
Dr. A Siffer
GUIDO GEZELLE, begin der jaren 1860.
(In bezit van Prof. Dr Verriest.)
Aldus schreef mij G. Gezelle over vijf en twintig jaar, als ik hem herhaaldelijk bad naar Leipzig te komen waar ik ten dien tijde verblijvend was, om aldaar eenige maanden te werken en te studeeren in de groote bibliotheken, en in verkeer met de vermaardste duitsche taalgeleerden. Ik had destijds stappen gedaan bij de hoogere geestelijke overheid die, ten minste voorloopig, mijn verzoek om Gezelle te mogen medenemen naar Duitschland niet al te ongenadig aanhoord had.
Gezelle's brief begint als volgt:
Achtbare en dierbare,
Kon ik gelijk het andere kunnen al met eenen keer af en weg zijn, dat zou genoeg gaan, maar ik ondervinde, gelijk het hier in der daad met mij gelegen is, dat het mijne krachten te boven gaat.
Daarbij, gelijk ik aan Hugo geschreven hebbe, moeder kan alle dagen sterven en zoo ik alreê voor vader zaliger te late gekomen ben, zoo zou het mij eeuwig spijten, kwame moeder te overlijden terwijl ik verre weg ben.
Ik zeg dit het moeijelijkst van al omdat gij het wel weet hoedanig het mij spijt langs alle kanten oorzake of gelegentheid van ongenoegen te zijn, tot voor mijne eerste en beste vrienden toe.
Daar zweeft mij een gedicht in den geest... enz....
Het wonderbare beeld van den slaanden nachtegaal bleef jaren en jaren rusten en eerst rond 1892 kwam het gedicht tot stand en werd 1893 in Tijdkrans gedrukt.
Horkt!
De klinkende perels, met nabootsenden tongenstoot, zijn daar, maar de vingertik van 't piano- of harpenspel is vervangen door het taalgetik. De onware zilverdraad is ook weg en de perels, in steê van op eene al te zeldene elpentafel te tinkelen, dansen op een marbelstik.
't Is het zelve beeld, 't zijn dezelve wonderbare klanken, maar de al te romantische on- of halfware woorden en beelden zijn verbannen. De snede van den versbouw is ook verreweg kunstvoller.
Daarenboven heeft de dichter nu geheel het lied van den nachtegaal afgeluisterd:
Niet min wonderbaar, en wellicht noch dieper, blijkt de ontwikkeling van het tweede beeld:
Jaren en jaren zal hel reukbeeld van boom en blad, met één vers aangeduid in 1874, in des dichters gevoel en zinnen blijven rusten en, bij elke wandeling ten najaar in bosch of warande, sterker en sterker
in hem opgestegen zijn, tot dat het, bijna twintig jaar nadien, eindelijk barensveerdig, in deze stille grootsche verzen geboren werd.
Dezen slaap heeft de dichter zelf in volgende, onevenaarbare woorden geschilderd:
En even, gelijk een verre muziek dat in stille avondlocht, bij gunstigen wind, nu hier nu daar, nu schaarsch aangeduid, nu met halfvatbaren rythmus ten oore komt, zoo zal het met ‘Ik hoore peerlen op een elpen tafel tinkelen’ gegaan zijn, gedurende de lange droeve jaren die de groote man zwijgend doorleefde.
G. Gezelle was in acht en negen en vijftig als leeraar van Poësis te Rousselaere, in al zijn jeugdige krachten losgebloeid. Na anderhalf jaar nam hem een beklagensweerd besluit dezen leergang af en stelde hem aan, in het zelfde gesticht, als Surveillant du pensionnat! Eén jaar nog leefde hij in
verkeer, voor zooveel het doenbaar was, met zijn voorige leerlingen, één jaar nog dichtte hij. Dan nam men hem uit het jong vlaamsch studentenvolk weg, en, buiten hier en daar een goedjongstig gelegenheidsvers, de dichter zweeg volle dertig jaar!
