terug  begin  verder
[p. 4]

[nummer 47]

Sara Block
Connie Palmen ‘De vriendschap’

Er bestaan veel domme manieren om een roman te beginnen, maar een van de ongelukkigste is wel de manier waarop Connie Palmen haar roman De vriendschap laat aanvangen met een motto van haar overleden vriend Ischa Meijer:

 
Soep op het vuur
 
is
 
als
 
een goede vriend in huis
 
extra lekkere soep
 
is
 
als nieuwe familie.

Dit is, met alle piëteit voor de maker gezegd, geen gedicht maar een gedrocht: een hakkelend bakvisversje in reclametaal (vriend in huis, extra lekkere) met een pueriel parallellisme, dat van ‘extra lekkere soep’ de overtreffende trap maakt van ‘soep op het vuur’ (ik weersta aan de weerleiding te vragen wat in dezelfde gedachtengang soep met balletjes mag zijn).

Het acute manco aan stijlgevoel dat uit dit citaat blijkt, kenmerkt het hele boek. Connie Palmen schrijft niet, maar rijgt lusteloos woordsnoeren aan elkaar. Nooit zoekt ze eens een flonkerend pareltje uit, nooit gooit ze een gebarsten kraaltje weg, nooit kijkt ze in de spiegel om te zien of dit namaakcollier wel een sieraad is.

Kan een roman lammer beginnen dan op de volgende manier?

Het schoolplein was afgebakend met een lage, stenen muur en daar stond zij tegenaan geleund.

[p. 5]

Het woord ‘afbakenen’ suggereert een met speciale tekens afgezet terrein en is dus precies het verkeerde woord voor een gewone omheining. Was het nietszeggende adjectief ‘stenen’ echt nodig? Hoe kan je tegen een lange muur (verderop heet die zelfs een ‘muurtje’) geleund staan zonder eroverheen te kieperen? Was er heus niets beters te verzinnen dan dat slappe ‘en’ om die twee zinnen te verbinden?

Na zo'n begin heb ik al geen lust meer om door te lezen. Maar ik ben vlijtiger dan Connie. Ik lees de tweede zin: Het was een uitzonderlijk warme lente, enkele weken voor het einde van het schooljaar 1965-1966 en we waren onrustig en opgewonden door het mooie weer en het vooruitzicht van de zomervakantie.

Dat ‘uitzonderlijk warme’ is krantetaal die dwaas klinkt uit de mond van de tienjarige die hier aan het woord is. Ontoereikend schools is het ‘schooljaar 1965-1966’. Je ziet het zo voor je: Conny snuistert, met het puntje van haar tong uit haar mond, in ouwe schoolagenda's. De hele zin zit fout in elkaar, omdat ‘Het was’ in twee betekenissen tegelijk wordt gebruikt: de eerste keer betekent het zoiets als ‘We hadden’ (een uitzonderlijk warme lente), de tweede keer ‘Het gebeurde’ (enkele weken voor het einde van het schooljaar). Zoals de eerste zin bestaat ook deze uit twee aparte zinnen die door een ongelukkig ‘en’ aaneengeregen worden. Dat zou minder erg zijn als er niet nog twee andere en-constructies in voorkwamen: ‘onrustig en opgewonden’, ‘het mooie weer en het vooruitzicht van de zomervakantie’. Stunteligheid troef.

Om kwart voor elf luidde een van de meisjes uit de zesde klas de bel voor het speelkwartier en toen ik naar buiten rende, zag ik haar.

Zoals u al kon raden bestaat ook de derde zin weer uit twee nevengeschikte zinnen die door ‘en’ verbonden zijn. Het

[p. 6]

ongelukkige gevolg van die constructie is dat je ‘haar’ aan het eind verkeerd leest en identificeert met het ‘meisje uit de zesde klas’, terwijl natuurlijk de mysterieuze figuur bedoeld is die sinds zin 1 levensgevaarlijk tegen haar lage muur staat te leunen.

Dat is niet de enige fout die we moeten rechtzetten. De eerste zin suggereert dat de lezer samen met de vertelster naar de zij-figuur kijkt. In de derde zin blijkt dat de vertelster die figuur pas in het oog krijgt als ze bij het speelkwartier naar buiten rent. Het vertelstandpunt zou correct zijn als er stond: ‘Om kwart voor elf had een van de meisjes uit de zesde klas de bel voor het speelkwartier geluid en toen ik naar buiten kwam rennen, zag ik haar staan.’ Nu krijg je een in een ik-roman onmogelijke overgang van een alwetende verteller naar een ik-verteller.

Ik heb geen zin om het hele boek op deze manier met u uit te spellen. Connie heeft zich kennelijk nog nooit een technische vraag bij het schrijven gesteld of is, als ze dat wel gedaan heeft, gewoonweg niet in staat tot enig stijlwerk. Maar misschien, zo zult u opwerpen, zijn die stijlbloempjes gewild. Geven zij niet de stuntelige schrijf- en denkstijl van een tienjarige weer? Die hypothese is verifieerbaar. Het boek schetst immers de ontwikkeling van een personage, zodat de stijl aan het eind van het boek, wanneer Catherina Buts dertig is, wat uitgebalanceerder zou moeten zijn dan aan het begin.

Helaas lees ik op de laatste drie pagina's zinnen als: Het enige houvast, die het leven in het onafzienlijke domein van de vrijheid biedt, is dat je je bindt door je woord te geven. Is ‘houvast’ nu een de- of een het-woord? Kan een binding houvast bieden in een domein?

En hoe moet ik vertellen dat wat door een verslaving wordt verminkt, dat dat juist het gebied is waar de grootste dro-

[p. 7]

men liggen, dat iedere verslaafde zijn eigen middel van de verleiding aantast, omdat hij er zelf door verleid is?

Deze gedachten zijn in hun context misschien wel begrijpelijk, maar in elk geval execrabel geformuleerd: ik wijs alleen maar op ‘dat dat’ en ‘middel van de verleiding’.

Net als voor het geld, bepalen anderen de koers van wat je waard bent, voor hen.

Voor het geld, voor hen: geef mijn portie maar aan Fikkie.

De vriendschap is een soort van ideeënroman. Het boek gaat over verslaving en vriendschap, verstand en gevoel, angst en overgave. Allemaal indrukwekkende thema's om te horen, maar vreselijk om te lezen in dit onbehouwen proza. Connie Palmen maakt dezelfde fout die veel filosofen voor haar hebben gemaakt. Zij denkt dat romans bestaan uit schema's en gedachten en niet uit formuleringen en woorden. Overigens zijn haar ideeën zelf niet vrij van quasi-diepzinnigheden als ‘Voor verslavingen moet je geen excuses zoeken, maar motieven’, ‘De enige personen die een lot zijn dat is de familie’, en zelfs ‘Geluk is niet te koop’. Stijl ook niet, vrees ik bij het lezen van deze filosofe die schrijft als een tienjarige.



illustratie

terug  begin  verder