|
|
|
| |
| | | |
VIII. De plaats van Des Coninx Summe in de Dietsche stichtelijke letterkunde.
We hebben la Somme le Roi leeren kennen en het ontstaan er van trachten te begrijpen; we hebben beproefd haar te plaatsen in de lijst van haar tijd, door een vluchtige schets van haar omgeving in de Letterkunde te ontwerpen. Het feit, dat stichtelijke werken van meer dan één van Laurent's tijd- en landgenooten in het Dietsch zijn overgebracht, deed ons daarna de vertaling der Somme kennen als een niet op zich zelf staand verschijnsel en bracht ons er toe deze vertaling of liever vertalingen, zooals wij zagen, te definieeren. Zoo zich nu de vraag aan ons opdringt, welke redenen men hebben kon, ze te vertalen en hoe het kwam, dat de vreemdelinge hier te lande zoo gunstig werd ontvangen, dan hebben wij ons in de eerste plaats den staat der godsdienstige ontwikkeling in het begin der vijftiende eeuw voor den geest te roepen en wel meer in het bijzonder na te gaan, welke werken in den trant der Coninx Summe in die dagen in het bereik waren van het volk.
Men heeft de Coninx Summe een biechtboek genoemd en ze blijkens den titel der incunabels als zoodanig gebruikt. Toch is ze dat niet geheel en al en niet uitsluitend, zooals vergelijking met het boven besproken Cancellierboeck en met het boek Van den drien Dachvaerden kan leeren; men vergelijke bovendien met dit laatste Chaucer's Persone's Tale om de gangbare indeeling der traktaten over de biecht te leeren kennen, die ook weer terug te vinden is in de beschrijving van Campbell 1105: ‘Eene schone lere ende onderwisinghe van berou ende vander biecht ende van voldoen over die sunde’1). Ook wordt nergens in de Coninx Summe verklaard, dat ze voor de biecht is geschreven, zooals wel het geval is in het Cancellierboeck en het beneden te noemen werkje van mr. Godschalk van Eindhoven. De Summe is algemeener, en al is nu de overgang van biechtboek tot Christelijke levensleer niet scherp af te bakenen, dat de biecht zelve er als onderdeel van het laatste traktaat wordt behandeld, pleit er toch voor om den eersten titel
| | | | als te weinig zeggend te verwerpen. Jan van Rode vond de Summe ‘also nutten boeck, die gaern naden geboden gods leven soude, als hi ie gelas’1), de Delftsche drukkers zetten er boven ‘ende leert hoemen die sonden biechten ende beteren sal’. Het praktisch gebruik als biechtboek is dus geenszins uitgesloten, ook al noemen wij de Coninx Summe liever een handboek der Catechese, dat is van ‘het leerstellig en zedekundig onderricht voor het volk, kinderen en volwassenen’2), daar immers bijna al wat de catechese omvatte er in voorkwam, zij het dan ook op weinig stelselmatige wijze. Tot recht begrip van wat zij voor de Nederlanders beteekende, zullen we trachten na te gaan, wat er aan catechetische geschriften bij ons volk in omloop was.
Moll en Lecoy de la Marche beide wijzen er op, dat de Christelijke godsdienst, in overeenstemming met de opdracht van haar stichter ‘gaat heen en onderwijst alle volken’ er meer dan een andere een is van leering; en in verschillende tijden is dan ook het onderricht der volgelingen het voorwerp geweest van telkens vernieuwde aandacht der kerkelijke zoowel als der wereldlijke overheden. Godsdienstonderwijs werd voorgeschreven en geregeld door Karel den Groote en Lodewijk den Vrome en was in later dagen de taak, die vooral de orde van Dominicus door haar prediking zich oplegde te vervullen. In ons vaderland is het o.a. Jan van Zyrik, die op een in 1294 te Utrecht gehouden kerkvergadering dat onderwijs voorschrijft als een der voornaamste plichten van de herders der gemeenten, voorschriften gevende, die zestien jaar later woordelijk worden herhaald door Guy van Avesnes.
Niet overal omvatte de catechese hetzelfde en de bedoelde voorschriften behelsden slechts de lastgeving om in de parochiekerken iederen Zondag het Pater Noster en het Credo, alsmede ééns in de maand de tien geboden en de zeven sacramenten uit te leggen in de moedertaal. Hoe slecht het toen nog met de ontwikkeling van vele onder de priesters was gesteld, blijkt wel hieruit, dat het noodig werd geoordeeld een afschrift van den dekalogus en een lijst der sacramenten tegelijk met de vastgestelde verordeningen te verzenden. De in de 14de eeuw bestaande, wel niet talrijke maar druk bezochte scholen, - men denke aan die van Deventer en Zwolle - en het bezoek van buitenlandsche universiteiten moeten echter hierin verbetering hebben gebracht, en wat de catechese in het begin der vijftiende eeuw kon omvatten, leert de Gnotosolitos of Spiegel der Conscientie van Arnold Geilhoven, die ze behandelt in zestien
| | | | weinig stelselmatige rubrieken. Hij rekent er nl. toe1): de zeven doodzonden (‘superbia, invidia, ira, accidia, avaritia, gula, luxuria’), de tien geboden, de twaalf raadgevingen des evangelies (‘consilium paupertatis, obedientiae, castitatis, caritatis, mansuetudinis, misericordiae et erogationis, simplicitatis verborum, de vitanda peccandi occasione, de rectitudine intentionis, de conformitate operis ad doctrinam, de sollicitudine vitanda, de fraterna correptione’), gebruik en misbruik der vijf zinnen, het symbolum apostolicum, de zeven sacramenten, de acht zaligheden, de zeven gaven des heiligen geests, de twaalf vruchten des heiligen geests (‘caritas, gaudium, pax, patientia, longanimitas, bonitas, benignitas, mansuetudo, fides, modestia, continentia, castitas’), de zeven lichamelijke werken van barmhartigheid (‘pascere esurienties, potare sitientes, vestire nudos, colligere hospites, visitare infirmos, redimere captivos, sepelire mortuos’), de zeven geestelijke werken der barmhartigheid (‘docere ignorantes, consulere dubitanti, consolari tristem, corrigere peccantem, remittere offendenti, portare graves et onerosos, orare pro omnibus’), de drie theologische deugden (‘fides, spes, caritas’), de vier hoofddeugden (‘prudentia, temperantia, fortitudo, iustitia’), de negen vreemde zonden (zonden van anderen, waartoe men aanleiding heeft gegeven2)), de zonden tegen den H. Geest (‘desperatio, praesumptio, impugnatio veritatis, invidentia fraternae gratiae, obstinatio, finalis impoenitentia’) en eindelijk de roepende zonden (‘fratricidium, oppressio viduae, detentio mercedis, sodomiticum’)3). Bij de geestelijke werken van barmhartigheid wordt over het Onze Vader gesproken. - Eenige jaren later schreef Dionysius de Karthuizer de Vita Curatorum en noemde er als onmisbare bestanddeelen van het godsdienstonderwijs: de artikelen des geloofs, de tien geboden, de twee hoofdgeboden des evangelies (‘quantum et qualiter duigendus sit Deus ac etiam proximus et de vero ac spiritali amore Dei et proximi’) de lichamelijke en geestelijke werken van barmhartigheid, de doodzonden en het Onze Vader4).
Maar al sinds geruimen tijd behoefden niet alle leeken de voorlichting hunner priesters om tot de kennis te komen van de geloofsleer
| | | | hunner kerk. De dichters onzer didactische school hadden er voor gezorgd de wetenschap van een aantal dier voor de middeneeuwers zoo gewichtige zaken onder hunne oogen te brengen. Jan Boendale verzuimde niet, behalve de tien geboden, die bij de Joodsche geschiedenis ter sprake kwamen, ook het Ave Maria en het Credo in zijn Lekenspiegel op te nemen en zijn behandeling van het ‘geestelijke regement’, de inrichting der kerk, houdt ook een kapittel in over ‘het Paternoster ende daerof die bediedenisse’1). Van de sacramenten wordt er slechts de mis opzettelijk verklaard2). De Lekenspiegel was er in 1330 en in 1345 verscheen de Dietsche Doctrinale, terwijl we nog een eveneens veertiende-eeuwsch gedicht bezitten over Die X plaghe ende die X ghebode3) en het tweede boek van den Dietschen Lucidarius de voornaamste leerstukken der kerk (waaronder de hoofdzonden) bespreekt, ‘also verre als den lekenlieden gheoorlooft is te bedieden4)’. Inzonderheid mag de Nieuwe Doctrinael of Spiegel der Sonden van Jan de Weert van Yperen een catechetisch leerboek heeten, want hij zegt:
‘In drieu pertien sal ic dit boec
Deilen in sijn ondersoec;
Teerste deel sal beconden
Vanden VII dootliken sonden,
Elc geset na haren graden,
Daer men in sondicht bi mesdaden;
Dander pertie sal u leren
Van den X gheboden ons Heren,
Hoe dat men daertegen mesdoet;
Daerna sal ic u maken vroet,
Welc sijn daghelijcsche sonden
Ende welke die ziele ter doot wonden;
Die derde pertije es van drie saken
Die den mensche salich maken:
Dats biecht, rouwe ende voldoen
Der sonden diemen heeft gheploen’ 5).
Vergelijking met het Cancellierboeck doet dit gedicht aanstonds als een biechtspiegel kennen; de indeeling van het laatste der drie hoofddeelen is overbekend uit de traktaten over de biecht, en combinatie van deze laatste met stukken over de geboden en de hoofdzonden hebben wij reeds in de Fransche letterkunde ontmoet en
| | | | zullen we nog herhaaldelijk aantreffen. Hoewel de Nieuwe Doctrinale belangrijke gegevens bevat voor de zedengeschiedenis, staat ze door wijze van behandeling, door den gebrekkigen dichtvorm - men leert er den Lekenspiegel door waardeeren! - door slordigheid van taal1) beneden de vroegere didaktische gedichten en ook beneden veel van het straks te bespreken proza.
Tot de oudste handschriften, waarin ons prozabehandelingen van deze en dergelijke stof zijn overgeleverd, behoort ongetwijfeld dat der Kon. Bibl. (AA 69), dat o.a. de Dietsche Doctrinale en de Sproke van Beatrijs bevat, waaraan het de eer te danken heeft van door Jonckbloet in zijn uitgave van het eerste werk uitvoerig te zijn beschreven2). Zooals men bij hem kan naslaan, worden er de genoemde gedichten gevolgd door eenige korte berijmingen van het Pater Noster, het Ave Maria en het credo en door een reeks weinig omvangrijke prozastukken3), deels vroeger reeds uitgegeven door Lelong, deels, sedert Jonckbloet schreef, in Van Vloten's Nederlandsche Prozastukken opgenomen. Die traktaten handelen over 1. de tien geboden4), 2. de twaalf artikelen, 3. de zeven werken van barmhartigheid, 4. de zeven hoofdzonden, 5. de zeven sacramenten (en de twaalf vruchten des geestes)5) en 6. de zeven gaven6). Het handschrift is hoogstwaarschijnlijk van 1374 en taal en schrift zijn met die dateering wel overeen te brengen. De nog niet of onvolledig uitgegeven stukjes 2., 3. en 4. vindt men beneden in de desbetreffende hoofdstukken.
Vooral sedert de vijftiende eeuw echter wordt er meer en meer gedaan om het volk met de omvangrijke geloofsleer bekend te maken. Geffcken spreekt er over dat op ouders en peten de taak rustte, de kinderen in de Christelijke leer op te voeden en hun b.v. op hun zevende jaar het Pater Noster te leeren7). Dat dit ook bij ons te lande het geval was, zegt ons Dirc van Delf over het vierde gebod sprekende, want de derde ‘sake’, waarom wij onze ouders moeten eeren, zegt hij, ‘is want si ons die ewe gods hebben gheleert ende gods
| | | | ghebode ende dat kersten ghelove, daerof ontfanghen, ende dat is ons so inghedroncken, dat wi daer niet an twivelen en moghen. Hierom so sellen wi hem in haren ouderdom weder raden ende hoer saken hanteeren ende voersorghen mit meerre vlijt dan of si ons selves waren.’ In een ander traktaat over de tien geboden1) worden tot hen die tegen het eerste gebod zondigen gerekend ‘die verroekelosen te leren die artikelen des geloefs, die si sculdich sijn te wetene; het en si dat si so hert van sinne waren, dat sijs niet onthouden en conden; ocht dat sie niement en vonden diese leerden, waerbi dat ghi sult weten, dat petren ende peten, als vader ende moeder gebrake, sculdich sijn te leerne haren geestelike kinderen die artikelen vanden ghelove ende den pater noster ende ave maria ende die X gebode.’ Als meester Godschalk Rosemond van Eindhoven over traagheid spreekt, drukt hij zijn lezers op 't hart: ‘die viant arbeit... daerom suldi dicwils uwen credo in Duitsche seggen, die principael articulen des geloofs van buten leren ende dicwils verhalen ende u kinderen doen leren’ en een bladzij verder laat hij een ouder biechten: ‘ic en heb (mijn kinderen) niet onderwesen noch laten leeren in de articulen van theilich kersten ghelove.’ Dus niet alleen om zelf de eischen van den Christelijken godsdienst te kennen, maar ook om ze hun kinderen te kunnen inprenten, grepen ouders en peten gretig naar de zich sterk vermeerderende catechetische handleidingen. Want terwijl de 15de eeuw de prediking bracht van beter onderlegde geestelijken2) en de Windesheimer monniken zoowel als de Broeders des Gemeenen Levens in velerlei richting werkten; breidde zich een vloed van stichtelijke boeken uit over het land en daaronder talrijke traktaten, die door stof en door behandelingswijze ten nauwste
aan onze
Coninx Summe verwant zijn. Door de samenstellers van zulke geschriften, populair-theologische handleidingen, ‘mere ter leker luden behoef ghemaect dan ter clercken’3), werd de weg gebaand, waarlangs later hervormingsgeschriften het volk konden bereiken. De titel reeds van het werk van den Gelderschen reformator Johannes Anastasius Veluanus: Der Leeken Wechwijser4) duidt het verband met de een en twee eeuwen te voren in de landstaal verschenen traktaten helder aan. Maar boeken als de in gesprekvorm opgestelde Sielen Troest5) of de Spiegel der Behoudenisse6) bedoelden nog slechts uitlegging, geen kritiek der kerkleer.
| | | |
Alvorens wij ertoe overgaan een aantal verhandelingen, die de onderwerpen waarover de Coninx Summe loopt bespreken, in de volgorde waarin ze in deze voorkomen onder de aandacht te brengen, willen wij op een paar soortgelijke in het Dietsch voorkomende compilatie's wijzen en eerst ‘dat fundament der kerstenre geloeve’ doorzien, om daarna wat langer stil te staan bij het veel belangrijker werk van Dirc van Delf.
| |
Een Fundament van der Kerstenre Geloeve
is de titel van een compilatie, die in een zeer net geschreven 15de-eeuwsch handschrift in - 4o van de Koninklijke Bibliotheek voorkomt (X 52); terwijl dit hs. er geheel door wordt ingenomen, vinden we hetzelfde ‘fundament’ in hs. B der Coninx Summe gevolgd door losse traktaten, zonder dat duidelijk is aangewezen, waar de door ons bedoelde compilatie begint of eindigt, wat dan ook eerst uit de vergelijking met het eerstgenoemde hs. duidelijk werd. Bovendien wordt het aangetroffen in de hss. 345 en 346 van de Maatschappij der Nederl. Letterkunde, in het Deventer hs. 52, hs. Brussel 2087 (fol. 1-157: Boec van den Kersten Gelove), hs. Straatsburg Univ. Bibl. L 177, hs. Dusseldorf Landesbibl. B 130 (‘een spigel der kersten gheloven’) en gedrukt in Campbell 1585. Van de vijf exemplaren die ik raadpleegde zijn er geen twee volkomen gelijk in volgorde der hoofdstukken of in inhoud. Het beste is het Leidsche hs. 345, dat ik hier in het kort zal beschrijven; dat het echter niet den oorspronkelijken tekst vertegenwoordigt, blijkt al dadelijk uit den titel, die er niet volledig boven staat: ‘Dit boec is een fundament vander kerstenre gheloven ende het is vergadert uut Compendium Theologie1) ende uut pawes Innocencius sermonen ende anders uut vele sermonen, die de heilighe lerare overmits ingheven des heilighen gheestes hebben ghedicht ende ghescreven.’ De andere teksten noemen bovendien ‘Summa Viciorum ende Virtutum’ als bron2).
Een proloog, aanvangende: ‘Alse sinte Johan evangelist bescrijft....’ kondigt een verhandeling aan over ‘die gracie gods’, die begint op blz. 2: ‘Drierhande is die gracie gods’, en de inleiding is op een stuk over het gebed (blz. 8:) ‘Hieromme is te weten, dat sommighe dinghen sijn, die enen mensche alsoo hinderen ende letten, dat sijn gebet niet ghehoert en wert’ (en dit wordt behandeld blz. 8-13); ‘oeck sijn sommighe dinghen die enen mensche daertoe helpen ende vorderen dat sijn ghebet wort
| | | | ghehoert’ (blz. 13-16). Volgt het Pater Noster: ‘Onder allen ghebeden die vanden heilighe[n] ghemaket ende bescreven sijn..’ (blz. 16-22).
‘Drie punten sijn, daer die kerstene ghelove op ghesticht ende fundiert sijn: Teerste punten sijn die .XII. articulen der gheloven. - Die andere punten sijn die .X. gheboden. - Ende die derden punten sijn die .VII. hoeftsonden’ (blz. 22). Een stuk over de .XII. artikelen loopt van blz. 23-32, over de tien geboden van blz. 32-46, over de zeven hoofdzonden van blz. 46-75. ‘Augustinus ende Raymundus segghen’ zoo heet het dan, ‘dat dese sonden die hierna staen ghescreven, gherekent sijn onder die daghelixe sonden...’ en op de volgende bladzijden kan men lezen over penitentie en berouw, over de zonden in den Heiligen Geest, en ‘Van der biechten’ blz. 85. ‘Biechten is een vrie ende een moetwillighe belijnghe ende een openbaringhe alle der sonden, die een mensche hevet ghedaen tieghen god ende tieghen sijn ghebot ende tieghen sinen evenkersten mit dencken, mit woerden ende mit werken, mit enen volcomenen wille die sonde voertaen te laten ende te beteren nae rade eens priesters, daer men die biechte tieghens doet.’ Blz. 94: ‘Voert is te weten, dat drie dinghen sijn, daer een mensche sine sonden mede af mach legghen ende die pine, die hi daer voer is te liden, mede mach corten ende beteren. Tene is oetmoedich ghebet. Tander is vasten. Ende dat derde sijn aelmisse. Vanden eersten als vanden ghebede, hoe wi sellen bidden ende waer om wi sellen bidden, staet hier voer ghescreven, daer ons tpater noster wert beduut...’ Van vasten wordt nu gehandeld blz. 94-99, ‘van aelmoessen’ blz. 99-102, aanvangende: ‘Pauwes Innocencius die derde spreket in enen sermoen..’ Dit alles behoort nog bij het traktaat over de hoofdzonden, als blijkt uit de laatste regels: ‘Aldus hebben wi [ghehoert] vanden seven hoeftsonden ende vanden sonden, die daer of comen ende van der penitencien’.
‘Nu wilwi voert sien vanden seven sacramenten, daer wi mede worden ghedwoghen ende ghereinighet van allen sonden’ (blz. 102). Het aldus aangekondigde traktaat is zeer uitvoerig en bevat b.v. een hoofdstuk ‘Vanden miraculen die god werket inden heilighen sacrament des altaers’ (112-117) en ‘Hoe dat een mensche zel hem bereiden teghen theilighe sacrament als dat werdelike te ontfanghen’ (121-134); bij het 6de sacrament wordt opgemerkt ‘Hoe datmen in echtscap leven sal staet voer van ghescreven in onsuuerheit’. Op blz. 140 het explicit van dit traktaat: ‘Dit sijn die seven sacramenten der heiligher kerken, daer vele of staet ghescreven in Summula Raymundi....’.
Volgt ‘van seven doechden’. ‘Seven doechden sijn die een mensche aen hem moet hebben’ (140-145). ‘Seven sijn gaven des heiligen gheests’ (145-150). ‘Dit is een sermoen van den1) seven gaven des heilighen gheestes. Renovamini spiritu mentis vestre et induite novum hominem qui secundum deum creatus est....2)’ (150-158). ‘Vanden raden ons
| | | | heren. Hier is te weten, dat die rade goeds bovengaen sijn ghebode, want die ghebode goeds houden enen mensche vanden sonden, mer die rade goeds brenghen enen mensche tot enen godliken volmaecten salighen gheesteliken leven’ (158-169); dit traktaat is in de preek van de zeven gaven ingelascht, want op blz. 169 gaat het verder op den boven geciteerden tekst: ‘Ten sesten male vijnden wi een verniwijnghe inden oghen des aerns....’ Volgt op blz. 172 een ‘Sermoen van achte salicheiden: Beati qui habitant in domo tua domine’, tot blz. 194, waar het boek eindigt zonder een op het geheel betrekking hebbend explicit.
Aanmerkelijke afwijkingen vertoonen de Haagsche handschriften van dit ‘Fundament’, X 52 en V 53 (hs. B der Coninx Summe), die ook onderling weer verschillen. De beschrijving van V 53 vindt men in het IXe hoofdstuk en ik kan dus hier volstaan met de verschilpunten op te geven; X 52 bevat eerst een aantal korte traktaten over: de vijf zinnen, de zeven deugden, de zeven gaven, acht deugden en zaligheden, de zeven gaven als verdrijvers der zeven zonden, de zeven werken der barmhartigheid, de twaalf punten des geloofs, de tien geboden, en dan van fol. 5-fol. 13v ‘Die .XII. rade gods’ (in Letterk. 345 op blz. 158-169); over de zonden tegen den H. Geest (beginnende: ‘Lieve vriendinne..’); fol. 14: ‘Drie punten sijn daer die heilige kersten gelove op gesticht ende gefundeert is’ (blz. 23 van hs. Letterk. 345). Er volgt echter slechts het traktaat over het credo, en dan fol. 21v (vgl. B fol. 45v): ‘Dit boec is een fundament..’ fol. 21v ‘Drierhande is gracie gods’ (in het Leidsche hs. inleiding op de behandeling van het Pater Noster, in de Haagsche hss. echter afgebroken); fol. 25v: ‘Van den .VII. duechden’; fol. 29v: ‘Van den .VII. gaven’; fol. 33: ‘Dit is een sermoen van den VII gaven’; fol. 41v: ‘Een sermoen van den achte salicheden’; fol. 56v: ‘Van den sacramenten’; fol. 83v: ‘Vander biecht’; fol. 88: ‘Van den tien geboden’ (ontbreekt in V 53); fol. 93v: ‘Van seven dootliken sunden’ (ontbreekt in V 53) fol. 98v: ‘Vanden vijf sinnen’.
De Haagsche handschriften wijken dus voornamelijk in 4 punten van het Leidsche af: 1. Er gaat een verzameling korte traktaatjes vooraf, waarvan echter de voornaamste, nl. die over de ‘.XII. rade gods’ en over de ‘zonden inden H. Geest’ in het Leidsche op andere plaatsen worden teruggevonden; 2. daarop volgen de ‘drie punten’ waar het Christelijk geloof op gebaseerd is, maar de uitvoerige behandeling van het tweede en derde (de tien geboden en de hoofdzonden) blijft in B geheel achterwege en wordt in X 52 aan het slot geplaatst; 3. dan eerst volgen de titel van het geheele boek en de proloog op het stuk over het Pater Noster, dat zelf echter achterwege blijft, en 4. de stukken over de sacramenten en de biecht zijn anders geplaatst; dit laatste volgt in het Leidsche handschrift, zooals logisch
| | | | is, op het traktaat over de zonde. Mij dunkt dat deze punten voldoende zijn om aan het Leidsch handschrift de voorkeur te geven. Terwijl de Haagsche hss. tweemaal blijven steken (vgl. het sub 2. en 3. opgemerkte), wijst de meegedeelde inhoudsopgave van het Leidsche een logischen gedachtengang in de samenstelling aan. Hoe de wonderlijke dooreenhaspeling in V 53 en X 52 te verklaren is, kan echter slechts door nauwkeuriger vergelijking der handschriften worden uitgemaakt; dat in V 53 de tien geboden en de zonden ontbreken, kan wel in verband staan met het voorafgaan van de Coninx Summe waarin die stof reeds breedvoerig was behandeld. Ook zal het reeds voldoende gebleken zijn dat de beide Haagsche hss. nauw aan elkaar verwant zijn; bovendien komt in beide aan het slot hetzelfde versje voor1).
Een in Den Haag voorhanden incunabel2) van 1478 heeft evenals het Deventer hs. tot titel Spieghel des Kerstengheloves, doch komt in inhoud volkomen overeen met hs. Letterk. 345, behalve dat de tekst is verkort. Onder denzelfden titel gaat de Middelnederduitsche vertaling, die beschreven wordt door Geffcken in de Beilagen op zijn bekend werk, blz. 89, en waarvan een ander hs. gevonden wordt in de Bibl. van de Maatsch. der Ned. Letterk. (No. 346)3). Ten onrechte noemt Geffcken4) een zekeren Ludolf van Göttingen als den auteur of compilator; immers waar wij in V 53 een Middelnederlandsch handschrift van 1455 bezitten, dat blijkbaar naar een nog ouder is bewerkt, en de beide genoemde Middelnederduitsche volgens Borchling op 1472 en ± 1500 zijn te stellen, kan men vermoeden, dat het werk uit onze streken afkomstig is, doch bovendien, de toeschrijving geschiedde slechts op grond van dit explicit: ‘Hyr is ueth de speghel des cristen gheloven unde is gheendighet des sundaghes an synte Sebastians avende in dem iare unsers heren .MCCCCLXXII. et per me Ludolfum Gottingen’, dat op zich zelf en in verband met de opgegeven data, slechts betrekking kan hebben op den afschrijver.
Veel belangrijker dan deze droge, zich zelden boven het peil van een alledaagsch catecheseerboek verheffende compilatie, is
| |
| | | |
Dirc van Delf's Tafel van der Kerstenre Gheloven.
Enkele jaren vóórdat Jan van Rode het eerste stuk der Coninx Summe vertaalde, schreef de geleerde hofprediker1) van hertog Albrecht zijn op 1404 gedateerde ‘Tafel’, die in vele opzichten met het boek van frère Laurent kan worden vergeleken. Beide schrijvers getuigen dat zij hun boek schreven voor leeken en niet voor klerken en men behoeft de prologen van Jan van Rode en Dirc van Delf slechts naast elkaar te zien om te begrijpen dat wij met werken van dezelfde soort te doen hebben:
| Jan van Rode: ‘Sonderlinghe lieve ende seer gheminde neve ende broeder in Jhesu Cristo! want ic grote begheerte hebbe tot uwer ewigher salicheit, sonderlinghe dat ghi naden gheboden gods u leven leiden mochtet, so en heb ic mi niet een luttel arbeits laten verdrieten ende heb u overgheset uten fransoise in duutsche een boec... Ic begheer dat ghi u leven na rade des boecs ordineren wilt, want al dattet leert, nutte is enen kerstenen mensche te weten, want hi daer vele of is sculdich te weten, wil hi die ghebode gods houden, die een ighelic sculdich is te houden, die sinne ende wit hevet ende tot sinen iaren comen is, wil hi der verdoemenissen ontgaen.’ |
Dirc van Delf2): ‘Daerom, wairdighe lieve here, opdat ic iu moghe wisen ende leren, daer ghi uwen god ende scepper mede selt leren kennen ende oefenen ende oic bet te hoeden van sonden, so heb ic iuwer eren ghemaect een tafel van den kerstenghelove ende der ewen; ende also als ic gaern woude iu willich te dienst staen, dat ghi dese tafel hebben somwijl in uwer hant, opdat ghi voir die oghen der moghentheit gods, die ghi vruchten, bedencken ende ghehoegen, hoe ghi hem te wille moghen leven ende in kersten ewe ende ghelove houden, opdat ghi alle hinder ende quaet iuwer sielen moghen voorbicomen an dat aenschijn der ewiger eren, daer ghi salich ende heilich aen ziel ende aen live mit alle iuwe vrienden ewelic moet leven ende regnieren.’ |
Deze ‘tafel’ bevat echter heel wat meer dan de eerst driekwart eeuw later in haar geheel vertaalde Somme en is in vele opzichten met den Lekenspiegel te vergelijken. Ze vertoont veel meer wetenschap, veel meer geleerdheid, maar meester Dirc van Delf is geen dor geleerde, verdroogd tusschen zijn boeken, maar een gedistingeerd man, die zich keurig uitdrukt, fijn en innig gevoelt en dat gevoel dikwijls uit in een schoone symboliek, die zijn werk in alle deelen doorgeurt en er de aantrekkelijkheid van uitmaakt. In het zuiver systematische der behandeling wedijvert hij met Boendale
| | | | of wint het misschien van dezen; zooals uit de inhoudsopgave die wij doen volgen duidelijk wordt, is er in zijn veelomvattende encyclopaedie der christenheid een geschiedkundige volgorde, in dien zin dat men er een geschiedenis in zou kunnen zien van de betrekkingen tusschen God en de menschelijke ziel, die, met de beschrijving der heilige Drievuldigheid aanvangende, na ‘van den naem ons Heren’, ‘van den negen choren der engelen’ en ‘van den acht hemelen die die heidensche meisters bescriven’ gesproken te hebben, het aardsche paradijs en de menschelijke ziel met haar deugden en ondeugden beschrijft en dan komt tot den zondenval. Op den val volgt de verlossing: de geboorte, het leven en de passie van Jezus, de nederdaling ter helle, de opstanding, de hemelvaart; het ontstaan der kerk, hare uitbreiding, de inrichting van den eeredienst en de inhoud der leerstellingen; eindelijk de ‘antekerst’ en ten slotte de ‘vier utersten’1). Het geheele werk is verdeeld in een winterstuk en een zomerstuk: het laatste vangt aan met Christus' kruisdood. Om althans een denkbeeld van den veelomvattenden inhoud van dezen anderen Lekenspiegel te geven, waaruit wij herhaaldelijk denken te putten bij de afzonderlijke behandeling van de hoofdstukken der catechese, doen wij hier de titels volgen der hoofdstukken van Winter- en Zomerstuk volgens de handschriften V 55 en V 56 der Koninklijke Boekerij. Eerst geven we den proloog van het Winterstuk:
‘Anxt des heren, seit Salomon, is een beghinsel der wijsheit. Anxt en doet niet alleen den menschen vresen voir sinen scepper, dat hi ontsiet sijn recht ende oordel, ende oic voir pine sijnre misdaet, mer si maect den mensch oic cloeck te weten ende te kennen, waer hi gode behaechlic mach an wesen; ende voirt2) dat hi wart behoetsam te scuwen, dair hi sinen god an mach vertoornen ende mishaghen, want Salomon voortmeer seit, dat die mensche doer den anxt des heren vliet van allen quaden (glosa: dats van sonden). Daerom, wairdige lieve here3), opdat ic iu moghe wisen ende leren, daer4) ghi uwen god ende scepper mede selt leren kennen ende oefenen ende oic bet te hoeden van sonden, so heb ic iuwer eren5) ghemaect een Tafel van den Kersten Gelove ende der ewen; ende also als ic gaern woude iu willich te dienst staen6), dat ghi dese tafel hebben somwijl in uwer hant, opdat ghi voir die oghen
| | | |
der moghentheit gods, die ghi vruchten, bedencken ende ghehoeghen1), hoe ghi hem te wille moghen leven ende in kersten ewe ende gelove houden, opdat ghi alle hinder ende quaet iuwer zielen moghen voorbi comen an dat aenschijn der ewigher eren, daer ghi salich ende heilich an ziel ende an live mit alle iuwe vrienden ewelic moet leven ende regnieren. Amen.
| Cap. I. | Van gode en vander godheit ende triniteit. Van den naem gods. |
| II. | Vanden boeck des levens, dat gods ghedachte selve is, ende van den naem ons heren; uter scrift gods genomen. |
| III. | Vanden wercken der eerste ses daghen. |
| IV. | Vanden neghen choor der engelen ierarchien. |
| V. | Vanden .VIII. hemelen, die de heidensche meisteren bescriven. |
| VI. | Vanden seven planeten des hemels. |
| VII. | Vanden .XII. teikenen des hemels firmaments inden hemel. |
| VIII. | Vanden vier elementen: aerde, water, lucht, vuer. |
| IX. | Vanden aertschen paradijs der weelden ende van sinen bomen. |
| X. | Vander fonteinen ende vier vloeden des aertschen paradijs. |
| XI. | Vanden mensche ende vanden vijf uutwendige ende inwendige sinnen sijns lichaems. |
| XII. | Vander zielen ende van hairre vier becoringe ende van horen crachten. |
| XIII. | Vanden vier complexien des menschen, dair sijn lichaem of te samen gheset is. |
| XIV. | Vander phisonomien des menschen, diemen an sijnre ghedaente ende lidmate mach merken. |
| XV. | Vanden2) seven ouderdoem ende tijt des menschen leven. |
| XVI. | Vanden seven tiden ende ouderdoem der werelt. |
| XVII. | Vanden ghenadenriken godliken duechden, gelove, hoep ende minne. |
| XVIII. | Vanden vier voirbaersten heidensche cardinaelduechden. |
| XIX. | Vanden seven gaven des heilighen gheest. |
| XX. | Vanden achten salicheden der sielen, die Cristus leerde. |
| XXI. | Vanden twalef vruchten des boems des levens, diemen oic noemt vruchte des gheests. |
| XXII. | Vander3) bosen gheesten val, condicie, natuer en hoor quaetheit, die si hebben. |
| XXIII. | Vanden drie cluften ende wortel der sonden. |
| XXIV. | Van onser ouder val Adams ende Eva ende hoor becoringe. |
| XXV. | Vanden seven hooftsonden ende hoorre telghen. |
| XXVI. | Vanden seven duvelen, die capitein sijn der .VII. hooftsonden. |
| | | |
| Cap. XXVII. | Vanden seven sonden inden heilighen gheest. |
| XXVIII. | Vanden vierehanden sonden die wi biechten. |
| XXIX. | Vanden sonden, dair die bisscop of sijn penitenciaer of absolveert. |
| XXX. | Vanden sonden, dair die paeus of sijn penitenciaer of absolveert. |
| XXXI. | Vanden heilighen lande van beloften. |
| XXXII. | Vanden tien geboden gods ons heren. |
| XXXIII. | Vanden vijf heidensche[n] ghebode[n]. |
| XXXIV. | Vanden vier ewangelien ende ewangelisten. |
| XXXV. | Vanden vollen tijt der genaden dat god woud mensche warden. |
| XXXVI. | Vanden echtscap Josephs ende der ioncfrouwen Marien. |
| XXXVII. | Vander engelscher boetscap ende sijn gruet. |
| XXXVIII. | Vander heiligher ontfancnis ons liefs heren Ihesu Cristi. |
| XXXIX. | Vander1) vanding Marien totter vrouwen Elizabeth. |
| XL. | Vander saligher gheboort ons liefs heren Ihesu Cristi. |
| XLI. | Vander besnidinge ende vanden naem ons heren Ihesu Cristi. |
| XLII. | Vander epiphanie, die heerlike openbaringe doe Ihesus opten dertienden dach versocht wort vanden heiligen drie coninghen. |
| XLIII. | Vander ioncfrouwe Marien kercganc ende van hair kindes presentiering inden tempel mit haer offerhande. |
| XLIIII. | Van dat Ioseph ende Maria vloghen uten lande mitten kinde dolende in Egipten. |
| XLV. | Van dat dat kint drie daghen verloren was ende Ihesus wart ghevonden inden tempel in dat middel der doctoren. |
| XLVI. | Van dat Jhesus opwassede in ghenaden, in wijsheit ende duechden, overmits den gheest, voir gode ende den menschen. |
| XLVII. | Van dat sinte Jan Baptista dopede onsen heer Jhesum Cristum inden Jordaen. |
| XLVIII. | Van dat Cristus inder woestenije .XL. daghe vastede ende hoe en die duvel menigherhande becoorde. |
| XLIX. | Van dat onse heer Cristus riep, vercoes ende vergaderde sijn .XII. apostelen ende van die lesse, die di hem leerde. |
| L. | Van ons heren Ihesu Cristi ghedaente, wise ende forme van sinen leven, leer, predicaci ende miraculen. |
| LI. | Vander2) overscoenre glorioseliker verclaring der transfiguracie ons liefs heren Ihesu Cristi. |
| LII. | Van die oetmoedigher toecoemst ende vandinge3) dat
|
| | | |
| Cristus vanden berch van Oliveten op enen ezelinne sittende versocht [Iherusalem]1). |
| Cap. LIII. | Van dat Cristus tooch inden tempel ende verwerp daeruut die coften ende vercoften; ende wat doe bi hem gheviel ende ghesciede. |
| LIV. | Van [dat] die vrouwe Maria Magdalena onsen heer Ihesum Cristum sijn hooft ende voeten salvede. |
| LV. | Vanden avontmale, daer onse heer Ihesus Cristus dat sacrament sijns lichaems stichtede ende alle sijn iongheren pristeren wiede. |
| LVI. | Van dat onse here Ihesus sijn clederen dede uut ende gorde hem mit een dwael ende begonde sijnre ionghers voeten te wasschen. |
| LVII. | Vanden godiliken sermoen dat Cristus predicte ende vanden testamente dat hi voor sijn doot besettede.
