terug  begin  verder
[p. 17]

Een schoolmeester van het jaar CIƆ.IƆ.XC

Alle tijdperken der geschiedenis hebben hunne dichters en hunne kritici gehad: eene ministeriëele partij en eene oppozitie. 't Is nog al opmerkelijk, dat in onze Nederlanden, op het gebied der Letteren, de schoonste gaven niet zelden aan de partij der kritiek waren toebedeeld - schier méer dan aan de uitsluitende vertegenwoordigers der ándere richting. De Auteur van ‘Reinaert den Vos’ - Jacob van Maerlant - Anna Bijns - Marnix - Vondel - Balthazar Huydecoper - Bilderdijk: ziedaar (hoewel ze tevens dichters waren) een zevental heroën van de partij der kritische oppozitie, die, zoo niet allen hunne tegenstanders hebben verslagen, niet allen den geest der eeuw gedwongen hebben te buigen naar den scepterzwaai van hun genie - toch, elk op zijn beurt, een toon hebben doen hooren, die weêrklank heeft gevonden in eenig later tijdvak, en eenige stemmen in de schepping hebben levendig gemaakt, die zijn opgestreefd naar de bronne des ongeschapenen lichts, of, wrevelig, wechgestorven in de poelen der stoffelijkheid en in de puinhoopen der menschelijke hoovaardij.

Naar mate, met den aanwas van het poorterschap, de behoefte aan schoolonderwijs voor een grooter getal kinderen scheen te klimmen - naar mate, daarentegen, het getal der voor den geestelijken stand bestemde en dus geregeld, naar de kerkelijke voorschriften, gevormde personen afnam - naar mate, met de ontwikkeling van het individualiteits-beginsel, de methode van het onderwijs minder onschendbaar werd in de oogen der onderwijzers - naar mate het personeel-zelf der,

[p. 18]

na de Hervorming, voor het nederlandsch onderwijs beschikbaren minder tot zijn taak kon voorbereid wezen, en een welmeenend voorzanger en naauwkeurig klokopwinder geringer waarborgen van menschenkennis, opvoedkunde, en wetenschappelijke bekwaamheid aanbood: naar die mate verkeerden, op het einde der XVIe Eeuw, de gewone noord-nederlandsche scholen in bedroevender toestand - en het was geen wonder, dat, gelijk de rederijkkamer ‘In Liefd' bloeyende’ zich met de kunstige wederopheffing der nederlandsche letterkunde en zuivering der boekentaal belastte, alzoo ook een nederig paedagoog, van meer dan gewone bekwaamheid, te rade werd om eene handleiding voor schoolmeesters op te stellen, en, ook op zijne beurt, een solo in de tweede partij der kritische oppozitie te gaan spelen.

De man, dien ik bedoel, heette Dirck Adriaensz Valcooch, dien wij in het laatst der XVIe Eeuw het eerst zien optreden als ‘Schoolmeester tot Barsigherhorn’; derhalve een Noord-Hollander van den echten stempel, die zijn toenaam waarschijnlijk aan een der noordelijkste dorpen van zijn gewest te danken gehad heeft, die in zijne buurschap aanvankelijk het onderwijzersambt bekleedde, die de plichten en voordeelen van dit ambt heeft gekend en uit-een-gezet, die bovendien het wel en wee van zijne streek met warmte heeft bezongen en, waarschijnlijk om zijne verdiensten, met den post van ‘Notarius publijck’ is begiftigd geworden: een waardige streekgenoot van Tonis Harmans (van Wervershoef) den lieflijken mystischen zanger, en van Cornelis Maertsz, den wakkeren veldpoëet - Noord-Hollanders, wier kennismaking men vooral aan Dr van Vloten te danken heeft.

Alvorens wij een blik werpen op Dirck Adriaensz als onderwijzer, als zedemeester, kerkbewaarder, en schoonschrijver, willen wij zien hoe het over het geheel met zijne geestesrichting, in verband met zijn tijd, geschapen lag.

Ik geloof mijn lezer daarbij de kennismaking te kunnen beloven van een man, even praktiesch van redeneering als gevoelig voor de meer geestelijke zijde van het leven, even zeer

[p. 19]

een burger, die met vaardige hand al dat gene verrichten zoû wat een goed ingezeten schuldig is, ten algemeenen welvaren, te doen, als een dichter.

De Heer J.C. Kobus wijdt, in Van der Aas vervolg op ‘Witsen Geysbeek’, onzen held een artikeltjen van weinige regels, waarbij hem het ‘Aanhangsel op het woordenboek van Kunsten en Wetenschappen’ tot bron heeft verstrekt, die, op hare beurt, heur water weêr aan de ‘Mémoires’ van Paquot ontleend had. Zijn eindoordeel wordt den Heer K. door Boomkamp, den Alkmaarder van 1747, aan de hand gedaan. Gemelde Heer (Kobus) omschrijft dan ook de dichterlijke verdiensten van Dirck Adriaensz met het korte woordtjen ‘geene’. 't Is wat héel kort, in den mond van iemant, die blijkbaar niet naar de gelegenheid heeft omgezien ter kennismaking met de schriften-zelven, door meester Valcooch in 't licht gegeven.

Begon, met de XVIe Eeuw, voor de kinderen van burgers en boeren de stem der volksoverlevering allengs te zwijgen, of hier nog slechts fluisterend, daar half zwijmeldronken, bij grootjens spinnewiel, en bij den bierkroes van den liederlijken lansknecht, hare aloude voorstellingen, verzwakt en verminkt, te herhalen - nam de behoefte aan werktuiglijk lezen en schrijven toe, naar gelang het vermogen van levendig vertellen en opvatten uitstierf - wij moeten er een te warmer hulde om brengen aan den schoolmeester, die nog zin had voor de oude zagen zijns volks, en die ondanks zich-zelf werd aangetrokken door de waarheid der wijsgeerige symboliek, die zich in de verdichting - in de beurtelingsche verziering en verciering van geschiedfeiten - uitsprak.

Meester Valcooch verhaalt ons, in niet onaangenaam rederijkersdicht - strofen van 8 regels, met vier sterke heffingen, en doorgaands éene half-sterke, en van 5 tot 8 dalingen of onbetoonde lettergrepen - de volgende legende1):

[p. 20]

Ik zal verhalen, ‘wilt hier na hooren’, van Julius Caesar, den machtigen Roomschen Keizer; hoe hij, in lang verleden tijden, in dees Nederlanden kwam, aan het hoofd van zijn Romeinen. Hoe schoon en blij-stralend was zijne nichte, Livia, die hij Gabba, den strijdvromen Engelschen Prince, ten huwlijk heeft gegeven! Hij schonk hem ‘het land van den Keynse breed ende groot, dat nu Al water is door der vloeden nood’. Ik zal verhalen van de steden en dorpen, die bij Wieringen lagen, en door veelheid der zonden met den wateren moesten versmoren; toen Gonsende onderliep en andere verlorene steden.

 
‘Tot Nieumegen by den Rhijn sloech hy (de Keizer) hem neder
 
Met twee legioenen te zijnen geboden;’

daar heeft hij open hof gehouden, den adel tot zich roepend en vele sterke mannen van wapenen: die allen heeft hij genoodigd ‘ten banckette’ en, met hen, veertien dagen feestgevierd,

 
‘Om wapenen te proeven, na yeghelicx gheeste.’
 
 
 
‘Trompetten, basuynen worden daer geblasen,
 
Al om te beroepen tot desen spele,
 
Die wapens hanteren vanden Sijpe totter Masen.’

Daar zoû men tornieren,

 
‘In presentië van Livia, der schoonen karsouwen1),
 
Ter eeren alle andere schoone, suyvere Joncfrouwen.’

Daar werd het afgekondigd

 
‘steeckspel begonnen
 
Van Coningen, Hartogen, Baroenen en̄ Graven.
 
Noyt lustiger geschiede er oyt onder der sonnen.
 
Daer dede elck 's anderen rossen draven.
 
Met dapperen slagen ‘wert2) den prijs gewonnen!
 
Die Coninck van Engelant maecte die braven (?);
 
Een Hartoghe uyt Brabant toonde hogen moet:
 
Yegelick tot loff van Vrouwe Livia soet.’
 
 
 
‘Een swarten bannier quam daer ter baene,
 
Met een gulden Leeuwe costelick ghewracht;3)
 
Tot steecken met slaeghen stelde hy hem aene;
[p. 21]
 
Als een vroom campioen toonde hy zijn macht -
 
Rijckelick ghebardeert1), om al te wederstaene;
 
Drie-hondert paerden waren daer tot zijnder acht.
 
