Dietsche Warande. Nieuwe reeks. Deel 1


auteur: [tijdschrift] Dietsche Warande


bron: Dietsche Warande. Nieuwe reeks. Deel 1. C.L. van Langenhuysen, Amsterdam 1876


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 5]

Eenige Gedichtjes ter eere van Daniël Seghers, Br. S.J.,
bloemschilder1,
medegedeeld door Prof. Dr P.P.M. Alberdingk Thijm.

In de verzameling van HSS. der PP. Jezuïeten te Antwerpen bevindt zich een klein fo deel, gemerkt ‘453, varia C’. In het midden van dezen bundel vindt men eenige reeds gedrukte en andere nog ongedrukte gedichten, enz. ter eere van Br. Seghers; de ongedrukte deelen wij hier mede. Niet al deze stukjens munten door duidelijkheid uit. De zinscheiding heb ik geregeld, het overige onveranderd gelaten.

Op de comst van mon frer Daniel Zegers, binnen Tongeren.

 
De cunst en u vernuft
 
mijn swacke geest verbluft;
 
door reden aen-gedreven,
 
dat gunst, aen ons bethoont
 
van u, aen ons geloont,
 
behoort sulx weer te geven, -
 
 
 
maer u eerweerdens danck
 
maeckt mijnen geest so cranck,
 
met sulcken pronck te cieren;
 
Ick offer soo ick ken,
[p. 6]
 
want meer ick schuldich ben:
 
comt nijmphen, vlecht laurieren!
 
 
 
Laurier, tot sijn waerdij;
 
als danckbaerheyt voor mij,
 
voor lof aen ons bewesen,
 
ick danckbaerheyt bethoon.
 
Dat ick u vrientschap loon,
 
uut vrientschap is geresen;
 
 
 
Uut vrientschap en uut gunst:
 
eel is u hert en cunst,
 
u cloecke geest-bedrijven;
 
door const aen ons bekent,
 
ghij meerder weerdich bent,
 
als ick soud' connen schrijven.
 
 
 
Dit weijnich neemt in danck!
 
vrees had mij in bedwanck,
 
om u met meer te loonen.
 
Verschoont 't geen vrientschap doet,
 
mijn fauten neemt int goet, -
 
'k most danckbaerheyt bethoonen.

Alle aanduiding van opsteller en datum ontbreekt. Papier en schrift zijn blijkbaar van het begin der 17e eeuw.

Op een ander afzonderlijk blad van den bovengenoemden bundel vinden wij het gedichtje van Huyghens: ‘Ardua naturae matri’ enz. (‘Volks-Alm.’ 1870 bl. 132) en daarneven een lat. antwoord van Seghers, van den volgenden inhoud:

Responsio ad eximium artis amatorem et nimis indulgen tem Laudatorem dipictorum florum, cuius nomen absque nomine Constanter se prodit.

 
Non ego naturae invidiam geniumve lacesso,
 
Naturae ingenio vincitur artis opus.
 
Lis ea, lite caret; concedunt mortua vivis
 
Pictaque sunt veris inferiora bonis,
 
Siqua tamen decorat pingentis gratia flores
[p. 7]
 
Gratior a magna voce probantis erit.
 
Foecundet steriles animetque Favonius hortos;
 
Hic favor est violis vitaque luxque meis.
 
Flora vale; nostro quamvis dominere vireto,
 
Non abs te placitis est vigor ille rosis:
 
Non etiam a medicâ, reperit quam Pallas, olivâ;
 
Vivat ab hac quamvis longius ipse color,
 
Ver hieme in media, florum hoc decus omne, benigno
 
Unius afflatu Principis Aura facit.

Wij vinden op een ander blad nog eens ‘Ardua’ enz. van wat latere hand; vervolgens weer een versje van Huyghens, van Febr. 1645, aldus luidende:

Ad eximium Pictorem Dan. Segherum.

 
Vicisti, Seghere, tamen jam γνῶϑι σεαυτὸν.
 
Aude quid valeat scire stupenda manus.
 
Sucubuit natura parens; ipsaeque fatentur
 
Quêis ea succumbit succubuisse vices.
 