Geen ander dichter, geen ander kunstenaar en heeft aldus, in den vollen bloei zijner levenskrachten, het werk laten liggen. Zwaar ziek van hert en ziel moet hij deze lange jaren geweest zijn!...
Die er aan schuld hebben gedragen zouden, nu ten minste, en over zijn graf, niet moeten belofzangd worden!
Hoe moedeloos hij was en bleef staat te lezen in volgende reken, die hij mij schreef einde der jaren 70:
..... Ik ben onlangs gevraagd geweest om conferentie te houden te Thielt, te Brugge, te Oostende en te Kortrijk; dat is mij altemale, zelfs te Kortrijk, onmogelijk geweest te aanveerden. Hoe zou ik het dan te Leuven kunnen doen? En al ware het mij niet belet door mijne bezigheden, nog zou ik er twee keers op peizen eer ik te Leuven het woord voeren zou. Wat op de wereld kan ik daar komen zeggen? En zijt dan, als 't u belieft, niet kwaad op mij; ik heb al werk genoeg met de heruitgave van de nagelaten dichtwerken van den - litterariter si non litteraliter - overleden
Guido Gezelle.
Overleden! Ja zoo scheen het inderdaad: De nieuwe uitgaaf waarvan hier sprake, verscheen 1878 en 79; daartoe, in 1880, een nieuw boekdeel: Liederen, Eeredichten et Reliqua. Van de stukken in dezen nieuwen bundel verzameld, dagteekenen twee derde van vóór 1860. Daartoe komen gelegenheidsverzen, meest zonder bedied, en, als dicht uit eigen wezen gesproten, de zoo innig en diep ‘Gewijde Klok’ en drij vier andere stukken: Geheel het werk van twintig jaren!
In 1865 sticht G. Gezelle Rond den Heerd en laat in dit weekblad zijne springlevende proza vloeien. Doch, na korten tijd viel ook hier zijn penne lam.
Zijne taalstudien zette hij ondertusschen onophoudelijk voort, lette op de sprake van 't volk, verzamelde duizende en duizende ongeboekte woorden en zegwijzen en legde alzoo den grondsteen tot deze heerschappij over de sprake, deze onvergelijkelijke zeggenskracht, die Tijdkrans en Rijmsnoer kenmerken en die hem alleen eigen is en blijven zal.
Doorloopen wij de werken van het Rousselaersch tijdvak, d.i. van den vijf en twintig- tot dertigjarigen dichter en, anderzijds, Rijmsnoer en Tijdkrans, geschreven in den ouderdom van zestig tot zeventig jaar, zoo staan wij getroffen van het grondig verschil tusschen beide.
Het eerste tijdvak loopt over van gemak en weelde, van jeugd en romantismus; 't is een wonder hoe alles
Dit weten wij nog, die zijne leerlingen waren te Rousselaere: Dag voor dag, 's morgends, 's avonds, werden ons dichten gezonden, even de penne ontsprongen, of, haastiger nog, in potlood geschreven met dit hellend loopend naaldgeschrift, zoo zuiver als inhoud en vorm van 't gedicht zelf, De Dichtoefeningen ten deele, en geheel de Gedichten, Gezangen en Gebeden zijn alzoo tot stand gekomen, en bij meest al de stukken zou ik nu nog naam en toenaam kunnen zetten van dezen van ons wien zij gejond en toegezonden werden.
