|
|
|
| |
| | | |
De Abdij van Rolduc.
III1).
Het graf van Hertog Waleram III2).
De eer eene bizondere en chronologiesch ingerichte geschiedenis der Hertogen van Limburg, in het licht te hebben gegeven, komt in de eerste plaats toe aan den geleerden en ijverigen Pastoor Ernst. Vóor de uitgave dezer geschiedenis door genoemden schrijver waren de annalen van dit oude Hertogdom, dat der nationale geschiedenis zoo vele schoone bladzijden geleverd heeft, in de talrijke mededeelingen verspreid der schrijvers, die de algemeene geschiedenis van Nederland en Belgiën behandeld hebben.
Dank zij den ijverigen nasporingen van Past. Ernst, is men nu naauwkeurig bekend met de orde waarin de Limburgsche Hertogen elkander in het bestuur van hunnen staat hebben opgevolgd; met de voornaamste gebeurtenissen, die hunne regeering kenmerkten; en vooral met hunne krijgsdaden, want in den oorlog hebben Limburgs Hertogen zich den meesten roem verworven. Onder hen schittert Waleram III, wiens gegeschiedenis eene reeks van de schoonste wapenfeiten oplevert,
| | | | met den meesten glans. Deze Hertog nam twee malen deel aan de kruistochten, waarin hij zijne wapenen eervol met die zijner doorluchtige krijgsmakkers van andere landen vereenigde.
Den eersten maal was het met zijnen vader, Hertog Hendrik III, en met zijnen oudsten broeder, dat hij zich te kruisvaart begaf, bij gelegenheid van den vermaarden rijksdag van Ments, in 1188, en vertrok, den feestdag van Sint-Joris van het volgende jaar, in gezelschap der Heeren van Neder-Lotharingen, onder de leiding van Keizer Frederik Barbarossa. Wegends zijne uitstekende hoedanigheden vertrouwde men hem eene zending, als afgevaardigde naar Konstantinopel, toe; maar de Byzantijnsche Keizer hield hem gevangen en belaadde hem met ketenen. Robert Graaf van Nassau, Hendrik Graaf van Dietz, de pauselijke Kamerling Markward en de Bisschop van Munster vergezelden Waleram bij deze zending. Toen hij weder in vrijheid gesteld was, trok hij naar Palestina, waar hij deel nam aan het beleg en de inname van Akers, in 1191, en zich onderscheidde in den beroemden slag van Arsur of Antipatride bij Cesarea, een der roemrijkste en bloedigste, die in de heilige oorlogen geleverd zijn1).
Ritsaart Leeuwenhart, welke den Limburgschen Vorst aan zich verbonden had, verschafte hem weinig tijds daarna de gelegenheid om zijne dapperheid op nieuw te toonen, bij de verovering der belangrijke vesting van Jaffa. Ziehier hoe de geschiedschrijvers spreken over het deel dat Waleram aan dit roemruchtige wapenfeit nam.
‘Koning Ritsaart, te Akers vernomen hebbende, dat Saladijn de sterkte van Jaffa had aangetast, deed terstond de kusten door zijne troepen bezetten en stak zelf in zee met eenige handboogschutters en tien Heeren, waaronder Waleram. Voor de stad gekomen, zag hij dat zij reeds in de macht des vijands was; dit verbitterde hem slechts meer; allen sprongen aan wal en
| | | | trokken in de stad, om er de Saracenen, onder welke zij een verschrikkelijk bloedbad aanrichtten, uit te verjagen.
