i.s.m.
[p. 71]
Na twintig jaren.
Met uw grijze, leemen wanden,
Uw vervallen, strooien dek,
In de schaduw van den boschden,
Altijd op dezelfde plek,
Met uw oude schuur en stalling,
Staat gij, als voor veertig jaar,
Onvergeten vredenestje,
Stille vaderwoning, dáár!
Onder 't groene mos van 't dakstroo
Woonde ons arm, maar blij gezin;
Was hij kaal de nest van buiten,
Binnen woonde een hemel in.
Arm en klein was vaders beurze,
Maar zijn hert was gul en groot:
Berden stoelen bij de haardstêe,
En op tafel roggebrood.
In den hoek der wijde schouw, daar
Was 't dat vaders zetel stond,
Ginds zat moeder stil te spinnen,
Wen de grijze boterhond,
Met den kop op beide pooten,
Goelijk 't plagen gadesloeg,
Van ons kleine volk, dat paaiend
Moeder een vertelsel vroeg.
[p. 72]
Twintig jaren is 't geleden...
'k Heb op reis zooveel verdaan,
En verloren en vergeten:
Waar zijn ze allen heengegaan,
Die ik scheidend heb verlaten?
Trouwe wachter van den weg,
Boschden, die ze zaagt vertrekken,
Waar zijn ze allen henen, zeg?
Weenend knielde Magdalena
Op uw ledig graf, o Heer!
Op den uitgesleten dorpel
Kniel ik, grijze pelgrim, neer.
Hier was 't, ja, dat moeder zeide:
- 'k Zag ze nooit meer levend weer,
De onvergeetbre vrouwe: -
Jongen,
Tot bij onzen Lieven Heer!
Daarom, weg met dat gemijmer!
'k Zoek geene ijdle poezij!
De argelooze kinderjaren
Zijn zoolang, zoolang voorbij;
Al mijn dichten, al mijn droomen
Helpt geene ouders uit de dood:
't Ging voorbij, lijk al wat aardsch is,
Vaders huis met roggebrood!
'k Groet u nog dan, leemen wanden,
Grijs vervallen strooien dek,
Droomend stil bij d'ouden boschden,
Altijd op dezelfde plek!
Mochte ik nog, een laatste male,
Groeten u bij 't stervensuur,
En bij moeder dan gaan rusten,
Ginder bij den kerkhofmuur.
Lod. Mercelis
.
Brussel, feest van S. Barbara
1899.