Wel is waar schrijft de dichter op het laatste blad van Gedichten, Gezangen en Gebeden:
Maar dit is een opwellen van Romantism, een oogenblikkelijke aanloop van teerzeerige gevoeligheid; hoort liever de waarheid zoo zij te lezen staat op het eerste blad:
Gezelle was geen van die schrijvers die op gestelde uur aan 't versmaken kunnen gaan. De beelden, de woorden, de klanken rezen in zijn gemoed zonder opzettelijk uitgelokt te worden, en dán alleen kon en moest hij dichten. Dit getuigt hij menigmaal zelf:
De Kerkhofbloemen, dicht en proza, werden begonnen bij het t' huiskomen van de begrafenis van den leerling Eduard Vandenbussche en, spijts schooluren en ander belet, lagen zij 's anderdaags avonds drukveerdig! Dichten was toen voor G. Gezelle als
het natuurlijk henenschieten van eene zuivere, zingende, verkwikkende bronne. Het volgende vers is als een spiegel en weêrklank een van innig genot onder het spruiten van rythmus en woord.
Hoe zacht loopt alles uit de penne; hoe versmelt woord en beeld in ééne harmonij; en welk genot moest hierbij de ziel van den dichter streelen! Wel zeker kon Gezelle destijds bidden:
En later nog (1877), in de zwijgende jaren, in herinnering gewis der dichtervreugden van eertijds, schreef hij, half blij, half droefgeestig:
Weelde, gemak en overvloed kenmerken onbetwistbaar de eerste jaren van Gezelle; alles liep uit in deun en dicht.
Doch dan alreeds begon in zijnen geest de sterke en geslotene aanschouwing te rijzen die dertig jaar later, zoo machtig ontwikkeld, voor den dag treedt. Het geheugt mij dat ik eens, met hem op wandel te Rousselaere, keer op keer verstrooide antwoord kreeg op mijne reden. Hij ging, zoo het dan veelal zijn gewoonte was, ietwat voorwaarts gebogen, den kop achteruit gesmeten, de kin vooruit, het aangezicht half naar boven gewend, het vierkant hoedeken in den nek, latende de groote bulten van zijn voorhoofd bloot: ‘Ik hebbe, zeide hij mij, drij gedichten op het getouwe.’ Het eene was: van de Wilgen, namelijk de twee buitengewoon schoone wilgen, tenden hof en weide van 't kollegie, die men, ons allen te leede, voor een hoopken geld juist verkocht en geveld had.
't Ander: het Kindeke van de dood. Het beeld van den zieken jongeling praamde Gezelle's geest en liet hem niet los. - Het derde is mij ontgaan.
Het gedicht ‘van de Wilgen’ gaat een stap vooruit naar de nauwer beschrijvende manier, doch staat het beeld nog in eenen overvloed van klank en verruw gekleed.
.....................
Het Kindeke van de Dood treedt het realism merkelijk nader. De zieke jongen, in zijne zachte droeve schoonheid, staat vóór den dichter; hij wendt er zijne oogen niet van af; hij volgt den lossen droom zijner gevoelens niet, gelijk hij tot nu toe veel placht te doen, maar sluit zich enger en enger aan de beelden die dáár, buiten hem, staan en gaan en leven en lijden:
Nu ligt de jongeling in 't ziekebed, wordt berecht en sterft. In de Dichtoefeningen wordt ook een man berecht en sterft. Ofschoon hoogstens twee jaren tusschen beide dichten, welk verschil in de beschrijving en in den versgang!
De dichter ziet de gebeurtenissen vóór zijne oogen, in hunne naakte eenvoudige waarheid, en hij wil en zal ze zóó schilderen. Onverkenbaar is de wending.
Maar - nu zwijgt op eens de wonderbare stem die in Vlaanderen was opgestegen; de springende, dag en nacht zingende bronne valt stil!
Kunstenaars in den hoogen zin, 't zij welker aard, - Zij die tooveren met de bonte zonnestralen, - Plastiken die het leven slaan van uit den stommen steen, - Zielen van gezang en klank doorspeeld, - Dichters, hoogste macht der kunst! - zoo Albrecht Rodenbach weleer zong - zijn echte kinderen van Gods genade en hoog genoeg en kan men hunne gaven niet schatten. Kan er toch iets vergeleken worden met het genot dat zij, jaren en eeuwen door, aan het menschdom schenken!