Livia, dit siende was seer verheven,
 
Ende heeft desen Hartoge den prijs gegeven.’

Maar dat gold alleen voor den eersten dag:

 
‘Des anderen daechs schiede desgelijck.

Toen kwam er een Heer ‘int crijt’ (het renperk), op een ‘wit ros’ gezeten, en voerende honderd lanciën aan;

 
‘Dit was een Heere groot opten Rhijn:
 
By naeme geheeten: Heer Walewijn.’
 
 
 
‘Dese reedt ter baelgen2) fier ende coen;
 
Dit merckte die Coninck van Enghelandt,
 
Stellende zijn glavië3) na edelen doen
 
En̄ stack Heer Waelwijn neder int sandt.’

En zoo schonk Livia den Koninge den prijs.

Des volgenden daags,

 
‘Doen quam daer een Ridder met een witte bannier;
 
Daer in stont Gheanckert een Cruys seer schoon.’

Maar de Hertog van Beyeren, met een rooden standaart, en met een wapen

 
‘Twelck ruytwijs gevult was met blau en claer wit,’

't zelfde dat nog heden door Beyeren gevoerd wordt, verscheen tegen hem over.

 
‘Dese reden op malcanderen met groote lancen
 
Als moedighe leeuwen, om prijs te behalen;
 
Door fortse begosten die paerden te danssen:
 
Maer die Ridder most ruymen uyt zijnder sâlen.’

En zoo won de Hertog van Beyeren des derden daags den prijs. Negen dagen lang duurde dat voort.

's Keizers verblijf aldaar gold eigenlijk het grondvesten van stad en burcht.

[p. 22]

Met groote kosten en ‘by fraeyer ordonnancien’ werd die onderneming volbracht. Het slot was

 
‘Seer cierlijcken van binnen, na 's Keysers aert,’

met kameren, waaraan het goud niet ontbrak, noch de kostelijke tapeeten. Op den hoogsten toren was een gulden appel gesteld, dien men, volgends oudere de chronijke, waaruit Dirck Adriaensz geput heeft, uit de verte, als een zonne, zien mocht.

 
‘Daer quam onversiens een Arent opghevlogen,
 
Dat den Keyser aensach met blijden oogen.’

Die Arend kwam daar dagelijks te rug, ‘met open vlogelen’. Dit behaagde den Keizer; hij zag er een goed teeken in, en voortaan voerde de Keizer van Rome

 
‘Een swarten Arent in een gulden velt,
 
Om dat hy is die meeste op d'aerde ghetelt.’
 
 
 
‘Daer werd een gulden banniere gemaeckt,
 
Waer in een swarten Arent stont vlieghende,
 
Constich ende costelijck na 't leven geraect.’

Eens reed de Keizer ter jacht, en ving een levend hert, welks edele aard en fiere houding hem dermate gevielen, dat hij besloot het te sparen en het een gouden halsband liet maken, waarop gegrift werd, hoe de Keizer van Rome ‘hadde 't schoone beest gevaen’, maar het om zijn ‘Edelheyt’ de vrijheid had hergeven.

Daarna werd er weder een steekspel afgekondigd,

 
‘Om prijs van vrouwen alomme geblasen,
 
Die Livia den beste na vroomheyt soude geven.’

Daar kwam er een uit Grieken, voerende een witte banier met een Moriaanshoofd ‘na 't leven’. Zijn rijke wapenrusting schitterde ‘als blinckende glafen’. Een ‘Heer uyt Cicilien’ trok hem tegen, met roode banier, waarin een gouden Griffoen.

 
‘Dese reedt op hem, bijtende zijn tanden,
 
Hortende 't Moeriaens hooft met moede coen,’

zoo dat dezen Ridder zijne lans begaf, en hij zich ‘moest

[p. 23]

helpen met zijne handen’; de Moriaan dolf echter het onderspit; de Griffoen bleef overwinnaar en ontving den prijs - cieraden, ‘van schoone gesteenten geciert’, en, wat meer zegt,

 
‘Onder soo veel duysenden was hy ghepresen
 
Van Vrouwen ende Jonckvrouwen schoon uytgelesen.’

Toen heeft de Keizer zijne burcht te Nymegen eenen Kastelein overgegeven, die er den Arend wél bewaren zoude: een dubbelen Arend! om te verder te kunnen uitzien bij te hooger vlucht, ten einde de latere Keizers de Christenheid te beter voor gevaar zouden beveiligen: het eene arendshoofd, namelijk, zorgt naar binnen, het andere naar buiten.

In Friesland gekomen, palende aan 't land der wilde Slaven, ontving de Keizer er de hulde der Grooten en hield er zes weken lang open hof, met gouden vaten en zilver-blanke kannen en schotelen: een overvloed, waarvan ‘d'usantie is noch in het landt ghebleven’. En óok hier werd het krijt weder geopend:

 
‘Die baelgie was gemaect int groene velt
 
Dat Groninga noch heet’;

hier streed een Fries, die een zwarten moorenkop beschreed, en die in den lazuren ‘hoeck’ van zijn banier een gulden slang voerde, met een Ridder, op een wit paard gezeten en die ‘een root leeuwenhooft’ op gulden veld tot wapen had. Eerst met de speren, toen met de lancen deden beiden wonderen van dapperheid, maar het ‘Leeuwenhooft’ behield de overhand; het was de Heer van Burchorn, die Leeuwenhorn en twintig steden en dorpen inhad, ter plaatse waar nu ‘die groote Keynse’ is gelegen.

Toen men daar aldus aan het hoveeren, dansen en banketeeren was, kwam er eene Koninginne uit Engeland over, en, met deze, Gabba haar neef,

 
‘vroom en̄ verheven,
 
Alsmen van outs noch vint beschreven.’

Gij weet, hoe de Koning van Engeland te Megen den prijs had behaald - geen wonder dat zijne Koninginne verlangde,

[p. 24]

op hare beurt, den keizerlijken gastheer eens te ontmoeten en Gabba, haren hoveschen neef, ten leidsman met zich nam.

‘Byder Maezen’ zijn zij aan land gegaan, en vernemende dat de Keizer in het Noorden, te Leeuwenhorn, was, zijn zij haastig door het woud bij Egmond getogen en hebben met heel hun ruitrenstoet Leeuwenhorn bereikt. De Keizer ontving ze met heuschheid,

 
‘Openende haer alle besloten steden.’

Gabba voerde in zijn gevolg drie-honderd schildknapen, ‘ter wapenen preus’; de Keizer was verbaasd over hunne gestalten:

 
‘Hy was verwondert, want elck scheen een reus,
 
So groot, so fier, so sterck van beene.’

‘Te-recht mogen zij Engel-schen heeten,’ sprak de Keizer; ‘dit edel volk bestaat uit meer dan menschen.’ En hieraan heeft Engeland zijn naam te danken.

En toen men hier ten steekspele ging, was de eerste, die zijn standaart ontwond, een Ridder, die een rooden Haan op het witte veld voerde. Dat was Gabba naar den zin. Hij, gekleed in den kelen rok met witte roos, heeft een wichtige speer gegrepen, en is ingevlogen op den Haan. Deze

 
‘reed op Gabba met sulcker vaerden,
 
Dat hy hem selven vant seer onsochte
 
Wt der sâlen ghevallen int sant opt aerden.’

Een tweede joeste viel niet gunstiger uit voor den Haan, zoo dat ieder-een riep:

 
‘Die roose wintet sonder eenich bedriegen.’

De overwinnaar ontving ten loon

 
‘Een roose van paerlen, groot ende ront.
 
Met blinckende smaragden waren die bladen;
 
Veel groote robijnen was der roosen grondt,
 
Die rijs1) was met fijnen goude beladen.’

Nu beriep Gabba, op zijne beurt, een tornooi. Daar versloeg Gabba een Ridder, die een zwarten Jachthoorn voerde;

[p. 25]

deze was eigenlijk de Heer van Burchorn, wien, boven, het Leeuwenhoofd toegeschreven werd; en het Leeuwenhoofd is Idsaert. Deze wakkere jonge held viel voor Burchorn in, en begon met Gabba te strijden, daar Burchorn de kampplaats verlaten had. Toen deze keerde, reed hij op Idsaert; maar Livia gaf het teeken tot opbreking vanhet spel en heeft Gabba ter tafelen geleid.

