Dietsche Warande. Jaargang 8


auteur: [tijdschrift] Dietsche Warande


bron: Dietsche Warande. Jaargang 8. C.L. van Langenhuysen, Amsterdam 1869


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 194]

Mengelingen.

STANDBEELD VAN VONDEL. - De hoofdstad bereidt zich voor tot de viering, op 17, 18 en 19 Okt., van wat zich reeds een populairen naam, den naam van ‘Vondelsfeesten’ verworven heeft. Indien de oprichting van een openbaar standbeeld eene nationale daad is, waarvan de natie de beteekenis doorgronden moet en die zij behoefte heeft te voltrekken, dan kan men aan Joost van den Vondel, ook om deze reden, het recht op de hulde, die hem gebracht gaat worden, niet ontzeggen. De auteur van Gijsbreght van Aemstel is toch wel zeker een der populairste mannen van Nederland. Wie heeft den Gijsbreght niet gezien, dat aandoenlijk, aanschouwelijk treurspel, huiselijk en ridderlijk tevens, vol van het grootsche gevoel der XIIIe en van de koene fierheid der XVIIe eeuw, maar voor alles hollandsch, dat is de deugden van godsdienstigheid en huwelijksliefde ten triomf voerend? Bilderdijk, ofschoon in alle opzichten bestemd schijnend om aan den Gijsbreght geen recht te doen, in politiek een gants ander beginsel toegedaan dan de voorstander der amsterdamsche aristokratie, en te diep in den geest der middeleeuwen doorgedrongen, om zich bij Vondels moderne voorstelling te kunnen neêrleggen, noemt nochtans den Gijsbreght, ‘het meesterstuk van den grootsten dichter.’ Hoe sterk dit tooneelwerk in den smaak viel der Nederlanders, blijkt niet alleen uit de waardeering der kunstenaars, maar ook hieruit dat het 230 jaar lang, jaar op jaar, ondanks de verouderde taal, op onzen grooten schouwburg vertoond werd, en dat Corver, Punt, Kruys, Snoek, Engelman en Peters er, naar de maat hunner krachten, geen minder succes meê behaald hebben dan Karel van Germez in Vondels dagen. Ten overvloede blijkt het uit de vaerzen, die, ongezocht en onverplicht, als spreekwoorden in de taal des dagelijkschen levens zijn opgenomen. Men denke aan: Een krijgsman

[p. 195]

wint genoeg, al wint hij niets dan tijd; Men bragt het Vosmeer toe met kroezen en met kannen; Daar is de vader zelf, zoo bleek als afgevast; Wij zien ze noó van voor, maar allerliefst van achter, Nu zijt ge vrij van Hollands dieren eed, om te zwijgen van andere vaerzen en half-vaerzen, die zich in 't publiek geheugen gegrift hebben en vaak geciteerd worden, als men van den Gijsbreght spreekt. Het publiek heeft bovendien een reeks van vaersjens in den mond, die, van een boertigen aard, aan Vondel toegeschreven worden, zonder juist alle van hem te zijn. Nochtans van eenigen kan hem het auteurschap niet betwist worden, al zijn ze door Geeraardt Brandt niet in zijne werken opgenomen. 't Is te betreuren, dat Brandt en Huydecoper te deftige Kerk- en Staatsdienaars geweest zijn, om aan de veelzijdigheid van Vondel en Hooft recht te doen, ongetwijfeld hadden wij anders van den eerste, die persoonlijken omgang met Vondel gehad heeft, nog aardigheden kunnen hooren, die tot het koloriet van deze rijke persoonlijkheid schitterende tinten hadden bijgedragen.

