Dietsche Warande. Nieuwe reeks 2. Jaargang 3


auteur: [tijdschrift] Dietsche Warande


bron: Dietsche Warande. Nieuwe reeks 2. Jaargang 3. Drukkerij A. Siffer / Cremer & Co, Gent / 's-Gravenhage 1890


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 524]

De huizing der Frankische vorsten te Netersel onder Bladel
aan de Norbertijnen van Postel verkocht, 923-1340.

VEEL is er over deze vorstelijke huizing geschreven; maar er is veel kaf onder het koren dier vertelsels. De aanleiding van dit veelvuldig schrijven vindt men in het voorname feit, dat op Bladel's grondgebied de onderteekening des giftbriefs door Karelden-Eenvoudige, voor graaf Dirk van Holland, op de Pladella villa heeft plaats gehad.

Aangaande dit punt hebben wij opzoekingen gedaan en deelen die hier mede, o.a. ook den geheelen inhoud van een onuitgegeven en oorspronkelijk charter van 1340 nopens de huizing der Frankische vorsten.

Nog zullen de inwoners dier landstreek gedeeltelijk in het Heidendom geleefd hebben, toen Pladella reeds eene zekere vermaardheid verkregen had. Immers de Frankische koningen bezaten er, reeds in den beginne der tiende eeuw, een kasteel, slot of huizing, waar somtijds vergaderingen belegd werden.

Veel, zeer veel is er over die verblijfplaats, over zijne ligging, zijn al of niet bestaan getwist, vooral in betrekking tot genoemden giftbrief, onderteekend Pladella villa, bij welken Karel, koning van Frankrijk, in 922, ‘aan zijn lieven en getrouwen Dirk ten geschenke gaf

[p. 525]

Hollant ende die kerk 't Egmonde met hoeren toebehoren, dat 's Zuyhardeshage totter Voortrappe toe met alle dienstbaren, tegenwoordige en toekomende, met bosschen, heiden, wateren en weiden.’

 

Volgens de Hollandsche Kronijken was Dirk de neef van graaf Hagene en de jongste zoon van dezes zuster Machteld, terwijl haar oudere zoon Walgerus reeds graaf van Teisterbant, d.i. van ‘Tiel, Bommel, Arkel, Heusden, Altena, Vyanen, Kuilenburg, Buren, Leerdam, Asperen, Heukelom totter oude Maze toe’ was.

Men twijfelde vroeger of Karel-de-Kale hier niet was bedoeld. Bilderdijk(1) was de eerste die duidelijk bewees dat niemand anders dan Karel-de-Eenvoudige de leenman en het jaartal hoogst waarschijnlijk 923 was.

J.A. Alberdingk Thijm(2) heeft aangetoond, dat Karel-de-Eenvoudige zich zeer goed in den jare 922 of 923 in deze landstreek kon bevonden hebben, daar hij, op dat oogenblik, in zeer benarden toestand verkeerde en hulp zocht bij zijn noordelijke leenmannen tegen hertog Robert, den overweldiger van zijn rijk.

Toen nu eens dit feit vastgesteld was, bleef er een ander te beslissen, namelijk of Pladella, waarvan het diploom den naam draagt is, wel het dorp in de Noordbrabantsche Kempen is?

Jacob van Maerlant had, naar den beroemden geleerde Mr H. van Wijn(3). volgens eene oorkonde, wel geschreven:

[p. 526]
 
Tote Bladele tere stede,
 
Een dorp dat up de Kempene staet;

Melis Stoke had wel in denzelfden zin gesproken (1 Boek, V, 388 en 389 in het handschrift A):

 
Tote Bladele tere stede,
 
Dat een dorp es ende so heet;

en Joannes a Leidis maakt wel van Bladella pago in Campinia gewag; maar ofschoon dit denkbeeld reeds vijf eeuwen voortleefde, werd het door B. Huydecoper in twijfel getrokken.