Het leed niet lang of Gabba en Livia hielden bruiloft - op Leeuwenhorn, waar de Keizer binnengetrokken was. Van hier, dat men nog heden ter dier plaatse, ‘groot Keyns’ geheeten, half Friesch, half Engelsch spreekt. De Koningin van Engeland had ook met zich gebracht Gabbaas zuster, de schoone Oeda - dezer hand verdiende en verwierf de dappere Idsaert. Hij was Heere van Groot Keyns, Lammoer, Grebbe, Gonsende, Linnen, Terdorp, Schilphorn en andere steden en plaatsen, die gedeeltelijk door het water zijn verzwolgen:

 
‘Men vindt noch veel tomben, by schoonen weere,
 
Met groote schinckelen;’

ook plaatsnamen gewagen er van: ‘Leeuwarden van Leeuwenhorn verloopen’ en ‘Lammerschagen van Lammoer’.

Op de bruiloft kwam ook de Heer van Burchorn, wiens stad nu almede vergaan is;

 
‘Voortijts schoon landt wijt ende breedt;
 
Men kan noch die ackeren, werven en̄ grachten
 
Onder 't water sien leggen (die 'r op wil achten).’
 
 
 
‘Noch huydens daechs is 't in 't ghebruycken
 
Te verheergewaden 't Leen van Burchorn cleyn ,,nu,
 
Met een swarten jachthooren, by waer ontpluycken.’

Nog heden, zegt de dichter, wordt het Leen van Burchorn, onder het ontwinden van de banier met zwarten Jachthoorn, door den Heer van Schagen van den Grave van Holland verheven; 't is dat land,

 
‘Dat onder die oude Vriesche Dijck moeste duycken.’

En toen (om te-rug te keeren tot den Keizer), toen het

[p. 26]

eindelijk winter geworden was, na de gehouden bruiloften, vonden de Romeinen hier in het Noorden geen genoegen meer.

 
‘So dat zy van coude haer handen moesten wringen,
 
En noemde het lant Vrieslant int Weste ghelegen.’

Maar voor dat de Keizer vertrok ‘om in andere landen sijne saecken te volbringen’, maakte hij Idsaert Koning ‘van den wilden Slaven, nu West-Vrieslant’

 
‘Daer noch de Vriesen den roem af gheven,
 
Seggende: ,,Fry Fries, 's Keysers ghenoot!’

En Idsaert kreeg den titel van Koning der Romeinen, en tevens tot wapen de witte Rozen (des koninklijken engelschen geslachts); terwijl Gabba het Leeuwenhoofd kreeg.

Daarna ging de Keizer ‘opten Rijn in Hollandt’ zijne zaken afdoen:

 
‘Stichtende Casteelen, Roomburch te Leyden.’

En zie, Livia, zijne schoone nicht, de gemalinne van Gabba den engelschen Prins, scheidde uit dit leven. Daarop trok Gabba met den Keizer in Gallië ten oorlog.

Ook Idsaert bleef niet werkeloos. ‘'t Is schade, 't is schande!’ roept de eerzame schoolmeester uit, dat al die groote daden vergeten worden.

 
‘Verblinde Ignavia verduystert veel dingen,
 
Die waerdich souden sijn in 't licht te bringhen.’

Maar al spoedig stonden de West-Friezen tegen hunnen Koning Idsaert op:

 
‘Daer ginck Partye baeren haer practijcken,
 
D'ondersaeten tegens d'Overste, in grooter twisten;
 
Daer murmureerden de armen tegens den rijcken,
 
Muytmaeckers die saeyden daer verscheyden listen,
 
't Was al in turbatie, noyt dier gelijcken!
 
Oorloghen met fortsen sloten die kisten,
 
't Liep ál tegens d'ander: Knechten teghen die Heeren;
 
Rebellie dede in ellenden weelde verkeeren.

Dit kwam ter zake van een chijns, dien de Koning had uitgeschreven. Doch hij wist ze wel te temmen, en de belasting werd betaald.

[p. 27]

Maar zie, de man des volks, der oppozitie, bleef niet uit. Het despotisme baarde zijne demokratie.

 
‘Van Schagen daer quam een Heere valiant,
 
Wel gemonteert, fortsich ende coene;
 
Hebbende een witte roose in een rood velt gheplant.’

Dit kon des Konings broeder niet aanzien. ‘Van waar komt u die roze?’ vraagt hij toornig.

 
‘Dat en roert u niet, sprack die campioene;
 
Mijn voorouders hebben my dese also ghelaten:
 
Lust u - ghy moocht wapen om wapen vaten.’

En zij staken met lancen; en de Heer van Schagen overwon. Hier van daan heeft Schagen zijn roos nog in het wapen.

Zoo doende moest Koning Idsaert zijn blazoen veranderen, tot groote smart zijner engelsche Koninginne Oeda, en hij voerde vervolgends, nog voor dat hun zoon Dothan geboren was, den rooden Leeuw, - met een zwarte Baar, ten teeken van rouw. Hun tweede kind was de schoone Niesa, die later in Oost-Vrieslant geschitterd heeft; hun derde - Engel, een ander - Venus; voords hadden ze nog een zoon, die naar Engeland getogen is; verder een zoon, Hendrick, die den vader in Vrieslant opvolgde. Men noemt nog eene dochter, Isabelle, die in Gallië trouwde, ‘na Gabbas bestelle’; nog een zoon, Steven, die Staveren stichtte. Deze Steven, die later in Oost-Vrieslant regeerde, kreeg een zoon Idsaert, en een tweeden,

 
‘Rabbout geheeten; noyt arger, noyt quader!
 
In Sinte Wilboorts Historië machmen 't schouwen!’

Deze regeerde tot aan de tijd, dat de landen door het water bezocht werden. Dat was in den jare 323. En die landen hebben, minder en meer, voor het water blootgestaan tot aan de eigenlijke bedijking in 1552.

Een oud man had het in tijds voorzien; de dijken dachten hem te zwak, en ‘met wijf en kinderen, paerden en koeyen’ nam hij de vlucht, en bleef ter stede ‘daer nu Amsterdam is’. Anderen vluchtten naar Valckenooch; de Heeren zijn naar Oost-Vrieslant getrokken. En een man, Tialle, bouwde met

[p. 28]

aarde eene hooge stede, Tiallewal - de buurt is nog in wezen. Zijn zuster Aef maakte een berg, waarop nu Avendorp ligt; zijn broeder Gresing vestte de nog bekende Gresing-werf. Tialles zoon heette Lotharus, die de Loete maakte. Het kind van dezen, Tiaert, maakte Tiaert-dorp. Grate heeft Gratewal gemaakt: alles tegen de woede der wateren. Nesa, een weduwe van Schagen, sloeg een dijk aan de Noordzij, op een hoogen werf; ‘'theet noch die Nes’. Haar broeder Wijbe maakte Wijbewerf, en hun broeder Huypke den Hoep. Lutke maakte Lutkewal. Ziedaar veel oude namen van Schaghen, eerst een uithof van de Abdy van Lidlum1) in Vriesland.

Daarna is in 't noorden van Schagen een dijk gemaakt, ‘die Keynse geheeten’. Hemke heeft Hemkewerf gesticht; zijn broeder Jan

 
heeft om een grooter werf gheraemt.
 
Dese Jan riep daghelicx sonder falen:
 
‘Hael, hael, mijn kinderen: brengt aerden ,,an!
 
Gaet, hael, ick sal u wel betalen!’
 
't Heet noch ‘die Haele’ (van den waerden ,,man).

Toen heeft men ook een kerk durven bouwen. Er werd ‘een jock ossen’ gezien; en waar die 's nachts zich zouden neêrgeleid hebben, daar zou men de kerk fundeeren.

En hier eindigt de dichter zijn eerste chronijk. Wie, die door den uitwendigen vorm met zijn oog weet heen te dringen, om er de waarheidskern in op te sporen, durft haar gants onbelangrijk noemen? De goede Boomkamp2) sprak naar den geest van zijn tijd, en noemt, met het modewoord onzer ondichterlijkste Eeuw, het ‘Leuwenhorner Chronykje’ ‘beuzelagtig’.

