Dietsche Warande. Nieuwe reeks 2. Jaargang 6


auteur: [tijdschrift] Dietsche Warande


bron: Dietsche Warande. Nieuwe reeks 2. Jaargang 6. A. Siffer, Gent / L.J. Veen, Amsterdam 1893 1893


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 118]

Bouwkunst.
De Maria Magdalena-kerk te Amsterdam.
van den architect Dr. P.J.H. Cuypers.
(Met afbeeldingen.)

DE uitbreiding van Amsterdam heeft aanleiding gegeven tot den bouw van verschillende nieuwe kerken voor den R. Katholieken eeredienst. Voor eenige jaren werd in de Linnaeusstraat de St.-Bonifaciuskerk gebouwd uit vrijwillige giften, in de hoofdstad zelve verzameld, evenals vroeger de kerk van het H. Hart in de Vondelstraat werd gesticht door belangstellenden in en buiten Amsterdam.

Ook in de nieuwe wijken van 't westelijk deel der gemeente bleek, na de voltooiing van de Onze-Lieve-Vrouwekerk aan de Haarlemmerstraat, een nieuwe tempel noodig te zijn.

Het feit echter dat de bouwfondsen voor de Maria Magdalena-kerk eerst sedert twee jaren zijn ingezameld en verder verkregen moesten worden uit eene leening, die door het bestuur van deze minvermogende gemeente wordt gedragen en afgelost, kon niet anders dan van overwegenden invloed zijn

[p. 119]



illustratie

Dietsche Warande 1893
S. Maria Magdalena te Amsterdam,
van den architect Dr. P.J.H. Cuypers.
Zie De Bouwmeester, 6e jaarg, no 18, uitg. P. Gouda Quint, te Arnhem.
Zincographie Colens, te Brussel.


[p. 120]

op het ontwerp. Het gold hier de vraag, met de geringste middelen een ruim en waardig gebouw te stichten, dat ook in de toekomst aan de behoeften van een zich uitbreidend kerspel blijft voldoen en een schoon middenpunt vormt van een nieuw kwartier.

De eigenaardige vorm van het terrein, een rechthoekige driehoek, waarvan de top, tusschen twee straten ingesloten, gekeerd is naar den hoofdverkeersweg, dwong den ontwerper zijn gebouw tusschen de nauwe rooilijnen van de straten in te sluiten. Doch uit de samenstelling van den plattegrond en karaktervollen opbouw blijkt, dat dit terrein, wat oppervlakkig zoovele bezwaren opleverde, den kunstenaar tot eene rijkere en meer afwisselende ontwikkeling heeft geleid dan waarschijnlijk op een regelmatig grondvlak zou bereikt zijn.

De halve achthoek van het voorportaal, met ingangen naar drie zijden - een voordeel van de vrije ligging - is geheel in de punt gedrongen Uit de breede vlakke zijde van dit portaal met twee dubbele deuren ontwikkelt zich een groote zeshoekige voorbouw, die daar de gansche breedte tusschen de rooilijnen aanvult en met zijn drie tegenoverliggende zijden den grondslag vormt, waaruit middenschip en zijbeuken zich geleidelijk ontwikkelen.

De grootste breedte bereikt de kerk door de kruisarmen, afgesloten door twee schuine kanten, welke volgens de richting van de twee rooilijnen zijn getrokken. Aan beide einden dezer armen vindt men een verhoogd koor, waarvan het eene bestemd is voor zangers en orgel, het andere tot plaatsing van geloovigen.

Ter hoogte van het priesterkoor aanschouwt

[p. 121]



illustratie

Dietsche Warande 1893.
S. Maria Magdalena te Amsterdam,
van den architect Dr. P.J.H. Cuypers.
Zie De Bouwmeester. 6e jaarg, no 18, uitg. P. Gouda Qnint, te Arnhem.
Zincographie Colens, te Brussel


[p. 122]

men vijf beuken, door even zoovele veelhoekige kleine koortransen afgesloten. De hier als vanzelf gevormde kapellen, waarin vijf altaren geplaatst kunnen worden, liggen op een boog, die zijn middelpunt heeft onder den toren, waarover het kruispunt van dwars- en middenschip hoog is opgetrokken.

Deze vierkante toren, inwendig open tot boven de aansluitende daken, vertoont eerst een blinde galerij en daarboven een lichtlantaarn met smalle spitsboogvensters. Door dit hooge licht worden de horizontale lijnen van 't houten gewelf uit dwarsen middenschip gebroken; terwijl de kerk, die voor hare lengte, wegens de beperkte bouwsom, niet hoog is opgetrokken, inwendig in hoogteaanzien zeer heeft gewonnen. Ook uitwendig was deze plaats voor den toren als aangewezen, daar het zwaartepunt van den plattegrond in dit middelpunt der veelhoeken en op de lijn van de grootste breedte ligt.

