|
|
|
| |
| | | |
Bibliografie.
(Uitgaven van boeken, platen, en muziek.)
SERRURE, VADER & ZOON, I. ‘Vaderlandsch Museum voor Nederduitsche Letterkunde, Oudheid & Geschiedenis’, uitg. door C.P. Serrure, Ie en IIe Stuk. Gent, Geiregat en Duquesne. 1855. Prijs fr. 5, fl. 3. II. ‘Geschiedenis der Nederlandsche en Fransche Letterkunde in het Graefschap Vlaenderen, van de vroegste tyden tot aen het einde der regering van het huis van Burgondie, door C.A. Serrure.’ Gent, Duquesne en Geiregat. 1855. Prijs ƒ3. - Het was een aangenaam verschijnsel, dat Prof. Serrure, die zich in de laatste jaren minder in 't openbaar met de beoefening en verrijking onzer nederlandsche letteren had beziggehouden, zijn heroptreden aankondigde met de uitgave van een vervolgwerk, dat, naast de ‘D. Warande’, de taak wil voortzetten, door Willems, gedurende een reeks van vruchtbare jaren, in het ‘Belgisch Museum’ bearbeid, Er is op dat veld genoeg te doen, om verschillenden organen druk werk te geven. Niet minder aangenaam was het ons, dat de zoon des verdienstelijken geleerden, de Heer C.A. Serrure, de voetstappen zijns vaders drukken wilde, en met warme liefde voor de nederlandsche zaak bezield, onzer geschiedenis en onzer poëzie zijne jeugdige krachten wil wijden.
In het ‘Museum’ wordt de lezer al aanstonds op het lang verwacht 2e fragment der Nevelingen, Siegfrieds Uitvaart, vergast. Prof. Serrure merkt op, dat de inhoud hiervan niet voordeelig is aan het wel eens verdedigd gevoelen, dat ons gedicht geene vertaling uit het bekende Middelhd. wezen zoû. Ik moet dit den Heer Serrure toegeven, en neem de vrijheid op te merken, dat ik reeds in mijne ‘Littérature néerlandaise’ in 18511) de vroeger vastgehouden onderstelling in nog twijfelachtiger licht heb doen voorkomen:
‘Plusieurs détails de la “chanson” des Nibelungen se confondent avee les traditions nationales des Hollandais, et comme l'action principale
| | | |
du poëme se passe sur les rives du Bas-Rhin, comme le héros de la première partie de cette composition grandiose est le fils du roi de la Néerlande, notre nationalité peut revendiquer en grande partie l'honneur d'être le berceau de cette belle épopée, quoique (autant qu'on en peut juger par deux petits fragments du texte néerlandais, les seuls qui en existent) le poëte néerlandais du XIIIe siècle1) paraisse avoir traduit son contemporain le poëte allemand; à moins qu'il n'ait travaillé sur le même canevas, et que peut-être ils n'aient suivi tous les deux un texte écrit dans un dialecte thioois antérieur à leur époque.’
Ik moet, bij bet vergelijken van het faksimilee des Hs. met den herstelden text, door den Heer Serrure meêgedeeld, vragen, hoe men tot de lezing komt van v. 26
‘(ane) menege wonde hine wel vaste bant’,
terwijl het faksimilee duidelijk te lezen geeft: ‘r enege wonde’; en men toch wel geen beer Aan zijn wonden zal vastbinden. Het nieuwe fragment is eene belangrijke brok, en men leest met medegevoel, hoe ‘Crimelde’, die edele vrouwe, dede
..... in die Kerke dragen
Zegevrite den doeden, den Here van Nederland.
Ay, wat men al vrouwen doe daer droeve vand!
Tot de belangrijkste stukken dezer verzameling behooren een twintigtal sproken en leerdichtjens, door den Heer Serrure uit het reeds vele malen doorsnuffelde papieren Hs. der Bibl. Hulthemiana ontleend, eene latijnsche vertaling van Maerlants ‘Wapene Martijn’, door Jan Bukelare (Priester), gekopieerd door zekeren Jan vander Loe: het zelfde Hs. dat aan den Kanunnik Denis de Villers heeft toebehoord († 1620), en waarvan Sanderus in zijne ‘Bibl. belg. manuscripta’ gewag maakt.
