terug  begin  verder
[p. t.o. 163]



illustratie
Dr. A Siffer
GUIDO GEZELLE, begin der jaren 1860.
(In bezit van Prof. Dr Verriest.)


[p. 163]

Beeld, woord en dicht, bij G. Gezelle.

 
.......................
 
Daar zweeft mij een gedicht in den geest dat zou beginnen:
 
 
 
Ik hoore peerlen op een elpen tafel tinkelen,
 
Ik hoore op zilverdraad met rassen vingertik,
 
...... 20-30 verzen ......
 
Ik hoore uw (nacht)musijk, o roode nachtegaal,
 
Maar 'k en heb nooit noch tijd noch stilzittens genoeg.
 
Waar zijt gij met uw reukwerk, steêgodinnen,
 
Wanneer ik in den bosch gegaan ....
 
.................
 
Gij hebt het schoone! kijkt gij over den grooten muur
 
en blinkt de zonne u tegen, terwijl ik beneden blijve
 
 
 
ootmoedig schoûrke staan.
 
Guido Gezelle.
 
Kortrijk, 4. 5. '74.

Aldus schreef mij G. Gezelle over vijf en twintig jaar, als ik hem herhaaldelijk bad naar Leipzig te komen waar ik ten dien tijde verblijvend was, om aldaar eenige maanden te werken en te studeeren in de groote bibliotheken, en in verkeer met de vermaardste duitsche taalgeleerden. Ik had destijds stappen gedaan bij de hoogere geestelijke overheid die, ten minste voorloopig, mijn verzoek om Gezelle te mogen medenemen naar Duitschland niet al te ongenadig aanhoord had.

[p. 164]

Gezelle's brief begint als volgt:

Achtbare en dierbare,
Kon ik gelijk het andere kunnen al met eenen keer af en weg zijn, dat zou genoeg gaan, maar ik ondervinde, gelijk het hier in der daad met mij gelegen is, dat het mijne krachten te boven gaat.
Daarbij, gelijk ik aan Hugo geschreven hebbe, moeder kan alle dagen sterven en zoo ik alreê voor vader zaliger te late gekomen ben, zoo zou het mij eeuwig spijten, kwame moeder te overlijden terwijl ik verre weg ben.
Ik zeg dit het moeijelijkst van al omdat gij het wel weet hoedanig het mij spijt langs alle kanten oorzake of gelegentheid van ongenoegen te zijn, tot voor mijne eerste en beste vrienden toe.
Daar zweeft mij een gedicht in den geest... enz....

Het wonderbare beeld van den slaanden nachtegaal bleef jaren en jaren rusten en eerst rond 1892 kwam het gedicht tot stand en werd 1893 in Tijdkrans gedrukt.

Horkt!

 
Geteld, nu tokt zijn taalgetik,
 
als ware 't op een marbelstik,
 
dat perelkransen,
 
van 't snoer gevallen, dansen.

De klinkende perels, met nabootsenden tongenstoot, zijn daar, maar de vingertik van 't piano- of harpenspel is vervangen door het taalgetik. De onware zilverdraad is ook weg en de perels, in steê van op eene al te zeldene elpentafel te tinkelen, dansen op een marbelstik.

't Is het zelve beeld, 't zijn dezelve wonderbare klanken, maar de al te romantische on- of halfware woorden en beelden zijn verbannen. De snede van den versbouw is ook verreweg kunstvoller.

Daarenboven heeft de dichter nu geheel het lied van den nachtegaal afgeluisterd:

[p. 165]
 
Waar zit die heldere zanger, dien
 
ik hooren kan en zelden zien,
 
in 't loof geborgen,
 
dees blijden Meidagmorgen?
 
 
 
Hij klinkt alom de vogels dood,
 
bij zijnder kelen wondergroot'
 
en felle slagen,
 
in bosschen en in hagen.
 
 
 
Waar zit hij? Neen, 'k en vind hem niet,
 
maar 'k hoore, 'k hoore, 'k hoore een lied
 
hem lustig weven:
 
het kettert in de dreven.
 
 
 
.................
 
 
 
Wat is hij? 't Is een wekkerspel,
 
vol tanden fijn, vol snaren fel,
 
vol wakkere monden,
 
van sprekend goud, gebonden.
 