Het smallere westelijke gedeelte heeft nog een uitgedrukt middelpunt in den kleinen dakruiter, die zich verheft boven den zeshoekigen koepelvormigen voorbouw. Deze twee hoofdpunten van den bouw, hoewel geheel verschillend van waarde en verschillend van kracht, geven in den opstand rekenschap van de beide middelpunten, die bij 't eerste aanschouwen van den plattegrond al dadelijk in het oog vallen.

Noch door rijkdom van grondstoffen. noch door pracht van versiering kon aan dit gebouw waarde worden geschonken; alles moest verkregen worden door afwisselende en verrassende rangschikking der verschillende deelen van den aanleg. En inderdaad, in dat opzicht is de begaafde ontwerper, dr. P.J.H. Cuypers, allergelukkigst geslaagd.

[p. 123]

Het geheel, zoowel de kerk als de aangrenzende woning van den pastoor, zijn bijna uitsluitend met gebakken vormsteenen uitgevoerd. Schuine kantsteenen werden voor venster- en deuropeningen, voor muur- en gordelbogen gebruikt. Het middenschip is overdekt met een houten tongewelf, vastgespijkerd tegen de kapspanten en rondgezaagde schenkels, telkens op één meter afstand daartusschen. Het priesterkoor is met steenen gewelven overspannen, waarvan de sluitsteenen belangrijk lager liggen dan de nok van de houten zoldering. De boog en muur, welke den overgang van deze twee verschillende hoogte vormen, zegeboog genaamd, eigent zich bijzonder voor muurschildering, en daar gemeenlijk een zegevierende Christus boven dezen spitsboog, met engel- en heiligenbeelden omgeven, wordt voorgesteld, is deze naam van dubbele toepassing geworden.

De houten kap, hoewel uit verscheidene aaneengeschakelde driehoeken gevormd, zou door de werking van het hout nog zijdelingschen druk kunnen uitoefenen; daarom heeft de bouwmeester de middelbeukmuren verzwaard met beeren, steunende op de dwarsmuren boven de gordelbogen der zijbeuken. De kapspanten zijn op kraagsteenen geplaatst, en worden dus ingesloten door beide zijmuren van het middenschip. De hoofdmuren zijn niet bijzonder hoog; een machtig sprekende vertikale verdeeling was daarom hier gewenscht. De vijfvoudige verdeeling van elke tusschenruimte (travée) is zoowel voor de wandgalerij (triforium) als in den lichtbeuk met evenveel vensters doorgevoerd. Achter de daken der zijbeuken is zij met houten luiken, voor beschildering bestemd, afgesloten.

[p. 124]

Ter hoogte van den aanzet der bogen zijn ankers in een aaneengesloten ketting met lange schieters in alle hoekpunten gelegd, zoowel in de muren der zijbeuken als in die van 't middenschip en in den toren. Deze kettingen zijn van 't middenschip naar de zijbeukmuren weder verbonden door dergelijke ronde stangen.

De onderdorpels der vensters, de dorpels, de treden der ingangen en eindelijk de basementblokken van de pijlers zijn van hartsteen: de weinige kapiteelen en kraagsteenen van zandsteen; alle afdekkingen onder de vensters en de kordonlijsten van roodverglaasde Waalsteen; de banden uitwendig van machinale Friesche steen.

De pastorie, zeer eenvoudig afgetimmerd, heeft op den beganen grond, nevens de woonkamer, twee zeer ruime ineenloopende vertrekken, bestemd om na huwelijksinzegeningen en jaargetijden, op oud-nederlandsche wijze, een talrijken familiekring te bevatten.

Het gansche werk, met de houten fundeering, de pastorie en de torenspits inbegrepen, werd aangenomen door den heer J. van Groenendael, te Nieuwer-Amstel, voor de som van 145 duizend gulden en binnen den gestelden tijd tot algemeene tevredenheid opgeleverd.

Dit sober behandelde kerkgebouw, van binnen indrukwekkend in al zijn eenvoud, getuigt opnieuw van het meesterschap zijns ontwerpers. Met de meestbescheiden grondstoffen is hier, dank zij oordeelkundige indeeling en afmetingen, een werk tot stand gebracht, dat dezer nieuwe wijk tot sieraad strekt en weer een schoon getuigenis aflegt van de offervaardigheid onzer katholieke stadgenooten. Pastoor G.W. Konings, die den bouw ondernam

[p. 125]

en op wiens schouderen eene groote zorg blijft rusten, mag met voldoening op zijn herderlijk streven terugzien.

Nog een vierde naam is aan deze stichting verbonden, namelijk van den heer Joseph Th.J. Cuypers, architect en civ. ingenieur, onder wiens bekwame leiding het geheele werk werd uitgevoerd. Wie belang stelt in bouwkunst, kan zeker evenals wij bij den pastoor op een vriendelijke ontvangst rekenen en het gebouw, met zijne schoone doorzichten en eigenaardig, zoo gelukkig opgelost grondvlak, aandachtig beschouwen.

 

A.A.H.



illustratie