Dietsche Warande. Jaargang 10


auteur: [tijdschrift] Dietsche Warande


bron: Dietsche Warande. Jaargang 10. C.L. van Langenhuysen, Amsterdam 1874


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 17]

Vondels ‘dichterlijke moraliteit’.

III.

Dat Gildebroeders elkaâr verdedigen - wie zal 't wraken? - Men moet, het is waar, rechtvaardig wezen, oordeelen zonder aanzien des persoons: maar valt het af te keuren, dat Jonathan het met meer vuur voor David opneemt dan voor een wild vreemd? Is het geen genereuze gloed, die op de wangen van een zoon of broeder verrijst, bij het minste onrecht, dat den vader of den broeder wordt aangedaan? Eere dus aan Dr N.J.B. Kappeyne van de Coppello, die niet heeft kunnen dulden, dat een mede-rektor, en een mede-professor, ofschoon dan ‘van eene andere branche’ (zoo als wijlen Prof. van Hengel de Roomschen aanduidde), op het punt van Vondels immoraliteit werden tegengesproken. Maar aan dit broederlijke gevoel mag toch niet alles ten offer gebracht worden. Het is, in het geval, waar wij een oogenblik bij stil moeten staan, al heel ver gegaan. Voor zoo ver, naar mijn bescheiden oordeel, de billijkheid er onder geleden heeft, ben ik zoo vrij het, voor deze, tegen de Heeren Professoren andermaal op te nemen.

De wakkere rektor van het Amsterdamsche Gymnazium is, uit den aard der zaak, een klassiek geleerde, een man door en door belezen in de ouden, en ziet dáar eens, welk een maagdelijke schroom zijn hart bestormt, indenkende op de daad door Vondel verricht in de overzetting der Lierzangen van Horatius! Men mag niet vooronderstellen, dat de Heer Kappeyne eerst onlangs die korte hekelzangen onder Flaccus' oden en epoden heeft opgemerkt, waarin des dichters poëzie, volgends Vondels eigen (en hierop bepaaldelijk gerichte uitdrukking):

[p. 18]
 
‘[ons] walght, of bijt
 
Verslete boelen’.1

Het is dus alleen aan een gildebroederlijk gevoel te danken, dat de Heer Kappeyne, alsof hij eene ontdekking gedaan had, thands uitroept: ‘Vergelijk ook gez. XXV van boek I - Plat!’2

Ter gelegenheid, dat Vondel van onzedelijkheid wordt beschuldigd, gedraagt de Heer K. zich als of Horatius tot dus-verre in eenigen deele een gesloten boek voor hem geweest ware: en zegt: men heeft wel gelijk Vondel te veroordeelen; ‘lees eens den VIIIn en XIIn der epoden van Horatius bij hem, en gez. XXV van boek I.’ Of heeft de Heer K. willen zeggen, dat Vondel hier den kuischen Horatius onzedelijk en gemeen heeft gemaakt? - Hoe de Heer K. hierover denkt, weet ik niet: maar het komt mij onwaarschijnlijk voor, dat, in de taal van 1634 - het tijdstip ongeveer, waarop Vondel, met den Stadssekretaris Daniel Mostert en den bekenden aanzienlijken rechtsgeleerde Joan Vechters, Horatius' Latijn ‘in proze vertaelde’, - de uitdrukkingen, door deze smaakvolle geleerden gekozen, onkiescher zullen geklonken hebben dan de latijnsche woorden, die ze vervingen; en van onzedelijker-maken dier gedichten kan bij de genoemde mannen wel geen sprake zijn, daar zij boven de verdenking staan van dit te hebben bedoeld en boven het bereik der beschuldiging van het zonder volle kennis te hebben uitgewerkt. Twintig jaar later zoû de grijze Vondel ook niet zeggen, dat hij ‘tot een eerlijk tijtverdrijf en oefeninge, by wintersche avonden’ die vertaling voltrokken had, als hij zich bewust was geweest daarmeê eene slechte bedoeling gehad te hebben.3