Wie ziet intusschen niet, dat de zelfde logika, die Karel den Groote Keizer van het Westen kroonde, en die de linie der Keizers, naast de linie der Pausen, ten minste tot Titus in geregelde volgorde doet opklimmen, als ware bijna Karlemeine

[p. 29]

een zoon van Romulus Augustulus geweest, dat de zelfde logika de triomftocht van Caesar door onze Nederlanden, en te midden van de wilde Slaven, ontworpen heeft? Is dat geen sprekend zinnebeeld van de dubbele beschaving, die onzen vaderen, eerst door de Romeinen, later, vooral door de Franken is aangebracht - dat 's Keizers schoone nicht op onzen bodem de vrouw wordt van dien Saxischen Prins Gabba, ons uit Engeland overgekomen? Vertegenwoordigt die geheele engelsche familie de invoering des Christendoms niet? - die Koning, die te Nijmegen, bij de oude burcht der Batavieren in het land, ‘dat wilen Nedersassen hiet,’ ten tornooye triomfeert, naast den Brabander (den gouden leeuw in 't fabelen schild - Pepijn van Landen) - die Prins Gabba, met zijne moeder en zuster, aan het hoofd hunner drie-honderd Jonkheeren, op wie Caesar het woord van dien anderen Romein, Gregorius den Groote, toepast, er van getuigend, dat het ‘Engelen’ zijn - die Nederlander Idsaert, die door de schoonheid van Oeda getroffen wordt, welke misschien haar naam heeft ontleend aan een ang.-saxischen wortel die Adem, geest beteekent1), zoo dat Idsaert zich het bezit van dien geest, dien levensadem wenscht - Idsaert en Oeda, de grootouders van dien Radbout, hier zeer eigenaardig Rabbout (rabauw, ribaud - boef) genaamd - kon dat alles geene voorstelling van de planting des Christendoms onder onze voorouderen wezen? - Het edel hert, wien de Keizer zijn vrijheid te-rug-gaf, met een gouden halsband gecierd - zijn het niet de Batavieren tijdens de Romeinen, de Friezen onder Karel den Groote, die meer bondgenoten dan onderdanen der overwinnaars werden? En die Arend ‘met open vloghelen’, die op den stralenden torenbal van Nijmegen komt neêrstrijken - is het geen schoone allegorie van de Majesteit der Duitsche Keizers in de burcht te Nijmegen; van Karel den Groote en Frederik Barbarossa, wier stichtingen er nog heden in belangrijke steenresten te vinden zijn?

[p. 30]

De Saxer Gabba zag zijn romeinsche vrouwe reeds jong door den dood in deze germaansche streken wechnemen, en inderdaad de sporen van het waereldbeheerschend volk werden hier al spoedig uitgewischt; toen toog Gabba naar Gallië; wij behoeven op franschen bodem de overlevering niet na te gaan. Maar die Franschman, die roode Haan op het witte veld, die bij de aankomst van Gabba het eerste zijn standaart verhief, doch voor Gabba ‘wter salen’ viel, en na lang joesteeren, ten tweeden maal verslagen werd - is het niet de kamp van het frankiesch en saxiesch element op onzen bodem? Ja, die Fries, die een zwarten moorenkop beschreed, en een gulden slang in zijn lazuren wapen voerde, maar verslagen werd door den Leeuwenhorner op het witte paard, en dragende ten standaart het roode leeuwenhoofd op gulden veld - herkent men daarin geen tafereel van den eeuwigen strijd tusschen de Hollanders en Friezen, ‘dat onscamel vriesche diet’, dat, na herhaalde onderwerping, telkens weêr opstond - al heeft de dichter hier den rooden Leeuwenhoofde de zege verzekerd? Ik zwijg van méer gelijkenis. ‘Wilboorts Historie’ is natuurlijk de samenvatting van de lotgevallen der geloofsverkondigers in Friesland. Ik heb al gewezen op het triomfeeren des Hoeren van Schagen, den leenman, die zich vrij maakt van Idsaert en zijne vrouwe. De chronijk sluit, na de vermelding van vreeslijke verwoestingen, uitgegaan van de zee, gelijk de zwerm der Noormannen uit de zee dood en verdelging over ons bracht - met de bouwing van een kerk, die voor goed werd gesticht, ter plaatse waar een span ossen het aanwees: zijn het misschien de kerken van Bisschop Balderik, na de geweldenarij der Denen, of de Mariakerk, van Bisschop Koenraet, welke op ossenhuiden gegrondvest werd - in de Xe en XIe Eeuw?

Ik zeg niet, dat Meester Valcooch dit symbolismus in zijn onderwerp vermoed heeft; maar 't is al veel, dat hij voor die epische gevallen genoeg liefde heeft gehad, om er zijn schrijstijd en kunstrijm aan te besteden. En 's mans dichterlijke verdiensten zouden geene zijn? - Luister eens naar deze regels uit zijn ‘rustich nieu Liedeken van het vermaerde dorp

[p. 31]

Schagen’, dorp dat Paquot als 's mans werkkring opgaf in zijn notariaat:

 
‘Schagen, edel lantsdouwe ,, soet
 
U moet ick prijsen en̄ loven,
 
Bewoont van mannen en̄ vrouwen ,, vroet
 
Beset met schoon' huysen en̄ hoven!
 
............
 
‘Edel en hooch zijt ghy befaemt
 
Onder veel steden en Landen.
 
In een cleye gront versaemt,
 
Bepaelt aen die Sijpsche stranden,
 
Gheen vloet u aen can randen;
 
Een seedijck, die u bewaert!
 
Veel visch comt u te handen,
 
Voghels van menigher aert.
 
 
 
‘Schagen, dat heeft nu eene kerck;
 
............
 
Een slot, al is 't niet al te sterck;
 
Een Edel Heer gaet er op wonen,
 
Al uyt der Fransche croone,
 
En uyt het Beyersch gheslacht:
 
So zijn wapenen al vertoonen:
 
God gheef hem wijsheyt en̄ cracht!
 
 
 
‘Dit dorp dat is so wel ghedaen
 
(Versche meeren rontsom vloeyen)
 
Met claver-weyden die vol bloemkens staen,
 
Daer op so loopen Hollantsche koeyen.
 
Die boomgaerts lustich daer bloeyen.
 
Ghy vinter so soeten vrucht;
 
Al dat 'er weyt, dat wil wel groeyen:
 
Daer is oock bequame lucht.

En wilt ge nu nog weten, hoe de Heer van Schagen hierboven zoo stout kwam, dat hij Idsaert de wapenroos betwisten dorst:

 
Magnus, uw vrome capteyn,
 
Heeft met den kuys1) en̄ den deghen.
[p. 32]
 
Voor Damiaten die stadt reyn,
 
Hem dapper en fray ghedreghen.
 
Dies hy de Roos heeft creghen,
 
Ende binnen Schagen gheplant,
 
Met Leliën reyn om-gesleghen:
 
Dees Roos voert oock Enghelandt.
 
...........
 
Schaghen, ghy Schagen, vol hoogen moet!
 
Du biste noch fray op desen dach!1)

Men herkent hier den man, die gelukkig is in de natuur, waarmeê God hem omringd heeft, en te-vreden en fier in hetgeen de hand der menschen, zijn tijdgenoten, gedaan heeft om die natuur te helpen en te verheffen.

Wanneer men de kaart van Noord-Holland voor zich neemt, dan ziet men de duinlinie, aan de kusten der Noord-zee plotselijk, omstreeks het dorp Petten, op een vrij groote breedte onderbroken, het zij door eene bedijkte vlakte, of door een waterplas - naar mate men een kaart van vroeger of later dagteekening gebruikt. Dat is de Zijp - dat is de plaats, waar het geweld der golven ons kunstland binnenstroomde en bedierf, voor dat in 1552 Karel V, die aan Noord-Holland bijzondere bewijzen zijner genegenheid geschonken heeft, het oktrooi bezegelde, waarbij de Zijpdijk werd ontworpen.

 
‘Doe quam d'oude Sijp te met in 't gereye,’

zegt Valcooch.

Levendig is de beschrijving, die Valcooch geeft van de bedijking, slootgraving, het bruggenslaan, en hunne naaste gevolgen: het aanleggen van akkers, bouwen van huizen, bloei en welvaart.

 
‘Twee soutkeeten worden daer gebouwen,
 
Staende schier by het Seedorp van Petten.
 
Hier worde getimmert; daer worde ghehouwen;
 
Veel schoone huysen ginckmen te met daer setten;
 
Men planter, men timmerder sonder narouwen;
 
Haer schapen, haer koeyen ginghen te vetten;
[p. 33]
 
Sy creghen saet in schuren; sy backten casen,
 
Om saeten1) te pachten scheen elck te rasen.’

Een Sluis, die ‘tien-hondert roode croonen’ kostte, leî men in den Slijckerdijck. 't Was er alles arbeid en belooning; zaayen en maayen.

Onze schoolmeester heeft een vaersregel voor iedere geologische en antiquarische bizonderheid, die zich bij de bearbeiding dier gronden opdeed; voor elke ademhaling van landbouw en nijverheid, in dat herwonnen land. Men ziet, men voelt, dat men met een ooggetuige te doen heeft; en men oppert een bescheiden twijfel, of de Heeren Boomkamp en Kobus wel juist hebben geoordeeld.