Maar ook van elders is de anekdotische loopbaan van Vondel genoeg bekend, om nog ándere titels, van zijn recht op een publiek monument, te kunnen laten gelden, dan het oordeel der kunstgeleerden. Vondel is, en door zijne levendige deelneming in de partijvragen van zijn tijd, en door zijn gezellig verkeer met verschillende klassen der maatschappij, die hij bestudeerde om zijne gedichten te stoffeeren met zijne waarnemingen en er onze taal meê te verrijken, steeds een volksman geweest, en er bestaat geen gevaar voor dat een Nederlander, zijn standbeeld in het Rijen Wandelpark voorbijgaande, denken zal, dat dit ter eere van een onzer zeehelden, of van eenig voornaam kruidkundige is opgericht. Vondel is bekend genoeg, maar wat o.a. door het standbeeld bevorderd zal worden, is eene algemeener beoefening en hooger waardeering zijner schriften en tevens eene loutering van de voorstelling, die zich het volk van hem maakt. Wanneer men zal zien, dat hier niet alleen aan den dichter, maar in de eerste plaats aan den mensch, aan het karakter hulde gedaan wordt, dan zal men van zelf de nietswaardigheid der meening gaan inzien, dat op Vondels levensgedrag aanmerkingen te maken waren, en dat hij een vrolijke klant in de slechte beteekenis van het woord zou geweest zijn. Het spreekwoord hoe grooter geest, hoe grooter beest vindt men zoo pikant, dat men dit beurtelings op bijna al onze dichters en

[p. 196]

schilders, vooral zoo zij tot de burger lieden behoorden, heeft toegepast. Hiervoor is bij den grooten, edelen Vondel nooit de minste, redelijke aanleiding geweest. Hij was matig, zelfs in de onmatige XVIIe Eeuw, ja, in gezelschap, zegt Brandt, eerder stil en zwaarmoedig dan bizonder opgewekt. Het vaersjen is ons trouwens bewaard, waarin hij den deftigen schilder Govert Flinck opwekt om zich samen van zekere lustige partij, die in een drinkgelag ontaardde, wech te pakken. Maar Vondel was niet alleen vrij van de gebreken, waarin velen zijner kunstgenoten uit de middelklasse der maatschappij van zijnen tijd, vervielen; ten onrechte zou men meenen, dat de beoefening der poëzie, met hare tedere aandoeningen, hem ooit had geleid tot buitensporigheden, waar schoone geesten uit hoogere rangen lichter aan schuldig stonden. Wij bedoelen weeke wulpschheid en ijdelheid. Vondel zal met een meesterlijk penceel zekere naaktheden schilderen, maar altijd ademt er een gezond en eerbaar gevoel in zijn tafereel. Hij geeft zich niet uit voor een zededichter, en nochtans maakt hij zich nooit schuldig aan ontkleedingen, als waarin Hooft en zelfs de vrome Cats eenig behagen schijnen gevonden te hebben. Naakt en ontkleed zijn twee verschillende begrippen. Wat de ijdelheid betreft - Cats en Huygens droegen er steeds zorg voor, dat hunne dichtbundels met lofvaerzen van anderen opgepronkt waren. Geen bundel, geen dichtstuk van Vondel, op welks uitgave hij invloed gehad heeft, werd ooif met een lofdicht toegerust - ofschoon de gewoonte van dien tijd het vergeeflijk maakte.

Bij herhaling heeft men over de pozitieve dichtverdiensten van Vondel gesproken; wij hebben gemeend bij gelegenheid der onthulling van zijn standbeeld, een woord te mogen wijden aan het minder pozitieve, aan zijne populariteit en aan zijne onthouding. Wij zijn overtuigd, dat hoe meer die waarlijk groote en goede man in zijn leven en sterven bestudeerd zal worden, hoe meer men in hem het beeld zal verwezenlijkt zien van een even edel doener als denker, van een burger, die het hart had van een held, van een geboren kunstenaar, van wien het meest te bewonderen valt, dat hij zulke uitstekende partij van zijne gaven wist te trekken, en bij wijlen haast schijnt ze zichzelven niet bewust te zijn1.

