Naar het handschrift der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden.
Naauwkeurig afgeschreven en met ophelderende aanteekeningen voorzien door
A.C. Oudemans, Sr.
lid van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden, en van de Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen.
De Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden bezit, onder meerdere Handschriften, ook een bundel, waarin zes verschillende stukken, allen op perkament geschreven, voorkomen. Deze zijn: 1) de Roman van Ferguut ende Galiene, 2) de Roman van Floris ende Blancefloer, 3) der Ystorien Bloeme, 4) de Fabelen van Esopet, 5) die Bediedenisse van der Missen, 6) die Dietsche Doctrinale.
Deze verzameling, vroeger aan den met lof bekenden Balthazar Huydecoper toebehoorende, kwam, door aankoop, in 1779 in het bezit van Mr Z.H. Alewijn, die haar in 1783 aan de Maatschappij vermaakte. Sedert dien tijd hebben onderscheidene letterkundigen, welke dien letterschat in handen kregen, het wenschelijk geacht, dat de daarin vervatte stukken, door den druk zouden bekend en verkrijgbaar gemaakt worden. Hij, die ons daarin is voorgegaan, was Clignett, die in 1819 de Fabelen van Esopus met een' schat van ophelderingen en aanmerkingen in het licht gaf, in een lijvig boekdeel van meer dan 400 bladzijden. De Roman van Floris ende Blancefloer werd in 1835 door Hoffmann von Fallersleben, de Roman van Ferguut in 1838 door Prof. L.G. Visscher, die Dietsche Doctrinale door Dr Jonckbloet in 1842, bewerkt en uitgegeven. Er bleven dus nog twee stukken over; ook deze schenen mij der uitgave wel waardig, en ik besloot zeer naauwkeurige kopijën van beiden te nemen; waarvan het gevolg was, dat de ‘Bediedenisse van der Missen’ door mij bewerkt, en door de Maatschappij in hare werken opgenomen werd.
Het laatste onuitgegevene stuk, bied ik thans den liefheb-
bers der oude Letterkunde, in de Dietsche Warande, aan. Het geheele gedicht bevat 4283 regels, zonder leesteekens, zonder hoofdletters en met een aantal verkortingen en verkortingsteekens. Ik heb, om de duidelijkheid te bevorderen, de leesteekens er ingevoegd, de verkortingen (met uitzondering van het woordeken ‘en̄’) opgelost, in plaats van den medeklinker u, die hier, in het midden der woorden, doorloopend gebruikt was, de v gesteld en een enkel toevoegsel door [] van den text onderscheiden; maar het HS. overigens letterlijk teruggegeven, zonder daarin eenige verandering te maken. Tot gemak der oningewijden in de oude schriften, heb ik, aan den voet der bladzijden, de duistere woorden verklaard. De vervaardigers van den Catalogus der Maatschappij stellen dit werk, dat 26 kl. fol. bladen, in twee kolommen, telt, als uit de 14de eeuw afkomstig. Uit de taal zelve op te maken, zou ik niet ongenegen zijn te gelooven, dat althands deze codex tot de 15de eeuw zal behooren. In HSS. der 14de eeuw vindt men onder anderen gedurig het woord gansen, terwijl hier telkens genesen als bij voorkeur genomen is, hetgeen eenen jongeren tijd, dan dien der 14de eeuw, aanduidt; en van dien aart doen zich meer woorden in dit dichtwerk op. Wat de gelijkvormigheid van den tekst aangaat, deze is niet te miskennen. De schrijver of kopijist schijnt eene vaste spelling gehad te hebben. Vindt men op de eene plaats ‘mieraclen’, op eene andere zal men geen ‘miraclen’ ontmoeten, en over het algemeen heeft hij (op weinige uitzonderingen na) de g- en de gh-spelling in dezelfde woorden goed volgehouden. De schrijver van dit werk wordt nergens gemeld, alleen leest men in den aanhef dat het van de hand eens clercs of geestelijken is. Hij stelde zich ten doel de levens van eenige Heiligen te beschrijven, in den vorm van legenden. Zie verder Hoffmann von Fallersleben. Hor. Belg. P.I. p. 87 § 28
Leiden, 29 Jan. 1855.