Op fol. 106v leest men: ‘Dit is dat testament... daer ic dat eerste deel als een winterstuck van desen boeck wil mede einden’2). |
Het Zomerstuk is het boek der verlossing en begint met den kruisdood. Eerst vinde de korte proloog hier een plaats.
‘Aernen vlieghen hoech teghen den sueten somer, als die lucht opclaert ende ghesuvert wart van verpuering der sonnen, die mit haren hetten die coude watervucht tot hoor optrect ende verteert. Des hem die aern wel vervroecht, want hi boven allen voghelen inden raien der sonnen sonder wederslach van oghe scouwen mach mit lust. Hi can hemselven oec vernuwen in sijn ouderdoem, als of hi iongher waer3). Mit edelen ghesteent versekert hi sijn nest, dat hi sijn iongen vanden serpenten behoirlic can bewaren. Veel ander ende meer proprieteiten heb ic van hem ghelesen, hoe hi is coninc der voghelen, moedich inden stride, ghenadich inden biwesen, behoetsaem van laghen ende vroet, alle edelheden vol, daer lang of waer te scriven. Mer die aern, die ic meen te prisen, is onse suete heer Jhesus Christus, die van hogher vlucht is, daer Ezechiel die propheet int .XVII. capittel of seit: “Een weldich aern mit groten vloghelen, mit langhe gherechten leden vol plumen ende van
| | | | menigher verwen, quam totten berch Libaen ende nam dat morch des cedars, dat overste van sijnre bloeisel, ende bract of ende brochtet inden lande Chanaan, dair of wies een wijngaert scoen ende waert”. Dat werc des edelen aerns wil ic betoghen inder materien, die recht ghelijc wassen inden somertijt van ghenaden inden lande ons kerstengheloefs1). Nu staet vluchts2) in Ezechiels prophecie, nae dat een anderen aern quam mit groten vloghelen, die die selve wijngaert plantede ende oeffende, dat hi bloeisel ende vrucht brocht ende voorspoedich wort. Bi desen anderen aern wil ic u ter eren3) gheliken, mijn edele waerde heer, opdat ghi4) die rancken des wijngaerts Christi, dese materie des Somerstucs vanden Boick der Tafel Kerstens Gheloven, somwijl willen ofbreken ende lesen vergaderen5), dat ghi een crans daer of moecht draghen mit al u vrienden in die vermeiing des hemelschen paradijs, die inden somer ewigher glorien bloeit ende spruit doer die vrucht der salicheit Jhesus Christus, die eweliken si gheloeft ende gheeert! Amen.’
Deze proloog wordt echter voorafgegaan door den titel en de ‘tafele’ die luiden als volgt:
‘Dit boock is intituliert die Tafel vanden Kersten Ghelove. Is gedicht ende gemaect totter eren ende min ende sonderlinge des hoge gheboren vorst hartoch Alberts, bider genaden gods hertoch in Beieren, palansgrave opten Rijn, grave van Henegouwen, van Hollant, van Zeelant ende here van Vrieslant, van enen oetmoedigen prediker, ghehieten broeder Dirc van Delf, meister inder heiligher scrift ende regent inder universitaten van Arfordia ende van Colonia, int iaer ons heren dusent vierhondert ende vier.
Hier beghint dat Somerstuck vander Tafel des Kersten Gheloven.
| I. | Vander genadenriker tijt der ontfermherticheit, dat god onse here Jhesus Christus den gecruusten doot woude liden om der menschen salicheit (beghinnende te Midvasten). |
| II. | Vanden oost des coorns ons heren Ihesus lichaem, hoe hi wert gemaeit, inghevoirt ende ghevangen (Dominicam in panibus). |
| III. | Vanden gulden rose, die die paeus wijt, ende die een vroem ridder om die stat voort, welc rose Christum onsen here, rose van Jherico, wel beteikent (Dominica in rosa)6). |
| | | |
| IV. | Vander coronanci ende van menigherhande cronen, dair onse lieve here Jhesus Christus mede ghecroent wert ende was. |
| V. | Hoe dat vrome heilige cruus voor den bitteren doot ons heren Jhesu Christi getimmert was. |
| VI. | Vander bitter passi ons liefs heren Jhesu Christi ende van haerre salicheit, die si ons heeft verworven van die inwendige passie. |
| VII. | Van ons heren vijf open wonden ende van den .VII. woorden dle hi anden cruus heeft gesproken ende vanden wapenen sijnre passien; van onser vrouwen claghe ende van haren rou ende wee; van onser liever vrouwen .VII. droefenissen. |
| VIII. | Vander begravinge ende uutvaert des gecruusten dode Jhesum ende hoe die vrienden gods sijn graf bescreiden ende mit werdicheit versochten. |
| IX. | Van dat onse lieve here clam ter hellen neder om die te breken ende der onder vaderen te verlossen ende den duvel dair in te vanghen, te binden ende te besluten. |
| X. | Vander glorioseliken verrisenisse ons liefs heren Jhesu Christi, hoe dat hi vanden smadeliken ghecruusten doot uten grave opghestaen is mit groter eren. |
| XI. | Hoe onse heer Jhesus opten dach sijnre heiliger verrisenisse alre eerst sijnre liever moeder vandede ende mit liefliker wise van haren druck troostede, ende van onser liever vrouwen .VII. vroechden. |
| XII. | Hoe dat onse lieve here Jhesus der vrouwen Maria Magdalena bi de grave openbairde waerom dat1) die vrouwen onsen heer volchden. |
| XIII. | Hoe menichwarve dat onse here Jhesus na sijnre verrisenisse sinen iongheren int gemeen ende bisonder hem openbaerde. Of Sinte Pieter dootlike sonde dede. |
| XIV. | Vander letanien groot ende clein2). Van die vasten [der] quatertemper. (Hier van den ouden testamente merckelike saken.) |
| | | |
| XV. | Vander glorioser opvairt dairna dat onse lieve heer verresen was, clam op totter rechter side sijns vaders boven alle hemelen, dair menich notabel dinc in staet. |
| XVI. | Hoe dat die apostolen den heiligen gheest opten pinksterdach te samen ontfinghen, daer menighe scone reden vanden ouden testament ende vanden nuwen in staet. |
| XVII. | Vanden ghemenen raet der apostolen, die si hadden na dat si den heiligen gheest hadden ontfangen, opdat si di articulen der kersten gelove souden dichten. Daer is die beduding vanden gelove. |
| XVIII. | Hoe dat die .XII. apostolen van gods beveling hem deilden in allen landen, dat woort gods te prediken, miraculen te doen ende dat volc te bekeren; waerom datter .XII. waren ende wat elc bedude ende sijn leven ende sijn doot. |
| XIX. | Vanden staet ende ordinanci der heiligher kercken ende ondersceit ende scickenis hoirre prelaten, van paeus macht, bisscopen ende priesters macht. |
| XX. | Vanden anderen staet ende ordinanci der heiligher kercken. Hoe dat die doctoren, meesters, lerars, predicaers ende studenten regiert sullen werden. Een scoen disputaci tusschen enen meister ende enen iongher, ende vanden doctoren ende predicaren, hoe si leren ende instrueren sellen. |
| XXI. | Vanden derden staet ende ordinanci der heiligher kercken, hoedat die predicaers prediken ende den volc die werken der ontfermherticheit leren sullen; seer scoen hoe die predicaers den menschen leren sellen, beide jode ende heiden, quade ende guede. |
| XXII. | Vanden eersten werc der ontfermherticheit als die hongherigen te spisen ende die dorstigen te laven. Hier sijn drie questien, hoemen aelmissen gheven sal. |
| XXIII. | Vanden anderen werc der ontfermherticheit, die wandelaren ende die peregrinen te harberghen ende te ontfaen; hier veel vanden ouden testament ende nuwen, groot oirber in desen wercke. |
| XXIV. | Vanden derden werc der ontfermherticheit, als die naecten ende bloeten te cleden; hier van onse here ende sinte Martijn ende hoe dit werc hoven alle ander overgaet. |
| XXV. | Vanden vierden werc der ontfermherticheit, als die siecken te vanden ende te visitieren. Hier een groot notabel van enen cruce van mededoghen ende liden. |
| XXVI. | Vanden vijften werck der ontfermherticheit, als is die ghevanghen te troosten. Hier heeft men sonderlinge saken van Cristo, Daniele ende Moise. |
| XXVII. | Vanden sesten werc der ontfermherticheit, als is die doden te begraven; veel vanden ouden testamente. |
| | | |
| XXVIII. | Hoemen die kercken wiet ende hoemen die seven ghetiden hout en de singt; hoe die biscop wiet ende wattet beduut. |
| XXIX. | Hoemen die outaren stichtet ende wiet ende wat dat tot onser leer beduut. Hier heeftmen een sonderling manier van bedinge, die wi doen voir den altair. |
| XXX. | Vanden dienst gods der seven ghetiden, diemen over al die heilige kerc hout ende singt; wat die seven ghetiden figurieren ende scone oracien dairof, die paeus Innocencius maecte. |
| XXXI. | Hoe die seven sacramenten der heiligher kerken als most uten wijnkelre vander openre gecruusten ziden Cristi sijn uutgevloten, medicijn, boete, teghen die siecte onser sonden; hoedat elc sacrament genoemt wordt ende van waerde is ghelijct den godliken duechden ende crachten. |
| XXXII. | Vanden eersten sacrament der heiligher kercken, als vanden doop, die drierhande is, in welc die mensch wert ghekerstent, als inden water, inden geest ende inden bloede. |
| XXXIII. | Vanden anderen sacrament der heiligher kercken, als wat dat vormen beduut, dat die biscop self an onse voirhooft striket; hoe dat een mensch ghewapent wort teghens den duvel ende wort een ridder gods. |
| XXXIV. | Vanden derden sacrament der heiligher kercken, als priesterlike oirde, hoe die gegheven wort; hoemen subdiaconen ende diaconen wijt ende van wat waerden si sijn ende wesen. |
| XXXV. | Vanden vierden sacrament der heiligher kercken, als vander penitencien, daermen die sonden pleecht doir te beteren; hier verstaen wi guede penitenci ende valsche ende van rou, biecht ende boet. |
| XXXVI. | Vanden vijften sacrament der heiligher kercken, als vanden heiligen sacrament tlichaem ons heren Jhesu Christi; hier hebben wi oic dat beduut, datmen inder missen doet, ende alle [die] cleding des priesters ende veel ander wairdicheden. |
| XXXVII. | Vanden sesten sacrament der heiligher kercken, als vander echtscap, huwelic, daer man ende wijf doir die ewe vergaderen, hoe god dit self maecte; ende wat een guet wijf toebehoert ende [een] guet man. |
| XXXVIII. | Vanden sevenden sacrament der heiligher kercken, als vanden oli, dairmen die siecken mede salft, ende vander commendaci, die men den dode na doet, hoe die priester den siecken sal vermanen ende overlesen ende wat werdicheit ende salicheit; ende vanden bosen geest, hoe hi verschijnt. |
| XXXIX. | Vanden sekeren regulen der consciencien, diemen in die vierscair der penitencien moeten weten ende houden; item van .XIX. regulen der penitencien ende vier dingen, die den mensch nagelen ant cruce der penitencien. |
| | | |
| XL. | Van sonderlinge tiden inden iair, dair die heilige kerc veel wonders in begaet. Item hier van vier tiden binnen den iair, dair veel notabels vanden ouden testament in staat. |
| XLI. | Vanden historien ende gesticht, die voir christus tiden onder die Romeinen ende heiden vielen; item van vier duechden ende menich exempel die dairtoe dienen. |
| XLII. | Vanden heidenschen beelden ende die depinctien, dair si die duechden mede wouden leren ende die onduechde gheven te kennen; item van veel beelden ende guede leer daer toe. |
| XLIII. | Vanden stride tusken den duechde ende den sonde. Item van twien riken ende disputacien1) tusken die sonden ende der duecht. |
| XLIV. | Van exempel, mirakel, heilich leven gueder menschen, die na Christus tiden sijn gesciet. Item hier veel gueder exempelen uutten Vaderboic. |
| XLV. | Van des keisers troen ende hoemen hem kiest ende croent; vander ridderen oirden ende vanden huusman.2) |
| XLVI. | Van speel of tijtverdrijf der heren of der vrouwen, dairmen nochtant guede exempelen bi mach verstaen ende leren. Item hoe dat scaexspul was gemaect ende menich notabel sake. |
| XLVII. | Vanden coninc Salomon ende vander coninginne van Saba; van horen parabolen, notabilen, proverbien, bisproken ende leer, die te gehoegen staan; item van die conincinne van Saba ende Salomon ende van horen disputacien veel notabels dincs. |
| XLVIII. | Vanden morgenspraec tusken den ontfermhertichste god Christum ende den mistroestigen sondaer, die in wanhoop gevallen is; menich suet dinc van gods ontfermherticheit ende troist den sondaer ende leren te sterven. |
| XLIX. | Van entekersts toecoemst, van sijnre hantiering ende hoe hi sel eind nemen. Item hier veel teikenen sijnre toecoemst ende wat hi bedriven sel. |
| L. | Vanden ioncsten dage ende vanden gemenen oirdel, dat god sitten sel over die levende ende doden. Item hier vanden .XV. teikenen ende woirden, die god spreken sal totten goeden ende quaden3). |
| LI. | Vander ewigher verdoemnisse ende vander onsprekeliker pinen der hellen; item veel questien vander pinen der hellen ende elc na sijn sonde. |
| | | |
| LII. | Vanden vegevuer ende hoe die ellendige siele van onser weldaet gheholpen worden ende vanden engelen getroist ende visitiert; item veel saken, wairom dat dat vegevuer immer is ende wairmede men die sielen helpen sel ende hoe swaer ende bitter dattet is. |
| LIII. | Van dat scone hemelrijc, glorie ende salicheit des ewichs levens, hoe god sal gheven sentencie den goeden, ende hoe scone dat dat hemelrijc is, ende een suet gebet dat Ancelmus leert. |
Fol. CXCIv. Nu ist ghesloten, dat boeck vanden kersten ghelove, in alle sinen capittulen. Des hebbe god lof ende eer, nu ende immermeer! Amen.’
Was Dirc van Delf werkelijk de schrijver van de Tafel van der Kerstenre Gheloven of slechts de vertaler, zooals men zou kunnen beweren naar aanleiding van de laatste regels van een met V 55 overeenkomend Brusselsch handschrift (21974): ‘Expli(cit)... (uitgeschrapt)... bouk der kristen ghelove, dat in latijn hiet Tabula fidei orthodoxe’? Wij voor ons gelooven die gevolgtrekking niet te mogen maken; hoe dikwijls treft men in Dietsche handschriften Latijnsche titels enz. aan, die slechts bewijzen hoe vreemd het den ‘klerken’ in de vijftiende eeuw nog viel, de landstaal te schrijven. Hetzelfde hs. V 56, waaraan wij de inhoudsopgave ontleenden, geeft aan het slot: ‘Explicit liber bonus tractans de diversis materiis’, hoewel het geheel in het Dietsch is geschreven. Volstrekt niet onwaarschijnlijk is het, dat de titel ‘Tabula Fidei Christianae’ op het boek is geplaatst ook al heeft dit nimmer anders dan in de landstaal bestaan. Wij kunnen zelfs een dergelijk voorbeeld uit een ander (Middelnederduitsch) hs. van Dirc van Delf bijbrengen: in hs. Darmstadt 26671) vinden we midden tusschen den Duitschen tekst: ‘Explicit Tabula Fidei Cristiane in primam eius partem scilicet estivalem’2).
Wij nemen dus aan, totdat een nauwkeurig onderzoeker van het omvangrijke werk ons komt leeren dat wij dwalen, dat Dirc van Delf niet vertaalde. Allerminst echter wordt bedoeld dat zijn werk geheel oorspronkelijk zou zijn: in ieder geval hebben wij met een compilatie te doen. Geheele kapittels zijn aan bekende middeneeuwsche schrijvers ontleend; den naam Augustinus troffen wij haast op iedere bladzijde aan die wij lazen; elders Beda, ‘die gulden legende diemen noemt dat passionale’ enz. De klassieke oudheid, de wereldgeschiedenis leveren ontelbare citaten; Ovidius, Tullius worden aangehaald. Dit alles is geenszins te verwonderen en volkomen zooals het behoorde. Een wetenschappelijk werk als dit moest steunen op het werk van tal van voorgangers. De doctor in de theologie - de eenige destijds
| | | | in Holland, zegt men - die te Erfurt en Keulen studeerde, moest een boek leveren, dat op de hoogte was van zijn reeds veel lezenden tijd. In hoeverre hij aan dien eisch heeft voldaan, blijft te onderzoeken. Wij wenschen slechts, vooral ter vergelijking met de Coninx Summe, enkele proeven van zijn arbeid voorloopig bekend te maken in afwachting van een volledige uitgave. Intusschen hopen wij reeds nu de overtuiging te vestigen, dat Dirc van Delf in helder, dikwijls ook in heel mooi Nederlandsch gezegd heeft wat hij van zijn geliefde theologische wetenschap te zeggen had.
Ten slotte enkele bibliografische aanteekeningen, gedeeltelijk berustende op gegevens, mij bereidwillig door den heer De Vooys afgestaan. De ons bekende handschriften dan van Dirc van Delf zijn de volgende:
Van het Winterstuk:
| a. | Kon. Bibl. V 55, van 1469. |
| b. | Kon. Bibl. X 53, van 1470. |
| c. | Kon. Bibl. 133 F 18 (fragment), ± 1450. |
| d. | Amsterdam, Univ. Bibl. I H 36, van 1449. |
| e. | Amsterdam, Univ. Bibl. I G 18 (fragment). |
| f. | Leiden, Bibl. M.d. Ndl. Letterk. 222 (fragment). |
| g. | Brussel, Kon. Bibl. 21974, van 1442. |
| h. | Engelsch hs. 271). |
| i. | Eng. hs. 44-49 (fragment). |
| k. | Trier, 1935 (fragment) (?). |
| l. | Würzburg, 144 (fragment) (?). |
Minder talrijk zijn die van het Zomerstuk, nl.:
| m. | Kon. Bibl. V 56, van 1480. |
| n. | Leiden, Bibl. M.d. Ndl. Letterk. 3382) (fragment). |
| o. | Gent, 220 (fragment). |
| p. | Darmstadt, Hofbibl. 2667, van ± 1450. |
Met hs. a komt volkomen overeen het oudere hs. g, waaruit reeds de zinsnede geciteerd werd ‘dat in latijn hiet Tabula Fidei Ortodoxe’. Het is een perkamenten hs. (27 × 28½ c.M.), in twee kolommen beschreven, en is merkwaardig om de miniaturen die de eerste letter van elk hoofdstuk versieren. Zoo ziet men in de A op fol. 1 (blauwe letter met witte ranken) in de bovenste ruimte een figuur (engel?) in wit harnas met gouden keten, rooden mantel en baret, met een boek in de hand; daarachter een dubbelen adelaar met uitgespreide vleugels; in de benedenste ruimte den schrijver, gezeten in een stoel, schrijvende op een aan den
| | | | stoel bevestigde plank of lessenaar. Zeer veel overeenkomst met deze miniatuur vertoont die in hs. p; de adelaar is daar duidelijker, de figuur eenvoudiger, met roode muts, roode kousen en witten roodgevoerden mantel; de schrijver zit er op een bank en heeft het perkament op de knie. Een andere teekening van het Brusselsche hs. verbeeldt de Drie-eenheid: den Vader met kroon en aureool, gezeten, met de handen het kruis ondersteunende met den Zoon, en met den H. Geest als een duif aan de rechterhand1); ervoor ligt een monnik in aanbidding. Op fol. 35a: een vrouwenfiguur, rood kleed en witten hoofddoek; op gouden achtergrond zeven donkere dierfiguren: de zeven hoofdzonden.
Hs. b echter, over het geheel minder zuiver van taal dan a en één jaar jonger, wijkt in inhoud af. Door vergelijking niet alleen van de titels maar ook van de begin- en slotregels der hoofdstukken, bleek mij dat de verschillen hierop neerkomen: de capita VI, VII, VIII, XIII en XIV (volgens a) ontbreken, de capita XXIII en XXIV staan in omgekeerde volgorde en cap. XXVII en XXVIII zijn tot één hoofdstuk vereenigd, evenals cap. III en IV, zoodat b er 51 inplaats van 57 telt. De weggelaten hoofdstukken handelen over natuurwetenschappen; was dit den afschrijver te geleerd? of te heidensch? - Op fol. 1 ‘Dit is die tafel ende die capittelen inden eersten boeck des winterstuckes datter hiet die titel vanden kersten ghelove’, op fol. 2 ‘Dat winterstuc vanden tafel of spiegel vanden kersten gelove, dat broeder Dirc van Delf... screef... int iaer ons heren .MIIIIC. ende vier’.
Hs. c bevat de veertig eerste capittelen van hs. a, maar XXIII en XXIV zijn omgewisseld, als in b. Deze volgorde, waardoor de val van Adam en Eva onmiddellijk op die van Lucifer volgt en het hoofdstuk ‘vanden drie cluften (c: “vier clufteren”) ende wortelen der sonden’ aansluit op de andere hoofdstukken over zonde lijkt mij beter en oorspronkelijker. Nader onderzoek misschien van g kan dit leeren. - Op fol. 4v ‘Daer einden nu een deel vanden .LXVI. capittelen, vanden eersten tot den viertichsten, inden winterstuck vanden boeke, dat daer heet die tafel vanden kersten ghelove ende ooc dat oude testament. Desen boec was ghemaect ende ghescreven int jaer ons heeren doemen screef .MCCC. ende sevene...’(!)
Hs. h sluit zich aan bij c door het noemen van 66 capittelen. Het is uitvoerig beschreven in de ‘Beschrijving van Mnl. hss. in Engeland’ van De Flou en Gailliard, blz. 802). Het is een folio hs., 15e E., perkament, met miniaturen. De proloog ontbreekt. Fol. 1: ‘Die tafel vanden kersten ghelove’. Explicit fol. 205v: ‘Daer einden nu die sesse ende tsestich
| | | |
capittelen inden uuitganc (sic) vanden bouke dat daer heet Die tafel vanden kersten ghelove. God si gheloeft.’ Evenals in b en c zijn twee hoofdstukken verwisseld. De aanhalingen bij De Flou geven geen recht de redaktie voor verschillend van a te houden, b.v. fol. 19 ‘Vanden .III. instaende cledinge der sielen’ komt ook in a voor, doch vormt daar geen afzonderlijk hoofdstuk: het maakt deel uit van cap. XII.
Hs. f (deel van een verzamelhandschrift): ‘Hier volgen sommige capittelen genomen uten boec datmen hiet den teitel des kersten geloves’ (‘tijtel’ ook in hs. b). De hoofdstukken zijn niet genummerd, maar dragen ongeveer dezelfde opschriften als in de andere mss. Vergelijking met de ‘tafele’ van a leerde mij dat cap. VIII, XIV en XV ontbreken, XII en XIII in omgekeerde volgorde voorkomen. Verder dan cap. XXII schijnt deze bloemlezing niet te gaan.
Hs. e bevat slechts cap. XXXII ‘Vanden tien gheboden’, hs. i de capita XXVIII, XXIX en XXX; van k en l is nog niet met zekerheid te zeggen of ze fragmenten zijn van Dirc van Delf, dan wel of ze een zijner bronnen vertegenwoordigen.
Hs. n bevat de tweede helft van het Zomerstuk (‘Hier beghint dat naevolghen des boeks des kerstens ghelove dat anderde boeck vervolghende’), van af cap. XXXI. Het XLVIIIe hoofdstuk is ‘vanden keiser Constantinus hoe hi die heilighe kerk wiede. Ende vander disputacien twisschen den paeus Silvester ende den Ioden daer hi ende sijn moeder overheren van waren’. Cap. XLIX komt dan overeen met XLVIII van hs. m, en er zijn 54 inplaats van 53 capita. Op fol. 138v het explicit ook van m: ‘Nu ist ghesloten dat boek vanden kersten ghelove in allen sinen capittelen, des heb god lof nu ende immermeer amen’.
Een fragment van het Zomerstuk geeft ook hs. o op pag. 259b: ‘opten pinxterdach’ = cap. XVI van m.
Hs. p is een Middelnederduitsche vertaling of eerder omwerking. De proloog is een omwerking van den proloog op het winterstuk; de schrijver wordt er niet genoemd; de inhoud- is die van het Zomerstuk verdeeld in vijf ‘tractatus’, waarvan het eerste en tweede met het eerste en tweede negentiental capita van m overeenkomen; het derde ontleent stukken aan het Horologium, Cordiale e.a. en eindigt met ons cap. XLVIII, het vierde geeft hoofdstukken over het leenrecht naar den Sassenspiegel en over het Schaakspel (hs. m cap. XLV), het vijfde eindigt met de laatste vijf capita van het Zomerstuk. Over dit hs. is gehandeld in het Zeitschrift der Savigny Stiftung für Rechtsgeschichte, II Band, Germ. Abtheil., Weimar 1881, pag. 131-150, door prof. dr. Wasserschleben, die er groote stukken uit afdrukte.
| | | |
Zoo hebben wij thans kennis gemaakt met eenige werken, die min of meer uitvoerig en volledig, de geheele Christelijke geloofsleer in de Dietsche taal inhouden, en het ligt nu in onze bedoeling die hoofdstukken uit de behandelde werken, die ze met des Coninx Summe gemeen hebben, een weinig nader te beschouwen, wat ongetwijfeld er toe bijdragen zal om deze laatste beter te leeren kennen, zoodat we hare beteekenis noch over-, noch onderschatten. Maar tevens worden we dan genoopt - en niet tot onzen spijt -, kennis te nemen van een groot aantal losse stukken over dezelfde onderwerpen, in allerlei handschriften en incunabels verspreid, aan allerlei schrijvers ontleend; een volledig overzicht over die nog zoo goed als niet onderzochte litteratuur te geven, staat wel niet in onze macht, maar van haren rijkdom zal de beschrijving van wat wij in slechts enkele bibliotheken, voornamelijk in onze Koninklijke, hebben gevonden, den lezer gemakkelijk overtuigen. En over geen onderwerp was de oogst rijker dan over dat hetwelk frère Laurent aan het hoofd plaatste zijner compilatie,
| |
De tien geboden.
‘Leert de .X. geboden op u .X. vingheren tellen’, zegt de Spiegel der Kersten Eeuwe1), ‘opdat ghijse altoes moecht weten ende onthouden voer alle dinc’. Dien raad hebben onze vijftiende-eeuwsche voorouders niet in den wind geslagen en zij hebben meer gedaan dan de geboden op hun vingers natellen: preeken, traktaten zonder tal, ja gansche boeken hebben ze volgeschreven2) over die vermaarde ‘tien woorden’, door de helden onzer didaktische poëzie, Maerlant en Boendale, evenmin vergeten als door Willem van Hildegaersberch, ja die zelfs door Dante3) in verzen werden gebracht om zich te verdedigen tegen de aanklacht van ketterij. Reeds door Lelong4) zijn eenige verschillende redaktiën der tien geboden afgedrukt, die hij in middeneeuwsche getijdenboeken en dgl. had gevonden; tot zijn ergernis, want de onderlinge afwijkingen waren hem een klaar bewijs ‘van eene ongemeene achteloosheid der gewaande geestelijkheid’ en ‘van vervalsching des bijbels’. Over die verschillen straks nog een enkel woord, als wij iets meer over de traktaten zelf hebben vernomen. Vooraf mogen hier een paar berijmingen gaan die op ééne lijn staan met de bedoelde door Lelong uitgegeven prozateksten, in de eerste plaats die van den Lekenspiegel (I, 45):
| | | |
85
‘Ende dit sijn tien ghebode, +
Dien wi houden van Gode: +
Ende sinen evenkersten, des sijt vroet, +
90
Ghelijc hi hem selven doet;
Gods name te gheenre stont
Te vergheefs nemen inden mont; +
Vieren wel die daghe ons heren; +
Vader ende moeder altoos eren;
Anders mans wijf onderwinden niet; +
Ende ooc niet stelen, wats gheschiet; +
Niement doden noch verslaen; +
Gheen valsch oorconde doen verstaen; +
100
Anders mans wijf begheren twint, +
Noch niemens goet, waerment vint.’ +
Wij beginnen niet met regel 91 alinea, zooals in de uitgave, want regel 87-91 vertegenwoordigen het eerste gebod en er volgen er dan ook nog slechts negen. De vier bedoelde regels bevatten de twee ‘praecepta charitatis’, die door middeneeuwsche schrijvers zoo vaak aan de ‘decem praecepta divinae legis’ worden toegevoegd1); dit gebod, als samenvatting der Mozaïsche wet, komt reeds voor Deut. VII: 5, Lev. XIX: 18: ‘Gij zult Jahveh uwen God liefhebben met uw gansche hart en met uw gansche ziel en met al uw vermogen. Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelf’.
Bekend is het door Snellaert uitgegeven, vrij uitvoerige rijmwerk Van den tien Plaghen en den tien Gheboden, waar telkens een plaag beschreven wordt en gevolgd door het daarop betrekking hebbende gebod. Er volgt daar nog een kortere berijming ‘Noch die X gebode’ van 47 regels, en daaraan wordt er weer een vastgeknoopt van 12 regels:
‘Dit hout vaste in dinen sinne:
Gode vrucht, vleit ende minne
Ende zweer bi hem gheen meinede;
Eert vader ende moeder beide;
Houdt dijn vierte waerdu macht
Ende huedt di voor manslacht;
Sijt reine ende hebt cuuscheit lief;
Daertoe en sijt oec gheen dief;
| | | |
Voor valsch ghetughe wes behoet,
Ende begheer tonrechte niements goet,
Ende breec oec niet dien huwelic orden.
65
Dese .X. dit sijn Gods worden.’
Kernachtiger is een rijmpje, dat een afschrijver die tien Geboden op hoir corst heeft genoemd en dat als bladvulling in handschriften van geestelijken inhoud wordt aangetroffen1). Geffcken drukte het reeds af (blz. 50) uit den in 1483 te Culenborch uitgegeven Spieghel onser Behoudenisse; hier volgen twee teksten uit Haagsche handschriften, met de varianten van den Spieghel:
Kon. Bibl. X 114, fol. 1:
‘Dit sijn die tien Geboden op hoir corst:
Minne ende oefen enen god
Ende zweer niet bi hem in spot;
Vier die heilige dage algader;
Eer moeder ende vader;
En breng niement ter doot,
Noit en stel niet al hebste noot.
En doch geen oncuischeit noch overspel,
Noch valsch getuuch also wel;
En begheer niements beddenoet,
Noch sijn goet al bistu bloet2). |
Kon. Bibl. T 352, laatste blz.:
“Dit sijn die .X. ghebode op corste:
Mint ende ghelueft aen enen god;
En sweert niet bi hem in spot;
Viert die heileghe daghe algader;
Eert moeder ende vader
En slaet niement doot
En steelt niet al bestu bloet;
En doet gheen overspel;
En tuicht niet valsch over iemant el
En begheert niements beddeghenoet
Noch en begheert oec niements vremden3) goet.” |
Mensche dit sijn die tien gebode
Die di gegeven sijn van gode
Ende met niet min en mogestu comen te hemelrike,
Dan te houden die tien gebode ganselike’4). |
|
Veel meer heeft Willem van Hildegaersberch van de tien geboden te vertellen in een gedicht5) van die soort welke de Franschen, zooals wij zagen, ‘sermons en vers’ plegen te noemen. Evenwel veel bijzonders bevat zijn traktaat, dat hij op verzoek der abdis van Rijnsburg samenstelde, niet; in ernst en innigheid staat het bij de
| | | | meeste prozastukken over hetzelfde onderwerp achter; eigenaardig zijn de volgende regels die leeren, hoe hij aan de jonge meisjes te Rijnsburg de tien geboden smakelijk trachtte te maken:
‘Oec spreecter som al openbaer:
Twaer den mensche voel te swaer
Wat in bedwange leven sal,
Dat moet ouden ende grisen.
Nu wil ic mitter waerheit bewisen,
Dat si langer leven souden,
Die die tien ghebode houden,
Ende oec voele minre arbeit liden,
Dan diese breken tallen tiden
Ende leven na der werlt eisch’ 1).
Letten wij op de prozalitteratuur, dan vinden we in de eerste plaats2), dat een uitvoerig traktaat over de tien geboden is uitgegeven door den heer G.H. van Borssum Waalkes in ‘De Vrije Fries’ van 18903), naar een hs. der Provinciale Bibliotheek in Friesland4). De uitgever kende echter ook andere handschriften, waarin hetzelfde traktaat deel uitmaakt van een grooter werk, met name het door hem met C aangeduide ms. van de Maatsch. d. Ned. Letterkunde, naderhand in den catalogus (op no. 330) omschreven als een Samenspraak tusschen een meester en een leerling over Israëls uittocht uit Egypte, beschouwd als een symbool van de reis door de wereld naar den hemel en waarvan de inhoud in drie gedeelten is te splitsen: 1. een stuk over den tocht der Joden naar Egypte, hun uittocht en hun komst aan de Synaï, 2. een stuk over de tien geboden, aanvangende ‘septies in die cadit justus’ en 3. een stuk over de reis van Synaï naar Kanaän. Het Friesche handschrift, door den heer van Borssum Waalkes A genoemd en waarnaar hij zijn tekst uitgaf, bevat van deze stukken slechts 2.; een Amsterdamsch hs., door hem D genoemd en mij van elders als 1 F 51 opgegeven, begint met den uittocht uit Egypte. De heer De Vooys zendt mij de volgende beschrijving van het 16e-eeuwsche hs. no. 9392 der Fidei-Commis-Bibliotheek te Weenen:
| | | |
Fol. 1. Hier beghint dat prohemium up die tractaect vanden tien gheboden, die ons totten rechten wech sullen wisen ende bringhen hierboven in dat hemelsche Iherusalem. Nolite timere sed descende in Egyptum..... Alsoe staet ghescreven in den eersten bouc der ouder eeuwen, dats der ouder wet, dat god sprac totten heleghen patriarche Jacob: Du en sulst niet vreesen want ic wil di tot eenen grooten gheslachte maken, daer omme ghaet neder in Egyptenlant ende ic wil di weder van daer leeden in al dat heleghe lant van belofte....
(Gesprek tusschen een meester en een jonger).
Fol. 16c: Die prologhe vanden .X. gheboden gods. Sepcies in die cadit iustus.....
