Wij hebben, in den vijfden jaergang der ‘Eendragt’ van Gent, eenige bijzonderheden medegedeeld omtrent het geslacht der Helscheviers of Elzeviers, te Leuven, in de 16e eeuw. Het had ons tot dus verre niet mogen gelukken, in onze stedelijke archieven, vroegere sporen van het bestaen diens geslachts te ontmoeten, aen 't welk de drukkunst, in Holland, vast haren hoogsten bloei te danken had. Dezer dagen hadden wij het genoegen, een wezenlijk genoegen voor een' vriend van vaderlandschen roem! bij eenen persoon onzer stad, de bijna volledige archieven te ontdekken van de vermaerde Priorij der Kanoniken regulier van St Martensdale of Vallis Sti Martini, van Leuven. In deze handvesten, welke ons thands in eigendom behooren, vonden wij, behalve vele belangrijke stukken voor de plaetselijke geschiedenis, eenige perkamenten welke het bestaen van het geslacht der Elzeviers, ten onzent, tot de 14e eeuw doen opklimmen. Wij gaen deze stukken hier doen kennen; welligt doet onze ontdekking bij anderen den lust ontstaen tot het wagen van nadere opzoekingen omtrent de voorouders der befaemde drukkers van Leiden, wier kunstwaerde ons door Auguste de Reume, Chs Pieters en, vooral, door een hunner afstammelingen, den heer Rammelman-Elzevier, op eene voldoende wijze uiteen gezet is geworden.
Pieter Helschevier, die in 1353 overleed, had met zijne
gade Katherina, drie zonen verwekt, namelijk Jan, Pieter en Walther. De man bezat drie dagmalen bosch en lands, gelegen te Kessel-Loo, op de Liemingen-Beek binnen de voormalige Kuip van Leuven. Zijne vrouw verkocht, met toestemming harer kinderen, dien eigendom aen Jan van Huffel, inwooner van Kessel-Loo. Deze verkooping had plaets in crastino Stae Gertrudis 1354. Men leest in de oorkonde van goedenis, afgeleverd door de Schepenen van Leuven, de volgende zinsnede: ‘Katherina relicta Petri quondam dicti Helschevir, Johannes, Petrus et Waltherus, fratres filii dictae Katherinae, recognoverunt se vendidisse, legitimo contractu, Johanni dicto de Huffle, filio Egidii, quinque jurnalia tam terrae, fossae quam nemoris, sita ultra rivum de Leyminghe, inter ipsum rivum et terram domini Abbatis Monasterii Fliderbacensis.’ Pieter moest zijnen kinderen meer gelaten hebben, want den 9 februarij 1355 (ouden stijl) verkocht zijn zoon Walther een half bunder lands, eensgelijks gelegen op den Lieming, aen gemelden Jan van Huffel. ‘Walterus dictus Helschevier, filius quondam Petri, supportavit cum debita effestucatione, dimidium bonnarum terrae arrabilis, situm in Lieminc, infra libertatem Lovaniensem, inter bona Godefridi dicti Gans et bona Johannis dicti Gilijs.. Johanni de Huffle.’1)
Pieters' kinderen lieten afstammelingen binnen Kessel. Trouwens, in eenen akt van goedenis van een huis met hof, gelegen onder gemelde gemeente, en afgeleverd door de Schepenen van Leuven, den 9 februarij 1421, is er spraek van de goederen van zekeren Jacob Helscheviers. ‘Apud Schoere, inter bona Monasterii Vliederbacensis et bona Jacobi Helscheviers.’ In eene oorkonde van 17 november 1468, vinden wij melding van de kinderen eener Katherina Helscheviers, die mede een half bunder lands bezaten te Schore. Het zelfde stuk