De man beweerde, dat Bladel in de Xe eeuw onbekend was, niettegenstaande van vele plaatsen rondom dit dorp reeds zeer vroeg gesproken wordt, hetgeen hij schijnt niet geweten of niet opgemerkt te hebben. Ondertusschen vindt men in de archieven der Norbertijnen-abdij Postel Bladel en het aangrenzend Reusel in een oorspronkelijk charter van 1173 aangehaald, ter gelegenheid van giften, waaronder ook een gedeelte der Bladelsche tienden genoemd worden. Hieruit mogen wij veilig besluiten, dat Bladel toen niet alleen niet bekend, maar ook een welbebouwde plaats moet geweest zijn, vermits er sprake is van tienden. Het bestaan van Bladel en zijn min of meer ontginning in de Xe eeuw baart ons dan geene verwondering. Onze vaderlandsche geschiedschrijver Wagenaar heeft uit Pladella villa ook Bladel(1) in Noord-Brabant, vroeger meestal Meiery genoemd, verstaan; doch Huydecoper zocht Pladella villa in Bladoldi villa(2) in het land van Beauvais, bracht het

[p. 527]

jaartal van den giftbrief op 861 en wees Karel-den-Kale als schenker aan. De bewering van Huydecoper vond aanhangers vooral doordat verschillende schrijvers verklaarden, dat er te Bladel geen spoor van eenig slot te vinden was, en dat G. van Loon zich in 1734, door den predikant van Bladel een ingebeeld kaartje in de hand had laten stoppen, aangaande de toen nog bestaande grachten van het hof of kasteel te Bladel. Huydecoper drijft den spot met dit kaartje en het verhaal van Godefridus Wendelinus, die insgelijks van een duidelijk spoor van grachten en zelfs van puinen rondom de kerk van Netersel gewaagt.

De nazoekingen, door andere schrijvers gedaan, waaronder die van J.H. van Heurn, in 1765, welke zijne bevin dingen mededeelde(1), trachtten het kaartje nog belachelijker te maken; en toch dwalen hier de spotters. De bedoelde teekening komt vrij wel overeen met de ligging der gronden, rondom de kerk van Netersel, eene plaats die onder geestelijk en wereldlijk opzicht eeuwenlang met Bladel vereenigd was, en nog ten huidigen dage met dit laatste ééne gemeente vormt. De opmerking werd gemaakt door personen, die de landstreek slechts oppervlakkig kenden, zooals de vluchtige bezoekers in de XVIIIe eeuw. Volgens een kaartje, opgemaakt door den landmeter des kadasters, den heer Borrenberger te Stratum bij Eindhoven, zegt Dr. A. Snieders,(2) zijn de grachten, die met het riviertje in betrekking stonden, nog aangeteekend op de kadastrale kaart. De teekening, zoo staat er nog, komt vrij wel overeen met de teekening door G. van Loon medegedeeld.

[p. 528]

Het was nu niet bij de parochiekerk te Bladel, maar in het van Bladel afhankelijk Netersel, dat men de huizing of het kasteel zoeken moest; en als men beweerde, dat daar de landlieden niets schenen te weten van de puinen eens vroeger grooten bouws, slaat men andermaal den bal mis. Het is toch algemeen bekend, dat men te Netersel, in den omtrek der kerk, niet zeer diep moet graven om brokken van fondamenten op te halen. Zie nevengaande kaart, onlangs gemaakt.

Omstreeks het jaar 1860, zoo verhaalt men ons, heeft de vermaarde geschiedvorscher Cuypers van Velthoven(1) te Netersel steenen laten opgraven om een nader onderzoek in te stellen; doch van den uitslag dezer poging is, bij ons weten, niets aan het daglicht gekomen.

Schoon nu het tot dusverre aangevoerde geen zeker bewijs zou kunnen geven van het voormalig bestaan eener vorstelijke huizing, zal de inhoud der volgende oorkonde de schaal wel zoozeer voor die bewering doen overslaan, dat men stekeblind moet zijn om dat gewicht niet te zien. De oorkonde van 1340 berust ter archieve van de abdij Postel-Molle. Van dit fraai geschreven en belangrijk charter geven wij hier een facsimile. Het perkament is met 2 zegels van witte was versierd, die met uithangende strooken van fransijn aan de oorkonde verbonden zijn; het groote zegel hebben wij van beide kanten aanschouwelijk voorgesteld; het kleine zegel is van achteren bolvormig. Men zie nevengaand facsimile.

Wie niet gaarne zulke handschriften leest, vindt

[p. 529]

hier den letterlijken tekst in gewone drukletter, met aanvulling der verkortingen; de lange s is door de korte, en de u door de thans gebezigde v vervangen. Duidelijkshalve is er de punctuatie bijgevoegd.

