen, jaren geleden, op een bijscholingscursus die ik volgde, daartoe verplicht door de Rijksdienst ter Opsporing der Werkonwilligen die ermee dreigde mijn halsstarrige ledigheid te bestraffen met het niet langer meer toekennen van mijn maandelijkse uitkeringen van staatswege. Het Rijk zat in die tijd flink in de moeilijkheden. Onze goede koning was van zijn troon gestoten en bevond zich samen met zijn familie in de gevangenis. De koning had het land naar de verdommenis geholpen, zo spraken de nieuwe leiders die een oligarchie van intellectuelen in het leven hadden geroepen. Onder Karel-Gustaaf, want zo heette onze koning, was het alle dagen feest geweest en dat moest nu maar eens uit zijn. De sociale zekerheid fungeerde niet meer als vangnet voor diegenen die uit de maatschappelijke boot waren gevallen maar als hangmat voor luiaards, zo luidde het. De koning had nog zo gesmeekt, laat de mensen toch met rust en laat ons verder in vrede samenleven en laat vooral de sukkelaars en de luiaards met rust want voor je het weet komen die in opstand, dat leert u toch de geschiedenis, dan stichten ze allerlei verbonden of partijen of eventueel gansterbenden en dan komen ze u belagen op uw golfterrein of in uw privékamertje in het bordeel terwijl u, u zal het altijd zien, net op dat moment zo lekker aan het klaarkomen

[p. 38]

bent, gepijpt als u wordt met een vinger in uw aars. Dit had koning Karel-Gustaaf als goede raad meegegeven aan die onderdanen van hem die vonden dat het land in een kunstmatige staat van welvaart leefde, dat dit als het ware een vorm van zelfbedrog was en dat we voortaan in de waarheid dienden te leven. Maar de samenzweerders wilden dus niet luisteren naar goede raad en hadden na hun staatsgreep alle leeghangers zoals ik terug naar school gestuurd waar ik op de bank naast Muguette zat. Frans, vooral Frans moest je daar leren en dan weende ik altijd een beetje omdat ik geen Frans kon. Opstellen maken, dat moesten we daar ook veel doen en als het opstel was dan zat Muguette altijd te wenen. Weet je wat het is, zo sprak ze dan snotterend tot mij, ik heb geen fantasie. Als ik een opstel moet maken dan zit ik uit verveling en omdat ik toch niets weet te verzinnen altijd naar de welvingen van mijn eigen lekkere dikke borsten en billen te loeren, ik word daar lekker geil en opgewonden van. Kun jij je dat voorstellen, zo door je eigen lijf opgewonden worden. Onlangs nog, zo ging zij pruilend verder, maar toen zat jij hier nog niet op school, dienden we een opstel te maken over het dagelijkse leven ‘gedurende het klassieke Rome’ en toen vond ik het weerom niet. Ik had weer alleen oog voor mezelf, ik droeg die dag immers een body die op een snoezige manier de vetkussentjes op mijn buik en borsten omspande. In gedachten bevond ik mij op dat ogenblik in de keizerlijke loge van het Circus Maximus te Rome in het gezelschap van Boemba, Moemba en Toemba, mijn flink uit de kluiten gewassen Nigeriaanse slaven. Ik had een fris plannetje uitgedokterd, ik vond die gladiatorengevechten maar niets, ik zag eigenlijk veel liever grote wilde dieren elkander totterdood bekampen. Daarom kijk ik ook zo graag naar natuurfilms over het dagelijkse bestaan in safariparken, weet je wel. Op mijn bevel greep

[p. 39]

daar toen een strijd op leven en dood plaats tussen een leeuw en een gigantisch Brabants boerenpaard. Die leeuw, die had het aanvankelijk niet onder de markt en kreeg het flink te verduren onder 's paards hoevengetrap, maar we hadden die leeuw natuurlijk op voorhand een week uitgehongerd moet je meerekenen, dus die liet niet zo gemakkelijk af. Terwijl de dieren hun gangetje gingen had ik mijn drie negers het bevel gegeven mij met zijn allen te bestijgen en dit in de drie daartoe geschikte openingen van mijn lichaam. Het angst- en doodsgereutel van de boerehengst klonk mij als muziek in de oren en toen het bloed van het arme dier uiteindelijk dodelijk uit zijn keel vloeide, overmeesterd door de leeuw die ondertussen ook alle botten in zijn lijf had gebroken en zelf een oog was uitgebeten en wellicht heel zijn verdere leven gebrekkig zou blijven, op dat eigenste moment voelde ik, tot stervens toe verrukt, de sappen van mijn drie bedienaars vloeien en hun gebrul werd ternauwernood overstemd door het luide gejuich van het in het circus verzamelde Romeinse volk dat daarmee zijn dankbaarheid uitte voor het fijne schouwspel dat ze met zijn allen hadden aanschouwd. Weet je wat het is met jou, zo sprak ik tot Muguette na afloop van haar verhaal. Je bent te weinig sociaal, teveel op jezelf gericht, dat is er met je aan de hand. Weet je wat jij eens zou moeten doen, je zou je eens moeten inschrijven in onze zwemclub, dat zal je deugd doen, dan ontmoet je eens wat mensen en zo.

Op die zwemclub is later, vooral in die heetgestookte, naar urine geurende pashokjes nog van alles gebeurd waar liefde niets mee te maken had en waar ik mij nu voor schaam en dat ik met de moed der wanhoop uit mijn geheugen heb trachten wissen. Doch telkens mijn geest, bijvoorbeeld bij een gelegenheid zoals deze, met het begrip klassiek wordt geconfronteerd voeren mijn gedachten mij nog

[p. 40]

steeds meteen naar die goeie ouwe Muguette en haar romantische verhaal over haar klaarkomst in het circus van Rome, een verhaal dat bij mij nog steeds visioenen oproept die mij aanzetten tot een onmiddelijk uit te voeren daad van lustbeleving, het is niet anders.

En nu, jaren later, nu de oligarchie der wijzen, zoals ze wordt genoemd, op haar laatste benen loopt, het land er slechter dan ooit aan toe is en het volk morrend een terug keer eist naar de constitutionele monarchie als staatsvorm omdat het vroeger wel niet goed was maar nu ook weer niet zó slecht, want die wijzen hadden op den duur zelfs het OCMW geprivatiseerd zodat de sukkelaars inderdaad in opstand waren gekomen, nu zit ik diep na te denken over het thema klassiek. En ik had dus al een eerste zin van mijn essay klaar die ik, vervuld van heimwee en hoop op liefde (ooit eens, je wist toch godverdomme maar nooit) al klaarkomend had bedacht.

En daar wil ik het dan echter ook bij laten want ik schrijf het liefst van die onaffe essays en dit uit angst voor het formele ordenen van een gesloten totaliteit dat ik als een gruwel ervaar.



illustratie

terug  begin  verder