maekt overigens gewag van een huis met hof toebehoorende aen zekere Beatrix Helscheviers: ‘item duos capones ad demidium jurnale terrae liberorum Katherinae Helsscheviers, apud Schore; item decim Solidos et duos capones ad domum et curtem Beatricis Helscheviers, apud Schore’. Zes jaer na dien leefde er, in gemelde plaets, Franco Helscheviers, zone Petri en man van Maria Dunnemelk. Deze echtgenoten woonden te Schore, in de Kessel-Strate. Zij bezaten een stuk gronds, bosch en akkerland, groot omtrent 20 dagmalen, en 33 roeden, gelegen op het Liemings-veld, achter den wijngaerd Liemings-Wouver geheeten, tusschen de goederen der abtdij van Vlierbeek en Katherina de Bettenrode. Ziehier wat men omtrent deze goederen leest, in een Schepenenakt van 2 maert 1474: ‘Ad bona Subscripta Franconis Helscheviers, filii quondam Petri, commorantis apud Schore, in vico dicto Kessel-Strate, et Mariae de Dunnemelc, ejus uxoris, ad unum petiam tam silvae tristi quam terrae arrabilis, continentem pariter viginti jurnalia et triginta tres virgas, vel circiter, prout sita est supra campum dictum Leyminx-veld, infra libertatem Lovaniensem, penes Vinarium dictum Lyminx-Wouwer, inter bona monasterii Vliderbacensis et bona Katherinae de Bettenrode.’ Ten jare 1475 verkochten deze echtgenoten hunne goederen aen Lodewijk Van den Meerschberge, Schepen van Leuven. In den akt, afgeleverd den 22 juny diens, jaers, leest men: ‘Franco Helscheviers, Commorans apud Schore, et Maria de Dunnemelck, ejus uxor, in praesentia Scabinorum Lov. constituti promiserunt pro se et suis successoribus Ludovico vanden Meersbergen, pro nunc scabino Lov., de bonis conscriptis in literis Scabinorum.’
Walter Helsevier, zoon van Hendrik, verkocht, in 1479, aen Arnold van Overberge, twee huizen met hoven, schuer en stallen, gestaen te Leuven, in de Dorp-Straet, by de huidige Diestsche Poort: ‘duas domos contiguas cum curtibus, horreo et stabulis in Dorpstrata, infra et juxta interiorem Portam.’ Deze Walter is mede vermeld in eenen Schepenakt van 14 Juny 1481.
In de Priory van St-Martensdale, opgerigt ten jare 1433, werd, in de eerste dagen hares bestaens, een man als dienstbode aenvaerd, die den naem van Quinten Helscheviers droeg. Hij was belast met het verzorgen der wijngaerden welke aen het opkomend gesticht behoorden. De man gaf in St-Martensdale het voorbeeld van de meeste spaerzaemheid. Trouwens, hij liet zijnen huisgenoten, bij zijn afsterven, voorgevallen in 1442, honderd gouden rijders, dat is over de vijftien honderd franks van onze munt. Deze somme werd besteed tot het aenkoopen van een huis met wijngaerd, tegen het klooster gelegen, en toebehoorende aen Radulp Strueprock. Het handschrift ‘Origo Monasterii Sti Martini, Ao 1433’, thands ons eigendom, behelst omtrent Quinten Helscheviers de volgende zinsneden; wij schrijven ze letterlijk over: ‘Quintinus Helscheviers, vinitor, receptus fuit in domo nostra in familiarem, ad colendum vineas nostras, ante susceptionem Ordinis sancti Augustini1); ubi enim pro nunc est Pomerium nostrum, retro Dormitorium et retro Ecclesiam, pro tunc fuerunt vineae. Pervenerunt autem nobis ex parte ipsius circiter 100 equites semel, qui applicati fuerunt ad emptionem domorum et vinearum Radulphi Strueprox, pro ampliacione Monasterii2). Obiit 1442.’ Eene boordaenteekening, door eene andere hand geschreven, behelst het volgende: ‘1ste Fr. Quintinus apparuit quidbusdam Minoritis pergentibus Romam, inter Alpes, et serviebat in publico Hospicio.’3)
Ziedaer gandsch nieuwe bijzonderheden omtrent de Elzeviers te Leuven in de 14e en 15e eeuwen1). Deze bijzonderheden komen meer duidelijk bevestigen dat de stad der ‘Alma Mater’ stellig de bakermat is geweest van dit geslacht, 'twelk gedurende twee eeuwen den kunst- en letterroem van Nederland heeft bevorderd. Zulks vereert de plaets die ons opregt dierbaer is.
Leuven,
half mei 1855.