[p. 19]

Toen ik vroeger opmerkte1, dat Vondel de te vrije denkbeelden der latijnsche dichters gewoonlijk omsluyerde, heb ik Horatius niet genoemd; maar dat neemt toch niet wech, dat Vondel, hoezeer verscheidene woorden bezigende, die ons raauw en on-

[p. 20]

bruikbaar schijnen, op meer dan éene plaats ‘uit eerbaarheid’, zoo als Dr van Vloten opmerkt, eenige woorden door een ‘&c’ doet vervangen: zoo dat dus, ook bij dien dichter, ‘het effekt werkelijk getemperd’ wordt.1 Dit is waarschijnlijk eene der vruchten van het toezicht, dat hij hield over eene uitgave, buiten zijn voorkennis en verlof ter perse gelegd.

Waarom zag Vondel die uitgave ongaarne? Van Lennep en al zijne volgelingen nemen aan, dat het was om de gebrekkigheid der vertaling. Brandt, Van Lenneps eenige getuige, geeft echter tot die lezing geen recht. Het is best mogelijk, dat Vondel, in later leeftijd, van meening geweest is, dat men, Horatius in vertaling ter perse leggende, ‘uit eerbaarheid’ eenige der zangen geheel behoorde wech te laten, en dat hij geen invloed genoeg op den druk gehad heeft om dit te kunnen bewerken. Nergends blijkt, dat Vondel deze zijne vertaling voor slecht genoeg heeft gehouden om de uitdrukking van den Heer Kappeyne te kunnen wettigen, dat de dichter zich aan eene ‘grove onkieschheid’ schuldig maakte, door zijn Horatius aan de broederschap van St Lucas op te dragen. Het gold hier, wat het vraagstuk der zedelijkheid betreft, alleen eene rekbare appretiatie. Vondel kan noode de hekeling der ‘verslete boelen’ in druk hebben gezien, en hij kan toch er niet zoo zwaarmoedig over gedacht hebben, dat hij zich verplicht rekende de verandwoordelijkheid der uitgave van zijn hals te schuiven. Hij kan ook allicht, bij nader beschouwing, begrepen hebben, dat geen schilder, beeldhouwer, beeldgieter, noch glazemaker in zedelijkheid achteruit zoû gaan, door het lezen van die walglijke (gelukkig zeer beknopte) beschrijvingen, wier indruk zoo ten-eenen-male overwogen en uitgewischt wordt door Horatius' dichtwerk in 't algemeen, waarvan het gewraakte in ieder opzicht een zoo onbeteekenend onderdeel is. Hij zal gemeend hebben, dat hij, dien Quinctilianus de eenige lezenswaardige onder de latijnsche lierdichters noemt, door groote en reine schoonheden ruimschoots goedmaakte, wat hij aan eene andere zijde misdeed. Ik haast mij

[p. 21]

hier bij te voegen, dat ik deze meening bij Vondel onderstel; dat ze mij bij hem en zijne tijdgenoten verdedigbaar voorkomt: maar dat ik niet gerekend wil worden Horatius, den zelfzuchtigen sensualist, in 't minste in bescherming te nemen. Voor zoo ver als de kennismaking met eene literatuur, hoofdzakelijk door middel van vertalingen, toelaat over die literatuur en haren maatschappelijken invloed een afkeurend oordeel te spreken, doem ik de gemeenzaamheid, welke men, voor jonge-lieden, met lichtmissen als de gunsteling van Maecenas, wenschelijk rekent. Daar zijn zeker in dien auteur stukken, die men niet anders dan tot zijn voordeel kan leeren kennen: maar dichters, die, in hun beste oogenblikken, dweepen met ‘haarvlechtende jongelingen’ behooren in eene christen maatschappij niet t' huis.

Heeft Vondel in later leeftijd dit ingezien, heeft hij zoo hoog boven zijn tijd gestaan, zoo veel te beter: het is wenschelijk, het is mogelijk.