Met de vijfde kruistogt in 1196 of 1197 begaf Waleram zich ten tweeden male naar het Oosten1). Hij trok met het in twee asdeelingen gescheidene leger der kruisvaarders door Duitschland; terwijl hij het bevel voerde over de eene asdeeling, en de andere Koenraad, Bisschop van Ments, tot aanvoerder had. De Hongaarsche ridders voegden zich bij het heir met hunne Koningin Margareta, welke na den dood van haren echtgenoot Bela, gelofte had gedaan, hare dagen in Palestina te eindigen en de ongeloovigen te bestrijden. Waleram kenmerkte zijne aankomst in het Oosten door de miskenning van den wapenstilstand, welke koning Ritsaart van Engeland met de Saracenen voor zijn vertrek gesloten had en begon de vijandelijkheden. Malek-el-Adel, het opperhoofd der ongeloovigen, bracht te Jeruzalem een talrijk leger te zamen, en ging dat der Christenen in de richting van Jaffa te gemoet, bij welke stad de twee legers elkander ontmoetten en slag leverden. Niettegenstaande zijne onversaagdheid en den moed der soldaten, moest Waleram voor de overmacht der ongeloovigen bukken, en was genoodzaakt zich zelven onder de muren van Jaffa, waarvan het garnizoen de wreedheid had zijn leger de intocht te weigeren, met het zwaard in de hand een weg door de vijandelijke soldaten te banen. Weinig tijds daarna viel deze stad in de macht der ongeloovigen, die het garnizoen vermoordden.
De geschiedschrijvers der kruistochten spreken nog van de tegenwoordigheid van Waleram van Limburg met de duitsche Heeren bij het beleg van Thoron door de Tempeliers. Deze belangrijke vesting, die den weg van Tyrus naar Tiberiade beheerschte, werd onder het bevel van den Hertog van Brabant belegerd.
| | | |
Waleram, die een groot aandeel in de wapenfeiten der vijfde kruistocht had genomen, keerde daarop terug naar Duitschland, alwaar Philip van Zwaben en Otto van Brunswijk elkander het keizerlijk purper betwistten. Op zijne terugtocht verdedigde hij Aken tegen Otto, en stond, door de burgers geholpen, het beleg dezer stad met 300 soldaten gedurende zes weken door. Toen hij zijn voorslag tot onderwerping deed, bevestigde Otto hem in het bezit der burcht van Bernstein1) die hij van Philip gekregen had. Vervolgends woonde Waleram met zijnen vader, Hertog Hendrik III, de krooning te Aken bij van Otto als Roomsch Koning den 4n Juli, 1198. Hij onderscheidde zich dikwijls in de oorlogen, die Duitschland in dat tijdperk verdeelden, en de geschiedschrijvers beschuldigen het Huis der Hertogen van Limburg van beurtelings de zaak der beide dingers naar Duitschlands Keizerskroon te hebben gediend. Deze gedurige oorlogen, waaraan onze Hertog deel nam, veroorzaakten vele rampen aan de staten zijns vaders, die dikwijls door de vijandelijke legers verwoest werden, en waarvan de Abdij van Rolduc het meest te lijden had.
Terwijl Waleram de zaak van Otto verdedigde, had hij, onder de muren van Keulen, nog gelegenheid hem door eene moedige daad, zijne gehechtheid te toonen. In 1203 met den Keizer in die stad belegerd, - kwam hij hem in eenen uitval tegen de belegeraars te hulp, en op het oogenblik, dat Otto op het punt was onder de slagen van Hendrik van Kalentijn, een der Maarschalken van Philips leger, te bezwijken, ontrukte Waleram hem aan de handen van zijnen vijand, die hem ter aarde geworpen had en gereed was hem te doorboren. Hij moest zich zelven tegen eene menigte wapentuurs verdedigen, die den aanvaller van den Keizer te hulp waren gesneld.
Koning Jan van Engeland telde den Hertog van Limburg onder zijne partijgangers, hetgeen blijkt uit eene uitnoodiging, door dezen Koning aan Waleram gerigt, om, in allerijl,
| | | | en vergezeld van negen welgewapende mannen naar Engeland te komen. De afwezigheid van den Hertog duurde niet lang; het volgende jaar, zegt Ernst, schijnt Waleram reeds terug te zijn geweest.
Omstreeks het zelfde tijdstip spreekt men van zijne tegenwoordigheid bij het beleg en de plundering der stad Luik, waar hij het bevel voerde over een gedeelte van het leger, dat op order van Otto, en onder aanvoering van den Hertog van Brabant, die stad den 3n Mei 1212 innam, en een groot gedeelte der inwoners vermoordde.