En, quae viva Rosa est, moritur, quae mortua, vivet:
 
Viva perit, ficta flos amaranthus erit.

Op een ander blad vinden wij het volgende:

In spinas spineosque flores a Daniele Seghers Soctis Jesu depictos atque ad celsissimum Principem Auriacum missos in quorum medio imago est virginis matris ad extinctum filii Jesu corpus plangentis.

 
In tribulis genitos flores, cum sentibus herbas
 
Textaque de spinis serta, tabella refert.
 
Principis haec vidua est, natoque et conjuge raptis:
 
Hic, flos Autummi; veris, at ille jacet.
 
Aspera si spina haec matris; magis aspera cerne,
 
Heu, viduae Matris Virginis, ista fuit.
 
Sed tamen hic etiam, sua ne solatia desint,
 
Ingenuos flores, et sine sente vides:
 
Inter pungentes innoxia lilia spinas (Cant. 2. v. 2.)
 
Pagina queis pretium sic quoque sacra facit.
[p. 8]
 
Et qui parturiunt mala aurea divite flores
 
Germine, supremâ in fronte corona, nitent.
 
Aspera sic placidis sociantur, mollia duris:
 
Materies mixtâ sic vice format opus.
 
Horrida materies, spinae! Non horrida forma,
 
Non ars, qua spinis gratia veris inest:
 
Qua recreent oculos tribuli, dumique, rubique:
 
Quos sentire, dolor; cernere iam sit amor.
 
A genio quamquam non est hoc artis; ab illâ est
 
Principe, vel spinae quod placuisse queant.

Deze verzen waren hoogstwaarschijnlijk door drie paters Jezuïeten (Wallius, Sidronius en Becanus) aan Seghers gericht1. Hieraan zijn 18 versregels, onderteekend: ‘P. Caters,’ in nederlandsche taal toegevoegd, die wat enger in elkaar geschreven zijn dan de latijnsche, evenwel van dezelfde hand schijnen te zijn, doch die wij hier niet afdrukken, dewijl zij reeds door v. Vloten, ‘Dietsche Warande’, t.a.p. bl. 464, naar een Leidsch HS. en door pater Allard in den ‘Volksalmanak’, 1870, bl. 145 zijn uitgegeven. Van 't latijnsche zoowel als van 't nederlandsche gedicht komt een tweede afschrift voor van andere hand.

De ruimte welke, onder de latijnsche, nevens de nederlandsche verzen op het blad overbleef, was groot genoeg om eenigszins eng geschreven, nogmaals 18 regels toe te laten, welke daaraan als kritiek door eene andere hand van den zelfden tijd zijn toegevoegd.

 
De konst van Segers rouw ghevlicht2
 
En Caters dubbel spijtigh dicht,
 
Heeft wreede dorens uyt het wout
 
En dystels soo te saem ghetrout,
 
Dat de natuer die 't heeft gebaert
 
In twyfel staende wie den aert
 
Van haer verscheijden spijtigh groen
 
Na 't leven best wist voor te doen,
 
Ten lesten seght: 't Is even schoon;
[p. 9]
 
Maer geen van beij verdient hier loon.
 
Het is bedrogh vol stout bestaen.
 
Dit heeft pinceel noch pen ghedaen,
 
Maer ick Natuer. Komt niet te bij,
 
Die hier wilt syn van schaede vrij.
 
't Is niet onnoosel1 dat ghy siet.
 
Poeeten lieghen, g'looft hun niet.
 
Hout van dees dorens handt en voet
 
Sy syn alleen voor d'ooghe goet.
 
 
 
[get.] H. Dominicus Bocx R. Sti Ber.
 
[Seghers oomzegger.]

Deze Dominicus Bocx heeft op de keerzijde der bladz., waar twee bekende gedichtjes van Huyghens op Seghers voorkomen, ook als tweede kolom met het zelfde aantal regels eene kritiek op Huyghens werk geschreven.

Het eerste gedichtje zijn de 8 bekende regels op den schilderstok2:

 
Waer is beleeftheid toegekomen!
 
Voor moeite, meesterlick genomen,
 
Voor konst die geen gelyck en kent,
 
Verschynt een stock tot een present!
 
