In de ‘Verslagen en Berigten, uitgegeven door de Vereeniging ter bevordering der oude Nederduitsche Letterkunde’, vierde jaarg. (1847), blz. 23, leest men het volgende: ‘Bij het nabladeren van eenige stukken ter Koninklijke Bibliotheek, bij ons bekend onder den naam van Letterkundige bijdragen van de hand van den Heer van Wijn (Portefeuille No 9), vielen mij eenige fragmenten in handen welke meestal van weinig waarde zijn, maar waaronder ik er een opmerkte dat met een tweede in een afzonderlijk omslagje vervat is en waaraan de vroegere bezitter (met zijn welbekend schrift) den volgenden titel heeft gegeven: “2 losse bladen pergament, van mij onbekende dichtstukken, geestelijk, 't een in Nederduitsch, 't andere in Hoogduitsch, Westphaalsch dialekt - 25 Jan. 97 mij van den Heer Visser geschonken.”
‘Dit eerstgemelde fragment nu, dat als schutblad gediend heeft, bestaat uit twee blaadjes perkament, in 8o formaat, elke bladzijde van welke eene kolom bevat die 23 verzen moest tellen, maar waarvan, door afknipping, de bovenste regel voor het grootste gedeelte is verloren gegaan. Hierdoor bestaat het geheel der vier bladzijden uit 88 verzen.
‘De inhoud (aan de H. Moedermaagd gewijd) duidt aan dat tusschen deze beide blaadjes twee (?) andere behoord hebben, waaruit ik besluit dat de onderhavige als buitenbladen van een quaterne gediend hebben. Het schrift is, dunkt mij, uit de eerste helft der 15e eeuw en vrij duidelijk; het heeft slechts
weinig van het opplakken geleden. Het eerste woord, M(aria), begint met een groote, met rood afgezette M. De beginletters van al de regels zijn met rood doorstreept.’
Tot dus verre de heer Campbell. - De 88 verzen die op dit berigt volgen maken geen deel van het zelfde gedicht. De 44 eerste behooren, naer mij gebleken is, tot ‘Ene bedinghe van onser Vrouwen’ voorkomende fo 23 van het beroemd Hulthemiaensche Codex (Bibl. Hulth. Mss. nr 192) thans in de Bourgondische Bibliotheek te Brussel. Dit stuk heb ik uit gemeld codex afgeschreven en is mij belangrijk genoeg voorgekomen om het door den druk bekend te maken. Het is, gelijk men kan zien, 58 verzen lang; er ontbreken dus slechts 14 verzen aen Campbell's fragment dat nog al eenige varianten oplevert, welke ik echter hier niet wil mededeelen omdat de ‘Verslagen en Berigten’ in de handen zijn van al wie zich eenigzins met de middeleeuwsche letterkunde bezig houdt.
Soe wat mensche die dese bedinghe seghet met goeder herten, hi mach des wel seker sijn dat hem ons Vrouwe sal hulpen ute alder noet, ende sonderlinghe inde ure sinder doet; ende hi verdient telken dat hise seet iijc daghe aflaets.
De overige 44 verzen van Campbell's fragment weet ik niet waer te huis brengen.