In den slag van Bouvines, in 1214 door Otto aan Philippe-Auguste geleverd, streed Waleram dapper aan de zijde van zijnen meester, terwijl hij met beide handen zijn geweer zwaaide. In 1215 ontving Waleram, na met den Graaf van Gulik de stad Aken tegen Frederik van Zwaben verdedigd te hebben, in eenen uitval dien hij deed, zeven wonden. Na dit gevecht brak Frederik het beleg op, en trok met zijn leger naar Maastricht. Zich aan den nieuwen Keizer onderworpen hebbende, woonde Waleram met zijnen vader in 1215 de krooning bij, in de zelfde stad, welke hij tegen hem had verdedigd.
Terwijl Duitschland door al deze oorlogen verdeeld werd, hadden de verschillende dingers naar de keizerlijke kroon, de Hertogen van Limburg tot bondgenooten. Nu ontmoet men Waleram, de zaak van Philip van Zwaben dienende, dan zich aan Otto van Brunswijk verbindende, en later nog zich aan Frederik onderwerpend. Ons voornemen was echter niet de geschiedenis van alle oorlogen mede te deelen, waaraan Waleram of zijn vader, Hertog Hendrik, zulk een werkzaam deel namen. In al deze gevechten legden deze Limburgsche Heeren gewoonlijk een grooten moed aan den dag en dienden de partij, die zij omhelsd hadden, zeer ijverig.
Na den dood van zijne eerste gemalin Kunegunda, die omstreeks 1214 stierf, huwde Waleram met Ermezinde, de eenige dochter van van den Graaf van Luxemburg en Namen, Hendrik den Blinde, en weduwe van Theobald I, Graaf van Baar.
| | | |
De nieuwe echtvereeniging van Waleram werd in de maand Mei des jaars 1214 met veel luister in het kasteel van Luxemburg gevierd. Honderd vijf en veertig ridders woonden de bruiloft bij.
Hendrik de Blinde had bij zijn leven het erfdeel zijner dochter met een edelen moed verdedigd, en Theobald, Graaf van Baar, de eerste echtgenoot van Ermezinde, had dezelfde regten met der wapen gehandhaafd. Ermezinde vond een krachtigen steun in de nieuwe vereeniging met Waleram, die in Juni van het jaar 1214, korten tijd na zijn huwelijk, met een machtig leger, zamengesteld uit een gedeelte van den Namenschen adel, uit de troepen van Gulik, en, met al de krijgsmacht van Luxemburg, in het Graafschap Namen drong en tegen Peter en Jolande van Courtenay oprukte. Hij belegerde Bouvine en viel op Namen aan; doch de krachtige tegenstand, welken zijne troepen ondervonden, noodzaakte Waleram al vechtende af te trekken. In deze veldtocht zag hij zijn leger ontzettend verminderen, en zijne aftocht was noodlottig. Op het oogenblik dat zijn soldaten te Dinant de Maas overtrokken, brak de brug, en een groot aantal kwamen in het water om.
Terwijl Waleram den Graaf van Namen den oorlog aandeed, nam Engelbrecht, Aartsbisschop van Keulen het kasteel in, dat de Graaf op het grondgebied van het dioecees van Keulen vóor de verkiezing van den Aartsbisschop had doen oprigten. Engelbrecht verwoestte deze sterkte, na haar ingenomen te hebben, geheel.