'T is waer, de deught verdient geen' slagen;
 
Maer sulcke slagen zyn te dragen:
 
'T en is geen slagh van allen dagh;
 
Hoe swaerder stock, hoe lichter slagh.

Daarneven, zoo als gezegd is:

 
Waer is de ionst tot konst toe komen!
 
Voor moeijte weijnich tyts genomen,
 
Voor werck dat sich geen loon inprent
 
Een gouden stock tot een present?
 
Den stock verbeeld verdiende slagen,
 
Maer t' gout de slagen licht om dragen.
 
Dan evewel noemt mij den dagh
 
Dat ick verdienden sulck een slagh.
[p. 10]

Onder het voorafgaande gedichtje van Huyghens staan de andere bekende regels op het doodshoofd van den ‘maelstock’1:

 
Siet toe, de doot sitt op den stock;
 
En, pronckt sy met een gouden rock,
 
Het zyn onsterfflicke laurieren
 
Die haer' gedaente meest vercieren.
 
'T is Seghers doods-hoofd inderdaed,
 
Soo sal t' syn wesen, vroegh of laet:
 
In onverwelckelicke croonen
 
Sal syn' gedachte bij ons woonen:
 
De bloemen die hy t' leven gaf
 
En langh geplantt heeft om syn graf,
 
Die sullen hem het leven geven,
 
En doen syn' sterfdagh overleven,
 
En syner wercken sonne-schyn,
 
Sal Middagh op den avondt zyn.
 
 
 
(get) Constanter 1652.

Neven dit gedichtje is weer geschreven:

 
Gecroonde dood, die met een rock
 
Van gout pronckt op den schilder-stock,
 
Toont dat onsterffelicke (sic) laurieren
 
Verdienen die de konsten vieren.
 
Den stock des schilders wyst de maet,
 
Op dat 't pinceel niet en mis-gaet,
 
Maer d' hand, die 's meesters werck komt loonen,
 
Doet 's meesters hand de' konst meest toonen.

[Later aldus veranderd:

 
Maer die s' meesters werck beloonen
 
Doen s' meesters hand de konst meest toonen]
 
Wel soo dan bloeyen op mijn graf
 
De bloemen die ick 't leven gaf
 
T' is tot u eer alleen, die 't leven
 
Door weldaet aen het werck koent geven
 
Want uwer ionste gulden schyn
 
Sal middagh myner konste syn.
 
 
 
Heer Dominicus Bocx
 
Rus Sti Bernardus (sic).
[p. 11]

Onder deze 4 gedichtjes staat geschreven:

 

Inscriptio baculi aurei pictorum usui destinati quem principissa Auriaca vidua senior ad Danielem Seghers misit; in cujus vertice est calvaria lauro coronata, in signum artis, etiam post mortem victurae.

 

En daarna, onder aan het blad, bij wijze van adres, met grootere letter geschreven:

 

Danieli Seghers florum pictori et pictorum flori fragilem vitae splendorem, et huic supervicturam penicilli immortalis gloriam, Amalia de Solms Princeps Auriaca vidua hoc auro significatam voluit et hac lauro1.

 

Op een ander los blad vinden wij nog twee gedichten van P. Caterus. Het eerste in 't nederlandsch is ook reeds door van Vloten naar een leidsch hs. uitgegeven2. Het latijnsche gedichtje van pater Caterus, op de keerzijde geschreven, luidt aldus:

 
Quanta lobarati fulgent splendore metalli
 
Mysteriorum symbola!
 
Regale ut sceptrum, pictoris virgula in auro
 
Myronis arte fingitur.
 
Calva immortali circumdatur aurea lauro
 
Sic morte vivit gloria
 
Clarum nempe decus, nomen post fata superstes,
 
Et fama ab arte quaeritur?
 
Laurea, sceptrum, aurum; doceant magis ista, beatae
 
Aeternitati pingere
 
 
 
[get.] P. Caterus.

Op een ander blad vinden wij het volgende gedicht:

Aan den Cunstrijken Heere Daniel Zegers uijtnement Bloemschilder.

