|
|
|
| |
| | | |
Nederlandsche dramatiek.
Hoofts ‘Schijnheiligh’.
Prof. van Vloten heeft, in onze ‘Warande’, door de uitgave van het blijspel ‘de Schijnheiligh’ naar Hoofts eigen handschrift, in verband met een van Hoofts brieven, het bewijs geleverd, dat de Drost niet, gelijk men zich tot heden dwaselijk verbeeld had, eene welgemeende kopie van het bekende aan Breêroo toegeschreven berijmde blijspel vervaardigd had, maar dat het stuk door den auteur van ‘Ware-nar’ naar den ‘Ipocrito’ van Aretino in proza is vertaald; en ieder die onzen text met den ‘Schijnheiligh’ vergelijkt, voorkomend onder Brederoôs werken1), zal de stellige overtuiging erlangen, dat deze berijming, naar de mate der dichtkracht van den vervaardiger, Hoofts opstel zoo trouw mogelijk, zonder raadpleging van het oorspronkelijke, navolgt.
We hebben, in het artikel over Aretinoos en Hoofts arbeid, ter inleiding strekkende voor 's Heeren van Vlotens uitgave, aangemerkt, dat men ten onrechte den berijmden ‘Schijnheiligh’ aan Brederoô heeft toegeschreven. Indien Brederoô eenig aandeel aan de verneêrlandsching van den ‘Ipocrito’ heeft, dan is dit aandeel, in ieder geval, veel geringer dan men zich tot dus-verre verbeeld heeft. Niet alleen heeft Breêroô den ‘Schijnheiligh’ niet uit het Italiaansch vertaald; niet alleen is de neêrlandsche berijming geheel naar Hoofts vertaling tant bien que mal gevolgd; maar een deel van deze berijming is volstrekt niet van Brederoôs hand. Ook de Heer van Vloten is dit thands geheel met mij eens.
Ziehier, ten bewijze dat de bekende berijming Hoofts ver- | | | | taling zoo goed mogelijk nastrompelt, de drie texten eener vroeger besproken brok uit het 3e tooneel des 1n bedrijfs:
Ip. Non è dubbio che il cortigiano favorito dal suo principe non sia una signorìa. Tamen lo inciampare in nu filo di paglia lo fa morire sopra un fascio di fieno.
Li. Bisogna aprir gli occhi.
Ip. Il pittore, e lo scultore non sono altro che fantasticarìe, e ghiribbizzi.
Li. Mi mancan pazzi in casa.
Ip. Lo alchimista saria al proposito, se il moto del suo cervello fermasse quel del mercurio.
Li. Cotesta professione va nuda e cruda.
Ip. Il mercante, che rifà le piazze coi suoi guanti in mano tramezzati di lettere, rade volte iscampa di riserrarsi in casa morto, o dal seppelirsi in chiesa vivo: dipoi è cosa strana lo avere a commettere il credito, e capitale alla discrezione dei venti, ed alla fede degli uomini.
Li. Questo non sapevo.
Sch. De hofjoncker, soo lang als hy wel met sijn Prins staet, is seker een wereldt; maer, wat is 't? draegt de heeren te Roomen en setse eens onsacht neder, al uw danck is verlooren.
Ri. Men moet wt fijn ooghen sien.
Sch. De schilder en de beeldhouwer sijn anders niet als lichtmissery en grillery.
Ri. Al gecken genoegh.
Sch. Met den alchimist waer 't goed ding, indien de losheit van sijn hooft den Mercurius kon vastmaecken.
Ri. Met dat volck is 't: den elleboogen door de mouwen, het hayr al door den hoedt.
Sch. De koopman, die windt op de beurs maeckt, met het wispelen van sijn handtschoenen en met sijn vingers met brieven gelardeert, is gemeenlijck Cuilenburgh oft een papieren harnas sijn voorlandt. Daerbeneven is 't een dol dingh sijn capitael te vertrouwen op discrecy van de winden en beloften van de menschen.
Ri. Dat wist jck niet.
Sch...... Den Hof-joncker, soo langh
Hy met zijn Prins wel staet, so gaet hy grof sijn gangh.
Maer wat ist! draegt een vorst of machtig man te Roomen
En set hem onsacht neer, ghy sult danckloos t'huys komen.
Ri. Men moet wel voor hem sien.
Sch..... Schilders, beelthouwers, sy
En zijn niet anders als lichtmiss', en grillery.
Ri. Al gecken genoegh.
Sch..... 'T waer goet dingh met de Alchimisten
Indien Mercurius maer vast te maken wiste
De lofheyt hares hoofts.1)
Ri.....Hoe gatet met dat goet?
De nelboogh door de mouw, het hayr al door de hoet.