 
‘Als die Sijpsche boeren met haer waer te mert2) quamen,
 
Meest binnen Schaghen bedreven sy haer affairen;
 
..................
 
Opt Brabants veel toegerust waren.
 
Sy reden en̄ triumpheerden als Jonckers t'samen,
 
Met clappen der zwepen, met crijten en̄ baren.
 
Sy poechden nergens na dan om te versamen schat:
 
- Dat Hemelsch was elcken een vergadt.

En daarmeê neemt zijn dicht een ernstigen keer, in de nog frissche vorm:

 
‘Men seyt gemeenlick als 't den Esel gaet wel
 
So danst hy op 't ijs en breeckt zijn bien.
 
So oock den mensch: crijcht hy goet - wort hy rebel
 
Tegen God, en̄ gaet zijn geboden vlien.
 
't Goet brenght den mensch somtijts in de hel.
 
't Is by ons voorvaders so dick3) ghesien!
 
Die met sulcke sonde waren besmet,
 
Door weelde en ydelheyt komen de plagen te met.’

Zoo ook hier. Omtrent het jaar 1570 kwam er een nieuwe watersnood.

 
‘Op Alder-Sielen nacht te thien uren
 
Verthoonde God de Heer zijn wonder werck:
 
Men hoorde opten Sype suchten en̄ trueren -
[p. 34]
 
't Water aencomende seer onstuymich en̄ sterck.
 
Die sandijck by Petten sachmen eerst verscheuren!
 
.................
 
Vast en̄ onbeweechlick bleven alle molens staen.
 
.................
 
Beyde Soutketen sachmen stucken slaen.
 
.................
 
Och, wat dreven, daer al mannen en̄ wijven.
 
 
 
Die Heer comt als een dief inder nacht;
 
Luttel hadden sy op zijn coomste gewacht:
 
D'een sat by 't vyer, d'ander te bedde ghestreecken;
 
Die derde sat in dronckenschap versmacht,
 
Die vierde was van huys gheweecken.
 
Haer schuren vol hoy en̄ saet geplant ,, waren,
 
Die men so dra sach in 't zant ,, varen.
 
 
 
Tresoren1), bancken, stoelen en schrijnen2),
 
Bedden, bedscleeren, cussenen en̄ deecken,
 
Lagen aen d'oude seedijck gedreven by dozijnen,
 
't Lach al verwildert, d'een stucken, d'ander in 't breken.
 
..................
 
‘Op huysen, daken, hoyen, quamen sy aen drijven;
 
Tien of twaelf saten sy bedroest by malkanderen;
 
Naect en̄ verwoest, sachmen haer den dijck op clijven;
 
't Riep al: ‘berg! berg!’ niemant sach na d'anderen.
 
Hoe groote, lieve vrienden - 't moest 'er al blijven....
 
Och, was dit niet een droevich passagie om wanderen?’

Ik twijsel, inderdaad, of er, bij den laatsten watervloed in Gelderland en Noord-Brabant, wel vele vaerzen door onze tegenwoordige dichters geschreven zijn, die de vergelijking zouden kunnen doorstaan met deze schilderingen des XVIe-eeuwschen schoolmeesters, wiens dichterlijke verdiensten geene verklaard werden te zijn.

Aardig en onderhoudend zijn de opmerkingen, die Valcooch, als persoonlijk getuige, maakt over de lotgevallen van het vlotte land, dat hij bewoont.

[p. 35]

In 1572, ten eersten Meydage, begon men het overstroomde land weêr te bedijken, uit de middelen, op bevel van den Hertog van Alba door de omliggende plaatsen verschaft. Maar zie, op St Nikolaas brak de nog onverzekerde zanddijk weder op verschillende plaatsen door. Het water stroomde te Petten binnen, en drong naar het Noorden; dat gelukkig was voor Noord-Hollands zuiderdeel.

 
‘Doen geschieder weêr hoofden-clouwen, handen wringen:
 
Nu bennen wy, Sijperianen, eewich bedorven;
 
Ons leven lanc willen wy niet meer van dijcken singhen;
 
Och, 't is al nullus, dat wy oyt hebben verworven.’
 
Verlopen, verstroyen sachmen haer geringen1);
 
Hier en̄ daer in steden en̄ dorpen, sy sworven;
 
Niemant en dorste meer na dijcken talen!’

En, werkelijk, 24 jaren lag de Zijp verdronken. Wel was daar een Cornelis Tatesz ‘een lustich quant’, die ‘opten egalementen’ zijn vee weidde en een huis aan den Slijkerdijk had gebouwd; maar als de zee kwam, moest hij met al zijn beesten en tilbare have de vlucht naar hooger plekken nemen. Omstreeks 1575 deed men iets tot versterking van den zeedijk; maar de Zijp werd niet leêggemalen. Er werd veel over gepraat en gebeuzeld.

 
‘Daer is niet of gecomen; die saeck is vercout;
 
t Wordt hier gecreysselt en̄ daer ghewannen;
 
Als den een was gereet, was d'ander onghereet;
 
Verwerde saecken hebben altijt qualick beleet.’

Intusschen was de Zijp droog genoeg geworden, om den Spanjaarden een overtocht te leenen:

 
‘Nergens hoordemen doen van Sijpdijcken praten;
 
't Was al te doen met houwen en smijten2).
 
Daer wierden gevaen 3 Spanjaerts, lustige soldaten.
 
't Was al ‘hang op!’ - ‘hang op,’ ging men crijten.
 
Men hinckse aen een bindt; op 't Sijp mosten sy 't leven laten.
 
Een mans leven was doen niet waerdich 2 mijten.
[p. 36]
 
Menich schermutsinge men sach by den Sijp geschien:
 
Die desen Cronijcke maecte heeftet gesien:

Die Zijp was al een zeer ongelukkig land: want week de Spanjaart - dan kwam de zee weder opzetten: ‘O,’ roept de dichter uit, bij het verder beschrijven van het ongerief des waters:

 
‘O du lantsee, met dijn sout water, swart en̄ bruyne,
 
Hoe menigh schip en̄ lant bistu dwinghende.

Intusschen kregen de omwoners een afkeer van de Zijp.

 
‘“Tfy Sijpe, wech Sijpe!” die coggen1) dagelicx riepen;
 
“Legt nu daer als een verdrenckte cater.
 
Ghy moet verloopen, ghy moet verdiepen;
 
Ghy hebt ons gecost so menich swaer pont2):
 
't Is Cost verloren al, dat men oyt an u begont!”’

In 1584 werden alle molens, sluizen en bruggen dan ook uit de Zijpe wechgeruimd. Daarna kwam er weêr spraak van bedijking.

 
‘D'een sprack: “Men sal weêr Sijpen: 't zijn ware woorden”
 
Den tweeden sprack: ,, Daer comen al billetten te handen;
 
Mijn Heeren sullen daer op vergâren met accoorden....
 
't Is by-loo geen callen noch oude wijfs praet.’

Eindelijk in 1596 en 97 werd er weêr gewerkt. Maar het leed niet lang of er kwam weêr schade; zij werd echter weêr hersteld, en ten spijt van de dure tijd wisten de ‘Sijperanen’ het te bolwerken: ‘twaelf stuyvers gold intusschen een roggebroot van elf pont; seven stuyvers een half cop boter; drie stuyvers een pont speck,’ enz. enz.

Eindelijk komt de dichter tot zijn epiloog.

 
‘Verheucht u, Sijp, die dus lang in het sout hebt geslapen,
 
Wilt dijnen Schepper dancken en̄ loven!
 
Nu fulste het versche water gaen lapen;
 
Die visschen en sullen niet meer in die huysen en̄ hoven;
 
Maer sult beweyt worden met koeyen en̄ schapen,
 
Ende uyt-leveren die groote volle schoven.
[p. 37]
 
Gras, cruyt en bloemkens sullen dy vercieren,
 
Mijn heeren vande Sijpe sullen vreucht in dy hantieren!’

Nu volgt nog eene verwensching over den zandvijand.

 
‘Ketelduyn, Ketelduyn, eertijds een duyn seer hoghen
 
Wat hebstu den Sijpe al schade ghedaen;
 
Dijn hoochte is meest over 't Sijp ghevlogen.
 
Die hebste vercort so menich Sijperjaen.
 
Wie can altans dijn witten rock uyt-toghen? -
 
Egalementen, colcken, slooten, zijn met dy belaen,
 
Dijn gestuys is gul sant; hoe wortmen dy quyte?
 
't Lant eertijts by dy omhelst docht niet een myte!