Twee jaren na de noodlottige veldtocht tegen Namen, gordde Waleram weder de wapenen aan tegen Jolande en Peter van Courtenay. Hij begon deze onderneming met de inname van Samson, waarvan hij de verdedigingswerken vermeerderde. Peter van Courtenay kwam hem hier vruchteloos belegeren. Waleram wierp zich vervolgends met zijn leger op Namensch Hesbaye, overrompelde het slot van Autrive en van Ville, leî er bezetting in en vertrok. Deze oorlog duurde vele jaren en eindigde niet dan na de dood van hertog Hendrik, door een verdrag, dat, in 1223, te Namen tusschen Peter en Jolande van Courtenay van de eene zijde, en Waleram en Ermezinde van de andere zijde, gesloten werd.
| | | |
Na den dood van Hertog Hendrik III, wiens oudste zoon jong stierf, volgde Waleram zijnen vader op. Bij het leven van den Hertog had hij reeds een groot deel in de politieke zaken van het bestuur genomen; maar eerst na den dood zijns vaders begon hij als Hertog van Limburg te regeeren. In 1224 nam hij een werkzaam aandeel in den oorlog, die tusschen Geraart, Hertog van Gelderland, en Otto, Bisschop van Utrecht, was uitgebarsten, en in 1225 trok hij naar Lotharingen en belegerde Metz om zich meester te maken van een gedeelte der goederen van Gravin Gertruda, dochter en erfgename van Albrecht, Graaf van Metz, die kortte voren gestorven was. Engelbrecht, Aartsbisschop van Keulen, den 7 November van het zelfde jaar vermoord zijnde, trok Waleram van deze noodlottige gebeurtenis partij, en terwijl de regeeringloosheid in dit Bisdom heerschte, deed hij het kasteel van Wildnis overrompelen door een leger, dat onder het bevel stond van zijnen broeder Geraart, Graaf van Wassemberg, en van zijnen zoon Waleram. Na de inname van deze belangrijke sterkte, werd zij geheel verwoest, en daar zij bij Rolduc gelegen was, wier grenzen zij gedeeltelijk bestreek, legde het volk hierover groote vreugde aan den dag.
Waleram regeerde het Hertogdom Limburg niet lang. Op eene reis naar Italië, met den jongen Koning Hendrik VII, om een algemeenen rijksdag te Kremona bij te wonen, was hij genoodzaakt te Trente op te houden; en korten tijd na zijne te-rug-komst, stierf hij; in 1226, tusschen den 23sten Mei en den 28sten Julij; in den ouderdom van ongeveer zes en zestig jaren. Zijn zoon Hendrik, Graaf van Berg, volgde hem op in de maand Junij of Julij van het zelfde jaar, onder den naam van Hendrik IV. Hertogin Ermezinde stierf, volgends Butkens, in 1246.
Aan Waleram of aan zijne gade, Hertogin Ermezinde, wordt de instelling van de Rechtbank der Edelen in Luxemburg toegeschreven; dit hof, waarin slechts den oudsten adel zitting verleend werd, en dat de leerrechtsgedingen, en de verschillen welke tusschen edellieden rezen besliste, heeft tot de vorige eeuw bestaan.
| | | |
Door de voorafgaande bladen hebben wij slechts enkele der wapenfeiten uit het leven van den Hertog van Limburg aangehaald, welke zijne loopbaan als krijgsman beroemd gemaakt hebben. Hij was een der krijgers van zijnen tijd, die zich met den meesten glans in de kruistochten onderscheiden hebben; vooral in de vierde, toen hij zich aan Ritsaart Leeuwenhart, Koning van Engeland, had verbonden. In de verschillende wapenfeiten, zoowel in het Oosten als in het Westen, verloochende de dapperheid van den Limburgschen Heer zich nimmer. Hij streed met moed, en bevond zich gewoonlijk in het midden van het gevecht, gereed om zijn leven duur te verkoopen. Het is niet alleen door zijne krijgsdaden, dat Waleram een heldere schittering over de jaarboeken van Limburg, en over de volksgeschiedenis heeft geworpen; maar door zijne vereeniging met Ermesind werd hij stichter van het Huis van Limburg-Luxemburg, een der machtigste van Europa, dat Duitschland vier Keizers, waarvan er drie Koning van Hongarije zijn geweest, zes Koninginnen, waaronder eene Keizerin van het Westen, en verscheidene Princessen, die de Koningshuizen door hare huwelijken opgeluisterd hebben, geschonken heeft. Nog sproten eene menigte doorluchtige Prelaten uit dit aloude en beroemde geslacht voort.