Sch. De koopman die wint maeckt met sijn hantschoen te sling'ren,
Die met brieven lardeert sijn mag're dunne ving'ren,
Die is gemeenlijck, betaelt hy niet contant,
Hier Kuylenburgh of een cessy sijn voor-lant:
Daer toe ist een dol dingh sijn hooft-som te gebieden
In gunste vande wint en trouw van and're lieden.
Ri. Dat wist ick niet.
| | | |
We hebben niet meer af te schrijven, om de over-een-komst en de afwijkingen in 't oog te doen vallen.
Opmerking verdient nog, dat het allerlaatste tooneel van het stuk in de uitgave der berijming proza is, het proza van Hooft - behoudends enkele domme schrijffouten. ‘O, dan heeft Brederoô mogelijk het geheele stuk afgerijmd, behalven het laatste tooneel,’ zal men misschien zeggen. Dit is echter zeer onwaarschijnlijk. Bleef er van het geheele stuk, bij Breêroôs dood niet méer in vaers te brengen dan de 25 of 30 regels van het 18e Tooneel des 5en Bedrijfs, dan zoû Hooft in zijn brief niet spreken van den afwerker, als van iemant, die ‘den Schijnheiligh voortrijmen soude’ of ‘vóort soude doen rijmen’ - dat is: verder berijmen zoû; dan hadde 't geheeten, ‘de gene die het laatste tooneel nog even in rijm zal overschrijven.’
Wie dus van den berijmden text van geheel het laatste gedeelte der komoedie de nederlandsche bewerker is, weten wij niet. Dit weten we - dat Brederoô het niet is. Deze letterkundige-geschiedbizonderheid is voortaan boven allen redelijken twijfel verheven. - We hebben het vroeger met korte woorden gezegd - we herhalen het uitdrukkelijk.
Adr. Blyenburch had Hooft gevraagd zijn ‘Schijnheiligh’ eens te mogen hebben. Hooft wil niet gaarne aan dat verzoek voldoen. Hij wil die zaak, om den politieken invloed der kerkelijken, liever zoo min mogelijk roeren. Hij heeft bovendien eene goede reden om het Hs. niet over te zenden: want de gene, die den ‘Schijnheiligh’ verder berijmen zoude, die de berijming zoû afwerken, heeft het nog onder zich. Dit zegt en schrijft Hooft den 22n Apr. van het jaar 1622; dat is 4 jaar na Brederoôs dood. Daaruit blijkt, dat een deel althands van den thands afgewerkten ‘Schijnheiligh’ niet door Brederoô berijmd is; en men zoû er schier uit afleiden, dat Breêroô er niet veel aan gedaan heeft - daar men anders wellicht geen vier jaar na zijn dood nog op de voleindiging had behoeven te wachten.
Men leest, namelijk, in ‘P.C. Hooft Brieven. Beginnende
| | | |
Ao 1612. Eyndigende Ao 1646. Diefrente en Copyen. Door zijn Eygen Handt Geschreven. No 33.’ berustende ter Amsterdamsche Stadsbibliotheek: ‘[dat] my V.E. schrijven behandight [is] in 't gaen naer de veerschuit van Amsterdam herwaerts,... is in den weghen geweest om V.E. den Schijnheiligh te seinden: doch alleen niet. Want die hem voort soude doen rijmen heeft hem noch.’ Eerst stond er: ‘die hem voorts rymen soude heeft hem noch’; maar dit is doorgehaald en veranderd als boven.
Die brief, gericht aan Adr. van Blyenburch, en waarvan wel twee koncepten in Hoofts verzameling gevonden worden, is gedagteekend ‘x. kalend. Majas MIƆCXXII,’1) en2) ‘x kalend. Majas CIƆIƆ ƆXXII’ (aldus); de daaraan voorafgaande zijn van 1 Feb. 1622 en 13 Feb. 1622. Er is dus geen twijfel aan, dat de ondenwerpelijke brief niet vroeger, niet bij Brederoôs leven, geschreven kan zijn.
Wie het nu is, die den ‘Schijnheiligh’ ‘voorts rymen soude’ moge niet bekend zijn: Brederoô, die er tot heden voor gehouden werd, moet ons ontvallen, en de ‘Schijnheiligh’ kan dus, in zijn geheel, voortaan niet onder de stukken gerekend worden, welke van Brederoôs pen zijn.
A. Th.
|
1)De titel van mijn exemplaar, in 4 o, luidt aldus: ‘G.A. Brederoods, Schynheilich. Op den Regel: Onder een schijn van Heyligheyt, soo wort den mensch veeltijts verleyt. (Wapen van Amsterdam) t'Amstelredam, Voor Cornelis Lodewijcksz. vander Plasse, woonende op de hoeck vande Beurs, in de Italiaensche Bybel, Anno 1637. Met Previlegie voor seven Iaren.
1)Hier heeft de berijmer geen weg geweten met den merkuur; en laat het kwikzilver niet stollen, maar raaskalt van Merkurius, die hoofden vast moet maken.
|
|