terug  begin  verder
[p. 41]

Alfred Kossmann
Indirect antwoord

Bijna zestig jaar geleden, toen ik een adolescent was, tot waanzin geneigd, zocht ik zekerheid in de poëzie. Ik las met kritische geestdrift de bundels van A. Roland Holst, J.W.F. Werumeus Buning, Hendrik de Vries, H. Marsman, J. Slauerhoff, Anthonie Donker, M. Nijhoff, Victor E. van Vriesland, E. du Perron, J.C. Bloem, J. Greshoff, Ed. Hoornik. En nog veel meer, alles van belang dat geschreven was door mensen die oud waren maar in leven. Het was mijn wereld en ik verloochen haar niet. Van de dichters die ik noemde ken ik op z'n minst enige regels, op z'n best enige gedichten uit het hoofd.

Ze zijn vergeten, op twee na. Nijhoffs reputatie groeit van dag tot dag, hij is de meester van de gedistingeerde vooruitblik, klassiek geworden. Bloem is de meester van de gedistingeerde terugblik, klassiek geboren. Van de modernist Marsman rest ons ‘Groots en meeslepend’, hoewel de gebruikers van het klassieke citaat niet altijd weten waar het vandaan komt, en ‘Denkend aan Holland’, met die brede rivieren. Bunings refrein over de voortploegende boer kom je zelden meer tegen. Zo nu en dan leeft iemand alleen in zijn gedichten, als Slauerhoff. Van de anderen is niets over, wat ik jammer vind.

Uit vele mogelijkheden kies ik er drie. Poëzie kan, als veel moois in andere kunsten, verdwijnen. Robert Schumann heeft prachtige liederen gemaakt van gedichten van zijn tijdgenoot, Justinus Kerner, en ik vrees dat niemand in de wereld die teksten navoelt en bewondert. Ze zijn gestorven, gewoon, en hebben in Schumanns componistenfantasie eens intens geleefd.

[p. 42]

Tweede mogelijkheid: veel moois wordt vergeten. Op een andere manier gewoon, je kunt niet alles onthouden. Steeds zijn er gelukkig mensen die in de zeeën van de vergetelheid gaan vissen en ons, aan de wal, met hun vangst verbluffen. Maar ik kan me niet voorstellen dat de dichter Joannes Reddingius en de romancier Herman Robbers ooit ergens worden teruggevonden.

Zij zijn, denk ik, in hun eigen cultuur voor alle eeuwigheid vredig verdronken.

Derde mogelijkheid: veel moois wordt verwijderd. Er zijn twee instanties die daarvoor zorgen, de markt en het onderwijs. Beide instanties hebben behoefte aan coryfeeën en zijn geneigd tot strenge keuze, of wellicht ertoe gedwongen. In de literatuurbeschouwing is vaak sprake van ‘de canon’, een afschuwelijk begrip, bedacht om onderwijs en onderzoek overzichtelijk te houden, en gebruikt of het om iets heiligs gaat.

Nijhoff en Bloem. Ik ken heel wat van hen uit mijn hoofd, door lektuur van bijna zestig jaar geleden. Ik ken ook heel wat uit mijn hoofd van Van Vriesland, wiens lange gedichten ‘Rive gauche’ en ‘Avondlijk tweegesprek tussen de dichter en de harmonika’ tot de mooiste horen die ik ken. Hij is, zo las ik laatst bij een hoogleraar, geheel vergeten. Een andere hoogleraar stelde vast dat de poëzie van Holst met zijn dood was doodgegaan. Ik ken van hem allerlei uit mijn hoofd.

Behalve Nijhoff en Bloem zijn de dichters van mijn jeugd bezig vergeten te worden. Vaak denk ik dat ze voor het gemak, ten bate van ordening verwijderd worden. Of zouden ze als Justinus Kerner en Joannes Reddingius een natuurlijke dood aan het sterven zijn? Zo peinst een oude man over de toekomst,- alsof die al herinnering is. Dit stukje, verwacht ik, kan over zestig jaar herdrukt worden, met andere schrijversnamen.

terug  begin  verder