En dan sluit het stuk met een bede aan alle vermogenden, om de Zijp verder te helpen.

Het is ons niet te doen, om eene bloemlezing te gaâren uit het bundeltjen, getiteld, ‘Chronijcke van Leeuwenhorn,’ door den Eerzamen Dirck Adrs Valcooch; wij hebben geene beschrijving te geven van een verloren of overzeldzaam boek: wij brengen dus alleen uit de schriften van Meester Valcooch bij, wat strekken kan, om den man te doen kennen, en verder wat ter toelichting van den staat der lagere scholen in Nederland, op het einde der XVIc Eeuw, kan dienen.

Uit het medegedeelde heeft men gezien, voor-eerst, dat onze schoolmeester zin had voor poëzij, als opvoedend element, ja, dat hij misschien de scheppingen van de volksfantazie, ook waar zij zich geheel vrijmaakte van het historiesch weefsel, waarop ze hare groepen doorgaands borduurt, niet zelden voor geschiedfeiten aanzag; ten tweede, dat hij, ondanks zijn liefde voor het verledene, die hem aan de psalmen het motto deed ontleenen:

 
‘Ick wil mijn mondt open doen tot by-spraecken,
 
Ende uytspreecken alle oude saecken,
 
Opdat die nacomers mogen weten te hooren
 
En̄ die kinderen, die noch souden sijn gheboren,’

dat hij, in spijt hiervan, een helder oog en een warm hart overhad voor de zaken van zijn tijd, voor het lief en leed

[p. 38]

der kleine maatschappij, waarin hij leefde. Geen twijfel, of de man die de geschiedenis, de oorzaken en gevolgen der woede van den waterwolf, de welvaart van de Zijp zoo dikwijls aangrimmend en verstorend, van nabij had bestudeerd en gadegeslagen - die moedige woorden, het zij tot blaam, het zij tot opbeuring, gereed had, bij het bespreken van den ramp: geen twijfel, of hij stak, waar het vereischt werd, eene vaardige hand uit, om te helpen waar hij mocht; geen twijfel of hij was menig werf de raadsman en, met zijne letterkunde, de voorganger, woordvoerder en schriftsteller zijner geburen. Al zijne vaerzen, die de zaken van zijn tijd betreffen, zijn onder de levendigste indrukken neêrgeschreven, en er blinkt in sommige kleinere stukjens eene frischheid van vernuft uit, die de stelligste getuigenis aflegt van gezonden praktischen zin vereenigd met eene gemoedelijke geestigheid.

De Heeren, die elkander nageschreven hebben, dat de dichterlijke verdiensten van Valcooch ‘geene’ waren, moeten lezen: ‘Een beclach van de Dijckmeesters, Basen ende Hanskuyers, die opten Sijpe wercken.’ Dat stuk behoort tot de beste refereinen, die de XVIe Eeuw heeft opgeleverd1), en al mist de schrijver de diepte van denkbeelden, het even verrassend als bijtend vernuft en de ontembaar voortstrevende diktie, zoowel in het lyrische als in het didaktiesch-satyrieke, van Anna Bijns, dit ‘Beclach’ mag toch eene plaats vinden naast de stukken van gelijke form in den eersten bundel mijner ‘Nederlandsche Gedichten’ bij-een-gebracht2). Als man van zijn tijd heeft Valcooch echter al iets meer van den trant, dien wij voornamelijk uit Roemer Visscher kennen; hij heeft, in den grond, de eerlijke zedelijkheid met dezen gemeen; maar heeft meer ernst, waar het de Godsdienst geldt, en meer betamelijkheid in zijne uitdrukkingen, bij hem vooruit. In geestigheid van invallen staat hij echter bij Roemer ver achter.

Ziet hier een ‘roemer-visschertjen’ van onzen schoolmeester,

[p. 39]

waarvan de slotvaerzen inderdaad van een treffenden ernst zijn, en het charakter van den man in het gunstigste licht stellen:

‘Nota.
 
‘Om baet zijn die Sijp-heeren by-een-ghecomen;
 
Om baet hebben sy 't Sijpdijcken te hant genomen;
 
Om baet hebben sy requesten geschreven;
 
Om baet is haer een goet octroy ghegheven;
 
Om baet zijn die dijcken om 't Sijp ghemaeckt;
 
Om baet is er gespeet, ghedolven, gehaeckt;
 
Om baet deed men sluysen en̄ molens setten;
 
Om baet is er gheleyt goê kueren en̄ wetten;
 
Om baet comen 't volck om den Sijp te bouwen;
 
Om baet sal men alle jaeren den dijck schouwen;
 
- Wil God verlaten den Sijp met den Sijp heeren,
 
So sal den baet in schade verkeeren!’

Meester Valcooch had dan ook tot devies verkoren: ‘'t Ghemeen1) leeft deur Een’; en reeds het eerste boeksken, dat mij van hem bekend is, is met deze zinspreuk vercierd. Mij dunkt een man, die, aan Godsvrucht, gezond verstand en schranderheid paarde, moet, in weêrwil zijner onvolkomen geschiedkennis, een goed onderwijzer zijn geweest; beter, dan het wellicht te dier tijd van een plakvoerder en inprenter van het A-B-C gevorderd werd. Het boeksken, dat ik bedoel, heeft ten titel: ‘Regel der Duytsche Schoolmeesters, die Prochie-Kercken bedienen, seer nut ende profijtelijck. - Nu eerst wtghegeven ende ghepractiseert door Dirck Adriaensz Valcooch, Schoolmeester tot Barsigherhorn.

Proverb. 23. 17. 18:
 
De jongelingen met roeden straffende, hout in den toom:
 
Want alsmense van ioncx castijt soo wordense vroom;
 
Men derf2) hen niet dooden t'eeniger tijt.
 
't Is waer dat ghyse wel met roeden smijt:
 
Maer ghy doet aen hen der charitaten werck,
 
Ende ghy bevrijdt hun ziel oock vander Hellen perck.
[p. 40]
Proverb. 30. 17.
 
Een ooghe, die Vader en̄ Moeder bespodt,
 
Ende niet luystert na haer goede leering' en̄ ghebodt,
 
Die moeten de Raven aende waterbeken wtpicken,
 
Daer toe1) de jonghe Arenden sullen hem opslicken.
 
 
 
Tghemeen leeft deur een.

Tot Amsterdam. Voor Laurens Jacobsz. inden gulden Bybel opt Water. 1597.’ Dat deze ‘Regel der Duytsche Schoolmeesters’ geheel in vaerzen geschreven was - schijnt den vervolgers van Witsen Geysbeeks ‘Woordenboek’, midsgaders den schrijver van het ‘Aanhangsel op het Woordenboek van Kunsten en Wetenschappen’ onbekend gebleven te zijn: want zij maken daarvan geen melding. In het ‘Algemeen noodwendig Woordenboek der Zamenleving’, ons hollandsch ‘Conversations-lexikon’, wordt van het boeksken gewaagd, maar de uitgave op 1591 gesteld. Zoû Paquot die schrijffout begaan hebben? Ik kan het op het oogenblik niet nazien. Onze druk is, naar allen schijn, de eerste. Het eenig mij bekend exemplaar berust in de boekerij der Koninklijke Akademie van Wetenschappen.

Zie hier wat Meester Valcooch aanleiding gaf het te schrijven. ‘Als ick aenmercke de plompheyt en ongheleertheyt die daghelijcx wort geuseert by den Hollantschen, Vriesschen en Zeeuschen Schoolmeesteren die Prochie Kercken bedienden, - want wie slechts een naem conde schryven, ende een Psalm onstichtelicken singhen, begaven hen terstont totten schooldiensten en wilden terstont groote Meesters zijn, daer sy noch geen Clercken mochten strecken, ende verachteden dien, die in de const van School-houden nuttelijck en ervaren zijn, - daerenboven dienende en hen bestedende metten Ghemeenten om eenen cleynen soberen loone, waerdoor sy maken de edele const, ende het Godtlijcke ampt op nul ende van gheender waerden, - want de huyslieden en onverstandighe Idioten zijn so verdorven, als sy slechts eenen School-mester connen