 
All wat de moeder Aerd in kruijden en in bloemen
 
Op 't kostelijkste heeft, wat flora dertel maelt
 
Met allerhande verw, en rijkelijk doedt roemen
 
Dat lieffelijk zieraet, welk 's menschen hert onthaelt,
[p. 12]
 
Betracht het kloek penceel van Zegers. De gedachten
 
Van syn vernufte ziel vermeesteren 't gewelt
 
Van de geboor-aerd selfs, door d' innerlijke krachten
 
Des geests die 's levens beeld ten toon naar 't leven stelt.
 
 
 
Men siet de aederen van stammen, ende spruyten,
 
En al de blaederen, en knobbeltjes, verdeelt:
 
De lucht die sweeft daer om, en schijnt het soo te sluijten
 
Op 't kunstige tafereel of 't waer in d'aerd geteelt.
 
 
 
Het oogh dat keurigh waijd op het gebloemt, en kruijden
 
Dat tokkelt het gemoedt, dat tokkelt neus en handt.
 
'T is niet genoech te sien: 't oogh wil den reuk beduijden;
 
'T gevoelen seyd, ik werdt een dief van dese plandt.
 
 
 
O soete eendracht van Gebooraerdt! voecht te gaeder
 
De klanken van 't gesangh met d'edel schilderkunst!
 
Toont Zegers Geest aen Ban ontlast syn schilderader
 
Loont schilderije met zangh van vriendtschap, gunst om gunst.

Onderteekend:

 

26 Junii 1693. J. Alb. Ban.

Op een ander blad:

Pour cet excellent peintre de la Compagnie de Jesus Epigramme.

 
Pater Zeguers fait naistre tant des fluers,
 
Par les peinceaux, et ses vives couleurs
 
Que par son art, il dompte la nature.
 
De ce peintre si rare est la peinture,
 
Que pour payer un tel trésor,
 
On change ses peinceaux, et sa palette en or.
 
 
 
Son humble serviteur
 
Florent du Rieu
 
1657.

Eigenhandige brief van Philip Willem, paltsgraaf aan den Rijn, aan een priester S.J. waarin deze bedankt wordt voor het geschonken schilderij van ‘uwen schilder’ en het onderwijs aan zijn zoon Paulus gegeven.

[p. 13]

Reverende Pater,

 

Redux Antwerpia Paulus Bock obtulit mihi litteras Revae veāē, et una floridum sertum ab elegantissima manu vestri Pictoris: munus sane optatissimum, et futurum, inter res mihi charas (is veranderd; uit ‘claras’) perpetuum, vestrae ergo me benevolentiae monumentum. Quid ea de causa debere velim R. vrāē, quid Domui Antwerpiensi, propter Paulum tot mensibus tanta charitate sustentatum, redditumque peritiorem, tum ostendam cum vel ultro testandae gratiae sese offeret occasio vel Rveāē libuerit aliquod sumere propensissimi mei affectus experimentum. Interea me, meaque Religiosissimis Rvrāē et domesticorum suorum sacrificiis ac precibus impense commendo. Datum Dusseldorpii 25 Julii 1650.

Rvrāē

addictissimus

Philippus Guillelmus

Comes Palatinus Rhenigria.

 

Een brief van den bovengenoemden Dominicus Bocx aan Daniel Seghers, zijnen ‘beminden oom’. In twee kolommen geschreven.

 
Beminden oom en weerden vrient,
 
Heeft u fortuin na wensch ghedient
 
In allen uwe weghen?
 
Ick ben te saem met u verblyt:
 
Want hy heeft soms die gaet en reyt
 
Niet al na wensch ghekreghen.
 
 
 
Ghelyck een schip dat van de ree
 
Zeylt door de ongebaende zee
 
Altyt is onderworpen
 
Aen de Fortuin, dat los geval:
 
Soo oock die reysen overal
 
Door steden ende dorpen.
 
 
 
Dit doght ick als ghy waert gegaen,
 
En volghden er van achter aen
 
Alleen door myn ghedachten:
 
My doght dat ick ghedurich sagh
 
Waer dat ghy reysden in den dagh,
 
En waer dat ghy vernachten.
[p. 14]
 
My doght (siet! wat de liefde doet)
 
Dat ick ghevoelden in 't gemoet
 
Den ganschen dagh dien reghen,
 
Die u, met soo een nydich nat,
 
Wanneer ghy scheyden van de stat,
 
Ghedurichlyck was teghen.
 