De Heer Kappeyne spreekt daar echter niet van. Hij verklaart het volledig vertalen of althands uitgeven van zijn Horatius door Vondel, uit des dichters hoedanigheid van - zondaar: ‘hij is en bleef een mensch van gelijke bewegingen als wij’, zegt de Heer Kappeyne. En het aanbrengen, hier ter plaatse, van deze laatste, op zich-zelve onloochenbare, stelling, kan ik niet zonder weêrspraak laten. Zij heeft hier eene beteekenis, die eene beschuldiging voor Vondel inhoudt, aan welke alle steun ontbreekt. De redeneering van den Heer Kappeyne komt hierop neêr: dat Vondel, liever dan die horatiaansche buitensporigheden ongedrukt te laten of te verloochenen, er uit zinlijke zwakheid overheenstapte, dit werk, dat hij-zelf voor onrijp hield, te blijven patrocineeren en een thuiskomen te bezorgen. Daar protesteer ik tegen. 't Is eene onbewezen beschuldiging.

Is, uit het letterkundig standpunt geredeneerd, Vondels vertaling van Horatius zoo slecht, - Dr van Vloten schijnt ze niet-te-min, in aanmerking genomen de hoogte der XVIIe-eeuwsche filologie, goed te vinden, en noemt het Hollandsch uitstekend. Ik heb hier, wat de juistheid der overzetting betreft, geen oor-

[p. 22]

deel1. Dr Kappeyne zegt, dat Vondels Horatius ‘eene ver beneden alle, zelfs matige, eischen staande vertaling’ is. Ik wil aannemen, dat de Rektor van het Amst. Gymnazium gelijk heeft.

Maar hoe kundig filoloog de Heer Kappeyne ook zijn moge, in de logika daarentegen schijnt zijn zwaartepunt niet te liggen. Men oordeele: Hij noemt mij ‘voorbeeldeloos optimistisch of onnavolgbaar naïef’, in de onderftelling, dat ik zeker gevoelen van den Heer Binger, hetwelk de Heer K. noemt ‘een vonnis van liederlijkheid, viesheid en onstichtelijkheid’, ‘aanneme als een diploma van zedelijkheid en kieschheid’ voor Vondel. Maar voor een konkluzie ontbreekt hier van alles. Voor-eerst, al zegt de Heer Binger, dat een van Horatius' epoden ‘liederlijk en vies’ is, ook zelfs in Vondels overzetting, daarom vonnist hij mijnen ‘client’-zelven nog niet. Ten tweede: waar heb ik mij verbonden de juistheid van 's Heeren Bingers oordeel te erkennen? Wat behoeft de Heer Kappeyne onderstellingen te maken, waar alle grond aan ontbreekt? Dat doet men niet. Men zegt niet: indien de Heer K. een muntbiljet namaakt, wordt de straf gelijkstaande met ‘altijddurenden dwangarbeid’ over hem uitgesproken; als de Heer K., bij een vuurrooden rok, een lichtblaauwe broek aantrekt en een groenen flambard opzet, dan geeft hij blijk van wansmaak. Zulke onderstellingen zijn onverstandig of onbeleefd. Verder citeert Dr Kappeyne de bladzijde, waar ik zeg, dat Vondel ‘de meest vrije plaatsen in Virgilius en Ovidius’ met zulk een ‘afkoelende objektiviteit, met zoo veel eenvoudigen kunstzin bij technische inspanning, met zoo veel arglozen goeden wil vertaald heeft’: en nochtans mag men onderstellen, zegt hij, dat de Heer A.Th. de aangeduide plaatsen bij Horatius wel zal gekend hebben reeds voor 1861, toen Binger en Van Lennep ze afkeurden. Wat is er voor verband in die redeneering? Ik heb van Horatius daar in 't geheel niet gesproken; mij is niet bewezen, dat ik het oordeel van Binger en Van Lennep onderschreef of behoorde te onderschrijven; niet bewezen, dat, al onderschreef