‘Jhan bi der gratien ons heren Hertoghe van Lothrike, van Brabant, van Lemborgh ende Marcgreve des Heilegs rijcs. Ende Jhan van Brabant oudste sone mijns liefs heren ende vadere des Hertoghen ende Marcgreven vorghenoemt doen cont allen denghenen die deze letteren selen sien ende horen lesen, dat wi met goedere vorsienecheit ende deliberatien ons raeds overmids viere hondere guldene scilde, die wi ontfaen hebben van den meester ende van den convente des convents ende des goedshuis van postele bi(1) alarde van os onsen rentemeester van Brabant in manieren van vorlive(2), hebben gegheven ende gheven erfeleke ende emmermeer den vorseiden Meester, Convente ende goedshuse van postele Onse huis van Neters met allen den goede dat daer toe behoert in lande, in beemden, in eusselen, in bosche, in watere, in heiden, in ceinse ende in allen anderen goeden, si(3) in naten si in droeghen, hoeghedaen dat si sijn ende den vorseiden

[p. 530]

huise van Neters toebehoeren moghen, ghelyc ende in allen den manieren ende met allen dien rechte dat de vorseide huis ende goede wilen her woutere Volkaerd aldaer te hebbene, te houdene plach ende te besittene. Ons ende onsen oer(1) altoes behouden erfeleke ende emmermeer de heerheit ende de ghichte vander capelrien aldaer Omme eenen rechten erf ceins van viert ponden ouder groeter(2) tornoise syaers, Elken ouden groeten conincs tornoisen van vrancrike vore sestienen penninghe gherekent ochte(3) de werdde daer af in andren goeden paiemente Ons ende onsen oer te gheldene ende te betalene Erfeleke ende emmermeer de eene helecht(4) daer af te elken kerssavonde Ende andere helecht te elken sente Jhans daghe Baptiste in den somer. Met selken conditien, dat allen de ghene dien wi yet van den vorseiden goeden yemene(5) ute gegheven hebben te sekeren terminen, haers termins ghelyc dat wine(6) hen gegheven hebben paisleke ende vredeleke selen ghebruken, ende den ceins daer af wertane den vorseiden Meester; den Convente ende den goedshuse van postele erfeleke gelden ende betalen. Behoudeleke dien dat wi allen den ceins ende alle de vrome(7) die ghevallen es ende vallen sal, daer af van nu tote sente Jhans daghe baptisten naest toe comende, ende niet langher hebben selen ende opheffen.

[p. 531]

Ende es oec te wetene dat de vorseide meester. tconvent ende tgoedshuis van postele met den steynnen huise van neters haren vrien wille doen moghen, si af te brekene, ochte daar mede te doene al dat hen best ende orborlecst(1) sal dunken sonder eenech wedersegghen van ons ochte van yemene anders. Ende vanden huise ende van allen den vorseiden goede van neters gheloven wi hen voir ons voir onse oer ende voir onze nacomelinghe waerscap(2) ende recht warant(2) te sine teghen yeghewelken in eeuweleken tiden. Ende omme dat wi willen, dat alle dese vorscrevene dinghe vast ende ghestedech bliven ende wel ghehouden in eweleken tiden van ons van onsen oer ende van onsen nacomelinghen sonder daer yeghen yet te ghane ochte te doene namaels in negheenen manieren bi ons, noch bi anders yemene Soe hebben wi onse seghele ghehanghen ane dese letteren in kinnessen der waerheit Dit was ghedaen Ende gegheven te bruessele des saterdaeghs In de Octave van dertien daghe(3) in den yare ons Heren Dusentegh Driehondert ende viertegh.

Bi den hertoghe ter relatien.

Heren Hermans. Ende alards van Os.

[p. 532]

Luidens dit belangrijk bescheiden, had de hertog eene som van vierhonderd schilden ter leen ontvangen van Postel's godshuis, en tot kwijting dezer schuld gaf de vorst zijne huizing te Netersel met alle daartoe behoorende goederen aan den overste (in die dagen meester geheeten) en aan zijn klooster. De hertog behield, volgens dit charter, de heerlijkheid, enz. van Netersel.

Het bestaan van een kasteel of slot lijdt dus geen twijfel, en het blijft altijd een en dezelfde zaak, hetzij de plek van dit gebouw te Netersel, hetzij te Bladel lag, omdat Netersel van dit dorp een gehucht is. Het zal alzoo niemand verwondering baren, dat de giftbrief te Pladella villa of op de huizing te Bladel afgeleverd is, alhoewel die vorstelijke handeling strikt genomen, op den bodem van Netersel heeft kunnen plaats hebben.

Er bestond overigens, naar het charter van 1340, te Netersel eene slotkapel met het begevingsrecht der hertogen, dit doet met grond, het bestaan van een slot of kasteel veronderstellen.