 
 
My doght dat ick oock leed' de kouw.
 
Die uwen wegh beswaren wouw.
 
Ick riep, ach noortsche winden!
 
Gheeft hem dees kouw doch niet geheel,
 
Laet my daer draeghen van een deel:
 
Om dat ick u beminden.
 
 
 
My doght dat ick oock met u quam
 
Wanneer ghy syt tot Amsterdam
 
Ten langhe lest ghekomen.
 
My doght dat ick de goede ziel
 
Die schier van vreucht in onmacht viel
 
Sagh, als s'u had vernomen.
 
 
 
My doght dat ick aen dander sy
 
Haer lieden man sagh even bly
 
U broederlyck ontmoeten
 
En al ons neven (wat een vreucht!)
 
Te samen in u komst verheucht
 
Oitmoedelyck u groeten.
 
 
 
My doght dat ick sagh in t' gemeen
 
De vrienden strijden ondereen,
 
Wie u best souw onthalen
 
Oft met een vriendelyck ghelaet
 
Oft met een hollans soet ghepraet
 
Oft noen oft avontmalen.
 
 
 
Dan soo ick u gheneghen ken
 
Waer in ick uwen neef meest ben
 
Te syn steedts by de gasten
 
Daer u noch dranck noch kost ontbrack
 
Doght u te wesen onghemack
 
En al te sware lasten.
[p. 15]
 
My doght dat 'k om de edel konst
 
U yder toonen sagh veel jonst
 
Ja, Princen, Graven, Heeren,
 
En mennich weerdich Edelman
 
Met 't besten dat hy krijghen kan
 
U konincklyck vereeren.
 
 
 
My doght dat ick een aerdich beelt
 
Waer in de konst en 't leven speelt
 
'K en weet van wie sagh geven,
 
En oock pinceelen tweemael drij
 
En een pallet1 seer schoon daerby
 
Uyt louter gout gedreven.
 
 
 
My doght dat tot my quam de Faem
 
En sey, dat Daniel, uwen naem
 
Sy in een boeck sagh schryven:
 
Die soo lanck als de Son en Maen
 
Sal aen den blauwen Hemel staen
 
Tot uwer eer sal blyven.
 
 
 
My doght dat ick oock somwyl sagh
 
Hoe ghy langhs straet wiert gans den dagh
 
Met vingers aengewesen:
 
Daer yder riep naer lanck ghegaep
 
Siet! dat is diën swerten paep
 
Soo om syn konst ghepresen.
 
 
 
Siet dat is diën Jesuiet
 
Wiens beelt men in de winckels siet,
 
Die onsen Prins voorleden
 
Wou voor syn konste senden thuys
 
Een paepen tientien met een cruys
 
Uyt enckel gout gesmeden.
 
 
 
My doght ten lesten dat ick sagh
 
Wanneer ghekomen was den dagh,
[p. 16]
 
Den droeven dagh van scheyden:
 
Hoe u de vrienden altegaer
 
Niet sonder traenen volghden naer
 
En dwonghen schier te beyden.
 
 
 
Mits yder tot beletsel broght
 
Al wat hy listich dencken moght:
 
‘Verloopen syn de tyen,’
 
‘Daer vaert nu niet een schippers gast,’
 
‘De waghens hebben vollen last,
 
Die heden moeten ryen.’
 
 
 
Ghy laeght, in 't soet bedrogh verheucht
 
Maer maeckte van de noot een deucht
 
En wout niet langher toeven:
 
Daer yder weer de vreucht verloor,
 
Verkreghen in u komst te voor,
 
En scheyde met bedroeven.

[Van geheel andere (oorspronkelijke?) hand is de onderteekening]:

UL Dienaer ende Neef

F. Dominicus Bocx

R.loci Sti Beri.

 

Van de zelfde hand als de handteekening is het adres hetwelk zich op de vierde zijde van het eenmaal toegevouwen fo vel papier bevindt:

 

Aen den Godtvruchtigen ende Eerweerdighen P. Daniel Segers der Societeyt Jesu.

Tot

Antwerpen.