De Heer Serrure merkt hier, in 't voorbijgaan op, dat de begraafplaats van Maerlant ‘onder het klokhuis’, en niet op ‘deftiger’ stede, ‘zoo als op het koor of in een en der beuken’, zoû toe te schrijven zijn aan het ‘uitvaren’ van den volksdichter tegen de misbruiken, ten zijnen tijde onder de geestelijken bestaande. Ik denk dit niet. Ik geloof, dat men het choor bijv. niet licht aan eenig burger man, zelfs aan geen Edelman van gewone verdiensten, ter rustplaats zoû hebben gegund in de XIIIe Eeuw. Aanvankelijk werden zelfs alleen hooge geestelijken of personen van uitstekende heiligheid in het choor begraven2).
| | | |
Ziehier, de namen der rubrieken, waaronder in deze eerste schoone afleveringen, bijdragen geleverd worden:
‘Het Nevelingen-lied, Sagen, Nederlandsch Tooneel, Kleine Gedichten uit de XIIIe en XIVe Eeuwen, Kamers van Rhetorica, Vaderlandsche Anekdoten, Numismatiek, Nederlandsche Voornamen, Spreekwoorden, Het Nederlandsch in Frankrijk, Dierensage.’ Voords komen er nog stukjens in voor, getiteld: De Foer, Gislein de Coninck, Oorkonde in 't Nederl. van 1298, en Willem van Haecht.
Wij kunnen niet anders dan den achtbaren Heer Serrure geluk wenschen met de lauweren, door zijn zoon, op nog zoo jeugdigen leeftijd, geplukt. Te-recht, meenen wij met een bevoegd beoordeelaar1), is door de Koninglyke Maetschappy van Schoone Kunsten en Letteren te Gent de boven aangekondigde ‘Geschiedenis’ met goud bekroond. Wij hebben met belangstelling en vrucht het boek gelezen, en niet alleen bevonden, dat er licht in gespreid wordt op de nog zoo weinig bekende fransche dichters van Vlaanderen, maar ook omtrent onderscheidene vraagstukken, in onze nederlandsche lettergeschiedenis, wordt met gelukkigen uitslag, door den jongen geleerde, eene nieuwe meening voorgedragen of de vrucht van een herhaald onderzoek dienstbaar gemaakt aan de oplossing van sommige zwarigheden. Zoo bewijst de Heer Serrure bijv. duidelijk, dat de bekende brusselsche keur van 1229, die al onze geleerden, sedert Willems, als een origineel hebben nageschreven en voor het oudste tsaarter in de landtaal hebben aangezien, daarvoor niet langer gehouden mag worden; maar allerwaarschijnlijkst eene vertaling is uit het Latijn. De wakkere jonge Vlaming maakt voor zijn gewest aanspraak op de eer, van het oudste staatsstuk in 't nederlandsch te hebben uitgevaardigd, in den jare 1249. Omtrent den levensloop van Dirc van Assenede, den dichter onzer ‘Floris en Blancefloer’, deelt de Heer Serrure eenige bijzonderheden meê, die geenszins van belang ontbloot zijn. De ‘Ferguut’ wordt door den Hr Serrure met veel grond toegeschreven aan een Gentenaar. De bewijzen voor de oudheid van het eerste Boek des ‘Reinaerts’, aan 't welke men, op het voetspoor van Willems, het jaartal 1170 of daaromtrent tot dagteekening pleegt te geven, worden door den Heer Serrure tamelijk verzwakt, en men ziet naauwelijks dat hem-zelven het recht overblijft dat boek vóor 1220 te stellen. Er is nog veel duisters in die geheele hoogstwichtige Reinaertsquaestie, en Prof. Jonckbloet doet wel, daarover een nieuw
| | | |
onderzoek te willen instellen. Omtrent vader Maerlant, dien wij wel niet met Jan Bukelare, zijn vertaler in 't Latijn, ‘stupor mundi’ zouden noemen, maar van wiens krachtige persoonlijkheid Prof. Jonckbloet toch niet te veel gezegd heeft - al is deze geleerde misschien al te onvoorwaardelijk van een vroeger over de didaktische school geuit vonnis te-rug-komen - mag de Heer Serrure, na volbrachte onderzoekingen, het volgende vaststellen.