Fol. 17d: Dat eerste ghebodt gods.
Fol. 100d: Van Maria.
Fol. 103c: ... indien hi zijns selfs es te niete worden waerlijck, dat wij hiertoe comen moeten, dies helpe ons god! Amen.
Fol. 104a: Die bedudinghe hoedat die kinderen van Israel quamen int lant van beloften. Historie. Nu hebbic di gheseit also vele alser mi voren of stont, hoe die tien gheboden ghegheven worden den huutvercoren volke gods in dien dat alle zalicheit des menschen besloten es. - Die iongher. Want du mi gheseit heves hoe dat volc uut Egypten quam ende hoe hem god aen desen berghe die gheboden gaf, soe wistic oec gheerne hoet hem verghinc....
Op fol. 124d breekt het traktaat af, doordat er één folio is uitgescheurd.
Nog wordt hetzelfde werk gevonden in hs. Gent 1514 en heet daar: Wechwiser totten hemelschen Jheruzalem; eveeneens in het Deventer hs. 59 dat van 1462 dateert; in de Leidsche hss. Letterk. 3471) en 1032 (fragmenten); in het hs. Dusseldorf Landesbibl. C 24 (‘Hier beginnet die historie der kinder van Israhel woe si doer die woestijn toegen uut Egipten, daer mede werden in getagen die X gebade ende syn seer merckelick’) van 1462; in het Ruusbroec-hs. M6 (= Berlijn ms. germ. qu. 1085, v. Arnswald 3112) in het Ruusbroec-hs. M10 (= Berlijn Ms. germ. fol. 1028, v. Arnsw. 3142). Een dezer beide laatste is Middelnederduitsch; andere Middelnederduitsche handschriften zijn: Den Haag, Kon. Bibl. C 2 (Cat. Oranje-Nassau-boekerij no. 7) en de door Geffcken (Bildercatechismus p. 42 vlgg.), door Al. Reifferscheid (Jahrbuch des Vereins für Niederdeutsche Sprachforschung 9, 142; 10, 21; 11, 105) en door Borchling (Mittelnederd. hss. blz. 124) beschrevene.
De titels van het hs. von Arnswaldt 3166, gedateerd op 1504, en van verscheidene 16e-eeuwsche drukken deden Reifferscheid het
| | | | werk toeschrijven aan Johann Geiler von Keisersberg, denzelfden die het ook door ons besproken Opus Tripertitum van Gerson in het Duitsch heeft vertaald. In het bedoelde handschrift wordt het werk genoemd: ‘Eine geistliche bedeutung des aussgangs der kinder Israel von Egypto, durch den hochgeleerten D. Johan Geyler von Keisersperg vor vil iaren geschriben und yetz fleissigklich ubersehen und von neüwes auszgangen anno 1504.’ Dit handschrift bevat niet het sub 2. genoemde stuk over de tien geboden, dat ook volgens het straks genoemde hs. Dusseldorf is ingeschoven. Hoe staat het echter met het auteurschap van Johann Geiler? Uit het artikel over hem door E. Martin voor de Allgemeine Deutsche Biografie bewerkt zag ik, dat in ieder geval in den aanvang der 16de eeuw het werk gewoonlijk op zijn naam stond1), een eigenschap, die het met vele andere geschriften gemeen heeft, die daarom nog niet altijd wezenlijk van hem stammen. Hoogstens is hij de vertaler van het traktaat, waarvan Chr. Schmidt (Hist. littéraire de l'Alsace, II 381) een 14e-eeuwsch Latijnsch hs. uit de Straatsburger bibliotheek beschrijft. Wordt het hierdoor al betwijfelbaar, of onze Dietsche tekst iets met Johann Geiler heeft te maken, die twijfel vermeerdert sterk, als men let op de jaartallen van twee Middelnederlandsche handschriften, die beide van 1462 zijn, het jaar waarin Geiler, geboren in 1445, tot ‘baccalaureatus artium’ werd bevorderd. Hoewel de noodzakelijkheid van een verder onderzoek blijft bestaan, meenen wij de hooge waarschijnlijkheid te moeten aannemen van het bestaan van twee vertalingen, een Middelnederlandsche en een Duitsche, van eenzelfde Latijnsch traktaat, van welke beide de Middelnederlandsche de oudste is. Het
blijft o.a.
echter de vraag of er een Dietsche tekst bestaat zonder de tien geboden.
Zooals gezegd is, wordt door Reifferscheid t.a.p. aangetoond, dat het traktaat over de tien geboden is ingeschoven. Wij zagen dat dit op zichzelf voorkomt in het hs. A van den heer Van Borssum Waalkes, maar bovendien wordt het gevonden in hs. 133 F 5 van de Kon. Bibliotheek en Duitsche handschriften en drukken2). Een der hss. van Geffcken (thans Hamburg Theol. 1554) begint met de merkwaardige aanwijzing: ‘Hije beginnent d'e tzien gebode mitter glosen. Als
| | | | si der eirwerdige leire und meister Marcus van der Lindouwe1) gemaeht hait. Dit is de vorrede. Seven werff an dem dage...’ In een Duitsch hs. der Haagsche Kon. Bibl. (C 22)) wordt hij genoemd ‘der geistlich bruder Johannes Lindaw ein barfusz und ein lerer der heiligen geschrift.’ Dat de auteur den naam Lindaw of van der Lindouwe droeg, kan dus worden aangenomen, doch de gronden, waarop de heer v.B.W. hem voor een Nederlander verklaart, kunnen deze bewering moeilijk dragen. ‘Van’ is evengoed Middelnederduitsch3) als Middelnederlandsch; hetzelfde geldt van ‘hosen’ voor kousen enz.; er wordt wel aangetoond, dat de streek aan de Linde Lindouwe zou hebben kunnen heeten, maar de bewijzen dat die naam werkelijk in gebruik was, blijven achterwege. De handschriften waarin de naam Lindouwe (Lindaw) voorkomt, zijn juist beide Nederduitsch!
Ons bestek laat geen verder onderzoek in dezen toe; genoeg zij het, dat het op naam van Marcus van der Lindouwe staande traktaat behalve in het Middelnederduitsch ook in het Middelnederlandsch zoowel als deel van den Wechwiser als zelfstandig voorkomt. Wat nu de wijze van behandeling aangaat4), zooals reeds gezegd is, is het een dialoog tusschen een meester en een jonger; van ieder gebod wordt eerst aangegeven, hoe men het houden moet, dan door welke handelingen men er tegen zondigt; een methode die, zooals we weten, reeds van Bonaventura stamt. Over beeldendienst wordt niet gesproken. De stijl is eenvoudig, soms gevoelvol: (blz. 255) ‘Du en salste gene vreemde gode aenbeden. O lieve jonger, wat sijnder nu vreemde gode in menigher menschen herten!’ Augustinus wordt gedurig aangehaald; verder wordt o.a. als bron gebruikt ‘dat boec vanden rechte der heiligher kerken.’ Het traktaat geeft meer, dan de titel zegt, zooals uit eenige citaten blijkt: (bij het 3e geb. blz. 269) ‘Nu saltu weten dat deser sunden in den heiligen geest .VI. sijn...’; (bij het 4e geb. blz. 278:) ‘Die jonger: Ic heb di wal verstaen, doch soe begeer ic een weinich te weten vander biecht. - Dat wil ic di seggen....’ (bij het 6e geb. blz. 289:) ‘Nu segt mi wat hoert tot enen rechten hilix bedde datmen den staet recht ende geordeniert holde’ - (bij het 7e geb. blz. 294:) ‘Ic wiste al te geerne wat dattu woeker hetes. - Die meister: Die woekeners en horen der heiliger
| | | | kerken niet toe...’ (bij het 10e geb. blz. 305:) ‘Oec so bescrivet ons sunte Pauwel der weduwen regel...’1).
Nog een punt moet ik den heer van Borssum Waalkes betwisten: de bewering, dat zijn traktaat B een omwerking van dat van Marcus van der Lindouwe zou zijn. De twee hebben niets met elkander gemeen, dan twee traktaten over een onderwerp van zoo algemeene strekking, op dezelfde algemeen gelezen bronnen gebaseerd, noodzakelijkerwijs met elkander gemeen moeten hebben. De bewijzen, die de uitgever ervoor aanvoert - dat in B. sporen van den dialoogvorm zijn overgebleven, waarvoor zinsneden moeten doorgaan als ‘also als daervoer af ghesproken is’ ‘als hier voer ende nu is gheseit’ - beduiden niets; evenmin is het van belang, dat in B enkele zinsneden letterlijk met A overeenstemmen: in alle traktaten over het onderwerp zijn dergelijke overeenkomsten te vinden. Traktaat B is een verhandeling, die behalve in het door den heer v.B.W. gebruikte Amsterdamsche hs.2) van 1448 wordt teruggevonden in K 35 (Cancellierboeck) en X 114 der Koninklijke Bibliotheek en in hs. 7957 der Fidei Commis Bibliothek te Weenen3).
(K 35, fol. 122:) ‘Hier beghinnen die X ghebode, die Moises van gode ontfinc op den berghe Sinaï, mit horen verclaringhen ende bedudenissen nae den woerden der heiligher leerres, als sint Augustinus, sinte Thomas van Aquinen ende Raimundus4), Innocencius ende Hostiensus5) ende ander leeres der heiligher scriften ende des gheesteliken rechts’.
Merkwaardig is een overeenstemming met de Coninx Summe:
| Con. S. 4: ‘Dat eerste ghebodt dat god gheboet is dit: “Du en selte niet menigherhande gode hebben”. Dat is te segghen: du en selste |
Kon. Bibl. K. 35: “Dat eerste ghebot is: du en sals niet hebben ander gode dan mij, noch aenbeden noch eeren. So wie dan sijn hope |
| | | |
| ghenen god hebben dan mi, noch du en sels aenbeden noch dienen, noch dinen hope setten in niement dan in mi. Want wi sinen hope settet principaellike in anderen creaturen of in anderen ghelove dan in gode, die sondicht dootliken ende doet teghen dit ghebot. Sulke sijnse die afgode aenbeden of haren god maken van enighen creaturen, oec welcse sijn. Teghen dit ghebot doen alle die ghene, die haren scat te lief hebben, hoor gout of hoor sulver of ander aertsche dinghen, die in vergancliken dinghen al haer harte ende horen hope zetten ende vergheten ende laten horen scepper, die hem al hoor goet verleent heeft, dien si sculdich sijn te dienen ende te dancken alle sijns goets ende boven alle dinghen te minnen ende te eren, so ons dit eerste ghebot leert.” |
set principalic aen creaturen, die duet hoeftsunde ende teghen dit ghebot ende dese beedt afgode aen ende maect sijnen god van creaturen. Ende daerom doen teghen dit ghebodt dieghene, die te seer minnen hoeren schat als golt ende silver ende ander eertsche dinghen ende die in dese verghenclike dinghen soe seer setten hoer ghenuechte ende hoer herte ende hope, dat si daerbij vergheten hoeren scepper ende begheven hem, die hem alle dat guet heeft verleent ende den si schuldich weren te dienen ende hem te dancken ende boven alle dinghen te minnen ende te eeren alsoe als ons bewijst dat eerste ghebodt.’ |
In de Coninx Summe is hiermee het eerste gebod afgehandeld, in het andere traktaat volgt nog wel viermaal zoo veel, zooals men in ‘De Vrije Fries’ kan naslaan. In het vervolg loopen de beide teksten geheel uiteen en is de Summe verreweg het kortst. Al is de overeenstemming der aangehaalde plaatsen woordelijk, men moet toch voorzichtig zijn in zijn gevolgtrekkingen en kan hieruit niet besluiten, dat de compilator van het besproken traktaat behalve de door hem met name genoemde bronnen ook de Summe gebruikte. De toekomstige onderzoeker van onze middeneeuwsche litteratuur over den dekaloog, zal in de eerste plaats hebben na te gaan, welke Latijnsche traktaten hier in omloop waren en zoo mischien een juiste aanwijzing van het verband tusschen de talrijke Dietsche teksten kunnen geven. Een opzettelijk onderzoek dier teksten is van belang, ook om de gegevens, die ze bieden voor de folklore: om slechts te noemen de belangwekkende besprekingen van allerlei bijgeloof, van tooverij, van woeker, van de huwelijksgemeenschap. In de aanteekeningen op de Coninx Summe zullen wij gelegenheid hebben hierop terug te komen; een voorbeeld uit het hoofdstuk over de tien geboden in het Fundament van der Kerstenre Gheloven1) kan hier een plaats vinden:
| | | |
(Tegen het eerste gebod zondigen ook) ‘die wane setten in den verworpenen dagen of in den dagen die nae middewinter comen, daer die gecke lude die maende der iaer bi merken willen, of troest setten inden niën iaren diemen geeft, of die enige haldinge heeft inden loep der sonnen of der manen of enige tide anders dan daerse god toe gescapen heeft, off in wichlinge of in toverien of inden duvel te vermanen of in waerseggen of in segeningen of in boeten, dat tegen die proevinge der meister van medicinen is.’
Een mij van elders onbekend traktaat over de tien geboden, dat evenzeer later zal kunnen dienen om sommige plaatsen der Coninx Summe te illustreeren, wordt aangetroffen in een Weener handschrift (Hofbibl. 2725) waar men leest op fol. 49:
‘Dit sijn die heilege X gebode.
Sente Matheus die ewangeliste screef inder heileghen ewangelien diemen leest in groot vastelavonde, dat ons here Ihesus Cristus sprac totten viant Zathanas: Men sal enen god aenbeden ende hem allene dienen. Teghen dit gebot doen alle deghene die met gokelien omgaen of die den viant dwinghen of besweren om iet van hem te wetene of die met toverien omgaen of met waersaghers te geloven of in dumen te siene of in spiegelen...... alle dese sijn quadere dan de heidenen oft die ioden, want die selve wet die si hebben, die houden si also vaste, datsi om gheen dinc haer wet afgaen en willen..... Oec al de ghene die beelden aenbeden, weder si gesneden sijn, gemaelt sijn oft gehouwen..... Men sal gode allene aenbeden ende den heilegen bidden, dat si gode voer ons bidden; men sal Marien ende allen heilegen eeren ende dienen niet boven god, maer inder eeren ende toter eeren gods: men sal alle die doechden, die god inden heilegen gevest ende gemint heeft, die salmen minnen ende merken tot exemple ende selen ons pinen gode te dienen ende te eren ende te minnen ende na te volgen in die doechden, daer Cristus ende Maria ende alle heilegen in exemple voerghegaen sijn. - Ghi selt weten dat .IIII. partien van menschen tegen dit gebod sundeghen....’
In een handschrift der Parijsche Bibliothèque Mazarine (no. 920) komt een traktaat voor, waarvan ik slechts de eerste vijf of zes regels heb overgenomen; ik laat ze hier volgen, daar ze misschien tot herkenning kunnen leiden. Het bedoelde hs. bevat: ‘Vanden .VII. sloten; der minnen boec, cantica canticorum; een collacie, beghint: een is noot; Hugo van Sinte Victoer van aensprekinge tsijre zielen datmen noempt de arra ave; Van den X gheboden; spieghel der sundaren; twee epistelen uut Hadewighen; sermoen die ons heer dede int leste avontmael; die concordans der .IIII. evangelisten.’ Een uiterst merkwaardig manuscript dus, en dat eens toebehoorde aan het ‘Roode Clooster in Zoniën’; de tien geboden beginnen:
| | | |
‘Wiltu comen toten eweliken levene, soe hout die X gebode.’ Dese woert andwerde onse here den ionclinc, die hem vraegede, hoe hi ten euliken levene mochte comen. In desen worden toghet onse here, dat engheen anderen wech en es te comene dan dat men houde die .X. gebode. Dit sijn die .X. gebode: ...’.
Met denzelfden bijbeltekst (dien we reeds meermalen1) als motto boven stukken over den dekaloog aantroffen) begint ook een traktaat in het Deventer handschrift 64:
‘Hier beghinnen die X ghebode. Doe onse here Ihesus Cristus wanderde op aertrike, doe quam tot enen tiden een ionghelinc ende viel voer hem op sinen knien ende seide: Meester, wat sal ic doen, dat ic dat ewighe leven besitte? Do antwoorde hem Ihesus: Hout die ghebode... Al hetent alle ghebode, het sijn selke verbode...’2)
Dit traktaat vult slechts tien kleine quarto bladzijden. Ieder gebod wordt behandeld in drie graden. Bij het tweede gebod wordt ‘meester Thomas’ aangehaald. Onder ‘gij zult niet doodslaan’ valt ook: ‘ten derden male: als een god in sijnre sielen doot, dat hem god also vreemt wort, dat hi mishopet ende hi en wil dat onrechte goet niet laten; hi wil lieghen, bedrieghen ende niet biechten ende also sterven’3); onder het zevende (gij zult niet stelen); ‘die derde graet is, die god alre zwaerlicste wreken sal, is datmen enen beneemt kersten gelove mit valscher leringhe, mit toverie, mit boetinghe of mit waerzagherien, dat tieghen gode is ende tieghen die heilighe kerken’; onder het tiende ‘die derde graet is simonie’. - ‘Dit sijn die tien ghebode, soe wie datter enich brect die doet dootsonde4). - Hoet u nauwe ende wacht u wel, || die tijt is cort, die doot is snel. Explicit.’
Naar hunne strekking verdeelde men de geboden in sommige, die onze verhouding tot God, en andere, die onze verhouding tot den naaste regelen, of zooals het laatstgenoemde traktaat zegt: ‘In die eerste tafele stonden drie gebode die ons ordinieren tot gode. In die andere tafele stonden seven ghebode die ons ordinieren tot onsen evenkersten’5). Wat de volgorde betreft, die zooals wij bij de bespreking van den origineelen tekst der Somme le Roi gezien hebben, in de Middeneeuwen gewijzigd is, in de Dietsche litteratuur over ons onderwerp heerscht daarin de bontste afwisseling. Misschien zal
| | | | het letten op die zaak bij het bepalen van de herkomst van sommige traktaten kunnen helpen. In de Coninx Summe is de volgorde zeer logisch gemaakt: het zesde en zevende (overeenkomende met het 7e en 6e in de oorspronkelijke lezing) verbieden respectievelijk het nemen, het negende en tiende het begeeren van andermans vrouw of goed. Met de Coninx Summe komen in dezen overeen: de Lekenspiegel en het bij Van Vloten afgedrukte traktaat, beide nog van de 14e eeuw, en het zoo even genoemde Deventer hs. 64; Dirc van Delf, de ‘tien plagen en X geboden’ en M.v.d. Lindouwe hebben de analoge volgorde juist anders om teweeg gebracht door 9 en 10 om te keeren. Het traktaat van K 35 heeft 6, 7 als de Coninx Summe en 9-10 anders om; in het Cancellierboeck, in de ‘10 gebode op hoir corst’ en bij Gerson bleef de volgorde van het O.T.1). Men merke op, dat in het door Van Vloten2) naar hs. AA 69 der Kon. Bibl. (hs. der Dietsche Doctrinale) van 1374 uitgegeven traktaat het negende en tiende niet als elders tot scherp onderscheiden geboden zijn gemaakt, maar het voormalig tiende plompweg in twee stukken is gesneden: ‘du en salt niet begeren thuis dijns evenkerstens noch sijn wijf’ en ‘du en salt niet begheren den knecht’ enz. - Het onderscheid tusschen het 7e en 9e gebod wordt nadrukkelijk uitgesproken in het zesde capittel van het Cancellierboeck ‘Van den X gheboden, wie dat men daerof wael biechten sal’3) (K 35 fol. 37): ‘Du en sals dijns evenkerstens wijf niet begheren als sunde mede te doen. Dit gebodt verbiedt den wille ende die begheerte der oncuusheit sonder daet, dat
doetsonde
is, als onse here spriect in dat ewangelie, ende dat sevende ghebot verbiedt die daet der oncuischeit.’
Gerson's traktaat4), 1e hoofdstuk van zijn Opus Tripertitum ‘ende het mach met recht heeten in duitsche der menschen salicheit’, in methode met de andere, reeds beschouwde, overeenkomende, is niettemin belangrijk naast de overige teksten. Hij begrijpt de wet der X geboden zoo, dat God niet van ons vergt, wat hij ‘na strangheits des rechtvaerdicheits’ wel zou kunnen vergen, maar onze zwakke zondige natuur te hulp komt door zich tevreden te stellen met het nakomen van slechts een tiental geboden, die wij nu echter ten zeerste verplicht zijn te gehoorzamen. Aan ieder gebod wordt een hoofdstuk gewijd; het XVe bevat een epiloog: ‘Dit sijn die tien gheboden des godliken wets, die voer bescreven sijn. In welken wi moghen merken
| | | | ende sien die waerheit eens kersten levens als doer een claer scoen ende suver spiegel ende moghen besceidelic bekennen die scoenheit of lelicheit ons levens, onser sielen ende onser consciencien....’ ‘Hier machmen nu claerliken sien met wat weghen ende manieren dese X gheboden ghebroken worden; als mit die seven hoofsonden die sijn hoverdicheit, nidicheit, toren, giericheit, gulsicheit, onsuverheit ende traecheit; item metten uutwendighen sinnen, als met sien, horen, smaken, rueken, tasten of ghevoelen.’
Nergens in de Middelnederlandsche litteratuur is de behandeling van den decalogus zoo wetenschappelijk door indeeling zoowel als door beredeneering als bij Dirc van Delf. Op den nog altijd ontzag inboezemenden berg Synaï (‘noit can en der gheen herde sijn quijc daer leiden’) kreeg Mozes van God de beide steenen tafelen1) - zoo vangt hij het 32e hoofdstuk aan van het Winterstuk -:
Hs. X 53, fol. 73r: ‘In die eerste tafel sijn drie gheboden die gode roeren2). Dat eerste gaet der menschen vader aen, want het roert die enighe godheit, als hi seit: ghelove ende aenbede enen god. Dat ander ghebot gaet aen den mensche gods soon, want het roert die enigh waerheit, als hi seit: en sweer niet idelic bi hem. Dat derde gaet aen den heilighen gheest, want het ruert die gheestelike tucht, als hi seit: viert die heilighe daghe. In die ander tafel sijn seven gheboden, die den mensche aengaen. Dat eerste onsen ouderen, als hi seit: eer vader ende moeder. Die ander ses roeren, hoemen onsen evenkersten scade hoeden3) sel. Eerst mitten werken ende daerof sijn drie gheboden, als niemant doot te slaen, doet gheen overspul, doet gheen diefte; voert hoe wi hoeden sellen te scaden mit onsen monde, als hi seit: segge gheen valsche ghetugenisse. Voert hoe wi hoeden sellen te scaden mitter herten, als hi seit: begeert niemants wijf, begeret niements goet.’
Als voorbeeld van zijn manier, tevens als stijlproeve van den nog te weinig bekenden Dirc van Delf, doen wij hier het stuk over het eerste gebod volgen, dat ons van het geheele XXVe capittel het beste voorkomt:
‘Dat eerste ghebot is: Non adorabis deos alienos; dat beduut: du en selste gheen vreemde goden aenbeden, mer ghelove enen waerachtighen god. Desen god beliën alle landen ende alle volc, mer seer onghelijc. Die heiden ende die Sarracinen gheloven van gode te veel, als in afgoden ende in Machomet. Die Ioden gheloven van gode te luttel, als inden vader alleen ende niet inden gods soon. Mer die kersten gheloven van
| | | |
gode te maten veel, als in enen waerachtigen god in drien personen: vader, soon ende heilighe geest.
Dit ghebot is drieclufterich of hevet drie clauselen. Dat ierste is: Du en selste voer mi gheen vreemde goden hebben. Tegen dit doen die heiden, die veel afgoden aenbeden, die si naden seven pla- (fol. 74) neten hebben ghenoemt, in welken Molocken plaghen die duvelen te woenen, ende als men hem godlike eer dede, so gaven si den luden loghenachtighe antwoorde. Teghen dit ghebot misdoen alle diegheen, die gheloven, dat meer goden sijn dan een, of die twivelen aen tghelove der heiligher kerken of die aen nigromancie of toverie, aen droem of aen visioen of der quenen boete of aen waersaghers hem keren, daer god of spreket: Vermaledijt is hi die dese ontfanct, sijn saet sel verwilden inder aerden ende uten midden sijnre broederen sel hi ghenomen worden.
Die ander cluft of clausel is: Du en selste gheen gegraven beelden maken van enighen dinghen, die inden hemel boven sijn of inder aerden beneden. Hier voermaels was dat volc ghewandelt in also verkeerden sin, dat si den onwandelbaren gods naem setten aen steen of aen hout of metael, gheliken dat die Ioden deden; doe si een gulden calf hadden ghegoten, seiden si ende songhen: Israël dit sijn dijn goden, die di uut Egipten hebben gheleit. Also en maken wi Cristum onsen beelde niet, dat wi iet houden vanden steen of hout, dat daer enich natuerlic leven in si, mer tot eenre ghelikenisse ende vertoninge der dingen daer wi na beelden ende dat doen wi om drie saken: die eerste sake is om der simpelen lude domheit wil, want die niet lesen en kunnen in boeken, dat si doch lesen in sulken beelden; die ander sake is om onser begheerte coutheit, want wi niet ghenoech beroert en worden van horen des woorden gods, dat wi doch wat sien, daer onse sinnen mede tot gode beweghet worden; die derde sake is om onser ghedachten verghetelheit, want wi godes wonder sijnre menscheit niet en ghehueghen, dat mense ons doch voerden oghen in beelden mach tonen; ende om deser saken wil so verleen god inden beelden veel ghenaden.
Die derde clausele des ghebodes is: verlochen dinen god niet. Des hebben quade kersten dic ghedaen, die haren ghelove of sijn ghegaen ende worden mitten Ioden of heiden vernoiert of die sonderlinge sonden voer enigerhande gode visiert, als die ghierighe, gulsighe ende oncuuscher. Dit is die serpent ende beest mit drien hoefden, daer in Apocalipsi of staet: vermaledijt is diegheen die die beest aenbedet ende sijn beelde. Dat eerste is ghiericheit, die aenbedet den penninc gheliken dat een heiden doet sinen afgod, want die en wil sinen afgod niet breken, dese en wil sinen scat niet minren; die settet hope inden moloch, dese hevet groten toeverlaet tot sinen blauwen sac1). Seneca seit: aldus ist ghelt een godinne2) gheworden. Die ander is
| | | |
gulsicheit, die aenbedet sinen buuc. Die tempel is die koken, dat outaer is die tafel, die diaken is die kokenmeister, ghesoden ende ghebraden is die offerhande, die choersanc is kiven, striden ende achterspraec inder werscap. Paulus seit: Dese eer ende glorie toent hem tot scanden, die alleen aersche dinghen smaken. Die derde is oncuuscheit, die aenbeden out ende ionc, rijc ende arme, wise ende onwise, si willen alle Venus dochter aenbeden ende ommevangen; mer die heiden aenbedet sinen afgod openbaerlic, dese hemelec1) haer godinne; die bi daghe, dese bi nachte; die en weet niet dan2) vander vrouwen Venus, die overspul dede, mer dese kersten ghelovet aen eenre ioncfrouwen ende haren soon, die nie sonde en deden. Hierom seit Christus onse heer, u sonden sijn veel meerre.’
Ziehier de ‘clausulen’ volgens welke Dirc van Delf de overige geboden behandelt:
(2e geb.:) ‘Die eerste is: du en selste dinen god niet versweren.. die ander: du en selste dijn ghelofte niet breken, die du gode doeste... die derde: du en selste niemant vloeken of van gode iet quaets bidden.. (3e geb.:) Du selste des heiligen daghes vieren3) van knechteliken werken, daer men pleecht loen ofte gheven... die ander: du en selste des heilighen daghes gheen sondelike werken doen... die derde: du selste inden heilighen daghen heilichliken di mit innicheden tot gode keren na eisch der zeven getiden. (4e geb.:) Eer dijn vader ende dijne moeder, die ewighe godheit ende die persoen der heiliger drievoudicheit; eer dinen vader dinen prelaet ende biechter ende dijn moeder die heilighe kerke; eer dinen vader ende dijn moeder, die di natuerlic hebben ghewonnen. (5e geb.:) En slae niemant doot lichaemliken mit rade of mit dade geweldeliken; doet geen dootslach mitter tongen; du en selste niet dootslaen mitter herten. (6e geb.:) Du en selste mit dinen lichaem boven dijn echte wijf of huusbant4) gheen overspel doen; die reinicheit, die du geloeft hebste gode, en selstu niet breken; du en selste gheen onnatuerlicheit doen. (7e geb.:) Du en selste dijn overste gheen plecht of scout onthouden; du en selste dinen minren mensche niet hinderen of scaden; du en selste dijn ghelike in ghenen dinghen scaden. (8e geb.:) Du en selste gheen valsch oerconscap dragen teghen dinen evenmensche in enighen rechte; du en selste mit gheenen loghen teghen dinen evenkerstenmensche setten te woorden; du en selste gheen ghevensde ghelaet of werken tonen, die du niet en meenste. (9e geb.:) Du en selste niet archlic begheren dijns even menschen goet mit ghiericheden; gheen goet
| | | |
tot quaden saken toebrengen; niet mit vracheit teghens dijns even menschen noetdruft in sijnre noet voorhouden. (10e geb.:) Du en selste gheen onaerdighe lust ende begheerte draghen heimeliken in dijnre herten, dijn vuele begheerten [niet] in enighen wive sinliken versoeken; bi desen gedachten niet bliven ende gheen gheselscap daertoe soeken uut te spreken of iement te kennen te geven.’
Wij hebben reeds meermalen Bonaventura's ‘Sermones de decem Praeceptis’ genoemd en het is bekend, dat Henricus Herp, die in 1478 als gardiaen van het klooster te Mechelen overleed, een Speculum Aureum de Praeceptis Divinae Legis heeft nagelaten ‘sub forma sermonum’ (ten getale van niet minder dan 221!)1), doch ook in het Dietsch zijn ons sermoenen over de tien geboden bewaard gebleven en wij zijn in staat gesteld, hier een uittreksel mede te deelen uit een door Johannes Guilebert fraai gebonden, door den heer De Vooys in de Gentsche bibliotheek gevonden handschrift (G 11127), dat 31 sermoenen met exempelen over dit onderwerp bevat. De titel is:
‘Dit navolghende sijn sermoenen ende is wat verclaers vanden gheboden gods. Si waren ghedaen te Gent ten Predicaren int tiaer ons heeren duust. .CCCCLXIII. van eenen meester lesenciaat inder godheit; vanden gheboden int ghemeene, dat god begheert, datmen sine gheboden haude ende eenighe redenen diere ons toe dwinghen.
Daer es in een ewangelie, dat ons heere seide tot Senturio: Ic sal comen ende ic salne ghenesen - dat was den knecht van Senturio, die ziec lach. Bi desen knecht verstaen wij dat menschelike gheslachte, dat in groeter ziecten ende jechticheden ghevallen es. De verstannesse es te male seere verdonkert, verduustert, de begheerlike cracht daermet dat wij gode minnen sauden es met allen seere vercaut, de grammelicke cracht en werct so niet, also sou ghedaen saude hebben ende sculdich ware te doene.’
Aan de ‘tafele van desen boucke ende hout in .XXXI. sermoenen’ ontleenen wij:
‘Vanden gheboden int ghemeene. - Noch vanden gheboden int ghemeene. - Van den eersten ghebode vanden gheloeve. - Noch vanden 1en gebode ende dat vander hope. - Noch vanden 1en ghebode ende dat vander minnen gods. - Noch van den eersten ghebode gode te dienen metten lichame. - Noch van den eersten ghebode gode te dienen metten goede. - Noch vanden eersten ghebode, dat wij gheen afgoden aenebeden en sullen. - Noch up teerste ghebot dat wij gheen vremde goden
| | | |
aenbeden en sullen. - Dat tweeste ghebot, dat wij den name gods moghen zweeren, hoe wij zweeren moghen ende dat god zwaerlic puniert die qualic zweeren. - Noch van denselven... etc.’ - Het 30e sermoen: ‘Dat VIIIe ghebot van valsche ghetughe ende van achterclappe. De 31ste: ‘Dat IXste ghebot ende dat Xste ghebot, hoe wi moghen metter begheerten misdoen’1). Expl.: ‘Hier henden de sermoenen, dewelke ghepredict waren int iaer voren ghenoumt. Thuent datter in te begripene es; en legghet niet toe denghenen diet predicte, maer denghenen diese hoerde ende hoverstelde. Elc pine de gheboden gods neerstelic waar te nemene te wetene ende te houdene. Hout dat god gheboden heeft, want anders en moghen wi niet behouden sijn. Onse lieve heere willer ons sijn gracien toe verleenen! Amen.’
Een ongenoemd schrijver, vermoedelijk uit de tweede helft der 15e eeuw (althans andere exemplaren van zijn werk kwamen ons niet onder de oogen), wenschte een boek te maken vol stichtelijke verhalen, die zijn lezers tegelijk zouden kunnen boeien en van andere, wereldsche lectuur afhouden. Als schema voor zijn legenden- en exempelenverzameling koos hij een uiteenzetting der tien geboden2), door een ‘lieve vader’ tot zijn ‘lieve kint’ gericht. Zijn boek schijnt in den smaak te zijn gevallen; behalve hs. Deventer 58 vind ik een vijftal drukken in Noord-Nederland verschenen van 1478-14853). Hij noemde het der Sielen Troest, want troost zou het lezen en overdenken van zulk een bloemlezing, die hij met zorg had bijeengegaard ‘als een ioncfrou die suverlicsten bloemen tot horen crans’ eerder kunnen verschaffen dan het najagen van welk genot ook, dan het voldoen van eenigen hartstocht.
‘Veel lude hebben gheweest, die die werlt omme voeren over water ende over lant, dat si aventuer beiaghen woude[n] ende wonder bescouwen ende niemeren horen ende verloren al horen arbeit, want sij en vonden daer niet der sielen troest.
De wonderlike coninc Alexander die liet hem van die grijp voeren in die lucht, opdat hij wonder woude scouwen ende verloes al sijn arbeit, want hi niet en vant der sielen troest.
(Fol. 2v) Hierom wil ic dit boec te samen lesen ende maken uut menigherhande boeken, ghelikerwijs als die bien dat honich te samen lesen van menigherhande bloemen.
| | | | Dit boec sal heten der Sielen Troest; daerin wil ic di scriven vanden tien gheboden, daer selt van houden, ende dat mi daertoe dienen sal van istorien ende exempelen ende ghebeden ende die .VII. vruechden onser liever vrouwen.
Zijn bronnen noemt de schrijver op fol. 1:
‘Dit boeck wil ick oversetten uuten Latijn in Duutsche1) ende wil ick vergaderen uut menigherhande boeken, als uuter Bibel, uuten Passionael, uut Scolastica Historia, uut Ecclesiastica Historia, uuten Spiegel der Historien, uuten Decretael, uut menigherhande croniken, uut dat Vaderboeck ende uut dat Collaciboeck der Vadere, uuten Dialogo, uuter Verclaringhe der Godheit, uut dat boeke des Coninghen der werlt, uut die Somme Gaufridi, uut die Somme Heinrici, uut die Somme der Ghebreken ende der Duechden2) - ende uut allen desen boeken heb ic ghesocht, vergadert ende ghescreven, dat di ende alle menschen alre devotelicste is te lesen ende alre ghenuechlicste is te horen ende alre lichtelicste is te verstaen’.
De behandeling der geboden verzinkt ten eenenmale in het niet in den rijkdom van verhaaltjes en is dan ook maar voorwendsel. ‘Lieve Vader’, zoo begint het, ‘ic bid u.... dat ghi mi doch leren wilt welck sijn die 10 ghebode.’ - ‘Lieve kijnt, die wil ick dij gheern leren...... Dat eerste ghebot is dit...... Dat mag men menigherhantwijs verstaen. Daervan wil ick di wat goets segghen.’ De vader noemt dan telkens de punten, die bij ieder gebod in het oog gehouden moeten worden, b.v. ‘Een leer hoe datmen niet wijghelen sal’. ‘Het is een leer: mitten heiligen is quaet spotten’, geeft een heel korte uitlegging, maar kiest dan onmiddelijk een of ander verhaal. Der Sielen Troest gelijkt dus op de ‘Rahmenerzählungen’ zooals de latere Middeneeuwen er zooveel hebben gekend.