[p. 41]

crijghen goeden coop, soo ist met hen ghewonnen spel, al soude de gantsche Ghemeente, ende plecke daerom intresten en schade lyden, ende haer lieve kinderkens in eeuwighe onwetenheyt van lesen ende schrijven blyven, - dit aensiende heeft my gejammert, opgheweckt, en seer gemoveert, om daer een weynich vande const te schrijven, nae die gaven die my van Godt gegeven zijn, om den onwetenden en plompen School-meester te aenmercken, hier in mijn boecxken, hoe sy gestelt moeten zijn die een ander wil[len] leeren, ende oock den Dorpen voor sulcke ongesondeerde Schoolmeesters te caveren, ende hen ghelt beter te besteden. So heb ick dan dit boecxken fraey in ordene gestelt, en in slecht1) rijm en duytsch2) gecomponeert, dat meest om den jongen scholieren wille, die het rijm soeter en geneuchlicker inde ooren clincket, en int herte connen drucken, dan sware redenen ende duystere materien. Dit boeck ghevet den eersamen Leser voor eerst te kennen wat een Schoolmeester is, wat deuchden, en gaven hy behoort te hebben, wat hy sal leeren, wat gereetschappen en boecken hy tot zijn ampte moet hebben, hoe hy alle zijn doen, en ordonnantie ter Scholen, ter Kercken, ende elders aenleyden en beginnen sal, soo, achtervolgende mijn boeck, verclaren en mede brenghen sal, met noch een Instructie om te leeren solfaceren met het gamma-ut. Voort sal den goeden leser hier in noch vinden veel schoone ghedichten, spreucken, ende Moralen, eensdeels wt der Schriftueren genomen ende eensdeels gedicht na des werelts beloop, en in elck sal men groote stichtinge en nuttigheden vinden, also wel in den cleynen als in den grooten; en zijn opclimmende van twee reghels tot twintighen toe, waer wt den goeden Schoolmeester zijn voorschriften (dienende totten kinderen) ordentlick, ende fraey maken, ende schrijven sal na het vermoghen ende scientie zijnder schoolkinderen, en eensdeels zijnen scholieren van buyten leeren. Hier zijn noch achter by ghevoecht schoone inventien om jnckt te maecken van diversche coleuren, om

[p. 42]

daer mede schoone trecken van letters te maecken ende vercieren, so ghy sult bevinden. Bidde een yeder, die mijn Boeck ghebruyckende is, dat sy tselsde int goede willen nemen, ende Godt dancken, die den sterffelicken mensche wijsheyt ende gratie ghegheven heeft den arbeyt voort gemeen profijt te aenvaerden, en dinct altijt dat de mensch vol gebrecx is, ende niet al en can begrypen.

Vaert wel.’

Men ziet, Meester Dirck gaat oppozitie voeren; en stout genoeg: want hij heeft het geladen op niets meer of niets minder dan de ‘plompheyt en ongheleertheyt’ der ‘Hollantsche, Vriessche en Zeeusche schoolmeesteren’: men kan een redelijk goed koster zijn en als zoodanig de kerk eener gemeente bediend hebben, zegt Meester Dirck, - men kan geleerd hebben zijn naam te teekenen en een psalm ‘onstich telicken’ voor te zingen, - dat geeft nog geene geschiktheid ‘totten school-dienste’. Hier wordt bewaarheid, wat ik in den aanvang zeide, wegends het natuurlijk verval der noord-nederlandsche scholen in de tweede helft der XVIe Eeuw; want al strekten de kloosterscholen hoofdzakelijk ter opleiding van jonge lieden, die later den geestelijken stand zouden omhelzen - het blijkt toch dat er ook kinderen ontvangen werden, wien men eene andere levensbaan bestemde; en deze kloosterscholen waren, met de kloosters, vervallen. Men mag het ook voor zeker houden, dat de burger kinderscholen, reeds in de eerste helft der XVIe Eeuw algemeener waren dan men doorgaands denkt; daar het in Anna Bijns volstrekt niet als iets bizonders wordt opgeteekend, dat zij eene school-vrouwe was, ‘die Jonckheyt instruerende in het oprechte Catholijck gheloove’, terwijl ook de nonnetjens van Grave heur werk schijnen gemaakt te hebben van kinderen te leeren: zie mijn ‘Almanak’, 1855, bl. 190, 191, de noot. Dan kwam er, volgends Valcooch, de konkurrentie bij; het werken onder den prijs: waardoor het boerenvolk geheel het spoor bijster werd, en, denkend ‘'n miester is 'n miester’ den brekebeen ‘ghewonnen spel’ gaf, en hem die naauwelijks

[p. 43]

deugt voor een klerk, dat is, die nog niet eens de eerste sport der geleerdheid is opgeklommen, dadelijk meester verklaarde. Men ziet uit dit oordeel, hoe hoog Meester Valcooch de waardigheid der onderwijzers aanschrijft, en hoe diep hij van hare plichten doordrongen moet zijn; ja, hij ontziet zich niet het een ‘godtlijck ampt’ te noemen, en ten bate der ‘lieve kinderkens’ bejammert hij de vernedering, waar onwaardigen het toe verlaagd hebben. De man heeft een hart; dat ziet men ook hierin, en onze loftrompetters van het heden kunnen hieruit leeren, dat het wachten in Nederland niet volstrekt geweest is op de Maatschappij ‘Tot Nut van 't Algemeen’, op de schoolwet van het jaar 6, op den ‘Agent voor nationale opvoeding’, op de spelling van Siegenbeek, de syntaxis van Weiland en de ‘leerwijze van den Heer Prinssen’, met hare zoo als Bilderdijk zich ergends uitdrukt ‘in wollen lappen verstikte’ bc cc dc fc gc, - om te komen tot eenig begrip van hetgeen er in een goed onderwijzer gevorderd wordt. Neen, wij hebben niet af te dalen tot de ijverige scholasters der middeleeuwen en hunne trivia en quadrivia, waarvan de Godkunde de spits en het doel was, om schoolmeesters te vinden, die begrijpen, dat onderwijs zonder opvoeding ‘op nul ende van gheender waerden’ uitkomt. Wij vinden een Barsigherhorner paedagoog, die niets aan de Akademies te danken had,

 
‘Want ter hooger scholen en heb ick niet gheweest,1)

en een zoo diepen blik in zijn ambt had geslagen, dat hij het schier met den rang en den plicht der ouderen vereenzelvigde, en als motto op zijn titel de woorden van den wijzen man aanhaalt, tegen de kinderen, die de goede leering en geboden van vader en moeder bespotten. En wat den lezer misschien verwonderen zal, van iemant, die nog onder het heden met zoo verschriklijke verwen afgemaald plak-systema leefde, en die, al was hij zijn tijd vooruit, het gebruik van

[p. 44]

de plak volstrekt niet versmaadde, - de eerste regel zijner lessen luidt:

 
‘Een Schoolmeester sal wesen een sachtmoedich man,’

voords ‘van goede name en fame’, ‘onderworpen zijn ghemeent, om alle tyden te dienen’ (gedevoueerd), en ‘also wél den armen als den rijcken’; ‘subtijl van sinnen, niet van grover conditien, hebbende volcomen verstant, om te bedienen zijn officien. Hy sal wesen een leeraer der ionger ieucht,’ dies zie men toe, dat men in hem vinde ‘een vat vol eerbaerheyt, een exemplaer van goede seden en manieren: een Man, die hem selven wel weet te regeeren;’ ten minste twintig jaren oud, en wonend in het dorp zijner schole; voords een goede hand schrijvende: wat zijne uitspraak betreft - ‘lisp noch weeck behoort hy te kallen’.

 
‘Somma, hy moet altijt wesen een vromer helt,
 
Gheloovich met zijn Wijf ende Kinderen.’

Niet onaardig zal onzen tijdgenoot de verdere vermelding toeschijnen van ‘achtien deuchden en puncten, daer een schoolmeester behoort mede verciert te zijn’:

 
1)Hoort ghy, Schoolmeesters, ick sal u oorconden
 
Wat deuchden noch by u behooren te zijn bevonden,
 
Ghy die een Ghemeente dient, 'tsy Dorp oft Stadt!
1.
Ten eersten moet ghy met geen hooverdy zijn beclat,
2.
Manierich, en simpel gaen in u habijt en cleeden;
3.
Met alle Borgheren des plecks houdende vreden;
4.
Geen dronckenschap beminnen, noch overvloedich brassen;
5.
Stadich in school te sitten opte kinderen te passen;
6.
Met gheen lichtveerdich volck handel noch wandel bedryven;
7.
Wel geschickt te zijn, in lesen ende schryven;
8.
Weten te solfaceren, op noten de Psalmen te singen;
9.
De Cloc te stellen, datse de uren op haer tijt voortbringen;
[p. 45]
10.
Die Kerck reyn en suyver van binnen houwen;
11.
Secretelick zijn gemeent te dienen met trouwen;
12.
Instrumenten; brieven, requesten leeren dichten;
13.
Schrifture doorgronden, om de menschen te stichten,
14.
Veel wereltsche affairen, en handelinghen te laten;
15.
Zijn schrijftuych opt lijf hebbende, als hy gaet by der straten;
16.
Met zijn Predicant dickwils converserende;
17.
Veel goede exemplen zijn scholieren leerende;
18.
Acht hebbende op der Kercken goeden.
 