[p. 197]

PORTRETTEN VAN DE LEDEN DER LEIDSCHE MAATSCHAPPIJ. - Onder dagteekening van 20 Mei ontving de meerderheid der leden dit chartabelletjen:

 

‘In den Beschrijvingsbrief van het vorige jaar had de Maandelijksche Vergadering de Leden beleefdelijk uitgenoodigd hun photographisch portret, aan den ondergeteekende te zenden. Meer dan 50 Leden hebben hieraan gevolg gegeven; ik ben zoo vrij U thans te verzoeken Uw photographisch portret met Uwe handteekening en opgaaf van Uwen geboortedag voorzien, bij de verzameling te willen voegen, ten einde de Maatschappij bij de viering van haar eerste Eeuwfeest in bezit kome van een volledig Album der photographische Portretten van hare Leden.

 

Leiden,
20 Mei 1867.

Namens het Bestuur,
W.N. du RIEU,
Secretaris.’

 

Een der Leden schreef achter op zijn beeltenis de volgende regels:

 
Men wil mijn aanschijn ook bij 't heir van menschenbeelden,
 
Dat, naar de leer van Doctor Gall,
 
't Weetgierig nageslacht precies beschrijven zal
 
Wat schedels men al vindt bij 't zwoegend schrijvrental,
 
Die voor 't geslacht van thands hun bonte rollen speelden.
 
Wie heeft de meerderheid, die 't stichtten - of verveelden?
 
 
 
A.Th.

ZIN VOOR MONUMENTEN. - Toen het gold voor onze vaderlandsche schilderkunst - een der grootste gloriën van het beschaafd Europa - eene bergplaats te bouwen, bracht het geheele schatrijke Nederland, met ontzaglijke inspanning van den kant der verzamelaars, f 100.000 bij-een. Nu het onder de Katholieken van Engeland het bouwen van een monument geldt voor een enkel individu, wijlen den kardinaal Wiseman, geeft de Weekly Register op zijn eerste lijst, terstond:

Eene inschrijving van 24.000 gulden
5 inschrijvingen van 12.000 gulden
9 inschrijvingen van 6.000 gulden
1 inschrijving van 3.600 gulden
3 inschrijving van 2.400 gulden
19 inschrijving van 1.200 gulden
17 inschrijving van 600 gulden
enz. enz.

M.

[p. 198]

VORSTELIJKE KUNSTBESCHERMING. - Onlangs vermeldden de dagbladen, dat zeker vorstelijk personaadje de voorstelling van De schoone Helena in een koffihuis-komedie ‘met HD. tegenwoordigheid vereerd had.’

Dergelijke verschijnselen moeten in de geschiedboeken der Nederlandsche kunsttoestanden opgeteekend blijven.

Eene fransche zangeres, die wat zedigheid had, heeft onlangs geweigerd La belle Hélène voor te stellen. Men weet, dat het een der platste specimina is uit het ellendig répertoire van Offenbach, een farceur, die de eer niet verdient, met den schranderen, even geestigen als diepen, tooneelschrijver Victorien Sardou, in het afgeloopen seizoen, schier bij uitsluiting de fransche tooneelwaereld beheerscht te hebben.

De arme chanteuse, gedagvaard door den Direkteur, met het kontrakt in de hand, heeft moeten buigen, en la belle Hélène moeten vertoonen.

Ten opzichte van Princen, moest men, bij dergelijke tooneelvoorstellingen, de kieschheid gebruiken een loge grillée ter beschikking van HD. te houden.

Het is onjuist, dat het verwerpen der zeden recht zou geven tot het zondigen tegen de goede smaak. Ja, het is wel waar, dat de goede smaak en fin de compte onbestaanbaar is met zedeloosheid; maar er zijn toch twee dingen: de man en de rok; en de culte van den rok werkt toch altijd nog gunstig op de massaas, al wordt de culte van den man onmogelijk. Een zekere decencie onderstelt een zekere onthouding, eenige ingetogenheid, en is, als zoodanig, achtenswaardig. Niet te min - à la guerre comme à la guerre. Il faut que jeunesse se passe. Wel zeker, wel zeker.

M.

