terug  begin  verder
[p. 242]

Ene bedinghe van onser Vrouwen,
uitgegeven door A. Angz. Angillis.

In de ‘Verslagen en Berigten, uitgegeven door de Vereeniging ter bevordering der oude Nederduitsche Letterkunde’, vierde jaarg. (1847), blz. 23, leest men het volgende: ‘Bij het nabladeren van eenige stukken ter Koninklijke Bibliotheek, bij ons bekend onder den naam van Letterkundige bijdragen van de hand van den Heer van Wijn (Portefeuille No 9), vielen mij eenige fragmenten in handen welke meestal van weinig waarde zijn, maar waaronder ik er een opmerkte dat met een tweede in een afzonderlijk omslagje vervat is en waaraan de vroegere bezitter (met zijn welbekend schrift) den volgenden titel heeft gegeven: “2 losse bladen pergament, van mij onbekende dichtstukken, geestelijk, 't een in Nederduitsch, 't andere in Hoogduitsch, Westphaalsch dialekt - 25 Jan. 97 mij van den Heer Visser geschonken.”

‘Dit eerstgemelde fragment nu, dat als schutblad gediend heeft, bestaat uit twee blaadjes perkament, in 8o formaat, elke bladzijde van welke eene kolom bevat die 23 verzen moest tellen, maar waarvan, door afknipping, de bovenste regel voor het grootste gedeelte is verloren gegaan. Hierdoor bestaat het geheel der vier bladzijden uit 88 verzen.

‘De inhoud (aan de H. Moedermaagd gewijd) duidt aan dat tusschen deze beide blaadjes twee (?) andere behoord hebben, waaruit ik besluit dat de onderhavige als buitenbladen van een quaterne gediend hebben. Het schrift is, dunkt mij, uit de eerste helft der 15e eeuw en vrij duidelijk; het heeft slechts

[p. 243]

weinig van het opplakken geleden. Het eerste woord, M(aria), begint met een groote, met rood afgezette M. De beginletters van al de regels zijn met rood doorstreept.’

Tot dus verre de heer Campbell. - De 88 verzen die op dit berigt volgen maken geen deel van het zelfde gedicht. De 44 eerste behooren, naer mij gebleken is, tot ‘Ene bedinghe van onser Vrouwen’ voorkomende fo 23 van het beroemd Hulthemiaensche Codex (Bibl. Hulth. Mss. nr 192) thans in de Bourgondische Bibliotheek te Brussel. Dit stuk heb ik uit gemeld codex afgeschreven en is mij belangrijk genoeg voorgekomen om het door den druk bekend te maken. Het is, gelijk men kan zien, 58 verzen lang; er ontbreken dus slechts 14 verzen aen Campbell's fragment dat nog al eenige varianten oplevert, welke ik echter hier niet wil mededeelen omdat de ‘Verslagen en Berigten’ in de handen zijn van al wie zich eenigzins met de middeleeuwsche letterkunde bezig houdt.

 
Maria maghet, ic roepe tote u,
 
als een groet sondare; hoert mi nu,
 
van minen sonden, in alder stont,
 
Werde Maria,ic doe u cont,V. 4
5
dat ic mi kinne sere mesdadich.
 
moeder en̄ maghet, sijt mijns ghenadich,
 
staet mi in staden in alder tijt:7
 
bidt uwen sone ghebenedijt
 
dat hi mijns ghenadich sie,
10
Maria, edel maghet vrie.
 
O edele fonteine, o edel bloeme,
 
bidt uwen sone dat hi niet en doeme
 
mine ziele ute sinen rike.
 
Maria, vrouwe sonder ghelike,
15
ghi sijt maghet wel geraect;15
 
ic bidde u dat ghi vrede maect
 
tusschen uwen sone en̄ mie,
 
dore die scarpe nagelen drie
 
die men uwen kinde dede
[p. 244]
20
dore sine ghebenedide lede.
 
Sprect mine tale, vrouwe scone,V. 21
 
dore die scarpe dorne crone
 
die men uwen kinde herde onsochte
 
in sijn hoet sloech, daer hi ons cochte24
25
anden cruce, doen hi starf
 
om ons allen, dies ons bedarf.26
 
Vrouwe, sijt in mire hulpen nu
 
ane uwen sone, dies biddic u,
 
want hi alle mine sonden weet.
30
ic bidde ghenade dore dat sweet
 
dat hi sweete, in sijnder pinen,
 
doen hi doghede sine carinen32
 
anden cruce, met oetmoet.
 
ic bidde ghenade dore dat bloet
35
dat hi storte ute sine .v. wonden,
 
die hi ontfinc dore onsen sonden.
 
Noch biddic ghenade, edele Vrouwe,
 
ic roepe tote u, in goeder trouwen.
 
ay: edel moeder Gods, ghenade;
40
werde Maria, staet mi in staden,
 
hulpt mi die helsche pine verweren
 
dore dat scarpe ghebenedide spere,
 
daer men uwen kinde mede stac
 
in sijn herte dat hem brac
45
en̄ scoren moeste van groter pinen.45
 
ghenade, edel maghet fine,
 
staet mi in staden dore die doot
 
die ihs starf om onse noot.48
 
hulpt mi verbidden uwes kindes rike49
50
daer men in levet ewelike,
[p. 245]
 
en̄ hen allen die u ane beden
 
waer si sijn, ofte in wat steden;
 
met deser edele bedinghen
 
en̄ met allen goeden dinghen.
55
Soe moetti mi altoes beradenV. 55
 
en̄ van allen arghe ontladen:56
 
des moet wesen mijn volleest57
 
Den Vader en̄ den Sone en̄ den heileghen Gheest.
 
Amen.
Soe wat mensche die dese bedinghe seghet met goeder herten, hi mach des wel seker sijn dat hem ons Vrouwe sal hulpen ute alder noet, ende sonderlinghe inde ure sinder doet; ende hi verdient telken dat hise seet iijc daghe aflaets.

De overige 44 verzen van Campbell's fragment weet ik niet waer te huis brengen.

V. 4Cont; Cont doen of maken is kenbaer maken.
7Staet mi in staden, helpt mij.
15Gheraect, geschikt.
V. 21Sprect mine tale, spreek ten mijnen voordeele.
24Hoet, hoofd.
26Dies ons bedarf, wat wij noodig hadden: fraayer dan de text in de ‘Verslagen’: ‘Om onser alre bederf’. Aant. v.d.R.]
32Carinen, vasten, Carena. ‘Reinaert’ v. 280, 281: ‘.... scerpe carinen doghet hi voor sine souden.’ ib. v. 423: ‘Hi hevet gedaen so goede carine!’ Voor carinen leest men termine in de ‘Verslagen’ enz.
45Scoren, scheuren.
48ihs, is Jesus. De h van ihs schijnt oorspronkelijk de Gr. H of η van ΙΗΣοῦς te zijn, die men in het monogram behouden heeft, ten einde er de woorden ‘Jesus hominum salvator’ uit af te leiden. Zie ‘Werken der Maats. van Ned. Lett.’ Ve D., 2e st. blaz. 21.
49Verbidden, al biddende verwerven.
V. 55Moetti, moet gij; - Beraden, raed geven.
56Arghe, kwaed.
57Volleest, volkomenheid. Vele gedichten eindigen met deze twee verzen; vgl. o.a. ‘Theophilus’, blz. 53.
terug  begin  verder