Om een denkbeeld te geven van het vele en veelsoortige, dat in ‘Der Sielen Troest’ is opgenomen, schrijf ik enkele titels af. Het geheele boek beslaat ruim 330 groot-quarto bladzijden.
‘Hoe Adam dat ghebot brack en van die kinderen van Israhel.
Die historie van Nabugodonosar den coninck ende van Daniels ghesellen.
Van Sapiencia mit horen dochteren.
Sinte Alexius legende3).
| | | |
Iosaphat ende Barlaäm1).
Van een ridder die sijn oghen verloes2).
Van Sunte Patricius veghevuer.
Van Sunte Cristoffels historij ende sijn martelie.
Over dansers.
Van een ridder, die te roven plach ende wert ghehanghen ende bleef behouden om tien pater noster.
Van den seven ghetiden (uitlegging).
Over het pater noster3).
Vier bedekijns van die bitteren tranen ons heren.
Verklaring van de mis. De zeven vreuchden van O.L.V.
Mariamirakelen.
Hoe dat Coninck Kaerl sijn soen onterfde, want hij onghehoersam was.
Van een iode die in een afgodentempel sliep enz.4).
Van een cappelaen, die sijn selfs heer dode, omdat hi selver na dat bisdom stont; ende doe hi bisscop was sterf hi haestelic.
Van den odevader, die hoer selves gade doot om ontrouwe.
Vanden groten Coninc Alexander, van sijn coemst, van sijn leven ende van sijn werken’5).
Sommige dezer stukken beslaan 10 pagina's en meer, andere zijn zeer kort6).
Aan het slot van ons misschien reeds te uitvoerig hoofdstuk over de tien geboden, kunnen wij niet nalaten gewag te maken van de Vijf Heidensche Geboden, die de Middeneeuwen naast de Joodsche wet vermelden. Dirc van Delf vertelt er een aardige historie van7):
‘Doe die heiden vernamen ende verstonden dat die Ioden hadden enen propheet, die mit haren god also heimeliken alleen sprac van aensicht tot aensicht, als die een vrient mitten anderen, ende dien hoer god had
| | | |
ghegheven tien gheboden, daer si na souden leven, doe quamen si mit ghemenen rade totten heidenschen meister Pitagoras ende seiden dese mare aldus: want niemant onder hem en waer also wijs noch also doechdelic, die best mit gode mocht wesen (want overmids sijnre groter gheloefder wijsheit so hiet hi preceptor, dat beduut die ghebieder), dat hi van horen gode woude begheren oec ewe ende gheboden daer si na souden leven. Dese meister wort verwonnen van hoerre bedinge ende vergaderde die heiden in enen sueten dale uut die steden die daer waren vol onreinicheden ende screef hem in gulden bladen vijf gheboden. Aldus veel onghelijcs hebben dese gheboden mit malcander: die eerste gaf god, die ander een mensche; die eerste worden ghegheven in enen berghe, die ander in enen dale; die eerste worden ghescreven in een herde stenen tafel, die ander in enen weken gulden blade; die eerste screef die vinger gods, dese ander een vinger des menscheu; die eerste ontfenc een heilich propheet, die mit gode sprac, dese ander een heidensche philosophe, die mit hem selven sprac; der ander sijn tien, deser mer vijf; die eerste bieden ende verbieden, dese ander alleen verbieden.’
Er volgt dan een uitvoerige bespreking der vijf heidensche geboden, die ieder weer in drie clausulen worden ingedeeld, enz. Ze zijn:
‘Vrucht enen god.
Wil dat dinen even mensche gheschie, dattu di selven gonste.
In allen saken nemet eerst oerdel aen di selven.
Ghi selt u hoeden van leliken vulen dinghen te spreken.
Du selste die waerheit in allen dinghen beliën.’
| |
De geloofsartikelen.
Afzonderlijke geschriften over het apostolisch symbolum schijnen onzen voorouders, naar Moll1) verzekert - en de juistheid dier verzekering wordt gestaafd door het weinige dat wij slechts vonden - in geringen getale ten dienste gestaan te hebben2). En dat behoeft ons niet te verwonderen, daar de zedeleer geheel en al op den voorgrond stond en van de geloofsleer alleen de sacramenten meer uitvoerig werden behandeld3). Men moest zijn credo kennen4), maar meer werd niet geëischt; hoe licht zouden uitvoerige uiteenzettingen aanleiding kunnen worden tot gevaarlijke afdwalingen! Er was een klein Latijnsch traktaat van Thomas Aquinas over dit onderwerp, dat volgens voorschrift van den Keulschen aartsbisschop
| | | |
Nicolaas van Cusa jaarlijks in de diocesaansynoden der Keulsche provincie, dus ook in de Utrechtsche, aan de vergaderde geestelijken moest worden voorgelezen1). Het is, volgens Moll, een versmelting van het Athanasiaansch en het apostolisch symbolum; een korte verklaring van ieder artikel wordt gevolgd door bewijsplaatsen uit de Heilige Schrift en als waarschuwing worden de afwijkende meeningen der ketters er bij opgesomd. Het geheel is volgens Moll zoo weinig belangrijk, dat men zich verwondert, werk van den grooten Thomas voor zich te hebben. Verder wordt door Moll gewezen op het korte traktaat van Ruusbroec, getiteld Van den Kerstenen Gheloeve, een uiteenzetting behelzende van het Athanasiaansch symbolum, maar bovendien dichterlijke visioenen van hemel en hel waarvan vooral het eerste sterk overeenkomt met die welke frère Laurent een menschenleeftijd vroeger (Ruusbroec werd geboren in den tijd dat Laurent schreef) in zijn compilatie opnam2).
Aan Moll waren geen andere traktaten over het credo bekend die hier in omloop zouden zijn geweest. Van de Dietsche zal dat van Ruusbroec wel het oudste zijn, misschien met uitzondering van het volgende zéér korte stuk, dat zich haast niet boven een gewone formule verheft en ternauwernood een traktaat kan worden genoemd; ik vond het in het immers reeds van 1374 dateerende hs. AA 69 der Kon. Bibl. (Dietsche Doctrinale)3):
‘Dit sijn die .XII. articulen des heilichs kerstens gheloefs:
Ic ghelove in gode den almechteghen vader, sceppere des hemels ende der erden, ende in Ihesum Christum sinen eneghen sone onsen here, die ontfaen es vanden heileghen gheest, gheboren uter maghet Marien, ghepassijt onder Pontio Pilato, ghecruist, doot ende begraven. Hi voer neder ter hellen, des derden daghes stont hi op vander doet, hi voer op te hemele ende sit ter rechterhant gods des almechtichs vaders. Daerna es hi toe te comene te ordelene levende ende dode. Ic ghelove inden heileghen gheest, in die ghemeine heileghe kerke, ghemeininghe der heileghe, verlatenisse der sonden, op verstannisse des vleeschs ende ewech leven, amen. - Dese .XII. articulen sijn alle menschen sculdech te gheloven vast sonder alle twivel ende al dat die heileghe kerke gheloeft ende houdt moeten wi gheloven ende houden, dat ons onse eighenne sinne noch onse natuerlike redene twivelachtech dunkende noch wanende maken en moghe, ende dat ons oec creatuer, hoe heilech oec dat hi sceene, ocht wat wonders ocht miraculen dede, anderheit noch nuheit van ghelove ingheprenten en moghe. Ende hieromme en sal hem niemant anedeilen
| | | |
in eneghen poente contrarie der heilegher kerken ocht kersten ghelove, dat es met valschen twivel ende wane, die hopen ende die troest setten in truffen, in boeten ende in dromen, in waersagheren, in toverien, in den duvel te ghemanene ende alle die meer eren ende ontsien ocht minnen eneghen creature dan gode ende dien ghetruwen ocht hopen in eneghen creature dan in gode. Dit sijn alle verdorven liede, die niet en leven in enicheit der heilegher kerken.’
De toegevoegde woorden, waarin het houden van de belijdenis op het hart wordt gedrukt, komen overeen met hetgeen Ruusbroec in zijn traktaat in dien geest zegt; een dergelijk gebod of waarschuwing schijnt steeds aan de geloofsartikelen te zijn toegevoegd; tusschen dien epiloog en hetgeen de meeste commentatoren der tien geboden op het eerste gebod geschreven hebben, bestaat geen wezenlijk onderscheid1).
Het onderzoek van het credo zelf in zijn verschillende redaktiën zooals ze onzen Dietschen voorvaders zijn voorgezet, moet ik aan theologen overlaten; voor mijn doel meen ik genoeg gedaan te hebben, als ik nog de aandacht er op heb gevestigd, dat ook in andere 15de-eeuwsche Dietsche boeken evenals in de Coninx Summe een bescheiden verhandeling over de twaalf artikelen in het verband was opgenomen. Zoo verhaalt Cap. XVII van het Somerstuck van Dirc van Delf's Tafele ‘van den gemenen raet der apostolen die si hadden opdat si die articulen der kersten gelove souden dichten’ en is Cap. III van het Driegedeelde Wercsken van Gerson aan het Credo gewijd (dat er niet in artikelen wordt ingedeeld) en begint met de formule, die ook in de Coninx Summe wordt gelezen: ‘Dit is die ghemeen inhout des rechten kersten ghelooves welc een ieghelick kersten mensch die sijn reden ghebruict sculdich is te gheloven’, maar met de belangwekkende bijvoeging:
‘sonder enighe curioesheit, puerlick ende simpelick sonder enighe valscheit ende sekerlick achterghelaten alle twijfelachticheit, niet willende meer smaken dan hem van node ghehouden is te smaken; mer alser zware twifelen comen dan sellen die simpelen menschen hem selven buighen onder den onbevlecten ghelove ons moeders des heilighe kercks ende der wiser prelaten ende leeraers ende der santen ende santinnen die in een ghetuich haers vasten gheloefs totter doot sterkelic ghestreden hebben.
Tseghens dit ombesmetten ghelove sondeghen swaerliken ketteren, twedrachteghe, afgodeghen menschen, tooveraers, boetaers2), zwarte-
| | | |
constenaers ende anderen die met verboden consten omgaen oft die den duvel aenroepen en ghemeenlic die die articulen ons heiligen kersten gheloofs al oft een deel bespotten, heimelick oft openbaer; ende oec alsulken menschen, die niet en gheloven dat god alle dinc rechtvaerdelick regeert met sinen alder vrijsten wille, mer meer segghen dat alle dinghen comen vander natueren of bi eenighe aventuer oft gheval. Ende noch oec soe sondighen die menschen, die segghen, dat die quade menschen als die goede menschen sellen eindelick salich worden. Ende ten laetste die segghen dat onse wercken noch en verdienen noch en misdienen, ende dat gods voersienicheit die nemt1) vriheit van onse wercken’2).
Een merkwaardig hoofdstuk over het Credo schrijft alweer Dirc van Delf. Voor hem is het geheele symbolum een schoon te samen klinkend klokkenspel, waarin ieder der apostelen een klok had gesteld:
Hs. V 56 fol. LXXIVv:
... ‘Doe quamen si te samen ende riepen enen sinodum3) dat beduut een vergaderinghe des rades, als die Romeinen plaghen te doen, mit eenre ghemeenre meninghe om den ghemenen oerbaer te samen te comen, in welken raet si wouden een simbolum maken vanden kersten ghelove. Recht als een horologi4) dat in sinen schellen wel ghestelt is ende een ghelike sanck uutclincket, recht also hebben si dat kersten ghelove een ghelike5) symbolum ghemaect, daer die schelle ende clocken der6) twalef articulen, welc van een ighelic apostol wert anghestelt, so wel concordieren dat die propheet David seide: Lovet gode in welludende cimbalen der jubilatien.
Die lerar sinte Thomas van Aquinen seit, dat die twalef articulen van den kersten ghelove wel een ghelike eendrachtelike cimbale moghen hieten, want al hair clocken concordieren in drierhande manieren....
... Derdewerf want god sijn wonder wercke woude toghen anden mensche in die tijt der ghenaden, dat hi persoenliken mit hem woude verenighen ende op dat wi die concordancie an hem tusschen der godheit ende der menscheit mochten verstaen, daerom hebben die apostolen een symbolum concordiert ende ses articulen vander godheit ende ses vander menscheit te samen ghestelt, die wel eens luden op een waer ghelove dat die kersten beliën.’
| | | |
Iedere ‘schelle an dit minnen horologi1) Cimbale vanden Karsten ghelove’ wordt nu uitvoerig besproken, van ieder artikel worden twee ‘getuigen’ uit de profeten aangehaald en tusschen den tekst worden talrijke glosen gevoegd.
Ruusbroec, in het Boek van den geesteliken Tabernacule (Cap. XL-LIV), ziet in de twaalf edelsteenen die ‘des bisscops Rationale ocht Redeleke’ versieren en waarin de namen zijn gegrift van de twaalf zonen van Jacob - de twaalf apostelen voorbeduidende - een symbool van de ‘artikelen ons gheloefs’. Na aan iederen steen en ieder artikel een afzonderlijke bespreking te hebben gewijd, verdeelt hij ze ten slotte in vieren:
‘Dese twelef steene, metten twelef namen der kindere van Israel, stonden in dat Redeleke, vore die borst des oversten priesters in IIII ordenen, dat es in IIII regghelen: in elke regghele III stene, met drien namen. Ende daer stont mede inne Ordeel, Leringhe ende Waerheit. Alsoe ghelikerwijs selen staen die twelef artikelen, met den levene der XII apostelen, in die verlichte redene elcs prelaets ende elcs verlichs menschen, in IIII ordenen: in elke ordene III artikelen. Soe mach hi gheven recht oordeel ende leren de waerheit. Die ierste ordene leert ons in den gheloeve enen God in drien personen, den almechteghen Vader ende sinen eneghen Sone, ende dien selven ontfaen van den heileghen Gheest, gheboren in onsen vleesche van der maecht Marien. Die andere ordene leert ons dat die selve Sone ghepassijt es onder Ponciusse Pilatuse, ghecruset, doet ende begraven, nederghevaren ter hellen, des derdes daghes opverstaen van der doet, opghevaren ten hemelen ende sit ter rechter hant sijns almechtechs Vaders. Die derde ordene leert ons dat hi hier na comen sal ordelen levende ende doede ende dat wi vaste selen gheloven in den heileghen Gheest ende dat die eneghe heileghe Kerke es ghemeine. Die vierde ordene leert ons dat wi gheloeven selen ghemeininghe der heileghen, verlatenesse der sonden, opverstannesse onser lichamen, ewech leven. Dit gheloeve, met den werken die ghi ghehoert hebt, sal cieren ende verlichten onse redene ende sal ons leiden boven redene in die bloete waerheit. Daer sal ons ghenoeghen’2).
| |
Hoofdzonden.
Onder de verschillende wijzen, waarop onze voorouders gewoon waren de zonden onder rubrieken te brengen, behoort ook die om ze te bespreken naar aanleiding der vijf zinnen3), waarover in vele handschriften van geestelijken inhoud o.a. in som- | | | | mige van het vroeger besproken Fundament korte traktaten worden aangetroffen. In Con. S. 251 wordt dit hoofdstuk der catechese slechts even aangestipt1). Dirc van Delf spreekt in Cap. XXVIII van het Winterstuk van ‘Vierderhande’ manieren van sonden daer wi ute moeten biechten den prochianen... als sonde des herten, sonde des mondes, sonde der werken ende sonde der versumenessen.’ De verdeeling echter in zeven hoofdzonden - bij de behandeling van den Franschen tekst reeds besproken - was ook bij onze voorouders de meest gewone met dat voorbehoud, dat ook de traktaten over de tien geboden in den grond niet anders zijn dan dergelijke pogingen om de verschillende zonden in een systeem te brengen. Beide soorten van traktaten werden geschreven met hetzelfde doel: als handleiding voor de biecht; die over de hoofdzonden staan in zooverre hooger, als zij met meer of minder volkomenheid alle zonden uit één beginsel - ‘uit éénre quader wortele’ - trachten af te leiden, terwijl die over de tien geboden het niet verder brengen dan opsomming en indeeling in tien rubrieken. Bovendien vinden we bij de behandeling der hoofdzonden allerlei allegorische voorstellingen, die in de uiteenzetting der tien geboden gemist worden.
Niet alle verhandelingen, hier bedoeld, vertoonen die eigenaardigheden; er is ontwikkeling merkbaar. Het minst merkwaardig in dat opzicht, maar belangrijk als het oudste document van dien aard in het Dietsch, is het hier volgende traktaat dat ontleend is aan het boven besproken hs. AA 69:
‘Dit sijn die seven hoeftsonden, die contrarie sijn der gracien gods ende allen doeghden.
Dat ierste dat es hoverdecheit. Alle die menschen sijn hoverdech, die hoecheit ende vordeel soeken boven anderen menschen in gheesteliken staet ocht in werliken state, ende andere menschen bedrucken. Die hoverdeghe wilt altoes die hoechste ende die meeste sijn inder eren; andere menschen leven acht hi clene, maer sijns selfs leven acht hi groet. Altoes wilt hi die wijste sijn ende alle menschen wilt hi leren ende van nieman en wilt hi gheleert zijn noch berispt.
Die ander hoeftsonde dat es ghierecheit. Den ghiereghen vrecken dunket al cleine, dat hi vercrighen mach. Sente Crisostomus spreect: Een toeligghen der rijcheit ontstect meerre vlammen ende die ghierecheit wert noch meerre, want wie sijn goet met vrecheiden besit, hi en ans gode niet, dat hijt gave in siere eren; hi en ans oec sinen evenkersten niet, dat hi hem bistonde in sijnre noet; ende hi en ans oec hem selven niet, dat hi er sijn euweghe salegheit mede verdiende. Sente Paulus seeght, dat vrecheit, minne tot den erdschen goede, es een dienst der afgode ende der duvele.
| | | |
Die derde hoeftsonde dat es nidecheit. Dat es een helsche sonde, si doet den mensche den duvel slachten, want hi benijt al, dat ons goet es, ende hi verblijt van dien, dat ons quaet es. Ende alsoe doet die scalke nideghe mensche ende dat goet es, ordelt hi noch quader dant es, want hi es vol venijns, want hi en ghetrout noch hi en ghean selden iemants goets. Uter nidecheit comt verradenisse, achtersprake ende meneghe sware sonde.
Die vierde hoeftsonde dat es toren. Die torneghe mensche es onverduldech van binnen ende onverdrachlec ende bitter ende wreet van sinne ende hieromme lust hem alle dinc te wrekene ende niet te verdraghene.
Die vijfte hoeftsonde dat es gulsecheit, dat sijn die gulseghe ende die leckere, die gods nu vergheten ende allen haren troest ende haren wille setten inden lost hare kelen. Ende aldusdaneghe liede beweende Sente Pauwels ende spreect: Dat sijn die viande des crucen Cristi, haer inde sal sijn een bedervenisse, want haer buic es haer god; ende hi spreect voert: Die niet en smaken dan erdsche dinghen, haer vroude ende haer glorie sal verwandelt werden in scanden ende in confusen.
Die seste hoeftsonde dat es traecheit. Sente Bernaert spreect: vermalendijt es hi, die den dienst gods roekeloes doet. Die treghe mensche es roekeloes ende onbereet ten dienste gods ende tot allen goeden werken ende al ghebreect hem die doecht ende sinen evenkersten hem en roekes twint, maer hi es haestich ende snel den duvel ende sinen vleesch te dienen.
Die sevende hoeftsonde dat es oncuischeit, die altoes doetsonde es buten witteghen huwelike.’
We hebben hier niet meer dan een eenvoudige definitie van ieder der zeven doodzonden1), slechts met een enkel citaat uit Paulus of een der kerkvaders aangevuld; dat alleen reeds zou doen vermoeden, dat we hier met een stuk van vrij ouden oorsprong te doen hebben, wat we dan ook bevestigd vinden door het jaartal van het handschrift, 1374. Wat men echter een eeuw te voren reeds in Frankrijk uit het onuitputtelijke onderwerp had weten te halen, hebben wij gezien uit het derde boek der Coninx Summe. Werden de ondeugden daar voorgesteld als de zeven takken van één boom of de zeven hoofden van het monster der Apocalyps, kunstiger is de allegorie bij Dirc van Delf, die, uit ‘hoverdie’ - de zonde, die Lucifer ten val bracht en dus het beginsel van alle kwaad, zooals ook in de Somme en elders op den voorgrond wordt geplaatst - alle andere een voor een afleidende, het systeem tot volkomenheid trachtte te brengen. Overigens komen in de Tafel van der Kerstenre Geloven nog
| | | | verscheidene andere voorstellingswijzen voor. In het bekende kapittel b.v. dat de Gouden Roos des Christendoms beschrijft, zijn het de ‘wrede beesten, die den hof des herten omwroeten ende die rosen scoeren of onder die voete treden, als sijn dese: die hont der nidicheit, die wolf des toerns, die esel der traecheit, die eghel der ghiericheit, die beer der gulsicheit, die swijn der oncuuscheit’1). Waar over de zeven wereldtijdperken wordt gesproken2), heet het, dat ‘in een ighelike ouder regnierde een sonderlinghe dootsonde, daer si gode onwaerdich mede wort ende mishaechlic’. Zoo heet de tijd van Adam tot Noach die der ‘onsuverheit’, want ‘als die kinderen Abels saghen die dochteren Caïns, dat si suverlic waren, so namen sise te wive ende wonnen daeraen ruesen, datmen hiet Giganten’; van Noach tot Abraham heerschte ‘superbia’, ‘want Noëis kinder Sem, Cam en Japhet waren so hovaerdich, doe si di ganse werelt alleen besaten, dat si te rade worden enen groten toern te timmeren, die inden hemel raken souden, dat si mochten te gode comen ende sinen hemel stormen, opdat hise niet meer mit reghen en mochte verderven’; van Abraham tot Mozes was het nijd, zooals blijkt uit het gedrag van Jozefs broeders; van Mozes tot David gulzigheid, daarna hebzucht (Davids volkstelling) en toorn. ‘Die sevende outheit began van Christus ende sal dueren tot doemsdage toe’, de tijd van ‘Accidia’ ‘want wi in deser tijt der ghenaden versumen te leven onse ewighe salicheit3), want onse heer Cristus mit sijnre ghenadenriker coemst ghedoet hevet die sonden ende dat leven der doechden ons wederghegeven, als der eerster ouderdom hoer sonde onsuverheit, overmits dat
hi van
eene maghet geboren wort, die vanden heilighen gheest ontfanghen was..’ enz.
Weer een andere allegorie geeft Cap. XXXXIII van het Zomerstuk, dat over den strijd handelt tusschen deugd en ondeugd. Er waren, zegt Dirc van Delf daar, in den tijd van het Oude Testament ‘twee riken die alle tijt oorlochden’: ‘dat rijc van Israhel hilde ewe4) ende aenbeden enen waerrighen god’ en ‘dat rijc van Philistim was heidenvolc ende leefden na haer ghenoechten ende aenbeden afgoden diese in wanlove verleiden’.
‘Dese twie riken waren vaste bi malcanderen gheleghen, dair bi beteikent sijn twie riken inden leven des menschen, alst rijck der duechden ende dat rijck der sonden. In den rijc van Israhel .... was maerscalck David .... daermen Cristum sal bi verstaen.... Dese vorste sent uut in dat rijc des levens inden lande der hemelen anden heer der salicheit ende hevet vergadert seven hemelsche ridderen der duechden, als sijn die
| | | | seven gaven des heilighen gheests, dair ic in dat ander boeck een capittel hebbe of ghescreven. Die maerscalck van Philistum was Golias die ruese, starc ghewapent, hoghe sprekende, ende beteikent den bosen geest, die een wedersaec is onser sielen, die recht als een grimme[n]de beest ons omgaet, soekende wien hi verslinden mach. Dese vorst sendt uut inden rijck der werelt, dat bestaet van vleisch ende bloet, dat lantscap des stervens, daer die doot overmits misdaet in regniert, ende heeft vergadert seven helsche ridderen der verdoemenisse, als die seven dootlike sonden, daer ic in dat ander boeck een capittel of ghescreven hebbe. Die seven dootlike sonden sijn als rechte helsche mordenaers, die den mensche an al sijn leden belegghen ende mit swairre becoringhen die sinnen stormen ende die consciencie beclimmen, persen ende pinighen, schenden ende vanghen, verwerpen ende doden... Die helsche ridder Hovaerdicheit die spreect anden inwendighen menschen gront aldus: “Superbus sis”, “wes hoechmoedich”. Die duecht die Oetmoedicheit antwoort: “Neen, want daer staet ghescreven: den hoechmoedighen wederstaet god ende den oetmoedighen gheeft hi ghenade” ...’
Zoo treden de verschillende ondeugden met hun ‘sarganten’ of ‘wapenturen’ om beurten op, maar worden door de deugden te woord gestaan, het geheele hoofdstuk door, dat wel aan het Latijn schijnt ontleend te zijn.
De systematische behandeling der zonden, waarop wij boven zinspeelden, begint met Cap. XXV van het Winterstuk met de uiteenzetting ‘dat die sonde hevet drie clufteren of gheslachten’, te weten: erfzonde (want ‘al ist dat des menschen siel uten bloede niet ghewonnen en is, mer sceppende inghestort, nochtant so coemt in onser sielen die erfsonde van Adams siel overmids den vleische dat mit sondigher lust ghesaeit wort’), ‘werkelike sonde’ en ‘genadelike sonde’, welke laatste ons, in aanmerking genomen de menschelijke zwakheid, vergeven kan worden, maar niet dan op voorspraak van Maria. Bijzonder merkwaardig is de volgende passage, die de logische verklaring wil geven van de vaste volgorde waarin de doodzonden voorkomen:
‘Hoe dat die een sonde recht als een twijch uten anderen wasset, toent ons rede, die wi eerst aen die wortel willen soeken. Die wortel alre sonden ende oec die eerste ende die meeste is hovaerdicheit. Ende so als die wil boven allen wesen1), so ist haer leet, dat haer iemant is gelijc; ende dan wort uut hare ghewonnen een ander wortel, hiet hat ende nijt. Die nidighe mensche is rassche beroert opten ghenen, die hi haet, ende dan wort uut hem gewonnen een ander wortel, hiet toern. Die toernighe mensche, als hi hem niet wreken en can, so wort hi
| | | |
droevich van moede ende dan coemt een ander wortel ende hiet traecheit. Die traghe mensche om sijnre bedructheit wil, soect troest of solaes ende so coemt van hem een wortel, hiet ghiericheit. Die ghierighe mensche, want hi sijnre dinghen onmachtich is, so wort hi gulsich ende overatich. Die gulsighe mensche om volnis sijns bukes scumet rassche in quader lust, ende dan comet uut hem een wortel, hiet onsuverheit. Ende aldus ist te verstaen, dat St. Augustijn seit, dat die een sonde hanghet in die ander.’
De rest van Cap. XXV is een droge opsomming met korte omschrijving van alle vormen, waaronder de doodzonden voorkomen. ‘De eerste hoeftsonde is Superbia, die is een helsche coninghinne alre verdoemeliker sonden ...’ De onderdeelen worden bij ‘telgeren’ en bij ‘dochteren’ vergeleken. Met dit hoofdstuk is echter niet alles gezegd, want ‘dat XXVI capittel is van den .VII. duvelen, die capitein sijn der .VII. dootsonden .. ende hebben die menschen op .VII. steden, als op .VII. borghen, inden lande sijns lichaems beseten1), ende quellen of becoren totten .VII. dootliken sonden’. Hier volgt een uittreksel uit dit hoofdstuk:
‘Die eerste duvel hiet Belsebub2), dat hiet een man van vlieghen, want hi woende in eenre salen, daermen die dieren plach voer te slaen, ende so quamen die vlieghen op dat bloet. Dit is die duvel der hoverdie... dese heeft sijn borch gheset inden hoefde van den mensche... Die ander duvel hiet Asmodeus, dat beduut een versmoere, want...’ (hier volgt de bekende geschiedenis die we ook Con. S. 111 lezen) ‘...dit is di duvel der onsuverheit, die woent noch in slaepcameren ende wandert bi nacht als een catule. Dese hevet sijn borch gheset in den oghen. Die derde duvel hiet Behemoth, dat beduut een beest die hem mitten menschen versellet... die glose seit, dat dit een duvel is, die den mensche doet lecker wesen van spisen ende gulsicheit... Dit is die duvel der gulsicheit... dese heeft sijn borch gheset inden monde of aenden halse. Die vierde duvel hiet Mammona, dat beduut heer der rijcdom. Van desen seit die glose der evangelien, dat hi een scaffenaer van allen onrechten goeden is, ende dat is in sijnre waert, oec si begraven, ghehudet of verloren3). Dit is die duvel der giericheit, die ionghe ende out hevet tot sinen dienst verbonden, want al ghemeen setten si4) nader ghiericheit.... Dese heeft sijn burch gheset inden handen. Die vijfte duvel hiet Apollion, een verdrietlic moeier of een pijnlic oefenaer of een
| | | |
verkeert arbeider (Apoc. IX). Dit is die duvel des toerns. Dese duvel heeft sijn borch gheset in die galle des menschen. Die seste duvel hiet Dathan, dat beduut een wedersake, die van nide ons avegonstich is, omdat wi sijn rijc sellen besitten. Dit is di duvel des nides ende des haets. Dese hevet sijn borch gheset in des menschen herte. Die sevende duvel hiet Leviatan, dat beduut een toelegger1), last tot last ende quaet tot quaet. Dese heeft sijn borch geset in des menschen voeten, dat hi so traech is, den wech gods te wanderen ende onachtsaem sijn geboden te vervolgen.’
Onder de geschreven boeken, waarin traktaten over de tien geboden voorkomen, hebben we ook aangetroffen X 1142) der Koninklijke Bibliotheek. Dit handschrift in - 12o, zeer netjes op perkament geschreven met roode en blauwe initialen, en volgens het schrift van omstreeks 1480 dateerende, bevat op zijn 41 folio's, behalve de berijming (fol. 1) en het traktaat van de tien geboden (fol. 2-16) een traktaat over de zeven doodzonden (fol. 16-25), en vervolgens: ‘Dit is vanden seven sacramenten der heiliger kerken’ (fol. 25-28), ‘Van biechten’ (fol. 28-30); ‘Van die achte salicheden’ (alleen den tekst) (fol. 30); ‘Van sterven’. Petrus Damiani seit in eenre epistolen die hi screef totter graefinnen: Het is over te peinsen hoe bitterlic ... (fol. 30-32); een exempel (‘Cesarius seit in een boke vander vrese goods dat een ridder was die niet geloven en woude datter een helle was...’; na zijn dood ziet hem zijn zoon, die sinds jaren voor hem bad, doch die door hem gesmeekt wordt niet meer te bidden daar het toch niet baatte wegens zijn ongeloof; fol. 32-35) en eindelijk ‘Een guede dagelixe oefeninghe in die weke’ (fol. 35-44).
Het traktaat over de zeven doodzonden begint aldus:
‘Naden tien geboden so volgen die seven hoeftsonden, die daerom hoeftsonden hieten, omdat als dat hoeft is dat principael van allen leden, also sijn dese seven principael van allen anderen sonden ende gelike als uut den hoefde wort alle volmaectheit gedient3) ende alle sinnen inden hoefde vergaderen, also sijn alle sonden uut desen sprutende ende alle sijn si vergadert in desen seven als in hovaerdichede, nide, gramscap, traecheit, ghiericheit, gulsichede ende oncuischede. Bi wilen openbaren hem dese seven hoeftsonden quaet, als si sijn, ende bi wilen worden si geveinst mit eenrehande schiin van doechden, als hovaerdicheit seit: ic wil groot ende verheven wesen, so mach ic helpen dengenen, die nu niement en helpt, ende wederstaen dat gewelt ende onrecht, dat nu gesciet...’
| | | |
In treffende taal wordt den zondaar het voorbeeld van Jezus voor oogen gesteld:
‘...want Cristus neech dairom sijn hoeft ter airden, hangende anden cruce, omdattu niet hoverdich worden en soutste. Dat hi badt voir sijn vianden, meent dattu geen toorn dragen en sulste. Die wonden sijnre siden ontfinc hi van minnen iegens die nidicheit. Sijn cruce droech hi selve mitten doirslegen wonden ende lichaem tegens die trage in goodsdienste. Sinen geest gaff hi sinen vader, sinen lichaem den ioden, sijnre moeder den discipel, sine cleder dengenen, dien cruuste[n], iegens die ghierige vracke, die luttel geven. In sinen vleische was hi gegeselt iegens die oncuischeit des vleischs. Hi dranck galle iegens die gulsicheit. Hierom, wantstu van Cristus hietste een kersten mensche, so selstu mitten leven als mitten name Cristum navolgen ende dese seven hoeftsonden scuwen, dair die eerste of is hoverdicheit.’
De behandeling der hoofdzonden bestaat in een opsomming van allerlei gevallen, soms afgewisseld door op Jezus' voorbeeld te wijzen, zooals in den proloog, of een enkelen keer met een kort citaat, b.v. fol. 20v: ‘Men leest inden Vaderboeck, dat een ionck geestelic mensche seide: Vader ic ben gestorven der werelt. Doe antwoerde die oude vader: Lieve kint, albistu doot, die viant en is niet doot’. In ‘hoevaerdicheit’ wordt een uitwendige en een inwendige onderscheiden; verboden omgang met in den ban gedanen wordt tot deze zonde gerekend en er worden voorschriften voor den omgang met zulke lieden gegeven. ‘Nijt’, zoo wordt op fol. 20v gezegd ‘is een swair sonde, want si is sonder middel contrari der caritaten’; zooals men zich herinnert, wordt dit punt uitgewerkt in de Coninx Summe, waar de zonde tegen den Heiligen Geest onder het hoofd Nijt worden besproken. Ook de behandeling van Gramscap ‘iegen hem selven’ ‘ieghens enen anderen’ en ‘iegen gode ende sinen heiligen’ doet aan de Coninx Summe denken. Bij Traecheit wordt het verzuimen van godsdienstplichten gelaakt en er wordt een opsomming van de zeven gaven des H. Geests aan vastgeknoopt, zooals de zeven werken der barmhartigheid het kapittel ‘Vracheit’ sluiten. Van deze hoofdzonde heet het: ‘Dese sonde staet in tween, als een guet qualic te vercrigen off een guet, dat well off qualic vercregen is, qualic te houden. Vanden eersten is gesproken inden sesten gebode; vanden anderen spreect sinte Gregorius...’ Dit traktaat is dus geschreven in aansluiting aan het voorafgaande over de tien geboden. Bij ‘Gulsigheit’ wordt over de vasten gesproken. Gregorius1) wordt herhaaldelijk geciteerd; fol. 24v Ovidius, enz.
Minder belangwekkende stukken over het onderwerp geven de
| | | | handschriften der Kon. Bibl. V 52 (Middelnederduitsch1) waaruit wij boven2) reeds een kapittel ‘van XXIIII sunden der tunghen’ aanhaalden, en AA 233, waar op fol. 142r begint ‘Dit sijn die soeven dootsonden met horen dochteren’. Wij laten deze stukken voor wat zij zijn3), maar vestigen de aandacht op het VIIde hoofdstuk van het Cancellierboeck ‘wie dat men biechten sal vanden .VII. hoeftsunden’.