 

TOUT EST POUR LE MIEUX DANS CE MEILLEUR DES MONDES. - De Groot-Aalmoezenier des Sultans, Hairulah-Effendi, brengt bezoeken aan den Pausl. Nuntius Mgr. Chigi en aan den Aartsbisschop van Parijs (Handelsbl. 12 Jul.), welke bezoeken dan ook ontvangen schijnen te zijn. Als het waar is, wat de koeranten verhaald hebben, heeft de Sultan te Parijs door de tuinen der Tuileriën gereden, en waren bij die gelegenheid alleen Dames daar toegelaten. Kan men de indecencie hooger opvoeren? Kan men kieschheid, goede smaak, fijn ge-

[p. 199]

voel, onbeschaamder in het aangezicht slaan, dan hier door den Keizer van het ‘wellevendste volk der waereld’ geschiedt: gratuïete expozitie van europeesche christenvrouwen uit alle rangen en standen, ter eere en ten genoege van een Mohammedaan? Had men nog (des noods) de minst versleten lichtekooyen van het ‘moderne Babel’ in eene groote zaal willen bij-een-brengen, den toegang voor alle Heeren verbieden - een lijfwacht van behoorlijk gesnedenen aan de deuren zetten, en daar dan den Sultan binnenlaten, om te schalten en te walten naar hartelust - het zou een allereigenaardigste uitoefening der gastvrijheid geweest zijn, eene verrassing, den goeden Sultan, die op het stuk van rein en onrein hoogstwaarschijnlijk alleen nog maar een os van een zwijn weet te onderscheiden, volkomen waardig; eene kleine afwijking van onze zeden: maar men zoû zeggen: à la bonne heure: alle godsdiensten, en daarmede ook alle levenswijzen, zijn nu eenmaal even goed: laten wij liberaal zijn: de Sultan komt misschien niet spoedig in Parijs te-rug, en il faut non-seulement que jeunesse, maar ook, que vieillesse (surexcitation, fatigue, spleen, caducité, degoût) se passe. Maar christen vrouwen, die (laat het ons hopen) niet verdacht waren op zulk eene alleronvoegzaamste hulde, in het land der chevalerie, op die wijze te expozeeren, ze met verscheuring van alle dekorum te gebruiken, om den ‘Grooten Heer’ te doen watertanden, enz. - het is ver met de zeden gekomen! Trouwens, vele onzer amsterdamsche en haagsche juffertjens hebben zich, in der tijd, gelukkig gerekend kushanden en handdrukjens van den walglijksten Japanner te ontvangen; en als men ziet, dat de hooge Weduwe van Prins Albert, Koningin Victoria, de deugdzame gebiederesse van het land, waar de vrouwen (belachlijk genoeg!) het woord hemd niet mogen uitspreken, den Grooten Heer (!) allerminzaamst ontvangt en hem met den ridderlijken Kousenband begiftigt, dien de walglijke wijdbroeker, als hij de kleêren van zijn land aanheeft, niet eens dragen kan, - als Frans Jozef van Habsburg diep genoeg valt, om het ridderkruis van St Stephanus op de borst te hechten van den nazaat der macht, waartegen Europa haar kruistochten ondernam, - en als men in Engeland bals geeft voor het opperste delight van een Turk, die au fond de vrouwen veracht met al den smaad, dien een zwijmzieke oosterling aan het afgezabbeld mondstuk van een

[p. 200]

opiumpijp toedraagt1, - dan krijgt men groote lust eene waereld uit te loopen, waar, in de sfeer der ideën, de fatsoenlijkste, maar tevens onkundigste godloochening ten throon zit, en waar zelfs in de sfeer der formen alle edele aspiraties, alle achtenswaardige tradities verloren schijnen. De volgende kastijding is gewis niet onverdiend:

‘Volgens een uit Londen ontvangen telegram, voor welks nauwkeurigheid wij instaan, heeft de Sultan de Koningin ten huwelijk gevraagd. In geval H.M. den voorslag aannam, zou een gedeelte van het serail op engelsche wijze voor Victoria worden ingericht.’

Asmodée, 1 Aug. 67.

M.