Zulk een godbegaafde kunstenaar was G. Gezelle. Goud en edelsteenen in overvloed moest en zoude hij over Vlaanderen strooien voor alle tijden, maar, eilaas, slag op slag werd hem tonge en tale lam geleid.
God vergeve het, - Vlaandren nooit!
Diep versluierd in den grond van 't hert, ingeslapen gelijk de natuur in heur winterarmoede, zoo lagen die wonderbare krachten roerloos neer. En kwam, na lange dagen, de koesterende zon eens weêr uit, wekte zij eenen stond het leven in de borst, bestand had zij niet, en na eenen korten ademtocht viel alles weêrom stil:
En later, als de krachten langzamerhand wakker schieten, gewis in 't geheugen van den langen winterslaap en in 't gevoel der naderende lente:
Door eenen gelukkigen toeval kunnen wij zien hoe gedurende de lange jaren des zwijgens, het beeld van den slaanden nachtegaal niet dood, maar enkel aan 't sluimeren lag in Gezelle's gemoed.
In 1881 zond hem Dr Karel de Gheldere volgend vers:
Hij had Gezelle in het hert getroffen!
Maar hoort liever K. de Gheldere zelf: ‘Gezelle en ik, schrijft hij mij, lagen in briefwissel nopens eenige ongeboekte woorden, waaronder de naam van “Nachtegale schuifelare”. In een van mijne antwoorden laschte ik de eerste stroof in van 't gedicht, en zette er onder: “dat is de eerste stroof, maak gij de tweede”. Per keerende post ontving ik de stroof: “laat mij naderen, en de bladeren...” Ik zond de derde, hij de vierde,’....
Wij drukken het wisselgedicht af; 't is, jammer genoeg, gelijk de Landliederen(1) zelf, zoo weinig gekend.
Welken van de twee dichters den prijs reiken? Ik bekenne mij onbekwaam hier te beslissen, en, - niet waar, gij lezers alle, - wij bekroonen ze juichend alle twee!
‘Gezelle zaliger, schrijft mij verder Dr de Gheldere, was zeer ingenomen met ons gedichtje, want ik heb goed onthouden, als de Landliederen uitgegeven waren, dat hij mij eens met grooten ernst zei: “Ja maar, ik zal het dichtje van Nachtegale schuifelare ook met mijne dichten uitgeven.” De man heeft er waarschijnelijk nooit meer aan gedacht...’
Ja, oude vriend Karel, gij omschrijft met recht, en past met recht onzen onvergeetbaren Meester deze verzen toe, die hij over meer als veertig jaar dichtte bij het graf van onzen studiemaat. Nu zijn de dagen des lijdens ook voor hem voorbij; dat hij ruste in Gods rechtveerdigheid en in de liefde van ons aller herten!
Het eenzaam leven te Kortrijk, in zijn bitter kleen huizeken, dáár onder de eeuwenoude broeltorens, het doodgetrouw oefenen van de dagelijksche priesterplichten, de vereering van het volk en de vaste liefde van menig trouwen vriend, en, daarbij, de schoone Leijekanten en de vruchtbare velden van Vlaanderen, brachten langzamerhand rust in hert en geest. De jaren verliepen; stillekens aan schoten de slapende botten in 't leven en hier en daar wilden en moesten zij uitbreken. 't Werd weêrom lente en, zie daar, de felle zomer stond in de verte!
Onder de rijpende jaren, in aanhoudend verkeer met het werkzaam, eerlijk volk, verre weg van leugens en leugenhandel, had zijn geest diepe veranderingen ondergaan. Het romantische was er teenemaal uit, en onoverwinbare afkeer en walg lag hem in vleesch en bloed tegen alle onwaarheid in beeld en woord, in wezen en vorm.
Ware beelden, ware taal, de ware natuur gelijk ze in vorm, verwe en klank, van eeuwen her daar is, de ware doogende en poogende ziel met haren onvergankelijken zucht naar hooger goed en genot!