Men spreekt van ‘dootsunden’ zegt het Cancellierboeck ‘want die er einich over hem kent, hij is doet voer gode, tot den dat hijse mit berouwenisse ende mit wille voertaen te hueden biecht’ en men noemt ze ‘hoeftsunden, omdat alle die sunden, diemen begaen mach of bestaan, uut desen sunden spruten’. Iedereen is verplicht ‘te wroeghen sijn consciencie of hij daermede besmet is’. De namen der zonden, die zeer systematisch worden behandeld, staan er in het Latijn, telkens vergezeld van de Dietsche vertaling; wij geven ze hier weer volgens het Haagsche met de varianten van het Brusselsche handschrift II 20474):
I. Superbia - hoverdie5).. dese sunde heeft voel dochteren: 1. vana gloria - ijdel glorie; 2. tumor, dats een verheffen of een overmoedicheit; 3. arrogancia; 4. insolentia - sunderlingheit in hoverdien of in anderen manieren... in einre versmaetheit ghemeinre dinghen; 5. contencio, dats als een strijt teghen recht ende waerheit, omdat hi hem verscheemt6) dat hij hem van sijnen crijghe solde ontbliven7); 6. contumacia; 7. inobediencia; 8. presumpcio, dats vermetenheit8), dats als een hem meere dinc aenneemt of vermit te doen, dan hem toebehoert of dan hij wael kan ghedoen; 9. contemptio, versmadenisse; 10. irreverentia.
II. Invidia, dats nidicheit; 1. detractio, afradicheit; 2. susurrio, dats runinghe als ein kent9), dat sij twe wael te gader sijn ende pijnt daertusschen twist ende kijf te maken mit runinghen ende mit heimeliken woerden; 3. ingratitudo, ondancsamheit10); 4. invencio mali, dats een versierde quaetheit; 4. compressio boni.
| | | |
III. Ira, dat is ernst of einige toernicheit van sinne, dat een begeert wrake van den dat hem misdaen is1) ende dese heeft .VIII. dochteren: 1. odium, dats haet2) dat is dat (lees: dat is een) een veralt ernst3) die inden mensche wast; 2. discordia, twist4) ende kijf, als ein oneffen woerde heeft ende gheen eendrechticheit in werken of in wille; 3. iniuria, onrecht5); 4. contumelia, scheldinghe, als een den anderen oploept mit quaden woerden ende verspricten schendelic sonder reden; 5. inpaciencia, onverduldicheit6); 6. protervitas, wreetheit, als een sijnen onwille siet of hoert ende daertoe mit wreetheit ende niet vriendelic toe en antwoert; 7. malicia, quaetheit; 8. homicidium, manslacht,
IV. Accidia, dats traecheit; 1. pigrecia, verdrietlicheit, dat is als een mensche doechden beghint ende in verdriet haest afstaet; 2. legnicies, onlusticheit7) of onduchticheit, dat is als een vermaent wort van binnen totter doecht ende hij van onduchticheit of van onlost achterleet die doecht te beghinnen; 3. pusillanimitas, bloedicheit8); 4. negligencia, ruekeloesheit of verghetelheit; 5. tepiditas, lauheit; 6. ignavia, dats alsdat die mensche in dien dinghen die hi duet gheen onderscheit en heeft, noch en voersiet niet dat einde datter nae komen mach, ende dit coemt van onbescheidenheit, die dochter is der traecheit, ende bescheidenheit9) is moeder van allen duechden.
V. Avaricia, giericheit; 1. ambicio, een ernstig begherte ende een nauwe dencken10), wie men voerdel nader werelt ende werlic eer mach vercrighen; 2. simonia; 3. usuria, woecker11), als een den ander ghelt leent niet om minne ende caritaet, mer om meer te hebbe; 4. furtum, diefte of roef; 5. periurium, meineidicheit; 6. mendacium; 7. inquictacio, moeitsel12), als een den anderen moiet of daecht of beclaecht tonrecht tsijn af te breken; 8. iniuria, onrecht13), als een onrecht vonnenisse wiest wetende; 9. dolus, loesheit.
VI. Gastrimergia of Gula, gulsicheit of overtullicheit in eten of in drincken boven der naturen noetroft; 1. crapula, dats gulsicheit in
| | | |
overvloedighen1) eten; 2. ebrietas, dronkenscap; 3. prodigalitas, dats een onghemanierde mildicheit; 4. inabstinencia, dat is dat een haestich ende ghierich is totten eten ende ghesatte maeltijt2) ende ghewoenlic niet en wil verbeiden; 5. inmoderancia, dats onghematicheit als een boven ghemeine spijse enigherhande leckernie begheert uut alte groter ghenuechten; 6. inverecondia, onschemelheit; 7. inmodestia, onghemanierlicheit in overtullighe cleideren.
VII. Luxuria, oncuisheit; dese sunde heeft .VII. ghedaenten3); 1. simplex fornicacio, simpel keesdom of bastardien4); 2. adulterium, overspeel; 3. stuprum, dat is dat men buten huwelic een maghet bevlect5) ende ontset van hoerre maechdeliker reinicheit; 4. raptus6), datmen vercracht hoers ondancs een ionfrouwe of een weduwe ontschaect; 5. sacrilegium; 6. incestus, dat is mit persoen te misdoen, die sich bestaen in maghescap of in swagherscap of in ghevaerscap; 7. contra nature, dat is teghen natuer... ende dese sundighe oncuischeit heeft .VIII. dochteren7): 1. cecitas mentis, blintheit des herten; 2. inconsideracio, dats onmercklicheit des doets ende der hellen ende des menschen salicheit; 3. inconstancia, onghestadicheit; 4. precipitacio, dats een nederwerpinghe; 5. stultus amor sui, dat is ein sot minne sijns selfs; 6. odium dei, haet gods (als men wenschte dat God onze ondeugden niet kende, dus dat Gods ‘moeghentheit ende sijn wijsheit worde verminret daerom’); 7. affectus huius seculi; 8. horror vel desperacio futuri seculi, vreise of wanhope der toecomender tijt.’
In het Fundament der Kerstenre Gheloven worden de hoofdzonden besproken als ‘derde punt daer die kerstene ghelove op ghesticht ende ghefondiert is’. De hoofdzonden worden er in verband gebracht met de gebeden van het Pater Noster, met de gaven des heiligen Geests, evenals in het 5de en 6de traktaat van de Coninx Summe. De vijf eerste worden vrij kort behandeld; des te meer wordt uitgeweid over ‘giericheit’, woeker, den ‘woekeraer’, ‘roeft’ ‘scattinghe’ (‘Giericheit brenghet oc die lantsheren daertoe, dat si hoer ondersaten scatten ende thoer ofbreken ende persen’, blz. 63), ‘Vander coepluden ghiricheit’, ‘Van ghiften’, ‘Van eighenscap der gheesteliker luden’, ‘Van dobbelen ende van onnutten spelen’ (60). Uit het kapittel over de kooplieden schrijf ik de volgende oeconomische beschouwing af:
| | | |
‘Op dat minne ende vrientscap soude wesen onder allen menschen die op eertriken sijn, hierom heeftet god also ghevuecht, datter gheen lant en is onder die sonnen, dat alle dinghe heeft bi hem selven, die die luden behoeven tot horen noetruften, die daer in woenachtich sijn; mer tene lant heeftet tene ende tander lant heeftet tander, also dattet tene landt den anderen lande moet te hulpe comen; ende dese minne ende vrientscap maket comanscap onder den luden, want die coeplude die onder ene varen ende wandelen brenghen hoer waer tot anderen landen ende nemen andere ware weder van anderen lande ende brenghense tot horen lande. Dese comanscap en mach men niet ontberen ende sij is herde nutte inder werelt daer mense te rechte voert ende men daer gheen loesheit in en besicht. Mer die boese gheest heeft dat zaet der ghiericheit ende der loesheit ende der loeghene ende der valscheit also ghesaeiet onder die coeplude, dat luttel coeplude sijn, si en gaen mit loghene ende mit droeghene om, want dat si hebben te vercopen, dat prijsen si, al en ist gheen prijsens weert ende dat ander luden hebben te vercopen daer si seer gherne aen waren, dat laken si, al ist wel prijsens1) weert. Mit looghene ghaen die coeplude nu veel omme ende mit valschen eden. Si stelen den luden thoer mit quade ghewichten ende mit quader maten; si maken oec bi wilen zwaer dat licht is ende licht dat zwaer is ende si toenen tene ende gheven tander ende sommighe vercopen hoer goet op daghe ende ghevent veel duerre om dat si beiden des ghelts een wijltgin ende aldus werden si woekenaers.’
Het uitvoerigst misschien van allen handelt over de doodzonden ‘mr. Godschalc Rosemondt van Eindhoven, doctor inder godheit’ en schrijver van een ‘seer profitelick boecxken vander Biechte ende van die seven Dootsonden’, dat, met eenige houtsneden (waarvan de titelprent de opstanding der dooden voorstelt) versierd, in 1517 door H. Eckert van Homberch te Antwerpen in 't licht werd gegeven2). ‘Want seer veel menschen’, zegt de schrijver, ‘doer onwetenheit blindelinge gaen ter hellen waert.. soe heb ic ter eeren van den bloedige ghecruisten Ihesu ende die schoone moeder Maria ende salicheit der sielen dit boecxken gheordineert ende ter eeren van die .VII. bloetstortinghe Christi Ihesu ende .VII. sonderlinghe droeffenisse van Maria wordet gedeelt in .VII. tractaten.’ Deze zeven handelen: 1. ‘Van dootsonden ende van daghelicse sonden int generael’; 2. ‘Van der biechten ende van die .VII. dootsonden int speciael’ (dit hoofdstuk wordt verdeeld in een stuk over de condicien enz. der biecht en een over de zeven hoofdzonden); 3. Van onrecht- | | | | verdich goet ende om volcomen restitucie te doen’; 4. Van berouw; 5. ‘Van dagelijksche zonden’; 6. ‘Van kennisse om gode en ons selven te leeren kennen’ en 7. ‘Van devocien’.
Het eerste traktaat handelt voornamelijk over toerekenbaarheid van den zondaar, over ‘consent’, waaromtrent de schrijver ‘ons eerwaerdighe(n) Cancellier ende deken van Loven, meester Ariaen van Utrecht, biscop van Darthosa’ ‘in quotlibeto VII’ heeft geraadpleegd. Voor ons is traktaat 2 de hoofdzaak. Het is geheel voor de biecht berekend en bevat een eindelooze reeks formules om alle denkbare gevallen van zonde te kunnen biechten, op dezelfde manier (maar veel uitgebreider) als men er vindt in hs. K 35 van het Cancellierboeck1). Dat zulk een boekje voor de kennis der zeden van belang is, behoeft geloof ik geen betoog; een beperkt aantal citaten zal het overigens kunnen leeren2). Vóór ik die geef, moet ik echter een plaats meedeelen, die belangrijk is omdat de schrijver er zijn bedoeling met het boekje vrij duidelijk in uitspreekt, maar die bovendien door overeenkomst met de Somme (die toen nog in gebruik was blijkens de drukken van 1504 en 1519) althans het vermoeden opwekt, dat hij die kende en er wel eens aan ontleende:
‘Van simonie waer veel te scriven, want die materi seer breet ende swaer is ende regneert seer onder die geestelicheit; ende vele nieuwe onbehoorlike practiken in die beneficien te vercrighen worden daer alle daghe ghevonden, die de slechte waerlike menschen ende ooc goede simpel priesters niet en dorven weten; so slaen ic die materi van simonie over ende beveelse den geleerden ende clercken die daer subtijl in sijn (oft si soe subtijl waren int ghene dat der salicheit aengaet!). Want dit boecxken ende dese maniere van biechten ende regulen om wel te leven, om salichlijc te sterven, heb ic gheordineert principalick voer die waerlicke menschen, want die gheleerde hebben boeke ende scriften ghenoech, willen si studeren. Maer want men veel gheestelijke personen vint, mans ende vrouwen, inden cloosters ende daerbuten, die geen Latijn en verstaen, ende oock, god betert! voer slechte onwetende priesters ende benificia[n]ten, die beter Duits verstaen ende haers moeders tale dan Latijn, daerom scrijf ic somwilen in dit boecxken oock van die geestelickheit ende vanden sonden, die onder geestelicke personen regneren ende van allen staet der menschen.’
| | | |
Over het algemeen mist men in dit boekje de systematische verdeelingen en onderverdeelingen, waaraan wij in de tot dusver geraadpleegde werken zoo gewend zijn geraakt. Ook is de volgorde, waarin de hoofdzonden voorkomen, niet de gewone. ‘Leeringen’ en ‘remedien tegen die sonde’ en dgl. wisselen soms de formules af. Behalve den reeds genoemden Adriaan van Utrecht vond ik Gerson, Thomas en andere middeneeuwsche schrijvers geciteerd; ook het ‘evangelie van het spinrokken’1). Voor de belangrijkheid van het boekje moge verder het volgende zeer beknopte uittreksel pleiten.
I. ‘Here ic geef mi sculdich in hoverdie, dat ic mi dicwils heb laten dunken die wijsheit, devocie, gesontheit, scoonte, rijcdom, cloecheit... item ic heb mi laten duncken mijn duechdelike wercken, die ic doe... ic heb mi vermeten beromende geweest in mijn const, in mijn ambocht, offici, comescap, in mijn afcoemst van mijn geslacht ende rijcdom... ende heb mi uutgegeven voer een wijs duechdlic geleert biechtvader, medicijn of chirurgijn, dat ic nochtans niet en was...’
In den vorm van deze ‘beliïnge’ is het geheele traktaat opgesteld.
‘Ic heb te veel tijts daer in overgebracht ende te seer mi becommert daermede ende sorchvoudich gheweest om nieuwe faitsoenen van cleeren te maken of te draghen. Item als ic eenich nieu faitsoen heb gesien, terstont heb ict na laten maken, al en behoordet minen staet nochtans niet toe... ic heb grote hoverdie gehat in mijn gestijfde doecken, in mijn lange sleipen, ringhen, keten, ghesteente ende ander costelike iuwelen, in mijn schoon haer, voerhoeft, smal lichaem, witten hals ende handen, bruin ogen ende ander schoonte ende gaven des lichaems.... mij schoon toe te maken ende een half ure oft meer mij staen paleren inden spiegel, mijn haer uut mijn voerhoeft mit groter pine getrocken2), mijn haer ghewasschen... ik heb gaen mommen in vrouwen cleeren ende mijn aensicht vermasselt of met vreemden aensichte ende habijt gegaen, dat verboden is sonderlingc den clerken...’3).
II. ‘Haet of gramscap. Als mi iet geseit oft ghedaen is geweest niet nae minen appetijt of dat mijn eer, goet faem of den minen te na ghinc, al hadde ict oeck verdient, daer heb ic wraeck of begheert ende het over mi ghenomen ende gheseit tegen hem: Dat sal ic u wreken, ist met recht of onrecht, in sijn bloet of in sijn goet... item: Ic macht vergheven, mer ic en sals niet vergheten... item: Ic salt hem noch op
| | | | sijn broot legghen, ist in mijnder macht... item: Ic salder noch op dencken, al waert over iaer ende dach.
Een leeringhe voer die ouwers ende meesters:
Als ghi ghestoort sijt op die kinderen oft discipulen om quade pitsen en kueren oft feiten, die si ghedaen oft over haer hebben, soe suldi dien grammen moet eerst over laten gaen, sonderlinghe sidi colericus ende lichtelick ghestoort, ende straffense ende slaetse met manieren. Ghi sult u nochtans ghestoort houwen over hoer ende niet te slap sijn, op dat si u ontsien moghen.
III. Nijt. Ic heb famose libellen gesait, dat is ic heb carten ende briefkens ghescreven oft doen scriven van sommighe personen gebreken ende heb die gheleit oft doen leggen heimelick voer die luden dueren oft inder kercken oft op die straten...
IV. Gulsicheit. Ic heb den hooftswere gehadt ende veel ander gebreken ende siecten heb ic daer doer brassen, scossen ende brossen gecregen... ic heb dicwijls veel tijts overghebracht om te coken ende te smoken...
V. Oncuusheit. Van deser sonden en behoortmen niet vele int openbaer te scriven oft te spreken om der maechden wille ende omdat die natuer vanden menschen (want wi al gebreclick Adams kinderen sijn) seer tot onsuverheit is gheneicht.’ - Hij noemt zeven manieren van onkuischheid: Fornicatio, Stuprum, Adulterium, Incestus, Raptus, Sacrilegium, Contra naturam1). - ‘Ic heb .X. of .XX. werf int geselscap van schoon herten ende lichte vrouwen ende in oneerbaer plaetsen gheweest... Ic en heb mijn vijf sinnen niet wel bewaert, mer dicwils ontgaen in sien, hoeren, rieken, smaken ende gevoelen. - Ic heb dikwijls in vrouwen oft mans cloosters gegaen, besloten of ombesloten, heimelick oft int openbaer ende heb daer mit brassen, hoveren, goet chier te maken, wandelen, tusschen2) etc. menighe herten ende maechden ten valle gebracht...
VI. Traecheit3). Ic ben so verghetende onachtsam ende versumende, dat ic somwilen eene psalm of .II. verhale anderwerf ende .II. oft .III. mael lees ic een dinck dat ict niet en weet uut verghetenheit ende cleine aendachte of ict gelesen heb of niet. Ende lees ic een Pater Noster, het wert tusschen die handen een Ave Maria ende alsoe springhe ic van deen op dander sonder devocie ende verstant.
(In der kerken:) Ick heb dicwil ter kercken gegaen meer om nieumaren te horen ende om gesien te sijn, dan om gods wille oft uut devocien. - Met mijn advocaet oft procureur heb ic inder kercken sonderlinge onder den dienst gods gaen wandelen ende ghedisputeert van dingen ende
| | | |
pleiten van beneficien van comenscap. Ic heb inder kercken gaen wandelen op en neer om ongelijcke personen1) aen te sien. Ic heb mijn knien nauwe ghebruuct noch bonet af gedaen. - Het sijn al dobbel dootsonden die inder kercken gescieden.
(Vant geloef:) Ic heb mi beraden metten duvel of metten ghenen die met swarten konsten ende metten viant omgingen ende heb mijn ghelove daerop gheset ende heb met menige manieren van supersticien ende ongheloven omghegaen, als ick iet verloren heb oft om kinderen ende knechtkens te crigen so heb ick sommighe cruien oft scriften over mi ghedraghen ende met sommighe personen, die daer wat af wouden weten ende nochtans der niet af en weten, beraden ende mijn betrouwen ende ghelove daerop ghestelt... die wijchelien, supersticien ende manieren van onghelove, daer ghi mede hebt omghegaen, die ghemeenlick uten boecke van den spinrock worden ghenomen.
VII. Giericheit2). Ic droome altijt van gelde ende waer ic eenen schoonen penninck sie, mijn hert trecter nae om die inder gevangenisse bi sijn broers te leggen daer si sonne noch mane en sien. - Ic brenge dicwils .III. oft .IIII. uren onnuttelick over, overtellende ende besiende met ghenuechte minen schat ende schoon roode vossen.’
| |
Sterfboeken.
Van een vergelijking tusschen het vierde traktaat der Coninx Summe en andere, hetzij zelfstandig, hetzij als onderdeel van een of ander groot werk, in het Dietsch voorkomende traktaten kan niet zoo onmiddellijk sprake zijn als bij de tien geboden, het credo en de hoofdzonden het geval was, om de eenvoudige reden, dat we hier niet met de bespreking van een bepaald, scherp afgezonderd hoofdstuk der catechese hebben te doen. Er wordt in gesproken over den dood, over hel, vagevuur en hemel, over het noodzakelijke van niet alleen de zonde te verafschuwen maar ook de deugd te beminnen, maar met dat al is het noch in den strikten zin een Ars Moriendi, noch een verhandeling over de Vier Utersten, noch eene over de deugden. De wijze van ontstaan, samenkoppeling van een paar oorspronkelijk zelfstandige stukken, verklaart dit genoegzaam. In de Somme opgenomen als verbinding tusschen de beide deelen die over ondeugden en over deugden handelen, bleef toch de samenhang tamelijk los en is het niet te verwonderen dat een Hasseltsche drukker er toe kwam het afzonderlijk in het licht te geven onder den titel van Volmaecte clargie ende rechte conste om wel te connen leven ende salich te sterven3). Deze titel belooft niets minder dan een geheele Christelijke ‘Levenskonst’ maar duidt het
| | | | boekje toch ook vooral aan als een sterfboek, ars moriendi, zooals er in ons vaderland, zoowel als in het overig Europa, talrijke in omloop zijn geweest. Terwijl de boeken ‘Vanden vier Utersten’ de leer behelzen van wat den mensch na den dood te wachten staat, wijzen de geschriften, waarop wij doelen, den weg om zich zóó op den dood voor te bereiden en zóó te sterven, dat men in het navolgende leven het minst zal hebben te duchten. Ons traktaat moge niet opzettelijk met dat doel zijn samengesteld, het is aan zulke geschriften na verwant, al geeft het dan ook niet, zooals gene, nauwkeurige voorschriften omtrent hetgeen men bij den overgang tot het eeuwige leven in acht had te nemen. Het staat door zijn ruimere beschouwing en meer algemeene opvatting der dingen beslist boven andere die onder soortgelijken titel voorkomen en zich eenigszins verliezen in het beschrijven van allerlei formaliteiten. Bovendien is het ouder en schijnen de zgn. sterfboeken en dergelijke verhandelingen eerst later meer verspreid te zijn; de meeste die ik zag zijn omstreeks 1500 gedrukt.
Moll spreekt (Kerkgesch. IIIV 52) terloops over zulke geschriften en noemt daar de wijd en zijd verbreide ‘Commendatie’ die men ‘voor die siecke menschen plach te lesen’, welke werd toegeschreven aan Anselmus van Canterbury1). Een soortgelijk werkje van Gerson schijnt in de Nederlanden wel gezocht te zijn geweest, althans we vinden de Dietsche vertaling er van twee malen gedrukt: als het derde hoofdstuk van het vroeger genoemde Driegedeelde Wercskin, Delft 14822), en als tweede stuk van het in 1539 gedrukte profitelike boecxken, waarin er als eerste stuk een verhandeling over den Antekerst en de XV teekenen aan voorafgaat3). In het laatste heet het ‘die maniere hoe men siecken aenspreken sal als si liggen in die artikel des doots4)’; in het eerste:
‘Hier begint dat derde deel als van conste te sterven... In de uterste noot des doots wordt een getrouwe vrient geproeft. Hierom is hier bescreven een corte vermaninge ende een manier, diemen hebben sal tot die ghene, die in de artikel des doots legghen... ende dient oec voer alle gelovighen om te weten hoe si salichlic sterven moghen. Ende in dit corte boecxken sijn vier perticulen als vermaninghen, vraghen, ghebeden ende wat men doen sal.’
In de vier hoofdstukken, die hier worden aangeduid, wordt alles
| | | | voorgeschreven wat bij het overlijden tot heil der ziel dient te geschieden. Er zijn vier vermaningen en zes vragen.
Anders schijnt de indeeling van eene Const om wel te leeren sterven, die ± 1492 bij Gerard Leeu te Antwerpen werd gedrukt1), voor zoo ver ik uit de door Campbell gegeven beschrijving kan opmaken: ‘ende wort ghedeilt in .VI. deelen oft partikelen. Derste spreect vanden love des doots ende vander const ende leringen om wel te leren sterven. Danderde spreect vander becoringen ende temptacien, metten welken die viant gemeenlic den mensche tempteert..’ Verder gaat het citaat niet uit het boekje, dat ik tot mijn spijt niet heb gezien; als slot (op fol. 59) wordt opgegeven: ‘... ist boven alle dinc van noede elcken mensche die wel ende sekerlic sterven wil, dat hi te voren lere sterven, eer hem die doot ondersceppe ende bevange, opdat hi also salichlike stervende mach comen int ewighe leven, dat ons wil geven ende verleenen god almachtich.’
Volkomen soortgelijk aan het werkje van Gerson is een in 1500 te Antwerpen gedrukt boekje (Campbell 1223) ‘om den siecken voer te lesen als si vresen der doot hebben, want salichlic te sterven doet eewelic leven’ en dat, zooals in de voorrede te lezen staat, geschreven zou zijn door ‘meester Matheus van Cracouwen, doctoer in der godheit, Benedictijn ende namaels Cartuser’2). Het bestaat uit zes hoofdstukken, die handelen over de volgende onderwerpen: I. ‘Vanden love des doots ende vander consten ende leringen om wel te leeren sterven’; II. ‘Van der becoringen ende temptacien metten welcken die viant gemeenlic den menschen tempteert ende dicwijl bedriecht ende sonderlinge int uterste ende tlaetste van sijn leven’3); III. ‘Hoemen die siecken is sculdich tondervragen’; IV. ‘Een onderwijs met bedingen’; V. ‘Hoemen de siecken raden ende vermanen sal’ en VI. ‘Seker ghebeden die men int verscheiden der sielen uten lichaem overlesen sal’.
Ook in handschrift is het boekje van Mattheus van Krakau terug te vinden: wat Duflou en Gailliard (Middelned. handschriften in Engeland)
| | | | onder no. 28 als aanvangszinnen opgeven van een ‘tractaet van connen sterven’ komt met het begin van hoofdstuk I voldoende overeen om er hetzelfde werk in te herkennen, ook al verschilt het er genoeg van om te betwijfelen of het wel dezelfde vertaling is. Het handschrift is van 1530 en bevat bovendien eene ‘commendacie’ die men ‘sal lesen als die sieken ter dootwert reiden ende is van der Passien’, wellicht het door Moll beschreven boekje1).
Terwijl mr. Godschalc Rosemondt een slechts uit enkele blaadjes druks bestaande ‘Devote oeffeninghe ende maniere om te vercrighen warachtich berouwe ende om alle des viants becoringhe te wederstaen in die ure des doots’ te Amsterdam2) ter perse gaf, is er een in 1488 voor het eerst te Delft en daarna nog een paar malen gedrukt, waarschijnlijk uit het Latijn vertaald en van over onze oostelijke grenzen afkomstig ‘notabel boeck ghenoemt dat Sterfboeck’ (Campbell 1619, 1620, 1621), van veel grooteren omvang dan de tot dusver genoemde werkjes. In het explicit leest men ‘dit boec dat genoemt is ars moriende (sic) dats die conste van sterven’; aanduidingen omtrent een auteur of omtrent de herkomst ontbreken geheel. Het is niet gemakkelijk een inzicht in het plan van samenstelling te krijgen, ook al bemerkt men uit de titels der talrijke hoofdstukken, dat de kern wordt gevormd door een reeks capittelen die uitleggen ‘hoe die duvel den siecken mensche tempteert mit menigherhande becoringhen’ waartegenover telkens wordt gesteld ‘hoe die barmhertighe ghesontmaker den siecken mensche is troestende’ of ‘dat goede ingeven des goeden engels’; de er tusschen gevoegde hoofdstukken echter, hoewel alle op het onderwerp betrekking hebbende, springen van den hak op den tak. Achtereenvolgens vindt men ‘vermaninghen’ over ‘de becoringhe van het ongeloof’, ‘vanden wanhope’, ‘van avaricia’, ‘van onlijdsamheit’, ‘van vermetenheit’. Het gedeelte van het boek, dat over deze ‘becoringhen’ en de ‘vertroestingen’ daarvoor
handelt,
is tot grooten omvang uitgedijd door de breedvoerige beschrijvingen van wat hem, die voor den duivel zwicht, te wachten staat aan ‘helsce pinen’3), zoowel als door gedurig terugkeerende verheerlijking van de hemelsche zaligheid en bovendien door een groot aantal meerendeels
| | | | zeer ‘gruwelike ende ververlike exempelen’1). Een tweede gedeelte - geen zesde van het geheele boek innemende - behandelt het Oordeel, hoe Joden, Heidenen, Christenen geoordeeld zullen worden, van welke laatste verschillende klassen opzettelijk worden besproken; ‘dat antwoert, dat die sondige menschen geven sullen’; daarna een beschrijving van den hemel, in negen woningen verdeeld, die met de negen ‘choren’ der engelen overeenkomen en voor verschillende klassen zijn bestemd. Dit tweede gedeelte van het boek, welks inhoud dus, ofschoon anders gerangschikt, met dien van de Vier Utersten overeenkomt2), is veel geregelder, en bevat veel minder uitweidingen en exempelen. Is het geheel misschien uit een korter traktaat door allerlei inlasschingen ontstaan? Indien we niet voorzichtig moesten zijn door het zoo veelvuldig voorkomen van gemeenplaatsen in dergelijke geschriften, zou men geneigd zijn een Fransch traktaat3) van geringen omvang, door Campbell op no. 186 beschreven, voor een vertegenwoordiger van de oorspronkelijke redaktie van ons Sterfboeck te houden; de daar meegedeelde aanvangsregels toch komen wel overeen met het begin van dit laatste:
‘Hier beghint dat prologus. Alle die philosophen segghen boven allen verveerliken anxteliken dinghen soe is dat alre verveerlicste die doot des lichaems; nochtans en is hi niet gheliken bider eeuwiger doot...’
Boven sprak ik van een oorsprong, die over onze oostelijke grenzen gezocht zou moeten worden, daarbij denkende aan sommige exempelen waarin gevallen worden meegedeeld die ‘in Colen’ ‘in Sinte Pieterskercke te Colen’ ‘bi Zoest, dat een stat is in stichte van Colen’ heeten te zijn geschied. Er wordt echter ontleend aan Cesarius. (‘Men leest een exempel in Cesario’.) Beschrijving van alle exempelen zou ons te ver voeren; misschien kan uit deze enkele beginwoorden nog worden afgeleid dat er belangrijke in voorkomen, een meer opzettelijk onderzoek waard: ‘Ridder Henrich van Valkestein’ wordt door een klerk Philippus in een tooverkring geplaatst om een ontmoeting met den duivel te hebben. - ‘Bi Clarenvalle was een priester Wilhelmus genoemt..’ - ‘Het was een machtich hertoge van Borgondiën, die seer rijc was van ertschen goede. Mer och laci! hi en mochtes niet mit hem nemen, mar hi moeste alle sijn costelicheit hier laten..’ (Zijn lijk wordt door zijn zoon opgegraven om elders te worden bijgezet en men vindt er een groote padde bij.) - ‘Theodricus, die bisscop van Utrecht die gheboren is van Castel van Norenborch’
| | | | (een verhaal van hem en zijn rentmeester Everbach). - Men zie verder de bespreking van de Deventersche Exposicie op het Pater Noster (het exempel van fol. 50v).
| |
Het Pater Noster.
Men kan verwachten, dat traktaten ook over dit andere zoo op den voorgrond staande deel der catechese evenmin achterwege zullen zijn gebleven als over de tien geboden en de zeven hoofdzonden en inderdaad hebben wij, schoon niet in zoo grooten getale als de verhandelingen over den dekaloog, verscheidene ‘expositiën’, ‘bediedenissen’, ‘glosen’ (of hoe ze verder heeten mogen) ter verklaring van het gebed des Heeren, deels in afzonderlijke handschriften, deels in reeds vermelde bundels aangetroffen. Weinig teksten leenden zich zoo goed om zoo in het eindelooze in verband te worden gebracht met haast alle onderwerpen, waarover vrome christenen hadden nagedacht, en de middeneeuwsche schrijvers hebben een diep besef gehad van de waarheid, uitgedrukt in de gemeenplaats, die in meer dan een der bedoelde traktaten wordt aangetroffen: ‘Dese lesse is cort van woerden, lanc inder sentencien ende inder glosen, lichtelic te segghen mer subtilic te verstaen’1), waaraan de schrijver van 's Coninx Summe toevoegt: ‘wantet besluit mit corten woerden al dat des menschen herte goets bidden mach, dat is dat een verlost werde van allen quade ende vervolt mit allen goede.’
Men herinnert zich dat op den catalogus van het Delftsche St. Barbara-klooster ‘dat pater noster boec’ wordt genoemd. In een vorig hoofdstuk is er reeds op gewezen, dat het door frère Lorent geschreven of overgenomen traktaat geheel onafhankelijk van de Delftsche vertaling door een Utrechtsch karthuizer afzonderlijk in het Dietsch is vertaald. De enkele tekst van het gebed in zijn Middelnederlandschen vorm werd meegedeeld door Lelong2) en is natuurlijk in getijdenboeken en dgl. herhaaldelijk te vinden3). Lelong vestigde ook reeds de aandacht op een passage in Maerlants Scholastica4), die hoe kort ook, toch werkelijk een traktaat vormt en het Onze Vader verdeelt in een proloog en zeven beden, een verdeeling die in alle geschriften over het onderwerp wordt gemaakt. Uitvoeriger
| | | | reeds is Boendale in Cap. XLI van het tweede boek van den Lekenspiegel ‘Dat Pater Noster ende daer of die bediedenisse’, voorafgaande aan kortere hoofdstukken over het Ave Maria en het Credo1).
Tot welk een omvang de litteratuur over het Pater Noster omstreeks 1400 was uitgedijd, blijkt wel, als we de Expositio Melliflua2) van den Brugschen Karthuizer prior Herman van Scutdorpe († 1412) ter hand nemen, die, evenals Bonaventura en Henricus Herp het met de tien geboden gedaan hebben, den sermoenvorm koos voor zijn verhandeling; niet minder dan vijftig preeken, elk door een aantal exempelen opgeluisterd, wijdde de in de theologische letterkunde zeer belezen schrijver aan zijn onderwerp3). Zie hier de inhoudsopgave van een willekeurig gekozen kapittel volgens den Oudenaardenschen druk van 1480:
‘In undecimo sermone:
Celum est quadruplex.
Deus pater noster quod est in celo beatorum.
Deus cum sit ubique quare dicit esse in celo.
Deus pater noster est in celis cum dilectis filiis suis tanquam lux pulcherrima.
Exemplum de lumine divino quod benedicto fuit ostensum. Exemplum de anima Tondali que ducta ad requiem animarum beatorum totum mundum infernum et puratorium clare pervidit. Deus pater noster est in celis cibus beatorum dilectabilissimus. Deus pater noster est in celis melodia dulcissima. Exemplum de servulo palitico4) et morte ipsius. Exemplum de Romula virgine et morte ipsius.’
Wij hebben vroeger er op gewezen, dat uit den tekst der Zeelhemsche vertaling van de Somme le Roi te zien was, dat op het toen in het Dietsch verschenen fragment een hoofdstuk over het Onze Vader moest volgen daar zoowel de inhoudsopgave van den proloog als de slotregels van het vierde traktaat ervan spreken; misschien is het dus als een poging tot zelfstandige voltooiing van het werk op te vatten, als we èn in hs. M. èn in hs. P. stukken vinden (gedeeltelijk dezelfde) over het Pater Noster, en zelfs in hs. P. het explicit der Zeelhemsche vertaling na die er aan toegevoegde stukken zien
| | | | geplaatst. In hs. M nl. volgt op de Coninx Summe op fol. 91b: Hoe goet een Pater Noster is:
‘Het was een heilich bisscop, die soude te Roemen riden totten paeus. Doe vant hi een arm man daer staen in den weghe. Den man nam hi in sijn hof ende lovede hem teten te gheven al sijn daghe lanc, maer hi soude alle daghe lesen een pater noster voerden bisscop dat hem god bewaren moste voer ongheval, ende die bisscop beval sinen voecht dat hi hem alle daghe soude gheven sinen proven. Die bisscop tide op die reise te Rome ende die arme man sprac immer alle daghe sijn pater noster voerden bisscop ende god die behoede hem dat hem niet quaets toe en quam...’
Zoo begint het exempel, dat niets anders bevat dan het bekende verhaal uit het Biënboec, door Van Vloten in zijn bloemlezing1) uitgegeven, al is er daar ook sprake niet van een bisschop maar van een ‘edel greve van Campaniën’. Het motief is verwant aan dat van het exempel van sinte Jan Aelmisgever, dat ik mededeelde in hoofdstuk III2).
Op fol. 92 van hetzelfde hs. volgt een gesprek tusschen een priester en een vrouw die hem verzekert dat zij, als het haar ‘wel te hant gaet’, als zij in oprecht vrome stemming is, in de kerk slechts een half Pater Noster uitbrengt, als het haar ‘evel in hant gaet’ wel veertig of vijftig, immers: ‘du selste dijn paternoster spreke mit innicheit, so is beter een dan dusent sonder innicheit’. Om dezelfde reden zegt zij het in het Dietsch:
‘Vader lieve, ic vraghe iu berecht mi: is dat pater noster soe goet in duutschen als in latijn? - Lieve kint, dat wil ic di berechten..’3).