[p. 23]

ik het, ik daarmeê Vondel-zelven veroordeelde, en allerminst dat ooit op Vondel toepasselijk zoû zijn, wat Witsen Geysbeek van Focquenbroch zegt. Nochtans beroept de Heer Kappeyne, ten betooge, dat ik eenige vertaalde stukken van Vondel had behooren te brandmerken met het vonnis dat Witsen Geysbeek over Focquenbroch velt, zich op mijne aanhaling van dit; hij beweert dat enkele malen de woorden van W.G. op Vondel toepasselijk zijn: en toch erkent hij tevens, dat Prof. De Bruyn Focquenbroch er niet ‘bij’ had moeten ‘halen’. De Heer K. bewijst niet, dat Vondel-zelf zijne vertaling van Horatius kwalijk geslaagd rekende; en nochtans noemt hij de opdracht aan de broeders van het Gilde, die hem zoo veel eer bewezen hadden, eene ‘grove onkieschheid’. Bovendien teekent de Heer Kappeyne de bizonderheid aan, ‘dat Vondels overzetting der gezangen van Horatius in zijn tijd een buitengewonen opgang moet gemaakt hebben, want dat de eene herdruk op den andere volgde’. Een gewoon menschenverstand zoû hieruit zeker niet besluiten, dat het zulk een onwaardig geschenk was geweest, en dat de minste ‘onder de literarische pygmaeen’ (onzer dagen), over dit ‘in alle opzigten afkeuring waardig werk’, ‘zou moeten blozen’.

Maar het ergste komt nog.

‘Stel u eens voor het genot, dat op het titelblad te lezen stonde: ‘Door Constantijn Huygens’, roept de Heer K. zegevierend uit, ‘door Constantijn Huygens, den warmen Protestant, - den trouwen secretaris des Prinsen van Oranje!’ Deze tirade kan niet anders beteekenen dan dat ‘A.T.’. in plaats van zich te vergenoegen met op te merken, dat den kunstgenoten ‘in den zwakken Horatius (naar het oordeel van deskundigen) geen al te uitnemend geschenk werd gemaakt’ - wel ánders tegen dat boek te velde zoû zijn getrokken, zoo het door eene protestantsche hand ware geschreven geweest.

Maar, eilieve! welk kerkboek hanteerde de schrijver dan, toen hij met zijn vriend ‘Daniël’, sekretaris der stad en dus van de hervormde belijdenis, en met den klassikus Mr Jan Victorijn, die vertaling bearbeidde?

In November -41 ging Vondel tot de K. Kerk over: maar ik

[p. 24]

maak mij sterk aan te toonen, dat zijne met Mostert en Vechters volbrachte latijnsche studie tot een vroeger tijdperk behoorden. In Oktober 1640 léefde Vechters of Victorijn, wel is waar, nog: want toen droeg Vondel hem zijn Joseph in Egypten op; maar Vondels verkeer met hem was in de laatste jaren verflaauwd. Hij beroept, in Mei -39, zich op hem, bij Tesselschade, als op éenen, met wien (wellicht door hunne over-een-komst van geloofsovertuiging) Tesselschade méer omgang had dan hij-zelf (V.L. III, 484), en in 1640 zegt hij, dat vijf jaar geleden voor de vertaling van De Groots Sophompaneas (1635), de ‘boeckkamer’ van Vechters voor hem had opengestaan ‘gelijck voorhenen’, toen zij ‘ons’, zegt hij, ‘voor een' Parnas diende’ (als ‘sedert menighmael’). Onmiskenbaar is hier, dunkt me, het verkeer van Vondel met Vechters geteekend: Meer dan éens sedert 1635, toen Vondel met Victorijn en Mostert De Groots tooneelstuk vertaalde (V.L. III, 219), kwam Vondel den advokaat in zijne ‘bezigheit’ (bl. 808) storen. Bij een dier bezoeken zet'te Vechters Vondel aan om Elektra te vertalen. Daar is echter, waarschijnlijk uit hoofde van die zelfde ‘bezigheit’, geen sprake meer van om samen (als in 1635 en ‘voorhenen’) eenig vertaalwerk van langen adem te ondernemen. Van Lennep brengt den schoonen lierzang aan Mostert over Horatius tot het jaar 1634. Zoû de aan dezen latijnschen dichter bestede arbeid der drie studiegenoten niet omstreeks die tijd en nog wat vroeger vallen?