‘Hy was een Vlaming, vermoedelyk De Coster geheeten en omtrent 1220 geboren. Hy bleef geheel zyn leven lang een leek. Rond de jaren 1240-1245 was hy te Maerlant (in den Briel), waervan hy zynen toenaem ontving, gevestigd, waerschynlyk in eene betrekking die eenigzins met den koophandel, die in deze haven bloeide, in verband stond. Hoe lang hy daer bleef is onzeker, toch altyd eenen geruimen tyd. Indien hy (Of hy?) wanneer hy zynen Spieghel Historiael ten jare 1283, voor den hollandschen graaf Floris V aenving, wanneer hy zyne Natuerbloeme op aenzoek van Niklaes van Cats opstelde, reeds nog (del.?) niet naer Damme was overgekomen, blykt nergens uit; oude betrekkingen kunnen alleen aenleiding hebben gegeven tot het opdragen dezer werken aen Noordnederlanders. Want later, toen hy stellig te Damme (misschien zyne moederstad) woonde, zien wy hem zynen Wapen Marten tot eenen inwooner van Utrecht rigten. Het vierde boek van dit laetste stuk draegt het jaer 1299, en na dien tyd vindt men niets meer van Jacob. Volgens zyn grafschrift in de kerk van Damme eertyds geplaetst, stierf hy in 1300.’
Mij dunkt, dat, na den strijd, die over het sterfjaar van Jan Boendale gevoerd is, de Heer Serrure niet gerechtigd was dit (bl. 246) zonder slag of stoot, op 1351 te stellen. Ook zie ik niet, dat sedert Monmerqué en Michel ons met de stukken van Adam dele Hale bekend maakten, wij kunnen volhouden (bl. 357), dat bij geen volk ‘het wereldlijk tooneel zoo hoog opklimt als bij ons’; te minder, daar het bewijs nog moet geleverd worden, dat de door Hoffmann uitgegeven tooneelstukken ouder zijn te stellen dan het jaar 1350. Maar hoe dat zij - de ‘Geschiedenis’ van den Heer Serrure is een allerverdienstelijkst boek; en vindt men er die hooge opvatting van het kunstleven des volks niet in, welke men gaarne in de nieuwere historiesch-theoretische schriften over literatuur aantreft - men zoû onrecht doen zulks van de hand eens achttienjarigen jongelings te eischen: het plan des werks is met orde en zaakkennis, in doorgaands goeden stijl en op bescheiden toon, verwezenlijkt. Verrijke de Heer Serrure
| | | |
onze vaderlandsche letterkunde nog met vele dergelijke vruchten van zijn geest!
A. Th.
GESCHIEDENIS DER MIDDEN-NEDERLANDSCHE DICHTKUNST, door Dr W.J.A. Jonckbloet. III dl., II stuk. Amst. P.N.v. Kampen. 1855. - De Groningsche Hoogleeraar heeft met, dit bockdeel de taak volbracht, die hy in 1851 aanving. Wenschen wy er hem en ons geluk mede, en moge hy er niet minder lof dan dank voor inoogsten: 't is eene onmisbare, helder brandende fakkel, lichtende over het ruime veld onzer M.N. Letterkunde, menig duister punt opklarende, en menig pad in den doolhof met juistheid aanwijzende en bepalende. Wie zijn vaderland en derhalve ook zijn vaderlandsche letteren lief heeft, zal zich haasten om den schat zijner kennis met de degelyke bydrage van Prof. Jonckbloet te verrijken. Maar vooral onzen letterkundigen binden wy dit werk op het hart. Waarom?.... De geleerde en oordeelkundige schrijver (dien men toch wel niet zal beschuldigen eene overdreven zucht voor de middeleeuwen te koesteren) beandwoorde dat zelf (blz. 580): ‘Wij mogen hopen, dat wij eene nieuwe, ware nationale herleving onzer letteren te gemoet gaan. Om die nationale herleving geheel tot eene waarheid te maken, sla men de geschiedenis onzer letterkunde op; men onderzoeke of die langmiskende middeneeuwen geen waarachtige bestanddeelen bevatten, die men niet had moeten laten varen; men neme die weder op en knoope daarmede de nieuwere begrippen samen, en herstelle aldus den band, die geslachten met geslachten aaneensnoert!’
