Het ‘Gesprächbüchlein, romanisch und flämisch’, onlangs door den heer Hoffmann von Fallersleben uitgegeven in de ‘Horae belgicae’, pars nona, bl. 61, wekte ons op om het volgende gelykaerdige fragment te laten drukken. Het werd ons door den heer Karel Ruelens, den zoo gedienstigen als bekwamen bibliothecaris onzer koninklyke boekery medegedeeld. Het hoort tot de 2de helft der XVe eeuw, beslaet op een in 4o vel parkements twee ryen, elke van 31 regels; het is in de breedte doorgesneden en diende tot schutsblad. In den zelfden vorm en trant van Hoffmanns ‘Gesprächbüchlein’ (dat wy, ter loops gezegd, ook wel tot de XVe eeuw gelooven te mogen betrekken), bevat ons fragment eene categorie van onderrigtingen voor dienstboden, die men in hetgene1) vermist, namelyk het opdienen van fruit aen de tafel, en het sluit zich best aen de aldaer voorkomende categorie ‘van dinghen int huys’. Als het verlorene blad uit gemeld boekjen mag men het evenwel niet beschouwen: behalve dat het zich aen die leemte niet laet aenknoopen, blykt zulks genoeg uit de tael of liever uit de orthographie; want westvlaendersch,
ja brugsch zyn beide stukken. De tael onzes fragments is nauwkeurig, en zuiver; die van het ‘Gesprächbüchlein’ is integendeel onregelmatig en schroomelyk gemengd.
De tael onzes fragments levert iet belangryks op, wat wy hier duidelyk willen doen vooruitkomen: Zy heeft namelyk de verbuigingsvormen behouden en den 2n persoon enkelvoud nog niet verworpen. In eenen bybel of in geestelyke boeken, zelfs in costuimen en pratykschriften, huerceelen en dergelyke, heeft het behoud der vormen niets bevreemdends; immers in de tael des Godsdienstes zooals in die der wetten en zakelyke contracten, ligt iet traditioneels, iet heiligs, wat de landsman, de gemeene man by overlevering verstaet en waeraen hy zich vastklampt als aen eenen eigendom. De oudheid, de verouderdheid der vormen en uitdrukkingen, ja de afwyking van de gewoone tael, geeft aen het woord Gods en aen het gebed eene betooveringskracht, die zyne zinnen behaegt en ze tevens overmeestert; en die zelfde veroudering stelt in zake van contracten den doorgaends mistrouwigen eerzamen gerust, want in die bewoordingen contraheerde zyn vader, zyn grootvader, zyne voorzaten. Even min moet het aenkleven der vormen bevreemden in literarische werken, want deze zyn bestemd om met tyd en stade gelezen te worden.
Maer het schrift dat wy voor ons liggen hebben is van eenen gansch lossen en alledaegschen aerd en het zou er zeker wel in eenen lossen en alledaegschen vorm door mogen; het is bestemd voor dienstboden, voor eenen ongeletterden en omzwervenden stand, die weinig van zulke overleveringen houdt. En des niet te min lezen wy hier: ter eerster waerf, ter ander waerf, na den saisoene van den jare, voor dinen heere, vor dijnre vrouwen, ter tafle, van den tafle, van heeten watre; en van den anderen kant: sultuse, di, du suls, dinen, dijnre, du hebs, alstu hebs.
Tol omtrent de XVIe eeuw leefden die vormen dus voort niet slechts in de literatuer, maer tot in het handboek der keukenmeid; men sprak in die vormen niet slechts tot den geleerde, maer zelfs tot den nederigsten stand der maetschappy
Een klaerder en meer afdoende bewys der algemeene verspreiding en aenwending der verbuigingsvormen en des ‘Dus’'s kan, dunkt my, niet geleverd worden: zy waren doorgedrongen tot in de laetste vertakking der literatuer, ja, tot over de grens waer een schrift ophoudt een literarisch voortbrengsel genoemd te mogen worden.
Ook den ongeletterdsten mensch werd zyne christelyke grondwet, de tien geboden Gods, in deze vormen aengeleerd. Zie hier, volgens een fragment dat insgelyks tot de XVc eeuw behoort, de 7 laetste geboden:
‘iiijde ghebot. Eert vader ende moeder ende oec gheestelike prelaten der heilegheR kerkEN.
vste ghebot. DU en SELST niement doot slaen lichameliic noch gheesteliic.
Dat seste ghebot. DU en SELST gheen onreynicheit doen.
vijste ghebot. DU en SELST gheen diefte doen.
Dat viijste ghebot. DU en SELST niet spreken valsch ghetuych teghen uwen naesten.
Dat ixste ghebot. DU en SELST niet begheeren onsuverheit te doen.
Dat .x. ghebot. DU en SELST niet begheeren die dinghen die DIJNS naesten sijn.’
Sommigen hebben in deze laetste tyden geloochend, dat de strenge verbuigingsvormen, het datief- en genitief-regimen der voorzetsels, de 2e val enkelvoud des persoonlyken voornaemwoords, en meer andere grammaticalische schoonheden der vroegere tyden, ooit tot in de volkstael doorgedrongen zyn; waeruit zy peremptorisch besluiten, dat deze vormen, thands gedeeltelyk verwaerloosd, immer en altyd uit de litera tuer moeten verbannen blyven. Tegen de ongegronde beweringen zulker taelbeoefenaren, worden deze fragmentjens ingebragt.