 

Wat belang heeft nu het kasteel of slot te Bladel, of, zoo men strikt wil, te Netersel gehad? Ziedaar eene vraag, die onbeantwoord, of misschien onoplosbaar moet blijven.

De Karolingsche koningen hadden in hun uitgestrekt rijk een groot getal verblijven, groote landhoeven, villae regiae genoemd. Hier kwam de vorst zich menigmaal voor een bepaalden tijd vestigen, hetzij staatkundige redenen hem daartoe dwongen, hetzij hij enkel daarheen toog, omdat er een ruime voorraad van levensmiddelen vergaderd lag. De koningen waren dikwijls op reis, in 't leger of bezochten hunne veelvuldige goederen en teekenden, bij aangeboden gelegenheid, akten, verleenden octrooi, enz., op een hunner landgoederen. Men vergelijke daarover P. Alberdingk

[p. t.o. 532]



illustratie

Th. Ign. Welvaarts prior te Postel, 1890


[p. t.o. 533]



illustratie

[p. 533]

Thijm in het tijdschrift De Wachter, 1872, 2, bl. 116.

Dat koning Karel-de-Eenvoudige zich goed ten jare 922 of 923 in dit oord kan bevonden en daar het diploma geteekend hebben, is boven aangestipt.

Het getal dezer landgoederen was overgroot; zij waren reeds vroeger dan de tiende eeuw met bolwerk en toren beschut.

Is Netersel een van die versterkte stapelplaatsen geweest, waar de schatting, den vorst te betalen, werd neergelegd? Zeer denkelijk; het gebouw was zonder twijfel hecht; men moet er ook zorgvuldig de hand aan gehouden hebben, dewijl het nog vóór de eerste helft der XIVe eeuw bestond, toen het, naar de medegedeelde oorkonde van 1340, aan den overste en het godshuis van Postel overging.

Wellicht rijst thans de vraag: Wat deden de Norbertijnen van Postel met dit gebouw of slot?

Daar deze kanoniken sedert de akte van 1340, naar goedvinden dit gebouw mogen onderhouden of afbreken, hebben zij het later tot een groote hoeve ingericht, die in de rekeningen van de volgende eeuw met de benaming van kapel- en slothove bestempeld wordt. De overste Boudewijn van Fourvy verhuurt 28 december 1426 de boerderij aan Willem van den Hove voor

25 mud rog, 6 mud moutkoren, 2 kronen van lijfkoop, 25 gulden voorlijf, en 1 loopens raapzaad, d.i. zooveel zaad als men noodig heeft om één loopens land te bezaaien, enz.

De schepenen van Bladel brengen 10 september 1627 ter kennis, dat voor hunnen ‘schepenstoele’ verschenen is de medeschepen W. Smits, belijdende meer dan veertig jaren de hoeve gepacht te hebben, waar eenmaal ‘het steenen huys plach te staan by (van) hertoch Jan’.

[p. 534]

Door ontginning van gronden en uitroeiing van bosschen, kreeg men meer bouw- en weiland, hierom zien wij in de rekenboeken dezer goederen, in 1627, van een tweede boerderij gesproken, onder de benaming van de Kleine hoeve Zij moge klein genoemd worden in vergelijking van de Slothoeve, toch was hare opbrengst in de XVIIe eeuw niet onaanzienlijk zooals deze huurceel gewaagt:

1 vet schaap en 30 gulden.
2 vet garst of 37 gulden.
3 vet boekweit,
10 mud rog of 150 gulden,
30 pond boter, 100 eieren.

De gemiddelde opbrengst der twee hoeven, die uit de vroegere eigendommen der Frankische vorsten aangewassen zijn, bedroeg ruim 300 gulden. De volgende perceelen zijn nog aangeteekend in de archieven:

Neerakker groot 8 loopens, 87 roeden
Papenakker groot 3 loopens  
Hennenakker groot 3½ loopens, 69 roeden
Groote beemd groot 10 loopens  
Raatbocht groot 3 loopens  
Vloeike groot 4 loopens, 25 roeden
Een stuk goed groot 21 loopens  

Die twee boerderijen deelden ook het lot van de zeven Bladelsche hoeven en van twee molens(1), te weten zij werden aan de abdij, van Postel onttrokken ter gelegenheid des vredes van Munster

 

Th. Ign. Welvaarts,

Prior en Archivaris der abdij Postel.