Ik acht het geene heiligschennis, wanneer ik op eene zaak, zoo hoog ernstig als deze, ook de ernstige woorden toepasse: ‘Die ooren heeft om te hooren, die hoore!’ Maar ik mag daarby de vreeze niet verzwijgen, dat dit by de meesten vooreerst nog een vox clamans in deserto zijn zal: zoo weinige onzer letterkundigen toch zijn onzer letteren kundig, en wel het minst der Middeleeuwsche.
Of zy het nu mochten worden! De arbeid van Prof. Jonckbloet zou rijke vrucht dragen1).
| | | |
Uit de ‘Bylagen’, eene hoogst schatbare toegift, bestaande in ‘Uittreksels uit de M.S. Rekeningen der Graven van Holland (Zondag na St. Matthijs 1340- 6 Juli 1417) en van Bloys (Kersavond 1360- Sint Maartensavond 1388), berustende op het Rijks-Archief te 's Hage’, blijkt het weder op nieuw, welke belangrijke historische bydragen nog uit die Rekeningen kunnen worden geput.
W. Jz. H.
|
1)In de ‘Astrea’, later afzonderlijk uitgegeven bij C.L. van Langenhuysen te Amsterdam, pag. 37 aldaar.
1)Vermoedelijk is nu te lezen ‘du XII e siècle’.
2)Verg. And. Mureier, ‘Sépulture Chrétienne’, p. 76 et suiv.
1)Rijker intusschen zoû ze nog kunnen zijn, indien de schrijver, zelfs wat meer dan het geval bij hem is, de geschiedenis van den volksgeest-zelven hand aan hand had doen gaan met die van de poëzie in engeren zin. Dan zoû vooral gebleken hebben, dat die genen grootelijks onrecht doen, welke eenigszins minachtend op de vele vertalingen nederzien, die onze Middeleeuwen hebben opgeleverd. Zoo doende zoû men begrijpen gaan, dat een volk, waarbij in die dagen zulke vertalingen met graâgte ontvangen werden, even zeer dichter was als de dichter van het oorspronkelijke werk-zelf. Vertalen was in zulke tijden van nationale bloeikracht niet het willekeurig werk van dit of dat individu: elke vertaling was de uitdrukking eener ware dorst aan kunst en kennis bij de genen voor wie ze bestemd werd, en waar de natuurlijke zagen samenvallen met de kunst-vertalingen, daar is de oorspronkelijke poëzie zelve aanwezig: die ligt begrepen in het verband, dat we tusschen de dietsche zage en de vertaling uit het Walsch of Latijn opmerken..... Maar wat voere ik tegen Prof. Jonckbloet aan, die, op meer dan eene plaats, van zijn werk een hiermeê over-een-stemmend gevoelen uitspreekt! - Doch verbeurt men, met deze denkwijze, dan ook niet min of meer het recht, om den ridderlijken geest voor te stellen als zoo geheel onnatuurlijk aan den nederlandschen volksaard? want geen stuk uit de didaktische school heeft toch ooit eene populariteit van langer duur genoten dan bijv. ‘De Ridder met de Zwaan’, ‘de Heemskinderen’, en ‘Floris en̄ Blancefloer’. Gelukkig alweder is dan ook die riddergeest iets beters dan waarvoor de Heer Jonckbloet, de zelfde die eenmaal in echten idealistiesch-aristokratischen zin uitriep: ‘ Quand pourrai-je manger un bourgeois!’ hem doet doorgaan (III, bl. 573).
Aant. v.d. Red.
|
|