Reeds dit laatste citaat herinnert ons aan de vroeger besproken Sielen Troest4), die immers van het begin tot het einde een samenspraak is tusschen den ‘lieven vader’ en zijn ‘lieve kint’. Men vindt daar op fol. 95v:
‘Een leer van dat pater noster. Lieve kijnt, du selste eren dijn hemelschen vader ende anbeden mit dat ghebet dat onse heer selver leerde sijn apostolen. Dat is dat pater noster. (Volgt de tekst van het gebed, en dan:)
| (a.) | Van een bisscop, die een arm mensche die cost gaf, om dat hij hem alle daghe een pater noster soude lesen. Dat5) was een
|
| | | |
| heilich bisscop die woude varen te Romen totten pawes. Doe vant hi een arm man... |
| (b.) | Een leer: Leset dijn pater noster mit innicheit. Lieve kijnt, du selste dijn pater noster leren mit groter innicheit. Want beter is een pater noster mit innicheit, dan sonder innicheit hondert dusent.... Van een vrouwe die hoer pater noster mit innicheit plach te lesen. |
| (c.) | Een leer: dat pater noster in duutsche is den duutschen nutter dan in dat latijn ghelesen. Lieve vader, ic vraghe u berecht mi: Is dat pater noster niet so goet in latijn als in duutsche? Lieve kijnt, dat wil ic di berechten...’ |
Er behoeft dus geen twijfel te bestaan, of hs. M ontleende deze stukken aan der Sielen Troest, die nog een paar exempelen over het Onze Vader bevat, nl. van een vrouw, op wie een duif nederdaalde in de kerk, zoo vaak zij in vromen eenvoud haar Pater Noster overdacht (fol. 49); ‘van een ridder, die te roven plach ende wert ghehangen ende bleef behouden om tien pater noster’; ‘een leer: dat pater noster is niet alleen goet, mer oec ander ghebede’ (fol. 97v).
Het stuk Van den Pater Noster hoe nut dat is uit hs. P. (vgl. het hoofdstuk ‘Bibliografie’) beschouwde ik eerst als van Franschen oorsprong, daar ik een Franschen tekst ontmoette die er mee overeenkwam in ms. B.N. fr. 944. Later echter vond ik het terug in het Fundament van der Kerstenre Ghelove; volgens het middelnederduitsche hs. Letterk. 346 is het ‘getogen uit den bocke der hilgen pawese Innocencii’. De begin- en slotwoorden zijn in het ms. Letterkunde 345:
(Blz. 16.) ‘Onder allen ghebeden die vanden heilighe[n] ghemaket ende bescreven sijn so en is gheen gebet gode behagheliker dan dat heilighe pater noster dat die soen gods selve heeft ghedicht...’
‘.... Hierom laet ons mit rechten rouwe.... ons bereiden.... dat wi op eertrike in hem altoes vrede ons herten moeten hebben ende nae desen leven bi hem comen in sijn rike ende mit hem ghebruken den ewigen vrede. Amen.’
In een proloog wordt er uiteengezet, dat wij bidden om tijdelijk, geestelijk en eeuwig goed, om verlost te worden van verleden, tegenwoordig en toekomend kwaad. Iedere bede wordt dan kort behandeld.
Uit hs. P. teekende ik begin en slot aan als volgt:
‘Onder alle die ghebede die vanden heilighen ghemaect sijn ende bescreven soe en is gode gheen ghebet behaechliker noch den mensche salichliker dan dat heilighe pater noster dat die godes soen selve hevet ghedicht ende ons hevet ghelaten tot enen testament, want in den pater noster worden ghehoert alle die dinghen, die noet sijn om te bidden
| | | |
totten live ende oec totten siele want wie dan bidden wil die bidt om te vercrigen dat guede ende verlost te wesen vanden quade...
(Fol. 71v)... laet ons mit rechten rouwe ende mit ware biechte ons bereiden teghens die gracie godes, ende mitten pater noster alsoe bidden, dat hi ons sijn gracie wil verlenen, dat wi hem in allen dinghen altoes moeten minnen ende dienen ende sijn eer altoes moeten soeken ende begheren, dat wi op aertrike altoes in hem vrede moten hebben ende nae desen leven moten comen in sijn rijc ende mit hem te ghebruken den ewighen vreden. Amen.’
Behalve in dit handschrift komt het ook afzonderlijk voor in een incunabel, beschreven door Campbell op no. 1325 (2e supplement blz. 33) ‘Een seer devote oeffeninghe op dat Pater Noster ende op dat Ave Maria’ (Haerlem J. Bellaert, tegen 1485). Het loopt daar van fol. 2r tot 28v. Het bij Campbell opgegeven begin luidt: ‘Vanden pater noster een prologus. Onder alle die ghebede...’
In hs. P volgt op dit traktaat onder het opschrift ‘Exempel’ het stuk dat wij kennen uit hs. M:
‘Het was een heilich biscop. Hi soude te Roem riden totten paeus. Doe vant hi enen armen man daer staende inden weghe. Den man nam hi in sinen hof ende loefde hem teten te gheve al sijn daghe lanc...’
Een ander Parijsch handschrift (Huet 35) bevat ‘Die ghedenckenis opt Pater Noster’, waaruit ik een paar zinsneden aanteekende:
‘Pater noster qui es in celis. Vader onse du die biste in die hemelen. O onghemeten ghenadicheit! o onsprekelike goedertierenheit... (fol. 129) Wat sout mi baten, dat ic dijn creatuer bin, ten waer dat ic dijn hadde ende mit allen in di verenicht, op dat ic mitti dat ewighe leven mocht besitten! Dat verleen hi ons die levet inder ewicheit. Amen. Aldat hier voerscreven is dat machmen aldus nemen: Pater noster. Onse vader setmen voer, omdat wi trouwelic gaen sellen tot cristum... (fol. 140) ... opdattet einde des tijtlics loves een beghinsel sijn des ewighen loves der glorioser stat van Iherusalem des hemelschen landes: Amen’1).
Vermoedden wij zoo straks dat een der afschrijvers van M en P of wellicht van een origineel waarvan beide afstammen, een poging heeft gedaan om op zijn manier de Coninx Summe te voltooien, duidelijker nog is deze bedoeling te herkennen in hs. K, waarvoor ik verwijs naar het hoofdstuk Bibliografie. Het daar aangeduide
| | | | korte traktaat (fol. 99r-101v) over het Pater Noster schijnt weer iets anders den wij tot dusver ontmoetten.
Ene corte Bedudinghe opt Pater Noster is de titel van een traktaat dat fol. 89v-fol. 93v beslaat van het hs. der Kon. Bibl. 133 F 27. Eenige kenmerkende plaatsen van het stuk dat een uittreksel schijnt uit een uitvoeriger geschrift en b.v. in de inleiding dezelfde gedachten uitdrukt als de Coninx Summe, schrijf ik hier af:
‘Dat gebet ons heren is te prisen boven al ander ghebede om vele saken. Ten iersten om eerweerdicheit, want het is ingheset van Christo, god ende here alre dinghe. Ten anderen om cortheit willen, want ten mach niemande verdriet maken. Ten derden om vruchtbaerheit wille, wantet is een moeder alre ghebede ende al datmen bidden sal bidtmen daer ghenoech in. Ten vierden om diepheit der gheesteliker verborghenheit, want clein ende bloet schijnt dit ghebet in woerden alst nochtan diep is inden verstande.
.... Aldus sullen wi dan segghen Vader. Wi en segghen niet here, want god begheert meer ghemint te werden dan ontsien....
.... Onse segghen wi ende niet mijn, want god heeft gheern dat een mensche niet alleen voer hem selven bidde mer oec voer enen anderen....
.... Die daer bist inden hemelen. Als god alreweghen is, nochtan wort hi alremeest inden hemelen ghesecht te wesen....
.... Ghehillighet werde dijn naem, dat is hi moet in ons hillich schinen. .... in dien woerde en biddewi niet dat gode iets wat van nies anwasse want dat is onmoghelic, mer wi bidden dat die hillicheit, die hem ewelike in is, meer schine inden creaturen....
.... Toecome dijn rike. Dat rike godes sal comen, wi willen of niet en willen; mer wi verwecken onse begheerte toe dien rike op dattet ons come ende daerin regnieren moghen1). Toecome dijn rike. Die werlt, dat vleisch, die duvel ende die sunden willen die macht ende heerscappie hebben ende mi verteren ende in mi regnieren, want die hoverdie wil mijn coninc wesen; die oncuischeit secht: ic sal regnieren; die achtersprake, die begheerte der eeren, die hate, die toern ende die gulsicheit striden in mi selven ende van mi wes ic wesen sal, mer ic wederstae alsoe veel als ic mach....
.... Toecome dijn rike dat schoen, overvloedich, vroelic, wallustich, glorioes, ewich ende vreedsom is.... in welken rike sin alle dinghe, diemen begheren mach.
.... Verloese ons oec cortelic vanden quade datter bevlecket, dat is vander sunde, die die siele ende dat licham bevlecket, ende oec mede vanden onrustighen quade, dat is vanden duvel, die ons te moien ende te
| | | | becoren niet af en latet, ende oec mede vanden verslindenden quade, dat is vander hellen. Amen (dat is: ons ghescie, o here! dat wi bidden).’
Die Bedudenis des Paters Nosters in Duitsche van het bekende hs. V 53 (hs. B der Con. S.) is een traktaat, dat de compilator van de straks te bespreken Exposicie op et Pater Noster (hs. Deventer 8) hoofdstuk voor hoofdstuk inlaschte in het andere traktaat dat de kern van zijn exposicie uitmaakt, die nu bestaat uit de volgende hoofdstukken: een ‘prologus’ (fol. 1-13), een ‘ander sin ende prologus inder exposicien eens anderen sin opt pater noster’ (fol. 13-17v), ‘die erste sin opt pater noster al wi spreken vader onse’ (fol. 18-23), ‘een ander sin opt voergaende woert onse’ (fol. 23-24), ‘die ierste sin opt woert du biste inden hemelen’ (fol. 24-32), ‘een ander sin opt woert du bist inden hemelen’ (fol. 32-32v) enz., waarbij de ‘ander sin’ telkens beantwoordt aan een hoofdstuk van de ‘bedudenis’. De teksten bieden echter genoeg verschil in woordenkeus om te doen denken aan twee van elkander onafhankelijke, maar beide getrouwe vertalingen van één (Latijnsch?) origineel. Men oordeele uit de vergelijking der beide teksten:
| Hs. V 53. |
Deventer hs. 8. |
| Fol. 84v: ‘Hierna volghet die bedudenis des paters nosters in duitsche’. (Tekst van het pr. nr.) | |
| ‘Nu moechdi mercken in desen woerden, dat onse lieve here Ihesus Christus ierst heit spreken: Vader onse. In desen woerden soe heeft hi ons bewijst dat wi aenbeden sullen enen god... |
Fol. 14: “Nu moghen wi merken dat ierste woert dat onse lieve here sprac: Vader onse. Siet in desen woerden bewijst hi ons ende leert hoe wi sullen anbeden enen god... |
| Enen anderen sin mogen wi hierin mercken als wi dat woert spreken vader. Niement en mach tot gode dit woert spreken vader, dan die staen inder gracien gods..” |
Enen anderen sin moghen wi merken als wi dat woert spreken vader. Niement en mach dit gherechtliken spreken toe gode den vader dan die daer draghet die ghelijcheit gods in der sielen ende die daer staet inder gracien gods.’ |
| Fol. 85: ‘In een ander manier soe heeft god getoent dat hi grote vaderlike minne tot ons heeft. Ende heeft ons geopenbaert dat wi claerliken sien moghen in dien dat hi ons geseint heeft sinen enigen soen.’ |
Fol. 15: ‘In enen anderen sin hevet ons god bewijst dat hi grote vaderlike minne heeft tot ons wert ende in dien dat hi ons vermaect heeft. Ierstwerf makede hi ons mit groter weerdicheit.... (1½ kolom verder:) (15v) Nu secht hi hier in |
| | | |
| |
hevet ons ghetoent grote vaderlike minne tot ons wert ende heeft ons gheopenbaert, dat wi claerlike sine kinder moghen wesen ende dat hi grote minne ende weerdicheit tot ons wert hevet, sunderlinghen in dien dat hi ons heeft gesent sinen enighen soen.’ |
| Fol. 85v: ‘Nu sullen wi dan minnen onsen getruwen vader, want hi ons ierst geminnet heeft, ende wi sullen ons hertelic verbliden, dat wi sulken vader hebben, ende spreken dat ierste woert mit groter begeerten, Vader, also als ons lieve heer hem geheiten heeft. Nu sullen wi oec mercken dat ander woert dat onse here gesproken heeft: onse vader. In desen woerde heeft hi ons geleert dat wij also grote bruederlike minne sullen hebben deen totten andren...’ |
Fol. 17v: ‘Nu laet ons minnen onsen ghetruwen vader, want hi ons ierst so seer geminnet hevet, ende wi moghen ons herteliken verbliden, dat wi alsodanen vader hebben, ende spreken ierst dat woert mit groter innigher begheerten, Vader, also als onse here Jhesus Christus gheheite heeft. Nu willen wi merken dat ander woert dat onse here hiet spreken, Vader ende daerna spreket hi onse..’ (volgt de eerste exposicie op dit woord; dan fol. 23:) ‘Een ander sin opt voergaende woert onse. Onse. In desen woerden hevet hi ons gheheiten, dat wi also groten bruederlike minne sullen hebben tot malcander..’ |
Evenzoo laten zich naast elkander stellen:
| V 53 fol. 86: ‘Aldus wil onse lieve here...’ |
Deventer 8 fol. 24: ‘So wil onse here...’ |
| Fol. 86: ‘Hierna comt dat ander woert: du die bist inden hemele. In enen sinne....’ |
Fol. 32: ‘Een ander sin opt woert: du bist inden hemelen. Die bist in den hemelen: in enen sin..’ |
| Fol. 86: ‘Den naem gods en mach niet heiliger sijn noch worden.’ |
Fol. 41: ‘God en mach in hem selver niet heiliger werden dan hi is.’ |
enz.
Belangwekkender dan dit traktaat, dat echter zeer goed is geschreven, is de meer uitvoerige Exposicie, waaraan het in het Deventer hs. is toegevoegd. Tot onze spijt ontbreekt weer iedere aanduiding van een auteur. Hiervan kunnen we echter zeker zijn, dat het Deventer handschrift een heele wordingsgeschiedenis achter zich heeft: niet alleen is het uit twee nog zeer duidelijk te onderkennen, van elkander onafhankelijke traktaten samengevlochten, maar bovendien zijn aan de oorspronkelijke exposicie, die er aan ten grondslag ligt, een groot
| | | | aantal exempelen, waaronder zeer merkwaardige, toegevoegd1). Wij laten den tekst volgens gewoonte weer voor zich zelf spreken door een keuze van citaten uit dit aan treffende passage's rijke traktaat en beginnen met den ‘prologus’ over te nemen:
‘Quum oratis dicite: Pater noster qui es in coelis; wanneer ghi biddet soe segghet: Onse vader die bist inden hemelen. Alre liefste, ghi sult weten, dat onder allen werken die gheschien moghen in desen leven, gheen werc en is eerliker, lichter ende nutter dan gode te bidden. - Het is enen arme mensche groet eer, dicwile ende bediensteliken2) te spreken mit enen eertschen coninghe, ende sekerlic voel merre eren ist ons, dicwijl ende bedienstelike te spreken mit den hemelschen ende ewighen coninghe, bi wien wi alle arm ende broetbidders sijn, want wi niet en mogen leven een ure lanc sonder sijn aelmissen; want van sijnre aelmissen levet ende wort onthouden alle creaturen, want hi een coninc der coninge is ende een here der heren; alle coninge ende princen deser werlt en sijn bi sijnre moghentheit niet dan eerde, stof ende asche. Met den alren hoechsten coninge spreken wi bedienstliken ende heimelike, wanneer wi oetmoedeliken ende devoteliken hem bidden, ende is, dat wi dicwijl bidden, so sprekewi stedelike3) mit hem, want als gheruert wort in den leven sinten Franciscus: inden gebede omhelsen wi Christum als enen vader, wi toespreken hem als enen brueder, wi bidden hem als enen richter, wi dancken hem als enen verloser. Die heilige lerres seggen: in tween manieren bidden wi al sprekende ende biddende ende denkende. (v) Een ieghelic mach spreken, ende of hi niet spreken en mach, hi mach doch begheren ende dencken. Ene guede begheerte ende ene guede gedachte ist alre beste gebet ende welc gode meest behaghet, ende alremeest, wanneert comet van enen oetmoedighen ende berouwenden herten, naden woerden welc David inden salmen secht: Die here heeft verhoert die begherde der armen dat is der oetmoedighen, mer vanden die mit den monde bidden ende niet
mitten
herten claghet die here daer den prophete segghende: dit volc eert mi mitten lippen mer hoer herte is veer van mi.
Hier beghint ene exposicie4) opt pater noster ghenomen uut ander leringhen.’
Zooals wij reeds opmerkten is aan dezelfde bron als Con. S. 268 ontleend de eerste zinsnede van het volgende citaat:
‘Dit ghebet is cort ende licht in woerden, mer lanc ende swaer in sentencien, want in hem sijn seven ghebede (fol. 2) in welker ghebede[n]
| | | |
werden alle dinghen die ons noet sijn inden teghenwoerdighen leven ende toecomenden. ... In desen ghebede sijn twe delen, in welken deil ons die here ten iersten leert te vercrigen die guetwillicheit gods hem te lonen ende dat doet hi inden dat hi secht: Vader onse die bist inden hemel. In den anderen dele leert hi ons hem tonen onse behovicheit, van hem onse noetdriften te bidden, ende dat doet hi inden dat achterstedich is inden paternoster.’
Aan het woord ‘vader’ worden dan zeer verschillende uitleggingen gegeven:
(Fol. 2v) ‘... Want ghelikerwijs als een eerdenpotmaker formt mit sijns selves handen een vat van slike ende als een wijf formet mit haers selves hant een kese inden kesevate van te samen gheronnen melc, also hevet hi onse licham ende al onse lede tien maende lanc gheformt ende te samen ghevoghet in onsen moeder lichaem ende heeft daerna inghestort onsen licham enen levendichmakenden gheest den hi van niet scoep...’
‘Ten anderen male wort god onse vader ghenoemt om die voedinge... na der littere die voghelen des hemels sijn vogele die inder lucht vlieghen; oec sijn gheestelike ende bescouwende menschen voghele des hemels, die mit gedachten ende mit begheerten totten hemel vlieghen. Die hoverdigen deser werelt, dat sijn quade prelaten, eertsche princen ende woekeners, sijn vogelen des hemels, want si vanden hemel ghevallen sijn; dese voedet oec die hemelsche vader, want hi verhenghet hem ghevodet te werden ende ghenuechte te hebben vanden sielen der quader, die si daghelix ter hellen trecken...’
Op fol. 5 vinden we de vergelijking van Christus met den pelikaan1); verder heet God onze vader ook om de ‘leringhe’, de ‘castiïnge’, om de erfenis van het hemelsche leven. Zes werken worden behandeld die wij doen moeten om het eeuwige leven deelachtig te worden. Daarop volgt de reeds besproken ‘ander sin ende prologus’. Het zou ons te ver voeren wanneer wij hier een overzicht wilden geven van het geheele traktaat; uit wat wij van het eerste hoofdstuk mededeelden, ziet men dat het breed is opgezet en, vergissen wij ons niet, een nader onderzoek en een uitgave wel waard. Meer nog zal dit blijken als wij nog eenige mooie of belangwekkende plaatsen afschrijven en een overzicht geven van de exempelen die er in voorkomen. Van te voren heb ik er nog op te wijzen dat ook hier, evenals in 's Coninx Summe de gebeden in verband worden gebracht met de hoofdzonden en deugden b.v.:
| | | |
Fol. 33 (‘Gheheilighet werde dijn name’): ‘In desen ghebede bidden wi, datmen van ons neme dat gebrec der oncuuscheit ende dat ons die doget der cuuscheit werde ghegheven...’
Fol. 54v (‘Ghif ons...’) ‘... dat vierde ghebet in welken wi bidden, datmen van ons neme dat ghebrec der gulsicheit ende dat ons ghegheven werde die duecht der maticheit.’
Het woord: ‘Die biste inden hemelen’ wordt aldus verklaard:
Fol. 24v: ‘Heilighe menschen werden hemelen ghenoemt om vier propriëtaten, die weselic inden hemelen sijn ende in heilighe menschen geestelic gevonden werden, want die hemelen sijn alre schoenst inden ansien, alre rumest inden omganc, alre vastest inder materien, alre hoechst inder steden.’
Fol. 25: ‘Dat ander dat1) die hemele doet scone an te sien is der hemele geordinierde ende ghemate omloep. Want also als die hemele ordinierdelike ende na maten omlopen, ende nimmermeer omlopen dan na den willen des gheens, die oen doet omlopen, hem inset vander insettinghe hoers sceppers2), also ordinieren ende matigen heilige menschen alle hoer inwendighe ende uutwendige berueringe, dat is siele ende lives naden walbehage hoers sceppers.’
Fol. 44v: ‘Is dan dat vele lude laten hoer stede ende gaen tot veer gheleghene conincriken suverlike menschen te sien ende lantscape ende borge, welker suverlicheit bider hemelscher suverlicheit niet en is dan rost ende duusternisse, warom en wanderen wi niet mit begheerten onses herten ende mit voertgaen gueder werken te sien die suverlicheit des hemelschen rikes?’3)
Fol. 58: ‘Biden honden verstaet men hoverdighe menschen, haetsche ende toernighe menschen, onghelovighen, dat ioden sijn ende heiden ende ketters, die na wisen der honde teghen die onbekende waerheit bleken4). Oec sijn oncuusche gulsighe menschen honde, die na wise der honde te hant na passien toe horen iersten sunden ende toe horen ghewoenliken doerperheiden weder gaen. Oec sijn roevers ende woekeners honde, die na wise der honde dat bloet der arme licken.’
Bij het gebed ‘verlos ons van het kwade’ worden verschillende vormen van kwaad besproken, waaronder ‘oneersame wanderinghe’, waarvan reeds de schijn slechte gedachten verraadt: (Fol. 95v) ‘Want soe men ghemeenliken seghet: hi en sal geen wolves vel antrecken die den wolve niet ghelijc wesen en wil.’ Schuldig aan dat kwaad zijn ‘mannen ende wiven die gherne dansen ende reien, want het en is gheen werc der gueden menschen die hoer lichame also tonen willen te copen’.
| | | |
Fol. 96: ‘Also als Christus uutgherecket was an den cruce in die ere godes, also uutrecken die dansers hoer armen in die eer des duvels’. Verder is ‘die sanc der dansen van den duvel ghevonden’ en zooals Christus zijn ‘canoniken, moniken ende conversen’ heeft, ‘die hem dienen ende singhen inden chore’, zoo dienen zij, die reizangen zingen, den duivel.
Fol. 103v: ‘Amen is een griex of hebreusch woert ende die leerre spreken dat ment menigherhande wijs nemet inder scrijft, want amen is also veel als die waerheit ende in der manieren nemet ment toe vele steden inden ewangeli. Oec is amen also veel als fiat, dat is et geschie. Oec is amen alsoe veel als sonder einde of sonder ghebrec’1).
De korte inhoud nu van de exempelen is de volgende:
Fol. 10v: Van een ‘rustier’, die als een ridder hem helpen wil om zijn ezel op te beuren, zelf geen hand uitsteekt en dan ook door den ridder in den steek wordt gelaten.
Fol. 12: Van een pelgrim, die ‘overmeer’ ging, alle steden bezocht, waar Jezus geweest was en op den dag der hemelvaart op de plaats der hemelvaart gekomen, op zijn gebed door God tot zich werd genomen.
Fol. 23: Een jongeling te Antiochië was verliefd op een heilige maagd, Justina, en daar zij van geen aardsche liefde weten wilde, ging hij te rade ‘tot Syprianum den cokeler’ die den duivelen gelastte den jongeling te helpen. ‘Die duvelen quemen totter maget, hoer dat te raden, nu in gedaente hoerre ammen, nu in gedaente hoerre moeder’, maar worden door een teeken des kruises verdreven.
Fol. 29: Bij een groote Christenmoord ‘toe Lugdunen’ vonden de soldaten 's avonds een vrouw, die uit vrije beweging twee kinderen ‘ter marteliën’ wilde geven, wat den keizer deed nadenken en ophouden met moorden2).
Fol. 31v (uit het ‘Leven der Vaderen’). Een heilig vader vond in de woestijn ‘eens heidens menschen hooft’, dat hem openbaarde, dat het verdoemd was, alléén omdat het geen Christen was geweest, maar dat slechte Christenen veel dieper in de hel zaten dan heidenen3).
Fol. 50v: Een nonnetje had ‘begheerte tot enen ionghelinc’ in zich gevoeld maar durfde dit, toen zij kort daarop doodziek werd, niet bekennen, daar ze als toonbeeld van reinheid door de abdis wordt
| | | | genoemd. Toen zij dood was zag de abdis, die voor haar bad, ‘mit groten gheruusche twee seer swarte duvelen, die hoer nichte lasterlic leiden ende pinichden’ en smeekte haar de ongelukkige niet voor haar te bidden, daar zij om onreinheid van harte rechtvaardiglijk verdoemd was1).
Fol. 51v: Van een ‘monic van Cisterciën’, die oud en zwak was en niet meer vasten kon; met jongeren in een dorp komende, verzocht hij hun brood te koopen, maar zij weigerden. ‘Gaet, sprac hi, in den name des Heren, want ic en mach voertan mit u niet wanderen. Hi toech uut sine cappe ende spreide si oppet water ende voer daermede recht als mit enen schepe tot sinen cloester.’ Door den abt genoopt te zeggen wat de oorzaak van dat mirakel mocht zijn, kwam hij er ten slotte voor uit, nooit iets tegen Gods wil te hebben beproefd.
Fol. 56: Daar dit exempel ook in de Coninx Summe (449)2) voorkomt, laat ik het in zijn geheel volgen:
‘Ho seer gode dat guet der herberghen behaghet, is openbaer daer bi, want somighe menschen, die arme ende pelgrimme herbergheden, hebben gode ende die enghelen ontfanghen, als sent Gregorius in eenre omeliën vertelt3) van enen mechtighe menschen, die toe sinen werscap ontfanghen plach die armen ende water nut oetmoedicheit op haer hande te ghieten ende doe dat eens dede, wert hi des armen, op wies hande hi dat water goet, haestelike quit; ende inder nacht openbaerden hem Christus, ende sechde hem: In anderen daghen hevestu mi in minen leden ontfanghen, mer ghisteren ontfenghestu mi in mi selven’.
Fol. 56: Een dergelijk exempel van een vrouw, die een melaatsche herbergde ‘mer te hants als hoer man te huus quam ende in die camer ghinc, ghevoelde hi seer sueten rueke ende op den bedde en vant hi anders niet dan een seer schone beelde des ghecruusten Jhesu Cristi ghedruct ende ghemaect op dat overste laken, daer die melaetsche mensche op ghelegen hadde.’
Fol. 60: ‘Van enen cokeler doe hi om beden eens klercs den duvel hadde doen comen in ghedaente eens ionghelincs’; als er een priester voorbijgaat met de schel, valt de duivel neer in aanbidding, want hij moet, of hij wil of niet.
Fol. 61: Van een monnik, die op zijn sterfbed een visioen van het laatste oordeel heeft.
| | | |
Fol. 61v: Een zeer eigenaardig verhaal dat ik in zijn geheel afschrijf:
‘Doe een priester misse dede een schoelre1) bi hem stont sach inder pathenen2) inder tijt der brekinge niet ghedaente des brodes mer eens kindes, wes ansicht verstuert ghenoech ende onweerdich scheen. Ende doe die priester dat kint opbuerden, opdat hijt neme, began dat kint sijn ansicht af te kieren ende mit handen ende mit voeten weder te stoten, op dattet vanden priester niet ghenomen en worde, als of dat kint den priester segghen wolde: van di vlie ic, want ic sie in di, dar mi voer gruwelt. Ten lesten is dat kint gesien als ghewelt hebben gheleden ende in des priesters monde meer ghedruct dan ghenomen. Mer doe die schoelre dat selve dicwile ghesien hadde, onder anderen woerden sechde hem die priester: also dicke als ic dat licham christi ontfanghe, mit so groter swaerheit neme ict, dat ics niet verwonderen en kan. Doe openbaerde hem die schoelre, wat hi ghesien hadde. Ic rade di, sprac hi, dattu di beterste. Doe hi hem beterde ende daerna misse dede, sach die schoelre dat kint mit ghevoldenen handen ende voeten haesteliken in des priesters mont gliden.’
Bekoorlijker voor ons is het - overigens bekende3) - volgende exempel, waardoor men de voorstelling der hemelsche vreugde trachtte te benaderen:
Fol. 63v: ‘In eenre abdiën, die int middel eens busches stont, was een monic, die gode vele tides ghebeden hadde, dat hi hem iet gheven wolde te ghevoelen vander sueticheit des hemelschen vaderlandes; ende doe hi eens na der metten inden cloester sijn ghebet sprac, hoerde hi een voghelkijn op enen boem seer sueteliken singen ende allensken vere ten busch wert vlieghende. Ende die monic volgheden den voghelken na doer een duer, die inder mure der abdien was, hent dat dit voghelkijn op enen boem stont ende hi stont daerbi so langhe, dattet ophielt van singhen ende hi ghinc enwech. Doe hoerde hi prieme luden ende ghinc weder ten cloester, mer doe hi doer die duere weder ingaen wolde, vant hise toeghemuert ende als hi die muren des cloesters ommeghinc, quam
| | | |
hi toe der ierster poerten ende hi en bekende den doerwachter niet of iement inden cloester ende hem en bekende niement ende doemen hem vragede wie hi weer, sechde hi hem enen monic der abdiën te wesen ende die na metten uutgegaen was ende doe hi die schelle hoerde om die prime, te hant weder ingecomen was, maer die duer daer hi uutghegaen was, vant toghemuert ende hem dochte dat al die abdië verwandelt was. Ende doemen hem vraghede, wie inder tijt, doe hi uutghinc, abt was (fol. 64) noemde hi den ende si ondersochten die coronike ende opscrift der sarken der abten si vonden dattet hondert iaer gheleden was, dat die monic inden sanghe der abdiën becommert was, mer ten is gheen twivel, dat voghelken en heb een enghel gheweest in alsodaner ghedaente ghesant te vollebrengen die begheerte deses monikes’.
Fol. 71. Van twee blinden te Rome waarvan de eene riep ‘hem is wal gheholpen, den god helpet’ en de ander ‘hem is wal gheholpen, den die keiser wil helpen’1).
Fol. 72. Van een jongen man, die zijn ouden vader wegzendt om samen met zijn vrouw te smullen van een kapoen; als ze den kapoen te voorschijn halen, is hij in een padde veranderd.2)
Fol. 73. Van een woekeraar, die te vergeefs vermaand werd door broeder Hughe van Chasta; in een sermoen riep Hughe hem voor den eeuwigen rechter; voor twee dagen verloor de prediker daarop zijn spraak, ‘doe ontwerp hi ende quam weder toe hem selven’ en wist dat hij spoedig zou moeten sterven, ‘ende hem buert mi haesteliken toe volgen, op dat ic oen daer wroge, daer hi wroechbaer is’. Hij overleed en men vernam, dat ook de woekeraar dood was ‘ende want hi die schult der rechtverdicheit niet en betaelden in desen leven, so wort si hem nu geëischt hent totten uuttersten vierlinghe’.
Fol. 74. Van een vrouw, die op het kerkhof een visioen heeft van de dooden, die haar smeeken, dat ze hen door haar gebed uit het vagevuur zal helpen verlossen.
Fol. 76. De zoon van een gedooden ridder vervolgde den moordenaar en achterhaalde hem op Goeden Vrijdag ter kerke gaande. In naam van Hem die zich niet verweerde wil de vervolgde het zwaard niet trekken; in naam van Hem die vergaf, vergeeft hem de vervolger, die, in de kerk gekomen, door het zich tot hem neigende Christusbeeld wordt omhelsd.
Fol. 77. Van een jongeling, die bad dat de vleeschelijke bekoring van hem wijken mocht en door een andere worden vervangen, en die dan drie jaren vervolgd wordt door een vreeselijken kop met opengesperden muil, zoodat hij zijn neiging tot onkuischheid vergeet.
| | | | Na dien tijd ziet hij in een put het lichaam van een monster, waar dat hoofd zich weer aanvoegde.
Fol. 84v. Van een archidiaken, die een bisschop had doen vermoorden om diens zetel te kunnen innemen; de gehuurde moordenaar openbaarde hem, dat hij een koning had zien zitten op een troon, voor wien de vermoorde bisschop ‘met enen bloedigen hoefde’ verscheen om den archidiaken aan te klagen; onmiddellijk stierf deze1).
Fol. 92. Een bisschop verloste een bezetene. De uitgedreven duivel, in pelgrimsgedaante, roept door de stad dat de bisschop hem huisvesting geweigerd heeft en een burger ‘die den biscop haetsch was’ neemt hem op, maar 's nachts doodt de duivel 's burgers zoon.
Fol. 94v. Van een klerk, die een ‘achterclapper’ was, en na zijn dood aan zijn gezel openbaarde dat hij verdoemd was.
Fol. 95. Een hebzuchtig baljuw werd door zijn heer afgezet en ‘verhinc hem mit enen stricke’. Een monnik zag hem ‘in den geeste in een seer doncker camer ende mit hem twe duvelen die toe sijnre siden bernende colen bliesen ende golt ende silver smeltende, dat hi wilneer den armen ghenomen hadde, ende storten dat in sinen mont ende dat hem beneden weder uutghinc, storten si hem anderwerf in sinen mont’.
Fol. 96v Van een meisje dat dol op dansen was en eens onder den dans in een stormwind werd opgenomen, door duivels gegeeseld werd en dood neerviel op de aarde.
Fol. 97. Van een door zijn vader bedorven kind dat, groot geworden, in de wereld ten ondergaat en gehangen wordt. Op weg naar de galg bijt hij den vader, die hem zoo slecht had opgevoed, den neus af!
Fol. 98v. Een woekeraar, begraven in een klooster, laat de monniken niet met rust omdat hij geen rust heeft in de hel; hij wordt daarom uit het graf geworpen2).
Fol. 98v. Van ‘een deken die in Engelant was’, die een ossenhuid met 1000 pond onder zijn bed had. ‘Dese wart van den doet voerghelopen.’ De duivelen zeggen dat hij voor één hellinc van iedere 100 pond vrij kan komen, maar hun hoofdman wil het geld niet afgeven, om er anderen mee te kunnen verderven. De deken verschijnt aan den bisschop en smeekt hem, uit zijn graf in de kerk te mogen worden genomen want de duivelen plagen hem steeds om die begraafplaats; als men hem opgraaft heeft een padde zijn hart verslonden en met de padde wordt hij nu buiten het dorp begraven.
Fal. 100. Van een ‘sundersche’ die tijdens het sermoen wilde biechten en toen de priester haar zeide te wachten, van verdriet
| | | | dood bleef. Als de priester de gemeente gelast voor haar te bidden, komt er een stem uit den hemel ‘gij hebt veeleer haar voorbidding noodig, want zij had berouw.’
Het is hier de plaats om nog een mooi exempel af te schrijven, reeds door Duflou en Gailliard in hun verslag uit het Eng. hs. 261) afgedrukt, waar het voorkomt aan het slot van een Vrage van dat Pater Noster:
‘Ende dijn gebet saltu altoes doen voor dengenen die du genoten heves ende voer allen kersten sielen. Ende alstu gaetste over enige kerchove so sulste ummer gedencken alle kerste sielen ende spreken dan dijn gebet Het was een clerc die hadde van manieren, so wanneer hi over den kerchove ghinc so sprac hi sijn ghebet te troeste alle der sielen die daer begraven waren. Ende het gesciede, doe dese clerc sterf ende men hem groef, doe die priester seide: “Requiescat in pace”, so riepen alle die sielen die opten kerchove begraven lagen mit luder stemmen “Amen!”.’