Tot alle dees deuchden sal hy hem neerstich spoeden;
 
Ende so hy dan desen (na zijn vermogen) nacompt alle,
 
Soo sal hy voor Godt en zijn pleck zijn liefghetalle.
 
En soo hy een doogniet is, en eenich punctken gaet buyten,
 
Men sal hem van zijnen dienste uytsluyten,
 
En waer hy coemt ende waer hy gaet,
 
Armoet is hem naeckende, nijt, wangonst en haet.

Wij zullen, verder, aanleiding vinden op deze verschillende talenten en werkzaamheden van den Schoolmeester te-rug te komen. Ziet hier nu eerst ‘Wat macht ende authoriteyt den Schoolmeesters hebben int straffen der Kinderen’:

 
Die Schoolmeesters hebben sulcken vrydom en macht,
 
So gering de kinders om schoolgaan zijn gebracht
 
Van haer Ouders, Mombers, ende Curateuren,
 
Terstont moet hen slaghen en straffe ghebeuren
 
Van den Meester, sonder haer te vraghen eenich woort,
 
Gedurende so lang zy misdoen, en in boosheyt gaen voort.
 
Was daer een Scholier die een groot-feyt had gedaen,
 
Eener ghequetst, oft int school had doot gaen slaen,
 
En d'overheyt wilde hem om 't seyt corrigeren en vangen,
 
Hem geesselen, coppen, en aen galgen hangen,
 
So wanneer den Schoolmeester strast den selven Scholier
 
So moet ofstaen den Heer, Prins en Justicier,
 
En can niet comen aen den Scholiers lijf en goet
 
Noch niemant derf hem geven gelt oft boet.
 
Veel experte schrijvers ons dit selve doceren;
 
‘De roede can alsulckes afdoen ende weeren.’
 
Voort, al stonden d'ouders voor der Scholen deur,
 
En den Schoolmeester leyde haer kint om geesselen veur
[p. 46]
 
En slagen gaf na zijnen wil en behagen,
 
So moeten die ouderen het selfde verdragen.
 
In het school te treden hebben sy geen macht,
 
Om 't kint den Schoolmeester te ontnemen met cracht
 
Eer die straffinge gedaen is te vollen.
 
Nu raed ick de Schooldienaer, dat hyse so niet ga sollen,
 
Noch stooten, datse bloeden, of de leden breken:
 
Want waer't dat ghy in de furie so waert ontsteken,
 
Dat ghy hem smeet bloedende, verdoost, of van sin verbaest,
 
Dien Meester rade ick te vertrecken so haest:
 
Want 't misdaet (aen den Scholier gedaen) sou druypen
 
Op zijn cop: dus, Schoolmeesters, hout maet in slaen en stuypen,
 
Weest coel gesint, niet hittich van gemoeden.
 
U instrumenten sullen slechts wesen plack en roeden:
 
Want dat daer boven is, dat is van den quaden.
 
Wee hem, die daer coemt in 'sdorps ongenaden.

Men ziet, dat onze Meester zijn luidtjens kent, en ten krachtigsten spoorslag om zijne ambtgenoten binnen hun plicht te houden, uitroept: ‘Wee hem, die daer coemt in 'sdorps ongenaden!’ Overigens bewijst zijn geheele boekjen, dat hij met gants anderen inzichten schrijft dan om den lof der ‘verdorven huyslieden en onverstandighe idioten’ te behalen.

Luister nu, ‘hoe de Schoolmeester handelen sal, met de kinderen die eerst beginnen school te gaen.’

 
De ionge scholiers die noyt ter scholen hebben geweest,
 
Als sy comen, bennen sy beschroomt, en seer bevreest,
 
En souden wel van ancxt wter scholen loopen,
 
D'ouderen moeten hen met applen, coeck, daer toe coopen.
 
So moet dan de Schoolmeester haer met soete coutinghe omgaen,
 
Sullen sy blijven, ende ter scholen volstaen.
 
D'eerste maent moet men hen slaen noch focken,
 
Saechtkens verbieden, met hen onderwijlen iocken,
 
Al tuymelense, al springense eens langs ter scholen,
 
Ende men haer siet in Scholen ordinantie dolen,
 
Tmoet by den Meester door de vingeren zijn gesien.
 
De tweede, de derde maent, sal men haer bien
 
Sachte hantplacxkens en propere grauwen,
 
Haer bevelende niet tot sloot te loopen noch rabbauwen,
[p. 47]
 
Om bootschappen te loopen, savonts vroech te bet.
 
Hun penneken in de hant vaten, als men se op elc letter set.
 
Als sy nu vier oft vijf maent ter scholen volherden,
 
So sal men hen nu in sulcx niet meer laten bewerden,
 
Maer somtijts om haer boosheyt straffen; maer niet als d'anderen
 
Die'r een jaer oft twee hebben gaen wanderen.
 
Dus te met sullen sy schools ordonnantie worden wijs:
 
Matich te straffen geve ick den prys.

Is het niet of onze Meester Dirck eene les in de humaniteit had gehad van de hedendaagsche minzame intendanten der ‘cellulaire’ opvoedings-gestichten, die men, bij vergissing, gevangenissen noemt, of van de genen, die in het begin dezer Eeuw een St. Maartensvuurtjen van al de schoolplakken gestookt hebben, of van wie ook, in onze tijd, de boosaardigheid eene natuurlijke ziekte, de bezetenheid eene gewone afdwaling des verstands hebben genoemd, en alleen van genezing, niet van straf, willen hooren? - Men zal echter later zien, dat men te onrechte Meester Dircks filozofie eene zoo onafhankelijke plaats heeft aangewezen. Vernemen wij eerst van hem, wat de ‘Ordonnantien’ zijn ‘der Scholen aengaende’

 
Een yegelijck die schicke hem alle daghen
 
Wacker ter scholen, niet als den traghen;
 
Somers te sessen, swinters te seven ure;
 
Smiddaechs, voor twaelven moet de coemste gebeuren.
 
Dit moet tgheheele iaer door geschieden.
 
Tis Meesters ordonnantie ende gebieden.
 
Boven dien, elck scholier, die knechtkens voornamelijck,
 
Sullen de muts afnemen, als sy eersamelijck
 
Comen ter scholen; ende de meyskens excellentelijck
 
Moeten den Meester groeten seer reverentelick.
 
Daer na sal hem elck scholier terstont keeren
 
Om neder te sitten, ende zijn lesse leeren.
 
Die 't als dan niet en can te deghen, en gaet salen,
 
Aen den wijsten laet hy hem overseggen drymalen;
 
Twelk hem niemant moet tot weygheren stellen,
 
Op een hantplack te verbeuren [door] sulcke ghesellen.
 
Niemant en come ter scholen, 't is des Meesters begeert,
[p. 48]
 
Of hy sy eerst wel te deghen ghestoffeert
 
Van als1) dat hem noodich is totter doctryne:
 
Papier, inckt, pennen, tbort2) moet er al syne.
 
Al die hier in vergetelijck is, in eenige weghen,
 
Met een handplack sullense worden geslegen.
 
Dan elck zijn les connende, dan d'een na d'ander opseggen.
 
Die knechtkens sullen haer mutse afleggen,
 
Die meyskens voor 't opseggen, nygen eenpaerlijck3),
 
Sprekende met stemmen luyde ende claerlijck.
 
Faelt yemant in 't spellen en lesen, die niet en can -
 
Een hantplack van den Meester verbeurt hy dan.
 
Dus is de selve scholier geraên voor desen -
 
Niet op te seggen, oft hy sy eerst onderwesen.
 
De lesse opgeseyt hebbende, elck schick hem sedich
 
Stillekens al sonder clappen, oft loopen onvredich,
 
Die ghene die schryven leeren om te schrijven.
 
By de materie van't voorschrift moet hy blijven;
 
Het Papier niet besmodden, de pen onbevlecktelijck -
 
Oft hy sal slagen hebben correcktelijck.
 
Elck Scholier sal hem so lang tot schrijven pogen
 
Als den meester roept; dan d'een na d'ander comen vertogen4)
 
Een yegelijck zijn voorschrift gestelt in't nette.
 
Maer die dan willen zijn vry van den Palmette
 
Moeten, namelick tot haerlieder vromen5),