Alles wat hij voortaan schrijft draagt den stempel van deze krachtige ontwikkeling; hij is man bedegen, rotsesterk, onroerbaar, zeker en vast in eigene zelfstandigheid.
Met de jaren negentig geraakt hij volop aan het dichten. In 1893 verschijnt Tijdkrans. Al te menigvuldige gelegenheidsgedichten zijn er in opgenomen, maar, deze weggelaten, staat Tijdkrans daar als een vastgevoegd gebouw, met de getrouwste natuurschilderingen steeds sluitend aan de hoogste beschouwingen der ziel.
Nog sterker treedt, 1896, het Rijmsnoer op.
Daar vroeger de dichter zijne gevoelens en indrukken, naarmate zij onder het loopen der penne verwekt wierden, vervolgde, om langs allerhand omwegen weder op zijn eerste baan te geraken, staat nu alles dicht gesloten; nooit en wijkt hij van het scherp aangeschouwd beeld en alle bijbeelden dwingt hij met meesterkracht in één en hetzelve raam. Een schilder gelijk beziet hij de natuur en teekent ze af met de strengste nauwkeurigheid en, anderzijds, breekt hij medeen de banden der zinnelijke waarneming, treedt uit de vermoeide, bestoven banen der stoffelijke wereld en, met zijn hoog en edel wezen, bezielt hij de schepping.
Wierd ooit, in 't zij welke taal, realism en idealism, stof en geest, ziel en lichaam, zóó verbonden en versmolten?
De heerschappij over de taal, alreê zoo groot in de
Gedichten, Gezangen en Gebeden, nog sterker in de vertaling van Hiawatha, is nu tot onberekenbare kracht gestegen; woord en wending zijn deels van ijzer en staal, deels verrukkend van bevalligheid en innigste gemoedelijkheid.
Beziet mij die Beelden:
Hier valt er niet te denken aan ‘Weg met u, penne, over 't gladde papier!’ Zulke bewoordingen komen langzaam en onder echten barensnood in 't leven. Daarvan getuigt de lichtprent hier bijgevoegd. Meest wierd elke strofe op een kleen stukske vierkant papier geschreven, veranderd, verbeterd, deurschrabd, 't een voor 't ander gezet, tot dat het beeld dat in geest en ziel leefde, ook in het Woord gedwongen stond.
Niet al de gedichten kwamen zoo gepraamd tot stand; de Pereboom b.v. (Tijdkrans, 305), ligt hier in eersten worp voor mijne oogen en toont, in 't geheel, vier veranderingen aan.
Wij hebben reeds gezeid dat bij Gezelle de beelden en ook de rythmen, zonder opzettelijken wil in gemoed en geest stegen, 't zij onder het aanschouwen der natuur, 't zij als onbewuste herinnering van het aanschouwde. Alzoo, bijvoorbeeld, stammen meest al de gedichten waar hij de koeien schildert, uit de meerschen en verrestrekkende weiden van Zillebeke, waar zijn oude schoolvriend, Victor Huys(1), dien hij van tijd tot tijd bezoeken ging, als pastor stond. Nog kort voor zijne benaming te Brugge en vertrek uit Kortrijk sprak hij mij van eene liggende koe, die hij daar vluggelings gezien had

Fac-simile van Dr Gezelle's geschrift, verkleind op 2/3.
Overgedrukt uit Rijmsnoer.
en die hem uit den zin niet en wilde. Hij moest met den naasten zomer toch eens weêr aldaar, zeide hij mij, met de hope van nogmaals eene liggende koe, daaromtrent de eerste gelijkend, te kunnen gaêslaan. Zoo ver is hij ongelukkiglijk niet meer gerocht en het onvolkomen koebeeld heeft de man meêgenomen naar den hemel!
Het is mij nog klaar indachtig hoe wij, vóór jaren, eens 's avonds gevieren ter ta