 
..... ‘doen [sy]
 
Versopen in Latijnsche leckerny
 
Hem [Flaccus nam.] singen hoorden’1.

Vechters verschijnt, bij Vondels overgang tot de Kerk, waar ook hij toe behoorde, en aan welke hij, in de kongregatie der Begijnen, twee geestelijke dienaressen Annetgen en Marijtgen Vechters had geleverd, niet ten tooneele. Vermoedelijk was hij dus reeds overleden. Vondel spreekt van zijn dood in éenen adem met dien van Mostert, ten jare 1646, als van eene gebeurtenis,

[p. 25]

die reeds eenigen tijd oud is.1 Buitendien - in het tijdperk 1640-1646 valt Vondels overgang, zijn levendiger verkeer met Tesselschade, zijne hervatte studie van het Italiaansch, in de bearbeiding van haar Jerusalem verlost, en zijne studie van het Grieksch, waarvan hij, in Elektra, de vrucht aan haar opdroeg (terwijl de beoefening der grieksche tooneeldichters hem tevens dienen moest voor de bewerking der treurspelen, die aanstaande waren, na dat hij zijn Konstantijn had laten liggen), en daarbij - de prozavertaling van den geheelen Virgilius (geen kleinigheid!), waartoe hij klaagt de hulp van Mostert en Victorijn te hebben moeten missen. De vertaling van Horatius moet dus wel vroeger vallen dan Vondels overgang, en na hare bewerking zoû hij in 1637 den Engel Rafaël nog de profetie in den mond leggen:

 
‘[Men schopt] het Roomsch autaer met kracht uyt alle kercken’.

Vondel was, toen hij den Gijsbreght schreef, nog geenszins katholiek; het was alleen in latere edities, dat hij de bekende min gelukkige regels aanbracht:

 
‘Valt u 't verwoesten der godtsdiensticheit te lastigh...’

In éen woord: gronden om aan te nemen, dat Vondel opgehouden had protestant te zijn, toen hij den Horatius in proza overzett'e, zijn mij niet bekend. Ik kan dus kwalijk geacht worden uit geloofsijver dat werk toegevender te beoordeelen dan ik doen zoû indien Huygens er de maker van was. In tegendeel, had men aan konfessioneele belangen gedacht, dan zoû men gezegd hebben, dat het den goeden, braven, roomschen Vondel natuurlijk geweldig hinderde, dat hij, in zijne waterlandsch-doopsgezind-remonstrantsche periode, den Horatius vertaald had, hoewel hij bonne mine à mauvais jeu maakte.

't Is betreurenswaardig, dat niemant zich een vurig liefhebber onzer letterkunde kan voorstellen, die zich met geene persoonlijke vooroordeelen inlaat. Is mijne geringe sympathie voor den man der kwinkslagen uit niets anders te verklaren, dan hieruit, dat de zelfde pen, die Bijbelstoffen berijmde, obscoene rébus vervaardigd heeft? Waarom is de orthodox-gereformeerde Bilderdijk

[p. 26]

mijn man? Waarom kan ik met diepe aandoening en groote geestdrift genieten Gallaits Egmond en Hoorne en Meyerbeers Huguenots? - Maar genoeg over deze persoonlijke quaestie.

Ik ben vriendschappelijk bekend met den Heer Kappeyne; ik draag hem hoogachting en genegenheid toe: maar ik vrees, dat een weinig passie den waard zijn gasten heeft doen verdenken van een zwak, waar hij-zelf niet vreemd van is1.

J.A.A.Th.