Het graf van Hertog Waleram, zoo als dit in 1689 werd gesticht, was tot dusverre niet beschreven. Butkens deelt er slechts het opschrift van mede, en Bertholet doet, in zijne Histoire du duché de Luxembourg, het latijnsche opschrift van het praalgraf van eene fransche vertaling1) vergezeld gaan.
| | | |
Toen men in 16891) den grafkelder van Waleram opende, vond men zijne overblijfselen, waarvan de beenderen eene forsche lichaamsgestalte teekenden. Het hardsteenen beeld, in 1689 naar het oude zandsteenen graf, dat op zuiltjens rustte, gehouwen, stelt den Hertog in natuurlijke grootte en van eene gewone gestalte voor. Maar daar de beeldhouwer de kleeding en de wapens van het oude beeld met weinig naauwkeurigheid te-rug-gegeven, en zich van latere modellen bediend heeft, kan men zijn werk niet als eene ware beeltenis van den Hertog aannemen2). Het beeld is echter van een nationaal en historiesch belang, om dat het, gelooven wij, in Limburg het eenige is van dien omvang,3) 'twelk het oude geslacht der Hertogen van Limburg en Luxemburg, waarvan Waleram III een der voornaamste vertegenwoordigers was, in het geheugen terug roept.
Waleram was de eenige Hertog van Limburg niet, die zijn graf te Rolduc had. Voor de verandering, welke de vloer
| | | | der kerk in de zeventiende eeuw onderging, zag men daar nog, voor het altaar van het H. Kruis, den grafsteen van Hertogin Judith, welke te herkennen was aan de groote lelie, die het midden vercierde; en vlak bij deze vrome Hertogin, aan hare rechter hand, lag Mathilde, dochter van Graaf Adolf van Saphenberg en gade van Hertog Hendrik II, begraven. Hendrik III, de vader van Waleram III, over wiens graftombe wij hier schreven, en vele andere Vorsten en doorluchtige Prelaten kozen de kerk der Abdij van Rolduc1) tot hunne begraafplaats uit. De Hertogen van Limburg hebben dezer Abdij rijke giften gedaan, en Hertogin Judith heeft daar twaalf jaren in het geestelijk leven doorgebracht.
Arn. Schaepkens.
|
1)Zie ‘D. Warande’, D. I, bl. 575, D. II, bl. 173.
2)Het artikel, dat wij hier den lezeren onzer ‘Warande’ mededeelen, heeft onze geëerde geestverwant en goedgunner de Heer Am. Schaepkens (een van ons nederlandsch oudheidkundig broederpaar) het eerst, in het Fransch, door den ‘Messager des fciences historiques’ doen uitgeven. Bij gebreke eener behoorlijke, periodiek ingerichte, over- en weêrzending van boeken en plaatwerken tusschen Noord- en Zuid-Nederland - bij gebreke van een eenigszins speciaal archseologischen kunsthandel in onze hoofdftad - is het onmogelijk onze lezers op de hoogte te brengen van het vele goede, door de heeren Alex. en Arn. Schaepkens, bizonderlijk ten nutte der christelijk nederlandsche archaeologie, aan het licht gebracht. Tot dat zich hiervoor eene geschikte gelegenheid aanbiedt, houde men zich te-vrede met een opstel van onzen landgenoot in nederl. vertaling hier aan te treffen.
De Best.
1)In dezen slag verloor Saladijn 8000 soldaten, 32 legerhoofden en 1100 paarden; een ooggetuige schrijft dat twintig wagens de pijlen en werpspiesen, waarmede het slagveld als bezaaid was, niet zouden hebben kunnen laden.
1)Volgends Ernst zoû Waleram in het begin van 1196 in Palestina zijn aangekomen. Professor Wilken zegt, in zijn ‘Hist, des Croisades’ 5 e deel bl. 16, dat Waleram van Limburg in 1195 te kruisvaart ging. Pater Maimbourg zegt, in zijne geschiedenis van den zelfden naam, dat Waleram in 1196 met zijne troepen het eerste in Palestina aankwam, dat hij de geloovigen overviel, hen vermoordde en het bestand, dat Koning Ritsaart gesloten had, verbrak: eene weinig christelijke daad, voegt de zelfde schrijver er bij.
