‘Gezelle is vorstelijk geuitvaard.... is koninklijk begraven!’
Zoo spraken - en zoo spreken nog, al die te Brugge waren, op dien eersten droeven dag van Wintermaand; zoo bevestigen ze al die in bladen of schriften, over dien dag van rouw en... zege, de gevoelens huns herten hebben uitgestort.
Één nochthans - één alleen heb ik ontmoet die anders sprak en die meende dat men in Brugge veel prachtiger begravingen aanschouwen mocht.
Prachtiger, ja, dat is mogelijk.
Begravingen, voor velen in stad, zijn een slach van vertooningen geworden, - half treur- half blijspel, waarin de lijkwagen, de lijkbidders, de weenende huisgenooten, de rijtuigen met kronen en kransen en daarbij een min of meer statig gevolg van hooger lieden, de toeschouwende menigte bezighouden en verzetten.
Zonder dien uitwendigen praal en voornamelijk zonder pracht van bloemen en kronen, zijn de begravingen, in de oogen dier gewone steedsche bezoekers, van weinig bedied.
't Is met zulke oogen dat onze Bruggeling de lijkvaart van Heer ende meester Guido Gezelle had nagekeken.
Laat ons, met den man zelven dien wij ten grave geleid hebben, dat overbodig, half-heidensch vertoon van kante wijzen: niemand meer als Gezelle was wers van praal en pracht: kon zijn mond nog spre-
ken, zijn eerste woord ware voorzeker om den plechtigen kant zijner begraving, al was hij duizendmaal verdiend, af te keuren en te verloochenen.
Gezelle was immers door geheel zijnen levenswandel, de nederige ootmoedige priester Gods, die van zijn eigen gedicht heeft in den ‘voorhang’ van Tijdkrans:
Wij zullen dus de begraving van onzen Dichter met ander oog en zin beschouwen en wat dieper ingaan en toezien wie en wat er bij deze uitvaart, de benaming van koninklijke begraving wettigt.
Het was vooreerst die toeloop van vrienden in zoo groot getal en uit alle standen, van den edelman tot den schamelen werkman, die in den omgang met den mensch en den priester, dat deugdenrijk hert, die ongeborgde en ongefaalde goedheid en gedienstigheid hadden leeren kennen, of ook al die ongemetene zelfvergetende milddadigheid hadden ondervonden.
Het waren al die menigvuldige priesters uit Vlaanderen, van den hoogsten kerkvoogd tot den verafgelegen dorpsherder, aldaar gekomen om getuigenis te geven van de deugd en van de weerdigheid waarmede de afgestorvene zijn priesterlijk werk in de wereld volbracht had en verheerlijkt.
Het waren nog de stedelijke raden van Brugge en Kortrijk, die Volksvertegenwoordigers en Gouwraadsheeren en tot 's Lands Minister toe, die de eigenaardige maar overweldigende en zegepralende kunst van een kind van Vlaanderen kwamen huldigen; - ja! en 't heeft vreugde gebaard bij de Vlamingen dat hunne tale, hunne kunst en hun roem, verbeeld en veroorbeeld in onzen grooten vaderlandschen Dichter, bij deze gelegenheid door ons Landsbestuur plechtiglijk erkend en verheerlijkt werden.
Het was eindelijk nog en voornamelijk die bonte
menigte van al die in Vlaanderen de kunst genegen zijn, van al die belang stellen in de veropenbaring van eigen wezen en leven, van al die vreugde scheppen in 't heropstaan van ons volk, en die uit alle hoeken waren toegestroomd om den hoogbezielden kunstenaar, den herschepper van eigen Vlaamsch leven, den heropbeurder en verkwikker van zijn geliefde Vlaanderen naar 't graf te vergezellen.
Wie had het kunnen vermoeden dat zij zoo menigvuldig waren in 't kleine Vlaanderen, die kunsten taal- en stamvereerders, al geesteskinderen van den meester, gewekt op zijn levenmakend woord, gelaafd aan de bronne zijner heerlijke zangen, hem volgende nu voor de laatste maal, vol liefde en weemoed en door hunne tegenwoordigheid bewijs gevende van de deugendheid en de groote vruchtbaarheid van zijn werken en dichten.
Dát waren de bloemen en kronen, hem zoo lief, die zijnen lijkwagen versierden, - de levende bloemen van Vlaamsche kunst en wetenschap, geene vluchtige die verdorren en verslensen op den kouden zerksteen, maar blijvende en bloeiende, God en Vlaanderen verblijdend.
Al die vrienden en priesters, al die vereerders en kunstgenooten maakten eenen langen stoet uit, die traagzaam en treurig onder droeven hemel vooruitstapte, in de stille ofschoon dichtbezette straten van Brugge, het oude schoone Brugge, eenen Dichter weerd.
En allen bezielde één en zelfde gevoel van inwendigen diepen rouw, die menigen stillen traan uit de oogen dwong en menig hert deed zuchten, gelijk ik hoorde nevens mij; ‘ha! wij leggen hier zooveel weg!’; maar door het leed brak ook een gevoel van blijheid, om de koninklijke eere die onzen Dichter geschiedde, om de blijken van liefde en dankbaarheid die hem van wege zijn volk ten deele vielen. Door dien rouw en dat leed brak nog het alvertroostend, alverblijdend gevoel van hoop en betrouwen, - hope voor het
Christen-Vlaamsch werk door hem verricht, dat het gedijen zal en bloeien en den geest van zijnen stichter verheugen; hope, stralende hope voor den Dichter zelven, die Gods schoonheid, gestort over al het geschapene, zoo neerstiglijk bespeurde en zoo machtig schoon bezong, - dat het hem gebeuren mocht, ja! reeds gebeurd was hetgeen hij in Hiawatha aan den Zoetgevooisden Chibiabos toedichtte:
Onder die gevoelens stapte de stoet, na het lijk, de Hoofdkerk binnen, waar hij geheel dien wijden ruimen middenbeuk vervulde; daar, gedurende den lijkdienst, groeiden die hoop en dat betrouwen en zij stegen met de gebeden en de wolken wierook hemelwaard; zij versterkten nog onder de lofsprake van den priester die met hertelijk genegen woord de dichterlijke gave, de heilige deugden en het vrome afgewrochte levenswerk van den overledene deed uitschijnen en bewonderen; die gevoelens bleven ons bij tot op het kerkhof, noch en werden zij weggeleid met het onbezielde lijkvat van den Dichter, in het graf waar hij nu rust....
Ha! waar wereldsche grootheid begraven wordt, pracht en praal kunnen grooter zijn, uitwendig rouwbetoon luidruchtiger, maar die vrije, algemeene en hertroerende veropenbaring van leed en liefde en bewondering, bij al die hooger geest en herte dragen, dat en valt maar te beurt aan hem dien de Godheid met haar merk heeft geteekend en die al 't vermogen van zijn genie, van zijn ziener- en zijn vinderschap, besteed heeft, zijn leven lang en ongeteld,
Hendrik Persyn.