Ten slotte heb ik nog te vermelden Een seer goede leeringhe vanden Pater Noster door den reeds boven genoemden ‘meester Godschalc Rosemondt van Eindhoven’ omstreeks 1520 te Amsterdam gedrukt2). Dit ‘cort beduitsel’ beslaat niet meer dan een twintig- of dertigtal octavobladzijden, maar moet genoemd worden, omdat het weer een bewijs is voor de algemeene verbreidheid van het in de Summe le Roi zoo zorgvuldig uitgewerkte schema, dat de zeven gebeden met zeven deugden en ondeugden in verband brengt, al is de bewerking van Godschalc Rosemondt dan ook veel minder ‘subtiel’ en kan ze met de ons reeds bekende in geen vergelijking komen. De gaven van den H. Geest noemt hij niet met name maar hij duidt ze toch aan als middelen om de deugden te verkrijgen. Na den proloog en ieder der zeven gebeden afzonderlijk te hebben uitgelegd komt hij nl. tot het tweede deel van zijn werkje:
‘In dit voerscreven heilighe pater noster staen begrepen .VII. peticiën ende middelen die wij bidden om te vercrijghen .VII. sonderlinge doechden teghen die seven hoeftsonden.’
Er volgen zeven korte capita die tot titel dragen: ‘oetmoedicheit tegen die hoverdie’, ‘charitate teghen die nidicheit’, ‘pacienci teghen die onverduldicheit’, ‘vuericheit teghen die traecheit’, ‘armoede van herten teghen die ghiericheit’, ‘soberheit teghen die gulsicheit’, ‘suverheit teghen die oncuischeit’.
Het boekje over het Pater Noster is een vervolg op zijn andere reeds vroeger gedrukte geschriften, zooals op een der laatste pagina's
| | | | wordt meegedeeld: ‘Van dese voorghenoemde dootlike sonden ende remedien daertseghen ende die maniere om vierichlick ende profitelick te bidden heb ic uwer broederlijcken lieffden wat meer gheruert int ander boeck vander biechten ende in een boecxken van die .VII. bloetstortinghen Cristi Jhesu. Ontfanghet in dancke dese drie boexkens!’
| |
De zeven gaven.
Tot slot van onze misschien al te uitvoerige uitweidingen over de catechetische litteratuur hebben we te wijzen op enkele parallellen van het laatste traktaat onzer Summe, dat er in zekeren zin het positieve gedeelte van uitmaakt tegenover het negatieve karakter, dat aan de behandeling der zonden eigen is: wordt er dáár slechts de nadruk gelegd op al wat men moet nalaten, traktaat 4 heeft er op gewezen dat ‘laten ende haten’ niet genoeg is, dat men de deugd om haar zelve moet liefhebben, traktaat 5 leerde bidden om de gaven van den H. Geest en traktaat 6 beschrijft in den breede, hoe die gaven de zeven hoofdzonden uitroeien en er deugden voor in de plaats stellen, een voorstelling die, zooals we zullen zien, niet in het bijzonder aan 's Coninx Summe, maar aan de middeneeuwsche theologie in het algemeen eigen is1). Het is reeds bekend, dat de theorie van de zeven gaven des H. Geests een belangrijke plaats inneemt in de leeringen van Ruusbroec2); behalve daar vind ik er over gehandeld in een paar sermoenen en bij Dirc van Delf. Uit een sermoen van Bernardus is het volgende uittreksel3):
‘Een sermoen van den seven gaven des hillighen gheestes teghen die seven ondoechden.’
In het algemeen wordt de H. Geest vergeleken hij de wijsheid, ‘die verwint die quaetheit, als Christus, die cracht ende die wijsheit Godes, Satanam tetredet oder sinen voeten’; meer in het bijzonder volgt dan de uitwerking: ‘dat die sevenvoldighe gheest ordinierlike voertcomet teghens die seven graden der sunden. Ende ten iersten comet die anxt godes teghens die versumelheit, want daer wordt die siele mede gheslaghen, die beestlicheit wort wal ondersocht, die consciencie wort te recht gheleit, die scadelike slapericheit wort afgheworpen ende die sorchvoldicheit wort anghenomen. Want soe isser ghescreven: die god ontsiet, die en versume niet, mer hij is sorchvoldich in al sinen werken....’ ‘Teghens dese curioesheit vechtet hartelic die gheest der wetenheit die ons leert dat
| | | |
guede te verkiesen ende dat quade te wraken....’ ‘Teghens die quade begheerte vechtet die stercheit, want der en is anders niet van te comen dan mit groter stercheit....’ enz.
‘Ende als die boesheit dus mit allen wort verdreven soe regniert die wijsheit, ende als se dus die overhant heeft, soe wort die grote onsalicheit, die die scadelike versumelheit toeghelaten hadde, ende die curioesheit noch qualiker verwecket hadde ende dat onderwinden toeghetoghen hadde ende die begheerlicheit vaste hielt ende die ghewoente noch vaster ghebonden hadde ende dat versmaden godes ghekerkert hadde ende die boesheit gheworghet hadde, van den anxt godes weder verwecket ende vander goddiensticheit guetlike ghetroestet ende die wetenheit onderwijst, watter is ghedaen, ende maket droefheit als oer toehoert, ende stercheit richten op ende die raet ontbinten ende dat verstant leiden uutten kerker ende die wijsheit bereit hem die tafele ende spiset die hongherighen mit saligher spisen.’
Veel grooter overeenkomst met de Coninx Summe biedt hetgeen we vinden in het Winterstuk (Cap. XVII-XIX) van Dirc van Delf's Tafele. De inhoud der genoemde hoofdstukken geeft dezelfde hoofdverdeeling als frère Laurent's werk, zender evenwel zoo omvangrijk te zijn en zonder de talrijke excursen die in het laatste worden aangetroffen; trouwens, over de biecht en vooral over de werken van barmhartigheid vindt men elders bij Dirc van Delf nog uitvoeriger traktaten1); hij komt echter daarin met de Summe overeen dat hij eerst de drie goddelijke2) en de vier ‘cardinael’-deugden behandelt. Ziehier wat hij onder de laatste verstaat3):
‘Die heidensche philosophus Aristoteles, meester der natuerliker const, scrivet inden boeck van duechden dat daer sijn vier cardinael duechden ende sijn aldus ghenoemt: justicia, prudencia, fortitudo, temperancia... Ende hiet daerom cardinaeldueehden, want gheliken als een duer wendet in carte4) der henghelen, daer si in hanghet, also wert alle des menschen duechdlic leven in desen vier duechden ghewendet ende regiert... Dese hieten oec burgherduechden, want si burghers leven scicken, cieren, houden, vorderen, meeren ende eren... menschelike duechden, want si mit menscheliken arbeide werden zuerlick ghewonnen ende niet ghestort, als die godlike duechden...’
| | | |
Het begin van Cap. XIX brengt evenals de Somme le Roi1) het woord van Jesaia in herinnering, waarin de leer der zeven gaven haar oorsprong schijnt te hebben:
‘Des heilighen gheests gaven sijn seven, als ons die propheet Isaias heeft bescreven, dat uut der wortel Yesse soude een roede opgaen ende een bloem opclimmen, daerop soude rusten die heilighe gheest des heren, die gheest der wijsheit ende der verstandenisse, die gheest des raets ende der starcheit, die gheest der consten ende der guedertierenheit ende hem soude vervollen die gheest der vresen gods2). Ende hieten daerom des geestes gaven, want si die seven dootlike sonden verdriven, want si die seven natuerlike craften vorderen ende stueren; ende oec want si die seven ouder des menschen opvoeden in wercliken ende in scouweliken leven, als ic al nae segghen sal.
Die eerste gave des heiligen geests is donum timoris, dat is die gave der vresen of des anxtes des heren, ende dese anxt is drierhande: natuerlike anxt, knechtelike anxte ende kintlike anxte. Die natuerlike anxt is een pijn der erfsonden ende wert geboren mitten mensche ende blivet alle tijt sijns levens mit hem, hoe seker dat hi oec wert. Dese anxt heeft alle tijt vrese voer scade sijns levens ende der natueren. Mit dier anxt vreesde Christus te sterven ende scroemde voer den doet. Die knecktlike anxt comt een van liefte sijns selves ghemack, daer hi aen ontsiet pijn ende verdoemnis voor sijn sonden, als een knecht die sinen heer alleen ontsiet om scade of pijn die hi van hem nemen mach; ende want wi alle voor die vierscaer Christi moeten ghepresentiert werden ende loon ontfaen voer die wercken, die wi inden lichaem hebben gedaen, so laetwi die sonden ende dat is een goet beghin der wijsheit. Die kintlike anxt wert ons inghesent vander guetheit des gheeste gods doer een inghesicht sijns minlijcs aensicht in onser sielen gront. Doer den anxt beghint die mensche tontsien, die vrienscap ende heimelike const sijns gods te verliesen. Ende om die te behouden so is hi sorchvoudich ende is voor gode tuchtich mit inhanghen sijnre oghen ende hierom doet hi alleen alle sijn wercken.’
Het meegedeelde is voldoende om te toonen, op welke wijze Dirc van Delf zijn stof heeft verwerkt, en wij schenken ten slotte onze aandacht aan een derde geschrift, waarin een behandeling van hetzelfde thema voorkomt. In het Fundament van der Kerstenre Geloven, zijn er zelfs twee te onderscheiden: een hoofdstuk ‘Van den zeven gaven’ en een sermoen over dit onderwerp. Het bedoelde hoofdstuk schijnt teruggebracht te kunnen worden tot een mij onbekende Latijnsche bron, die ook Dirc van Delf ten dienste stond, zooals blijkt uit het vol- | | | | gende stuk3) waarin men het gespatiëerd gedrukte vergelijke met de aanhaling van zoo even uit de ‘Tafele’:
‘Van den .VII. gaven des heiligen geestes.
Seven sijn gaven des heiligen geestes. Die ierste gave is genoemt een gave ende een geest des anxtes. Met deser gaven wert uut enen mensche gedreven die geest der hoverdiën, want die anxt ende dat ontsien, dat een mensche voer gode heeft ende voer sijn rechtverdicheit, helt1) hem daertoe, dat hij die sunden ende quaetheit scuwet ende dat hi hem2) daer voer hoet, dat hi ghene dinghen en doet, die tegen god sijn ende tegen sijn gebot, of dat god niet op hem verbolgen en werde ende hem wise totter hellen, als hi dede Lucifer ende sinen gesellen ende Adaem ende Even om huere hoverdie.
Hier is te weten, dat die anxt is sesterhande - Die een anxt is natuerliken ende dese anxt brenget enen mensche daer toe, dat hij vreest ende ontsiet alle dinghen, die hem moegen deren an sinen live, ende dese anxte en brenghet enen mensche noch te loene noch te onloene, want het is natuerlick, dat een mensche ten doet ontsiet ende dingen, die hem deren moegen an sinen live. Ende dese anxt is een pine toecomende vander erfsunden ende desen anxt hadde Christus na sijnre mensheit, want hi duchte voer die pine ende voer den doet, dien hi liden soude.
Die ander anxt is menschelike ende brenget enen mensche daertoe, dat hi liever doetlike sunde doet ende gode eer versaken soude, eer hi hem liet dueden, als sinte Peter dede, doen hi onsen here god missaecte ende dervoer enen valschen eet swoer. Ende dese anxt is een doetlike sunde, omdat een mensche mit desen anxt sijn lichaem mint boven god ende bi wilen brenget dese anxt enen mensche dertoe, dat hi liever dede een lichte of een daglijcse sunde, dan hi hem liet doden of dan hi pine lede. Ende dit gevalt bi wilen, als een mensche om anxtes wille visiert een logen, die niement en deert an ere of aen goede onder bedecte woerden, opdat hi of een ander sijn lijf behoude; ende aldus is die anxt een daglicse sunde of een genedelike sunde geheiten.
Die derde anxt is wereltlic ende dese anxt comt enen mensche aen, als hi meint, dat men hem sijn goet wil ontrecken ende nemen ende dese anxt is een doetlike sunde, wanneer een mensche doetlike sundigen om dat sine te behouden, ende desen anxt hadde coninc Herodes, doe hi die kinder dede doden om ons heren wil, wat hi anxt hadde, dat hi sijn conincrijck quijt soude werden, doe hi hoerde seggen, dat den Ioeden
| | | |
een nie coninc geboren weer. Desen anxt hebben oeck die ghene, die valsche sweren of moerden om dat hoer te behouden.
Dese vierde anxt is knechtelic ende dese anxt brenget enen mensche daertoe, dat hi die sunden scuwet ende achterlaet om dat ontsich der pinen ofte des scaden, die hi daerom soude liden, dede hi die sunden. Ende aldus soe laten veel luden die sunden om die pine der hellen ende des vegevuers ende doen goede wercken, niet van minnen, mer om dat si1) hopen die helle te ontgaen ende loen voer hoer guede wercken te ontfaen. Ende dese anxt heit knechtelike anxt, want die knechten ontsien hueren heren in pinen hoer werck te tide te doen ende dien truweliken te dienen, omdat si genen scade noch pine daerom en liden, dien si liden mochten, weert dat si hoer werck versumeden ende ontrouwe gevonden werden, ende dese anxte is alte malen niet quaet, mer hi en is niet volmaect, want hi en coemt niet uut minnen.
Die vijfte anxt heit timor inicialis, een anxt der beginnender gueder wercken. Dese anxt brenget enen mensche daer toe, dat hi die sunden scuwet, niet alleen om der pinen der hellen of om des vegevuers, mer oeck om die minne, die een mensche heeft tot gode, want hi gode mit sinen wercken niet en wil vertoernen, ende dese anxt en hueret der volmaectheit niet toe, want hi dat ene oge heeft op die pine ende dat ander oge op god, ende die sunden daermede niet en alleen scuwet van minnen, die men tot got heeft, mer oeck om der pinen wille, die die sunden na volgen.
Die seste anxt coemt uut gotliker minnen ende reverencien ende werdicheiden, die een mensch tot (fol. 49) god heeft, ende is genoemt een anxt der kinder ende dese anxt brenget eenen mensche tot enen gotliken leven, want si helt enen mensche daertoe, dat hi die sunden scuwet van rechter minnen, die hi heeft tot gode, gelikerwijs dat een goet kint sinen vader ontsiet ende hem onderdanich [is]2), want het sinen vader niet en wil vertoernen ende van hem niet gesceiden wesen. Ende dese anxt is een gotlike duecht ende een gave des heiligen geestes ende een beghin der wijsheit, als David spreekt inden salter, want desen anxt doet enen mensche die sunden scuwen ende helt hem daertoe, dat hi hem liever liet doden dan hi dede tegen got ende sijn gebot of enige dingen daer hi gode mede mochte vertoernen. Desen anxt hadde Susanna, want si [verkoes] liever3) te sterven dan tegen dat gebot gods te doen.’
In het Fundament leest men ‘timor inicialis, dat is een anxt der beginnender gueder werken’; zoo moet ook ‘anxt der kinder’ aan
| | | | ‘timor puerilis’ beantwoorden, bij Dirc van Delf ‘kintlike anxt’; dergelijke termen wijzen er op dat beiden een Latijnsch voorbeeld gebruikten. Van Dirc van Delf, die aanzienlijk bekort en weer - evenals bij ieder der tien geboden - drie gevallen onderscheidt, kan men misschien niet meer zeggen dan dat hij de latijnsche termen in het hoofd had; in zijn eigen krachtige taal, waarbij die van het Fundament mat is en saai, zet hij de onderscheidingen uiteen.
In het Fundament volgt, zooals gezegd is, een Sermoen van den zeven Gaven des H. Geestes1), waarin deze, geheel anders dan in wat wij tot dusver lazen, als de bewerkers van zeven vernieuwingen des menschelijken wezens worden voorgesteld, in uitwerking van den tekst:
‘Lieve broeder pijnt u verniet te werden in den geest uws herten ende trecket aen enen nieuwen mensche, die na gode gescapen ende gemaect is’,
welken raad Paulus, door God tot in den derden hemel ‘opgetogen’ geweest zijnde, aan de menschheid gaf, opdat zij het geluk deelachtig zouden worden dat hij daar aanschouwde. Den Latijnschen (of Franschen) oorsprong herkennen we weer onmiddellijk aan de woordspeling op ‘contritio’ die in het Dietsch verloren gaat:
‘Want het sijn sommige dingen, die vernijt werden mit vilen, mit scueren, mit wassen ende aldus verniet men sporen ende sweerde, potten, ketelen ende ander vate.... alsoe wort oeck die ziele eens menschen verniet mit rechten rouwe ende mit ware biechte... hiertoe brengt die gave des anxts...’
‘Ten anderen male vinden wi een vernijnge inder tijt, want wanneer die winter is geleden ende die koude ende haerdicheit is voerbigecomen, soe beginnet die tijt warm ende suete te werden ende soe spruten die bloemen uut ende die groene blade comen voert uut den bloeme ende die vogele beginnen vrolic te laten ende beginnen te singen....’ (die gave der goedertierheit).
Vervolgens komen: de slang, die haar huid vernieuwt, als symbool van de gave der ‘wetenheit’; het goud, dat zijn glans in den smeltoven herkrijgt, als symbool der ‘starcheit’; havik en sperwer die ‘huer vederen werpen om verniet te werden mit nien vederen’, als symbool van ‘godliken raet’ en eindelijk ten zesde en zevende:
‘... een vernieuwinge in den ogen des arnts, want wanneer die ogen des arnts verdonckert sijn, soe vliecht hi op tegen die sonne ende helt sijn oge recht in die sonne ende van claerheit der sonnen wort dat sien sijnre ogen claerre dan te voren was ende scarper. Aldus wort oeck die
| | | |
ziel des menschen verniet aen hueren sien, wanneer een mensche sijn herte ende sijn sinne keert vander werelt ende hi mitter begheerten sijns herten overtredt alle vergenclike dinge ende vliget op inden hemel tot gode ende neemt alle sine vroude ende alle sijn genuechte in gode ende in Christo, den sone gods, die is die sonne der gerechticheit ende mitter claerheit sijnre wijsheit alle die werlt verlicht heeft ende comt met dien scouwen ende geesteliken aensien des gotliken lichtes totter kennisse der rechter waerheit... (die gave der wetenheit of verstentenisse).’
‘Ten sevenden mael vinden wi een vernieuwinge aen den hirt, want wanneer dat van ouderdom is worden grauwe ende sijn ogen doncker ende sijn hoern van crancheiden niet wel en can gedragen, soe gaet hij tot eenre serpenten ende vecht daertegen ende als hi dat serpent moede heeft gemaect, soe doersteket hi dat mit sinen hoernen ende dodet alsoe ende als hi dat serpent gedoet heeft, soe lecket hi vanden venijnde des serpentes; ende als hi dat fenijn heeft genomen, soe dorstet hem soe seer, dat hi sonder merren loepet totter fonteinen ende drinct ende wanneer hi dan gedronken heeft ende hi daer inder coelt is, soe geeft hi dat fenijn weder over ende soe vallen hem sijn hoerne van sinen hoefde ende sijn ogen werden claer ende aldus wort dat hirt weder ionc. Aldus wort oec die siele eens menschen verniet, wanneer een mensche sijns selves crancheit kent ende mit biechten ende mit rechten rouwe ende mit werken der penitencien desen buesen geest verwint ende van hem drijft ende hi dat fenijn der sunden ende die idelheit der werelt ende die hoerne der wereltliker macht ende der eren ende der rijcheit, daer hi arme lude te voren mede versmade ende verdruckede, van1) hem werpt, ende neemt weder an hoerne der oetmodicheit, der duechden ende der gueder wercken ende doet uut den ouden rock sijns sundigen levens ende neemt weder an een nieu cleet der onnoeselheit ende der rechter gotliker minne ende versmaet alle genuechte sijns lichaems ende en heeft in genen dingen genuechte alleen dan in god. Dese vernieuwinge maket die heilighe gheest in enen mensche mit ener gaven, die geheiten is een gave der godliker wijsheit.’
Ten slotte volgt de toepassing van dit laatste op Paulus, die voorheen mit ‘hoernen der wereltliker macht arme lude ende die vriende ons heren plach mede te stoten’, doch naderhand ‘wart een nie mensche ende een lerer ende een prediker der heilige kerstenre geloeven’.
| |
Des Coninx Summe.
Na lange reizen keeren wij tot 's Coninx Summe terug. Evenals van de Fransche Somme le Roi hebben we de plaats ervan trachten te bepalen door de beschrijving van het
| | | | milieu waarin het werk thuis behoort. We hebben gezien dat ook bij ons de Summe niet eenig was in haar soort; integendeel heeft reeds ons in vele opzichten gebrekkig en onvolledig onderzoek geleerd, welk tal van soortgelijke geschriften onze letterkunde1) oplevert; het heeft ons meer gemeenzaam gemaakt met de behandelde onderwerpen en beter in staat gesteld, ons een oordeel over het werk en zijn vertaler te vormen. Uit tallooze, schier letterlijke overeenkomsten tusschen de vele traktaten, hebben we geleerd bij onze beoordeeling het begrip van persoonlijk werk een weinig op zij te zetten, althans het persoonlijke veeleer daarin te zoeken: hoe de eene schrijver den anderen navertelt, en het bezwaar dat er mocht bestaan tegen het toekennen van een hooge waarde aan Jan van Rode's vertaling, omdat het slechts een vertaling is, neemt daardoor veel kleiner gewicht aan. In Dirc van Delf intusschen leerden wij een schrijver kennen, wiens werk door schoone, grootsche compositie, door zuivere, buigzame taal, door groote bekoorlijkheid een eereplaats in de Dietsche letterkunde dubbel waard is. Maar ook die geheele catechetische litteratuur hebben we, tegen verwachting misschien, leeren waardeeren en er bleek in onze devote litteratuur behalve de mystieken, behalve het geestelijk lied, nog meer te zijn dat mooi is. Welk een diepte dikwijls van gevoel, welk een liefde voor hun geloof, welk een verontwaardiging bij die meest ongenoemde schrijvers, bij die als één ziel hebbende menigte! Hoe welsprekend is toch dat eenvoudige, gewone, kalme Middelnederlandsch, welke fijne verteedering soms, hoe grijpt in weerwil van ons geheel anders denken die taal ons aan, waarin we reeds af en
toe den
klank van den lateren Statenbijbel meenen te hooren! Jan van Rode was die taal volkomen meester: het wil wat zeggen een stuk proza als het volgende zóó het Fransch te hebben nageschreven:
‘Daerom en is dit leven niet dan een versceidinghe ende een overlidinghe, ja een alte corten overlidinghe, want al dat leven des menschen, al levede hi oec dusent iaer, ten is niet een moment of een oghenblic tegen dat ewighe leven te tellen dat sonder einde dueren sal, entwer in ewigher vroechden of in ewigher pinen. Dat soude ons menich keiser, hertoghe, coninc ende grave tughen, waert dat wise horen mochten hoe si nu in der hellen gront leggen ende roepen ende criten ende hulen ende screien, hoe si mitten verbornden aensichten uten stinckenden, duusteren, zwevelighen vlammen ende uten ziedenden ketelen crisen ende segghen: “Wapen! wapen! dat wi ie gheboren worden! Och arm, o wee,
| | | |
o wi ende emmer o wach! Wat baet ons armen onsalighen kattiven nu, dat wi groot, rijc, edel ende machtich onder die menschen gherekent waren, nu sijn wi ewelic ende immermeer in deser pinen! Wi heten der menscen heren ende wi sijn nu des duvels eighen. Al onse weelde is so gheringhe overleden als een wolken, dat mit enen stormenden winde henen iaghet ende als een voghel, die door die lucht vlieghet, want die lucht luket haer weder toe ende men en siet niet slach noch spoor, daer hi ghevloghen hevet. Ons leven is henen ghelopen sonder rusten als een lopende rivier die niet weder en keert. Wi hebben onse tijt snelliker verloren, dan die pijl uut een armborst enwech vloech. Nu worden wi gheboren ende altehant sijn wi doot. Al ons leven en is niet een moment, nu sijn wi in ewigher, eindeloser pinen! Och, al onse vroechde is nu verkeert in screien, wenen ende kermen, al onse blijscap is in ontroesteliker droefnissen ende onvergancliken rouwe. Och ghi berghe ende gi roetsen, wes toefdi, wes verbeidi, dat gi ons arme keitive niet en bevalt? och coemt ende bestort ons alre onsalichste ewighe onsalighen! Och arm och arm, ewicheit sonder einde, wat gruweliker dinc bistu te dencken! Mochten wi onsalighen so veel troestes hebben, dat een steen waer die al aertrijc bedecte ende so dicke dat hi den hemel roerde, ende datter een voghelkijn tot hondert dusent iaren ééns een sticskijn daerof beet also groet als een lijnsaet, als des steens een einde waer, dat dan oee onser pinen een einde waer ende onser martelien - mer neen wi leider, so dese langhe tijt bicant oneindeliken te dencken is, so heeft hi doch een einde, mer onse tijt en heeft nemmermeer einde: als aldus langhe tijt ten einde ghecomen waer so beghint onse pine alre eerst weder op een nuwe! Och rechtvaerdighe strenghe rechter, hoe luttel ende hoe wenich saechstu onse edelheit onse macht aen, doe du totter ewigher verdoemnissen ons veroerdelste! Die tijt dat wi gheboren worden die moet
ewelijc
vermaledijt sijn!”
Dit sijn die liedekijn ende dit is die sanc, die men inder hellen singhet!’1)
Eenige bladzijden verder wordt op de geringe waarde van ‘dit titelic goet: rijcheit van haven, gheluc tot goede ende ander sulc dinc’ de nadruk gelegd:
‘Want waer dit waerachtich goet gheweset, so had die gheware gods soen onse lieve here Ihesus Christus immer ghec gheweset! Want hi versmade al dit goet, eer ende waerlic ghenoecht, rijcheit ende ghemac, ende leet menich groet ghebrec, menich armoede, menich scande ende menighe pine! - Waer oec dit warachtich goet of salicheit, so waer onse lieve here een die meeste onsalichste gheweest die ie ghewas, want hi en ghebruucte des nie van alder tijt, dat hi op aertrike mensche was.
| | | |
Ic en hoerde nie ghesegghen van sijnre groter rijcheit van aertschen goede, van sinen costeliken clederen van flueel1) of guldendoec of anders van borduer ghewrocht! Noch anders van sinen rikeliken ghesmide van gordelen of iuwelen, noch van sinen weigheliken heinxten! Mer ic heb seer dicke ghehoert, dat hi bloots hovets ende barvoets ghinc daer hi wesen woude; of dat hi op een eselinne ghereden hevet, daer een ionc esel na liep. Ic en heb oec nie ghehoert van veel ghesindes of eer of hoecheit, die hi hier hadde! Mer ic hebbe dicke ghehoert, dat hi mit sinen lieven iongheren omme ghinc als die alre minste ende die alre oetmoedichste. Ic en hebbe oec nie ghehoert van sinte Peter dat hi hem iet leghe plach te nighen of enighe van sinen anderen iongheren! Mer ic hebbe wel ghehoert dat hi hem allen hoer voeten wasschede ende droechdese weder. Ic en heb oec nie ghehoert dat hi ie gheseide: hoe diendi mi dus qualiken, ghi sout mi nauwe dienen ende verknapen! Mer ic hebbe wel ghehoert dat hi seide: Ic en bin niet ghecomen om ghedient te wesen mer om selve te dienen. - Waer dese werltlike eer, rijcheit of hoecheit waerachtich goet, so is onse lieve heer voerseit immer ontrouwe ende onghenatuert, dat hise sinen liefsten vrienden neemt ende gheeftse sinen vianden. - Is dit warachtich goet, so waren alle die heilighen sot ende alle die grote gheleerde philosophen, die dit goet plaghen te scuwen ende te vlien als stinckende misse of vulnis - Is dit warachtich goet, so lieghet god ende die heilighe scrift, diese bedroch ende idelheit heten ende netten ende seel ende stricken der duvelen, alst inder waerheit sijn’2).
Jan van Rode heeft zijn best gedaan om de Summe, die ‘hem dochte also nutten boeck wesen die gaern naden geboden gods leven soude als hi ie gelas’ zoo getrouw mogelijk weer te geven, evenwel zonder al te angstvallig woord voor woord te vertalen: ‘wantmen die francsoise woerde’ - zoo zegt hij zelf in zijn voorrede (Con. S. 1-3) - ‘niet al properliken in duitsche en kan ghesetten also si staen, wantet een ander maniere van spreken heeft dan dat duutsche doet als ghi wel weet, so heb ic onderwilen mere woerde daertoe gheset, onderwilen min, mer ic hope dat ic den sinne ende die grote materie heel ghelaten hebbe’. Onze uitgave, waarin de afwijkingen van den Franschen tekst nauwkeurig zullen worden aangegeven, zal bewijzen dat hij daarin geslaagd is; de enkele misvattingen die wij zullen hebben aan te wijzen, zijn bovendien wellicht voor een groot deel aan slordigheid der afschrijvers te wijten, zoowel van die van den Franschen als van den Dietschen tekst; om volkomen zuiver te kunnen oordeelen zou men moeten kunnen beschikken over het oorspronkelijk hand- | | | | schrift van 1408 zoowel als over het Fransche handschrift dat Jan van Rode ten dienste stond, wat nu eenmaal niet het geval is.
Enkele kleine uitweidingen, die in alle handschriften voorkomen, zijn misschien wel op rekening van den vertaler te stellen. Sommige uitingen van den Franschen schrijver herinnerden hem blijkbaar zóó levendig aan dingen die hij zelf in zijn omgeving had opgemerkt dat hij het niet laten kon een hartig woordje eraan toe te voegen. Zoo vinden we een plaats die op het bijgeloof zijner dagen betrekking heeft; bij frère Laurent niets dan: ‘comme font les devines et les sorcieres et les carmeresses’ maar Jan van Rode voegt eraan toe: ‘vanden goeden houden of nachtemerien of onghehueren of beelwitten, daer dese oude wive of pleghen te callen, dat si selve wanen, dattet waer is, datse op beseme te mote pleghen te riden te roocgate uut, of dat die witte vive of die varende vrouwen die wiven uten cramen plaghen te leiden’ (Con. S. 33). Een enkel maal voert hij een persoon sprekende in en verhoogt de levendigheid van reeds den lang niet saaien stijl: ‘een nidich mensche, hoert hi iements scade, hi lacht... hi seghet dat hem also leet is, alsof sijn coe twee calver hadde!’ (Con. S. 50). - ‘Die vierde (sonde teghen den H. Geest) is versmadenisse van penitencien, dat een mensche in sijnre herten denct: ‘Ic en wil dese penitencie niet doen, het is al queteringhe, ic en wil doch die sonden niet laten’, of ‘Wat hevet god mit deser visevasen te doen, mit minen vasten of beden of desghelijcs?’ (Con. S. 56) - ‘Rebelle’ lieden: ‘Wat duvel is dit? wat mach ic gode misdaen hebben? Heb ic teghen die mane ghepist? (167) - “Magret dieus” als die Fransoisen segghen of “Wat duvel is dit” als die Vlaminghen segghen’ (162). In 158 wordt een twist beschreven: ‘apres vienent les maudicions, c'est quant l'un proisme maudist l'autre...’ maar Jan van Rode zet erbij: ‘dan segghen si: Ghi lieghet doer uwes croden
soens1) hals! - Gi lieghet selve te dwars ende te langhes doer uwen kinnebacken! - Dan ist al: Swighet, god gheve u enen quaden rampe! - Swighet selve, god gheve u tvallend evel! - Soude ic u swighen? ic hinghe u liever! ende veel sulker felre woerden’. - De Vlamingen van toen hielden veel van vloeken, als die van nu: ‘die derde manier (van sweren) is datmen dicke sweret van ghewoenten als dese Westvalinghe of die Vlaminghe of dese Fransoise, die selden woert spreken, si en sweren enen eet of twee daer toe! (153) ‘Als iement sweert biden creaturen, als biden lichte dat daar scijnt of biden vier dat daer barnt of biden tanden van mi selven, als die Vlaminc seit’2). Ook kan Jan van Rode niet nalaten even stil te staan bij de ‘quade spelen’ en ‘quade ambochten’ zijner omgeving, onder de ‘taerninc
| | | | spele’ die bij de wet zijn verboden noemt hij: ‘dobbelen, passen, potreinen, wedden ten meesten oghen, coever di wil, puusten, felen, woertafelen, bellef, angancs of spelen sich voor di of hoe ment noemen mach1)’ (101); hij vertelt dat booze priesters ‘pleghen wassen kijnderen te kerstenen of molsvoete onder dat corporael bi den heilighen sacramente te legghen’ (87) en als de Fransche tekst onder hen die ‘quade ambachten’ uitoefenen rekent ‘cil heraut et cil campion et moult autres’ dan noemt hij van die anderen: ‘Wilde ridders die met scarpen glaviën in hemde ende in broec riden, of dese cattenbiters, of dese wijnboeven die den harinc om den cuut braden of ghemeen stove te houden of quade herberghe of dobbelscole of quaecscole of der boeven coninc te wesen’ enz. (100).
De meeste uitweidingen, in den Dietschen tekst te vinden, zijn hier bijeengeplaatst; in ieder geval genoeg om den aard dier toevoegingen te leeren kennen. Alleen blijven nog een paar plaatsen over, die de bijzondere aandacht waardig zijn: het zijn die, waar over de lollaerden2) wordt gesproken en hevig tegen hen wordt uitgevaren. Misschien doet men goed zich te herinneren, dat Bonifacius IX, na ze eerst in bescherming te hebben genomen, in 1396 de bul ‘ad perpetuam rei memoriam’ uitvaardigde, waarin hij de ‘Beggardi, Lullardi et Zwestriones’ aan vervolgingen prijs gaf3). Jan van Rode noemt ze eerst in Con. S. 33, waar het Fransch heeft: ‘comme sont li bougre et li herege et li apostate qui renoient lour foi’, het Dietsch: ‘als die heretici ende die ketters, diemen veel onder lollaerden vijnt’, terwijl hs. Q bovendien noemt ‘dieghene die niet en gheloeven dat onse heere Ihesus Cristus menschelike natuere heeft aengenomen, maer segghen, dat hi hadde een ghevisiert lichame oft als deghene die seiden dat hi mensche was maer gheen god.’ De twee volgende plaatsen komen in alle handschriften van den Dietschen tekst voor:
Con. S. 169: ‘Dese soude (blasphemie) wort in menigher manieren ghedaen als van den ketteren ende onghelovighe menschen diemen veel onder die lollaerden vonden hevet, die doense willens ende wetens’.
Con. S. 2364): ‘Daerom en is oec niement vrij van geest dan die dese vriheit voerseit hevet, dat is die gracie gods, al wanen dese arme bedroghen lollaerden dat si sonder minne of sonder doechdeliken werken tot deser vriheit comen moghen mit ledicheit hoers moets, so si segghen.
| | | | Si heten hem selven vri van gheest, als si des quaets gheestes eighen sijn, want si houden somme dese opinie, wanneer si comen sijn in sulker blintheit, dat si gheen consciencie en maken van groten leliken sonden, so dunct hem dat si vri van geest sijn, want si segghen, hoer lichaem doet sijns vleischs lust, mer hoer geest blivet omberoert daerof. Daerom, segghen si, is hoer gheest vri. Dat is een quade lelike duvellike heresie! het is grote scade, datmen dese vule valsche boeven in enighen lande wonen laet die dese onghelovighe opinien ende die valsce secten onder die menschen saeien. Vergave god dat si alle al rede in der hellen gront waren, die in deser valscer gheloven sterven sullen, opdat si niet meer simpelre menschen tot hem en verdoemden, dat ware grote vrome!