1)Bernstein ligt niet ver van Aken.
1)Ziehier het opschrift van het graf:
iste fuit talis virtutibus, imperialis majestas similem nescivit habere per orbem, limborch dux, archo arlon, comes in lucelimborg walramus dictus, dux henricus pater ejus. obift 1226.
‘Waleram, zoon van Hertog Hendrik, is door zijne deugden zoo groot geweest, dat de keizerlijke majesteit niemant heeft bekleed, die hem gelijk was. Hij was Hertog van Limburg, Burggraaf van Arlon en Graaf van Luxemburg. Hij stiers in 1226.’
1)Volgends den vervolger der jaarboeken van Rolduc werd in 1681 de steenen vloer der kerk vernieuwd en het graf van Waleram geopend. Het monument werd door de beeldstormers van de zuiltjens geworpen, waarop het stond.
2)Om een juist denkbeeld van Walerams kleeding te verkrijgen, kunnen de kunstenaars het afdruksel raadplegen van een zegel des Hertogen, onder de bekrachtiging en begiftiging van Munster en der rechten van deze abdij, gedateerd 1225, dat zich in het kabinet der medaljes en zegels der koninklijke bibliotheek te Brussel bevindt. De hertog is daarop voorgesteld te paard, met een driehoekig schild aan den arm. Hij draagt een gesloten gekroonden helm, met een bloemfinaal er op. Over den maliënkolder draagt hij een lijfrok *), zonder kennelijk wapen. In zijne rechter hand houdt hij de banier. Het tuig van het paard is zeer eenvoudig. Dit zegel werd een jaar voor den dood des Hertogen, die in 1226 plaats had, gebruikt. De Maatschappij ter instandhouding der monumenten van Groot Luxemburg heeft het in 1846 in hare Gedenkschriften bekend gemaakt, op plaat III. Bertholet geeft insgelijks de afbeelding van een zegel van Waleram, waarop hij te paard zit en Ernst heeft het ook opgenomen in het zesde deel van zijne geschiedenis van het Hertogdom Limburg.
*)De geachte schrijver vergist zich met hierin een pantser of halsberg van plaatijzer te zien.
A.Th.
3)Het graf is 2.16 Ned. Ellen lang en 1.02 Ned. Ellen breed. Het is overdekt met een bronzen traliewerk. Het opschrift, dat met koperen letters op den rand van het praalgraf is aangebracht, zegt zeer duidelijk dat dit het gedenkteeken is van Waleram, zoon van Hertog Hendrik, Burggraaf van Arlon en Graaf van Luxemburg. De vervolger der jaarboeken uit eenigen twijfel des wege: wij gelooven dien echter weinig gegrond.
1)Nu, door een samenloop van omstandigheden, de Koning der Nederlanden Hertog en Groothertog over Limburg en Luxemburg is, en de beroemde Abdij van Rolduc tevens op zijn gebied staat - zoû het nu niet eigenaardig en den opvolger van Graaf Waleram waardig zijn, dat Z.M. zijne milde hand en zijn voor de historie onzer landen warm kloppend hart opende, om eene koninklijke bijdrage aan de herftelling der kerk en krypt van Rolduc toe te brengen? De Koning heeft, in zijne provinciën, geen tweede bouwerk van dien aard. De krochten van Utrecht en Deventer staan, in schoonheid van plan, verre achter die van Rolduc. Zie ‘D. Warande’, 1855, bl. 580. De Bestuurder van dit tijdfchrift wenscht zich geluk, dat onze teekening van de door den begaafden architekt Cuypers te herstellen krochtkapelle van Rolduc onzen bondgenoot den Heer B on de Roisin heeft waardig geschenen ze in een door hem ingesteld betoog over transseptapsiden op te nemen, hoewel ZHW.-Geb. vergeten heeft de bron te melden, waaraan hij haar ontleend had.
De Best.
|
|