Dit sijn des duvels eighen beesten
Al heten si hem selven die vrie gheesten.’
Ik geloof hiermee nagenoeg alles te hebben bijeengebracht wat in ons Dietsch aan den oorspronkelijken tekst is toegevoegd. Het moge weinig zijn en nog minder nieuws bevatten, ook nieuwe getuigenissen van bekende zaken hebben hun waarde. In de beide andere gedeeltelijke vertalingen komen geen inlasschingen voor; die van het Pater Noster afzonderlijk is letterlijk, de andere iets vrijer; een enkele maal geeft onze Fransche tekst wat meer, zooals uit de uitgave zal blijken, of heeft een onduidelijkheid in het schrift van het origineel aanleiding tot een dwaze vertaling gegeven, als 423: ‘les louve nourrissent les enfans ietes et les defendent des autres bestes’, waarvan de vertaler maakt: ‘die coie voedet die ionghen die wech gheworpen waren ende bescuddense van anderen beesten’!
De twee vertalingen van het vijfde deel der Somme le Roi, de Expositie op het Pater Noster, zijn beide goed, al volgt die van den Utrechtschen Karthuizer het Fransch meer op den voet dan de anonieme Delftsche overzetting. Men vergelijke zelf de drie teksten waarvan ik hier tot slot van dit hoofdstuk een gedeelte laat volgen (Con. S. 268-270):
Miroir du Monde, ed. Chavannes (blz. 250):
‘Quant on met un enfant a l'escole, au commencement on li aprent sa Patrenostre. Qui de ceste clergie veut aprendre, deviegne humble comme enfant. Quer a tiex escoliers aprent nostre bon maistre Ihucrist ceste clergie, qui est la plus bele et la plus pourfitable, quant on l'entent et la retient. Quer tel le cuide bien savoir et entandre, qui onques rien sot fors l'escorce par dehors. C'est la leitre qui bonne est; mais poc vaut au regart du noyel qui est par dedans si doux. Elle est molt courte en paroles, et molt longue en sentence; legiere a dire, et suave a entendre. Ceste oroison passe toutes autres en trois choses: en digneté, en briefté, en pourfitableté. - La digneté en est, en ce que
| | | | Dieu le filz la fist a Dieu le Pere. Dieu, le Sainct Esperit, est ce que on y demande. - Il voult qu'ele fust brieve, pour ce que nul est ne s'escusast de ele aprendre, et pour ce que nul ne fust anuié du dire volentiers, et pour monster que Dieu le Pere nos oist molt tost, quant nos le prion de bon cuer, qui n'a cure de longue riote, ne de paroles polies ne rimees. Quer, si come dist Sainct Gregoire, “vraiement orer n'est pas dire beles paroles et polies, de bouche, mais gecter plaintes et profons soupirs de cuer.” La valeur et le profit de ceste oroison est si grant, que ele enclost a brief paroles quenques on puet desirer de cuer, et requerre de bien. C'est que on soit delivré de tous maus, et raempli de tous biens.’
| Delftsche druk van 1478: |
Utrechtsche vertaling: |
‘Een kint dat men eerst ter scolen set, dat beghinsel sijnre leringhe is: pater noster. Die dan dese clergie wel connen wil, moet hem veroetmoedighen gheliken een kint. Want alsulke scoliers worden gheleert vanden guedertieren meester Jhesu. Dese clergie is die schoenste ende oerbaerlicste die wesen mach, diese wel verstaet ende onthout; mer zommighe wanense wel verstaen ende connen, dier nie woert of en conden anders dan naden loep vander littere van buiten, dat nochtan guet is, mer luttel ist waert, ten si mit aendacht van binnen.
Dese lesse is cort van woerden, lanc inder sentencien ende inder glosen; lichtelic te segghen, mer subtijlic te verstaen. Dit ghebet bovengaet allen ghebeden anders in waerdicheden, in cortheden ende in oerbaerlicheden. Die waerdicheit is, dattet die zoen Gods ghedaen heeft tot God den Vader Het is die sprake Gods met den heiligen geest1). Het is cort omdat hem niemant ontsculdighen en sal te leren ende om dattet niemant |
‘Honeer men een kint ter scolen set, ten eersten so leermen hem sijn pater noster. Soe wie van deser clergien weten wil, die moet oetmoedich sijn als een kint, want alzulcdanige scoliers leert onse goede meester Jhesus Christus van deser clergien die scoenre ende nutter is den menschen, dan enige ander const, wijsheit, die inder tijt is ja die ze wel onthouden ende te recht verstaen. Menich mensch waent dese const die int pater noster besloten is, wel weten ende verstaen, die dair nie niet van gesmaect en hevet dan den bast van buten, dats te weten die letter, die guet is, mar luttel te achten is bi gelikenisse der onbegripeliker zueticheit der corlen die onder der letter als onder enen bast verborgen is.
Dit gebet is zeer cort van woerden, mar lanc van sinne; licht te seggen, mar subtijl te verstaen. Dit gebet bovengaet allen anderen gebeden in dreen dingen: in weerdicheit, in cortheit, in oirberlicheit. Die weerdicheit mercmen dair in dat die enige gods soen dit gebet |
| | | |
| verdrieten en sal dicke te lesen ende gaern, want God die Vader hoert ons haestelic als wi hem mit gueder herten bidden, ende hem en behaghet niet veelheit der woerden noch scone rijmen, want sinte Gregorius seit: Voerwaer dat bidden en leit niet in dat schone spreken noch in popelinge der woerden mitten monde, mer in weninge ende in uutstortinge der tranen uut gueder herten. Dit gebet is oec oerbaerlic, wantet besluit mit corten woerden al dat des menschen herte goets bidden mach, dat is dat een verlost werde van allen quade ende vervolt mit allen goede’. |
zelve maecte en gesproken heeft tot sinen hemelschen Vader. Om ons te leren bidden ende te verwerven den heiligen geest om onser ewigher salicheit die dat guet dat wi begeren ende dair wi om bidden, wanneer wi onse pater noster mit inniger gerten spreken. Onse here die woude dattet cort soude wesen, op dat hem niemant en mocht ontsculdigen van zwaerheit te leren, ende oic dair om dat er niemant verdriet in hebben en soude, veel ende dickwijl te spreken ende sonderlinge te bewisen dat die hemelsche Vader lichtelic ende sonder vertrech onse gebet verhoirt, wanneer wi hem bidden mit gueder herten. Want lancheit ende cierheit der woorden in onse gebeden en ziet God niet an mar alle herten kennet hi. Berou, vuerige minne ende oitmodicheit des herten, daert gebet (is) ons monts sijn oirspronc uut heeft, ziet God an, gelike ons sinte Gregorius leert hier wel om betamelic spreect God doir den propheet Isaias aldus: Op wien sal mijn geest rusten dan opten genen die oitmodich ende vreedsam ende bevende voor mijn sermoen?1) Oirbaerlicheit ende nutscap des gebeeds is so groot, datter mit corten woorden in beslooten sijn alle goeden chemen mit herten peinsen of begeren mach. Dats verlossinge van allen quaden, vervullinge van goeden’. |
|
1)‘ende een schoone lere, hoemen bidden sal, alsmen totten heiligen sacramente sal gaen’.
1)Vrij geciteerd naar Con. S. 1.
2)Moll, Kerkgeschiedenis.
1)Moll, Kerkgesch. II III, 8.
2)
‘Jussio, consilium, consensus, palpo, recursus,
Participans, mutus, non obstans, non manifestans.’
Zie Wetzer und Weltes Kirchenlexikon.
3)
‘Clamitat ad coelum vox sanguinis et Sodomorum
Vox oppressorum, merces detenta laborum.’
Men vergelijke het artikel ‘Himmelschreiende Sünden’ in Wetzer und Weltes Kirchenlexikon.
4)Wat de catechese in Duitschland in de 15de eeuw omvatte, leert Geffcken, blz. 21, 22.
3)Hs. Oxford; zie Moll, Kerkhist. Archief IV, blz. 267 en de uitgave van Snellaert.
4)Jonckbloet, Mnl. Dichtk. III, 271.
5)Blommaert, O. Vla. Gedichten III, 75.
1)Meestal wordt er zelfs geen poging gedaan om de Latijnsche namen der zonden in 't Dietsch weer te geven.
3)Een soortgelijke reeks van zulke traktaten uit het Hulthemsche hs., in Vad. Mus. II, blz. 373 vlg.
5)v. Vl., blz. 63, alwaar laatste regel met hs. te lezen is: verdoemnissen; blz. 64 regel 24 hs.: bereet; regel 26 hs.: abolghe.
6)v. Vl., blz. 65; enkele verbeteringen: regel 2 hs.: minnentlike; regel 6 hs.: moruhertich; r. 27 hs.: verstendicheit; r. 22 hs.: vijfte; blz. 66 r. 4 hs.: roekeloes.
7)‘Wan welich mensche vierzehn jar alt wirt’, zegt broeder Berthold (Geffcken t.a.p.) ‘und kan er daz pater noster nich, man sol ez an ein velt legen’.
1)Hs. Weenen, Hofbibl. 2725.
2)Zie Schoengen, Die Schule von Zwolle, blz. 107.
4)Straatsburg 1554; zie Moll, Kerkhist. Archief I, blz. 72.
5)Zie beneden bij ‘De tien geboden’.
6)Campbell 1571, 1572, 1573.
1)Een aan Gerson toegeschreven werk, zie Moll, Kerkgesch. II III, 12, 13.
2)Zie Hst. IX, Bibliografie, beschrijving van hs. B. Zoo ook Dusseldorf: ‘ende dit boeck is gemact ende getagen uut compendio sacre theologie ende summa viciorum....’ Deze summa zal wel de ook - blijkens Sanderus, Bibliotheca Belg. Manuscripta - in de Nederlanden veel verspreide, in ons hst. II genoemde, Summa van Guillaume Perraud
zijn.
1)Vgl. Hst. IX, Bibliografie.
3)Borchling, Mittelniederd. Handschriften in Norddeutschland und den Niederlanden, beschrijft Geffckens hs. op blz. 123 en het Leidsche op blz. 216.
4)Geffcken, slechts op den titel afgaande, die wel geschikt is om verwarring te stichten, spreekt van verscheidene Middelnederlandsche drukken, doch rekent daarbij ten onrechte den ‘Spieghel ofte een reghel des Kersten geloefs ofte der Kersten eeuwe’ (waarvan Campbell 1586-1589 vier drukken opgeeft), een veel kleiner maar belangrijk ‘suverlick boecksken’.
1)Moll zegt iets van den schrijver in zijn werk: Kerkg. II II 382, II III 12.
2)Hs. der Kon. Bibl. X 53.
1)Men vergelijke b.v. den Dietschen Lucidarius.
2)En vervolgens maakt zij, dat hij...
3)Andere hss. b.v. X 53: waerdighe lieve edel heer.
6)‘ende also als ic woude iu te dienst staen’ is het vervolg op ‘opdat ic iu moghe leren’; wat er dan volgt: ‘dat ghi dese tafel hebben somwijl in iuwer hant’, hangt af van ‘so heb ic iuwer eren ghemaect een tafel’. - Voor de 2e ps. mv. op en vgl. Franck, Mnl. Gr. § 130, 7.
1)Versta: opdat gij voor de oogen van Gods almacht, die gij vreest, moogt bedenken, enz. X 53 heeft echter: die ghi vruchten ende bedencken selt; blijkbaar een bedorven lezing.
1)Aangevuld naar den titel in den tekst zelf.
2)Deze regel bewijst, voor zoover nog noodig, dat winter- en zomerstuk onafscheidelijk bij elkaar behooren. Vgl. ook plaatsen in cap. 43 van het Somerstuck, waar we lezen: ‘die seven gaven des H. Geests dair ick in dat ander boeck een capittel hebbe of gescreven’ ‘die seven doodlike sonden, daer ic in dat ander boeck een capittel of gescreven hebbe’.
3)Vgl. beneden bij de bespreking van een ‘Sermoen van den zeven Gaven’ uit het ‘Fundament vanden Kersten Gelove’, waar we lezen van een ‘vernieuwinge inden ogen des arnts’.
1)‘Het werk van den edelen arend wil ik toonen in de materie, die als 't ware groeit in den zomertijd, den tijd der genade, in het land dat is ons kerstengeloof.’
2)Kort daarna, iets verder (?).
5)Wij zouden zeggen: ende lesen ende vergaderen.
6)Het bij Van Vloten afgedrukte wordt voorafgegaan door deze inleiding: ‘Die derde rubrica des sonnendaghes in midvasten is genoemt dominica in rosa, dat hiete die sonnendach in rosen; want op dien dach onse aertsche vader die paeus mit groter hoechtijt wiet een gulden rose ende als hi die in sijnre processien omgedraghen heeft, soe ghift hise mit groter waerdicheden ende benedixie den vroemsten ridder, die teghenwoerdich in syn hof is, ende die ridder sit op sijn ghereid mit alle sijnre cierheit mitten heerscappen ende vorsten ende volck ende voirtse om alle die stat ende van dier tijt soe is die ridder in alle den hove te eerliker ende te waerdigher.’ Groote overeenkomst met de symbolische verklaring dier Gouden Roos biedt de nog heden bekende van de ‘Passiebloem’ (Passiflora) die in de 16e eeuw in Europa bekend werd.
2)‘Die letanie beduut alsoe veel als bidden, begheren of eisschen, ende die twerehande, die meerre letanie, ende die houtmen nae paesschen op St. Marcus dach, ende die minre letanie, diemen hout drie daghen voir ons [heren] hemelvaerts dach.’
2)... ende hoe Willem van Hollant was gecroent ende vanden regulen die den ridderen toehoren sel’. De tekst leert dat de inhoud bij vergissing tweemaal wordt opgegeven; van Willem van Holland wordt slechts terloops gesproken.
3)Over teekenen, die het laatste oordeel zullen voorafgaan, zie Vos, De leer der vier Utersten, blz. 158 vlg.
2)In het Haagsche hs. V 55 staan tusschen den Dietschen tekst telkens opschriften als; Decima questio; Miracula X; etc.
1)Verslag van De Flou en Gailliard, 1895.
2)De naam van den auteur wordt niet vermeld in den catalogus.
1)Dezelfde zeer gewone voorstelling in het Haagsche hs. der Dietsche Doctrinale AA 69.
2)De auteur Dirc van Delf wordt er niet genoemd.
2)Moll noemt als Latijnsche werken over den dekaloog door Nederlanders geschreven: Niders Praeceptorium, Hendrik van Herp's Speculum Aureum en Johannes Beets' Praeceptorium.
3)Zie Geffcken, Beilagen blz. 206.
4)Zie zijn Boekzaal der Nederduitsche Bijbels, blz. 224 sqq. en blz. 301-306.
+van a.m.w. en onderwijnde di tw.
1)B.v. door Bonaventura. Vgl. ook Mattheus XXII: 37-49, en zie boven waar over Dionysius den Karthuizer wordt gesproken.
1)Een bijzonder onhandige berijming is te vinden in de vertaling van Gerson's Opus Tripertitum, Campbell 802.
2)Hier eindigt het versje in den Spiegel, waar ook het opschrift ontbreekt, dat het ww. altijd in den 2en pers. meerv. heeft en het 7e geb.: vliet onc.; het 8e: ende v.g. so wel; het 9e: Geert niement betgenoet.
4)Reeds gedrukt bij Lelong, Amst. 1732, blz. 305, naar dit handschrift.
5)Zie de uitgave van Bisschop en Verwijs, blz. 6-12. Het gedicht telt 625 regels.
1)Regel 75 sqq. Dat de opvatting van W.v. Hildegaarsberch meer verbreid was in de Middeneeuwen, leert eene plaats in den Spiegel der Sonden, ed. Verdam.
2)Met voorbijgang van het korte traktaat bij Van Vloten op blz. 61 (uit hs. AA 69 der Kon. Bibl.) en van een kort traktaat uit het Hulthemsche hs. (N o. LXI) uitgegeven in het Vad. Mus. II, blz. 424.
3)3e reeks, 5e deel, blz. 239.
4)Een nummer wordt niet opgegeven.
1)In 1510 verscheen, en later nog herhaaldelijk: ‘Das Buch Granatapfel.... mitsampt ausgang der kinder Israhel’. Allg. D. Biographie 8, blz. 514.
2)Hs. 133 F 5 (zie het verslag van de Kon. Bibl. over 1897, blz. 33, N o. 49) bevat een tekst die overeenkomt met dien der hss. C en D, in ‘De Vrije Fries’ op blz. 246 beschreven. - De opgaven van Geffcken worden door v.B.W. aangevuld. - Nog vergelijke men wat de heer O. Spitzen schreef in De Katholiek van Mei 1887 (dl. XCI), blz. 293.
1)Blijkens een door Geffcken uit een ander hs. geciteerde plaats (blz. 42) was hij een minderbroeder.
2)Niet vermeld bij Geffcken. Het is van 1456 en behoorde eenmaal aan ‘Johan Greve zo Nasouw zo Vyanden und Marien van Loen sijnre huysfrauwen’.
4)Wij bespreken hier den uitgegeven tekst. Zeer waarschijnlijk zullen de andere hss. zeer belangrijke varianten opleveren.
1)Een allermerkwaardigst exempel, dat slechts in enkele der hss. voorkomt en in De Vrije Fries op blz. 302 is gedrukt, verhaalt van Martirius, die, een melaatsche vindende en op zijn schouders torsende, bevond dat hij Christus droeg, ‘ende hi seide oec mede, doe hi hem droech, dat hi niet en woech, ende dat en was geen wonder, want hi den genen droech die hem droech.’ Het exempel is ontleend aan Gregorius. Een tegenhanger van St. Christophorus!
2)Afkomstig van Moll, die het o.a. citeert: kerkg. II I 380, 3.
3)Afkomstig uit het Roode Klooster. De bewerking is daar eenigszins anders: het traktaat bestaat er uit 18 capittelen ‘die bequamelec gedeelt moghen werden in viere oft vive paercele’; met cap. VI begint het eerste gebod.
4)Er is een Raymundus van Sabunda, Spaansch theoloog, schrijver eener theologia naturalis, 1430-1432 professor te Toulouse; zijn werk is o.a. te Deventer gedrukt en sluit zich aan bij de methode van Raymundus Lullus, den scholasticus van Spanje (doctor illuminatus) † 1315.
5)Hostiensis, waarschijnlijk Henricus de Segusio, bisschop van Ostia, schrijver eener Summa Aurea, zie Geffcken, pag. 28, en het reeds genoemde Kirchenlexikon.
1)Zie boven. Het citaat is uit hs. X 52, fol. 88 v. Het geheele traktaat in het Middelnederduitsch is gedrukt bij Geffcken, Beilagen, blz. 89.
1)Zie de bespreking van het eerste traktaat der Somme in den oorspronkelijken tekst boven, blz. 34, en vgl. traktaat B in De Vrije Fries van 1890, blz. 310.
2)Een mnd. tekst met hetzelfde begin wordt genoemd door Borchling, Mittelniederdeutsche handschriften, blz. 120.
3)Slaat dit misschien op de vrije geesten?
4)Hs.: die doot sonde. Dat het verbreken der geboden zonde is, spreekt echter van zelf; de bedoeling is, te leeren, dat het doodzonde is.
5)Vgl. beneden blz. 134, bij Dirc van Delf; Nieuwe Doctrinael 1929 vlg.
1)Wie deze kwestie verder onderzoekt, zie ook Lelong, Boekzaal 301-306.
2)Ned. Prozastukken, blz. 61.
3)Afzonderlijk in hs. Brussel 3026-'30, waar de tekst bovendien schijnt te zijn uitgebreid.
4)De Middelnederduitsche vertaling van Johann Geiler van Keisersberg vindt men bij Geffcken, Beilagen, blz. 30.
1)In het Boek van den Geesteliken Tabernacule, cap. CLIII, handelt Ruusbroec ‘vander Bediedenisse der II steinene tafelen’.
1)Waarsch. geldzak; zie Harrebomee 2, 489 a (op zak) en Tuinman ald. aangeh.
2)Hs. iodinne, var. godinne.
1)Hs. hemelet, var. heimelic.
2)Hs. die, var. dien. Uit slecht gelezen dan zal dien en daaruit die zijn voortgekomen.
4)Tot dusver in het Middelnederlandsch niet opgemerkt.
1)Ook Acquoy, het klooster Windesheim, I 301. noot 5, noemt preeken over de tien geboden.
1)Men merkt op, dat hier het 9e en 10e gebod weer bijeengevoegd worden. Evenzoo bij Willem van Hildegaersberch.
2)Intusschen schijnt het hier besproken boek slechts een gedeelte van een nog veel uitvoeriger werk van denzelfden titel te zijn dat in het Duitsch voorkomt; zie Geffcken en het proefschrift van De Vooys.
3)Campbell 1543-1547. Mijn citaten zijn uit Campbell 1544. (Utrecht 1479.)
1)Hebben wij hier werkelijk met een zelfstandige Dietsche vertaling te doen, of is ons Dietsch slechts een omzetting van de Duitsche ‘Seclen Trost’, waarover Geffcken handelt? Een nadere vergelijking met de groote en de kleine ‘Seclen Trost’ zal dit moeten leeren.
2)Waarschijnlijk wordt die van Guillaume Perraud bedoeld.
3)Vgl. hs. M van de Coninx Summe.
1)Volgens Te Winkel tot dusver slechts bekend uit Utenbroeke's tweede partie van den Sp. Hist. VII, 1-39. Wellicht ontleende der Sielen Troest het verhaal aan Vincentius, daar de Spiegel der Historiën als bron genoemd wordt. Echter vind ik Barlaäm ende Josaphat ook in het Eng. hs. n o. 18 (verslag van Gailliard en Duflou), waar het begin luidt: ‘Barlaäms Historie screef Johannes Damascenus’. Men raadplege verder dr. Warren in het Programma van het Erasmiaansch Gymnasium voor 1899.
3)Zie beneden in ditzelfde hoofdstuk.
4)Con. S. 521. Zie de behandeling van dit exempel boven blz. 59.
5)Niet genoemd door Hoogstra, Dietsche Prozabewerkingen van den Alexander.
6)Enkele zal ik nog kunnen aanhalen bij de bespreking eener ‘Exposicie op het Pater Noster’ zie beneden.
2)Een berijming uit het hs. der Dietsche Doctrinale werd door Lelong uitgegeven, Boekzaal blz. 298. Een andere vindt men in Cap. 43 van het tweede boek van den Lekenspiegel.
4)Vgl. de biechtformule ‘Van gelove’. Vad. Mus. II 420.
1)Vgl. v. Otterloo, Joh. Ruysbroeck, 1896; blz. 168.
2)Men vergelijke de ook in Van Vlotens Ned. Pr. (blz. 40 sq.) opgenomen stukken vooral met Con. S. 190.
1)In Vad. Mus. II, blz. 420 vindt men onder den titel ‘tGelove’ de twaalf artikelen met een er aan vastgeknoopte biechtformule uit het Hulthemsche hs. (XLVI).
2)In Cap. V, dat over het 1e gebod loopt, is sprake van hen ‘die in haer siechte of noot raet nemen aen tovenaers of boeters, hanghende aen den hals scriften of briefkijns’. Vgl. Mnl. Wdbk. op boete (5); in het traktaat Vrije Fries blz. 310 staat: ‘menigherhande boecen (lees met de andere hss. boeten) der quenen’.
1)Aanneemt, voor lief neemt.
2)Ook dit geheele stuk zou elders bij de bespreking van het eerste gebod een plaats gevonden hebben, vgl. het boven (blz. 131) gegeven citaat uit hs. Weenen Hofb. 2725.
1)Hs. horalogi. De afschrijver wilde het woord misschien in verband brengen met hora.
2)Zie Mnl. Wdbk. ‘mi genoeget’.
3)Zooals bekend is onderscheidde reeds de Oudheid vijf zinnen, vgl. Cicero, de Natura Deorum II 56 vlg.
1)Verder in Con. S. 406, in het ingelaschte traktaatje over de biecht.
1)Nog korter in het Hulthemsche hs. (LXII), zie Vad. Mus. II, blz. 426: ‘seven sonden sijn daer alle de sonden ave comen’. De vierde wordt daer ‘trecheit’, de zesde ‘overaet ende overdranc’ genoemd.
1)Men denke aan dgl. voorstellingen in Dante's Hel, Canto I.
3)Vgl. Mnl. Wdbk. op leven, trans., 2.
1)Hs. wesen is so; var. wesen so.
1)Vgl. Mnl. Wdbk. I, 1051 onderaan: ‘houden bezet’.
2)Hs. Belsebuc; V 55: Belsebub.
3)En dat al wat in zijn hoede is, ook begraven, weggestopt en verborgen is.
4)Want allen zonder onderscheid streven zij.
1)Vermeerderaar? In Hildeg. beteekent Toeleggen: volbrengen, in orde maken, gereed maken (ook Lsp. gls.).
3)Dienen = opbrengen, vgl. mnd. denen ‘als Pflicht geben, leisten’. - ‘Al wat volmaakt is (= al wat goed is) komt voort uit het hoofd’.
1)Van fol. CVIII tot fol. CXXXV v vindt men het ‘bok der ewigen wijsheid’ van Suso.
3)Men zie ook: W. de Vreese, Ruusbroechandschriften blz. 353 vlgg.; hs. Brussel 2087, waar exempelen over de zeven hoefdsonden voorkomen. Dat er nog veel meer aan het licht zal komen, is te verwachten.
4)Mij door den heer De Vooys bezorgd.
6)Hi van hoverden vermijdt.
1)Dat es gramscap. Ende gramscap heet een haestighe tornicheit van sinne ieghen enen anderen.
3)Verouderde verbolghenheit.
3)Dezelfde zeven onderscheidt mr. Godschalk Rosemond van Eindhoven in zijn Biechtboek, zie beneden blz. 159.
7)Deze rubriek ontbreekt.
1)Volgens mijn aanteekeningen heeft het hs. ‘prijsent’.
2)Een exemplaar is voorhanden in de Kon. Bibl. Over een vervolg op dit boekje zie het hoofdstuk Pater Noster.
1)Ook vergelijke men het reeds aangehaalde stuk uit het Hulthemsche hs., gedrukt in Vad. Mns. II, blz. 420.
2)Een soortgelijke behandeling van de biecht, om dezelfde reden voor den geschiedvorscher van gewicht, vindt men in een boek over de ‘VII sacramenten’, gedrukt te Leiden bij Jan Severs in 1504, en in een exemplaar, waaraan blaadjes ontbreken, voorhanden in de Kon. Bibl. Zie de beschrijving van den druk van 1504 van de Coninx Summe in Hoofdstuk IX.
1)Zie het volledige citaat beneden.
2)Vgl. Con. S. 107: ‘Waerom plucken si hoor wijnbrauwen’.
3)Herhaaldelijk is in dit boekje sprake van priesters, die vermomd en verkleed zich aan wereldsche vermaken overgeven.
3)Vgl. vooral over Accidia: Wijbrands in Moll en de Hoop Scheffer's Studiën en Bijdragen, II.
1)Personen van ander geslacht.
2)Over simonie zie boven.
3)Zie onder ‘Bibliografie’ de beschrijving van Campbell 446 en van Mazarine 1283.
1)In Wetzer und Weste's Kirchenlexikon vind ik een beroemd traktaat ‘De Arte Moriendi’ van kardinaal Capranica vermeld.
3)Over beide boekjes zie men boven blz. 80.
4)‘In ipso articulo mortis’, oogenblik.
2)Van denzelfden schrijver werd ook een ‘Dialogus inter rationem et conscientiam’ hier te lande gedrukt, Ca. 1222. Mattheus van Krakau (1335-1410), geboortig uit Pommeren, was bekend als theoloog en als staatsman, beurtelings bisschop van Worms, professor te Heidelberg, gezant op het Concilie van Pisa. Als geschriften van zijne hand worden opgegeven: De Consolatione Theologiae; De Modo Confitendi; de Puritate Conscientiae; de Corpore Christi; de Celebratione. Op zijn naam, maar zonder dat men die afkomst bewijzen kan, staat De Arte Moriendi, het door ons besproken traktaat. Zie Wetzer und Westes Kirchenlexikon.
3)Vgl. hiervoor Roskoff, Geschichte des Teufels, I, Der Teufel im 13ten Jahrhundert, passim.
1)Deventer hs. 54 bevat een traktaat ‘van connen sterven’ dat aldus aanvangt: ‘Een meester secht dat een mensch niet en soude nemen dat ganse eertrike, al waert van golde’.
2)‘... aen die oude zijde bij die Papenbrugghe in die Kerckstraet bi mi Daen Pietersoon in Enghlenburch’. - Dit tractaatje werd geschreven na het bovengenoemde biechtboek van denzelfden auteur, dat er in wordt aangehaald.
3)Er worden beschrijvingen gevonden van de gruwelijke beesten die in de hel leven maar ook uitingen als deze: ‘ In die helle en is geen hope noch gheloove ofte liefte ofte vrientscap’.
2)De houtsneden in Ca. 1619 zijn voor een deel, blijkens aanteekening in het exemplaar der Kon. Bibl., uit een druk van ‘de Vier Utersten’ overnomen.
3)Dat ik evenwel niet heb kunnen raadplegen.
1)Con. S. 268 (volgens den druk van 1478) vgl. hs. Deventer 8, fol. 2, waar ongeveer woordelijk, en Kon. Bibl. 133 F 27 fol. 89 v, waar eenigszins anders dezelfde gedachte staat uitgedrukt.
2)Boekzaal I, 297 (uit hs. D. Doctr.). Men vergelijke ook Vad. Mus. II, blz. 418 (Hulthemsch hs.).
3)In getijdenboeken komt soms een reeks gebeden voor ‘die .L. paternoster’. Over de beteekenis van het pater noster in den eeredienst spreekt Moll, Kerkgesch. Zie register.
1)Vgl. met de in noot 1 van de vorige blz. bedoelde plaatsen de laatste woorden van Cap. XLI: ‘Al sijn die woorden clene, die sin is groot ende rene.’
2)Hermannus de Petra de Scutdorpe, Sermones quinquaginta super Orationem Dominicam, Campbell 919 en 920.
3)Zie Moll, Kerkgeschiedenis II III 25, 26. Over een Dietsche vertaling zie het proefschrift van De Vooys, blz. 55.
4)Ducange geeft palitium naast palatium.
3)Uitgegeven door Lelong (aan wien hs. M heeft toebehoord), Boekzaal I, blz. 227.
5)Voor ‘er was ereis’, mnl. ‘het was’, vind ik in Der Sielen Troest steeds: ‘dat was’.
1)Hetzelfde traktaat wordt beschreven in het Jahrbuch für Niederdeutsche Sprachforschung, X, blz. 19, als voorkomende in het 15de-eeuwsche papieren hs. Arnswald 3141.
1)Versta: En Hij in ons moge heerschen. Vgl. Con. S. 285.
1)Vgl. de laatste woorden van den proloog, beneden.
2)Dienstwillig, met aanbieding van dienst, zoodat men zich geheel te iemands beschikking stelt (vermoedelijk vertaling van lat. officiose).
1)Bekend uit den Bestiaire van Philippe de Thaon, die ze weer aan den Physiologus ontleende, zie Petit de Julleville I, II, 169. Het beeld van den pelikaan werd vroeger en later door velen uitgewerkt; vgl. o.a. Moll, Joh. Brugman II (blz. 161 en noot) en Alfred de Musset, Nuit de Mai.
2)Deze zinsnede is mij niet duidelijk.
3)Vergelijk de voorrede van Der Sielen Troest.
4)Hetzelfde als ‘bloken’ (blaffen).
1)Vgl. de slotwoorden der ‘corte bedudinge opt pater noster’, boven aangehaald.
2)Dit is ‘een exempel vander ierster eerden dat is vander iersten ondersaten’ en daaronder verstaat men ‘die prelaten ende die ondersaten die inder ierster kerstenheit waren, die also met der minnen cristi waren ontsteken...’ dat zij, zooals één folio verder staat ‘toe der marteliën liepen als een hongherich mensche toe der werscop’.
3)Hetzelfde exempel in ‘der Sielen Troest’, fol. 32 (‘Sinte Macharius ghinc..’).
1)Een andere lezing van hetzelfde verhaal treffen we aan in het Sterfboeck (Ca. 1619) fol. 126. De voorstelling is daar ruwer, er is sprake van ‘ene nonne die seer oncuusch was’, een kind ter wereld bracht en dat versmoorde. Later verschijnt zij aan de abdis ‘ende hadde een cleen kint in horen armen dat anders niet en sceen dan oft een gloiende coel viers hadde geweest’.
2)Bedoeld op blz. 50, noot 1.
3)Ook in Con. S. wordt St. Gregorius als bron genoemd.
1)Scholieren moesten zingen in de kerk maar scholares zijn ook novitii monachi en klerken, geestelijken van lageren rang, die de priesters bijstonden in den dienst of dien voor hen waarnamen, zie Ducange in voce.
2)De patenen waren kleine doorgaans ondiepe schotels voor de hostiën en dienden tevens als deksels voor de kelken. Gouden, zilveren en vergulde patenen waren geenszins zeldzaam (Moll, Kerkg. II III 160).
3)Het exempel van den monnik en den vogel behoort onder de oudste die in Fransche preeken voorkomen: men vindt het in de Fransche teksten van het werk van Maurice de Sully op den derden Zondag na Paschen, zie Lecoy de la Marche blz. 376. Over vijf andere Dietsche lezingen is gehandeld door De Vooys in zijn proefschrift op blz. 42 vlgg.
1)Vgl. Vad. Mus. I 45-47 ‘Een bispel van II blinden’.
2)Vgl. Bijenboec (v. Vloten Ned. Prozast. blz. 294).
1)Een dergelijk exempel in Der Sielen Troest, fol. 110.
2)Een dergelijk exempel in Der Sielen Troest, fol. 157 v.
1)Het hs. is van 1465 en bevat een stuk van het Passionael.
2)De Kon. Bibl. bezit een exemplaar (D.K. 14).
1)Men zie ook de citaten uit een traktaat, dat in hs. K der Coninx Summe voorkomt, in het hoofdstuk Bibliografie; ze waren te kort om stof voor een afzonderlijke bespreking te leveren.
2)Van den Geesteliken Tabernacule, cap. XXIV-XXXI; uitvoeriger: Van den Rike der Ghelieven, cap. XIII-XXXVI; Chierheit der Geesteliker Brulocht, cap. LXIII-LXIX.
3)Ontleend aan het Haagsche hs. 133 F 27, fol. 33-36.
1)Winterstuk cap. XXVIII-XXX, Zomerstuk cap. XXII-XXVIII.
2)Zie over deze b.v. ook Ruusbroec, van den Geesteliken Tabernacule, cap. XVI, en een hoofdstuk in het Fundament.
4)De ijzeren bus waarin de pin van het hengsel draait? Deze beteekenis zou overeenkomen met de door Kiliaen opgegevene, zie Mnl. Wdbk. op kerte. Het woord zal echter gekozen zijn omdat het in klank met cardo overeenkomt.
1)Afgeschreven uit hs. V. 53 (B der Con. S.) fol. 48.
1)Meermalen is al gewezen op de Latijnsche geschriften, die ook op het gebied der catechese aan de Fransche en Dietsche voorafgingen. Ik herinner hier nog aan het door Moll (kerkg. II II 275) beschreven Liber Floretus.
1)Vgl. ‘croden kinderen’ (‘beroerde kerels’) Mnl. Wdbk. III 2116.
2)Blijkbaar heidensche herinneringen.
1)Over sommige dezer namen van spelen later meer, in het Glossarium.
2)Con. S. 47 wordt gesproken van menschen die uit valsche schaamte niet vroom durven zijn ‘want die werlike lude segghen souden hi begonne te lollen, hi weer een pilaernbiter of een lollecater (P en D: lollaert)’.
3)P. Fredericq, Gesch. der Inquisitie, II blz. 147.
4)Deze passage ontbreekt in hs. P.
1)Toevoeging van den vertaler?
|
|