 
 
Horkt! Langzaam, luide en liefgetaald,
 
hoe diep' hij lust en leven haalt,
 
als uit de gronden
 
van duizend orgelmonden!
 
 
 
Nu piept hij fijn, nu roept hij luid';
 
en 't zijpzapt hem ter kelen uit,
 
lijk waterbellen,
 
die van de daken rellen.
 
 
 
Geteld, nu tokt zijn taalgelik,
 
als ware 't op een marbelstik,
 
dat perelkransen,
 
van 't snoer gevallen dansen.
 
 
 
.............

Niet min wonderbaar, en wellicht noch dieper, blijkt de ontwikkeling van het tweede beeld:

 
... Waar zijt gij met uw reukwerk, steêgodinnen,
 
Wanneer ik in den bosch gegaan...
[p. 166]
Tijdkrans, 303.
 
Hoe riekt gij, Bamisbosschen, goed,
 
als 't weder vei en vocht is;
 
en 't zunneken daar zit en broedt,
 
in 't vlies, dat op de locht is!
 
 
 
De doode blaren dekken al
 
den nesschen grond; de paden
 
en zijn, beneên den looverval,
 
maar nauwlijks meer te raden.
 
 
 
Het doomt alom, verrukkend mij
 
den zin, vol wondere reuken,
 
..............
 
 
 
...Reuken zijn 't van blad en boom,
 
van boomschorse en van wortelen;
 
van najaarsveite en najaarsdoom,
 
die uit der aarden bortelen.
 
 
 
't Is 't leven dat den bosch verlaat;
 
en, met zijn trage vlerke,
 
vol wierooks, naar den hemel gaat,
 
en stijgt, als in een' kerke.
 
 
 
..............
 
 
 
Hoe riekt gij, groote boomen goed,
 
en kleene; en tusschen beiden,
 
uw' blaren, die met zalven zoet,
 
's jaars sterfbedde overspreiden.
 
 
 
't Verheugt mij in uw midden! Mocht
 
mij nooit een' reuke naderen
 
als die daar stijgt, als levenslocht,
 
uit uw' gestorven bladeren!

Jaren en jaren zal hel reukbeeld van boom en blad, met één vers aangeduid in 1874, in des dichters gevoel en zinnen blijven rusten en, bij elke wandeling ten najaar in bosch of warande, sterker en sterker

[p. 167]

in hem opgestegen zijn, tot dat het, bijna twintig jaar nadien, eindelijk barensveerdig, in deze stille grootsche verzen geboren werd.

Dezen slaap heeft de dichter zelf in volgende, onevenaarbare woorden geschilderd:

Rijmsnoer, 317.
Slapende botten
 
Ten halven afgewrocht,
 
ontvangen, niet geboren;
 
gevonden algeheel,
 
noch algeheel verloren,
 
zoo ligt er menig rijm
 
onvast in mij, en beidt
 
den aangenamen tijd
 
der volle uitspreekbaarheid.
 
 
 
Zoo slaapt de botte in 't hout,
 
verdonkerd en verdoken;
 
geen blomme en is er ooit,
 
geen blad eruit gebroken;
 
maar blad en blomme en al,
 
het ligt erin, en beidt
 
den dag, den dageraad....
 
de barensveerdigheid.

En even, gelijk een verre muziek dat in stille avondlocht, bij gunstigen wind, nu hier nu daar, nu schaarsch aangeduid, nu met halfvatbaren rythmus ten oore komt, zoo zal het met ‘Ik hoore peerlen op een elpen tafel tinkelen’ gegaan zijn, gedurende de lange droeve jaren die de groote man zwijgend doorleefde.

G. Gezelle was in acht en negen en vijftig als leeraar van Poësis te Rousselaere, in al zijn jeugdige krachten losgebloeid. Na anderhalf jaar nam hem een beklagensweerd besluit dezen leergang af en stelde hem aan, in het zelfde gesticht, als Surveillant du pensionnat! Eén jaar nog leefde hij in

[p. 168]

verkeer, voor zooveel het doenbaar was, met zijn voorige leerlingen, één jaar nog dichtte hij. Dan nam men hem uit het jong vlaamsch studentenvolk weg, en, buiten hier en daar een goedjongstig gelegenheidsvers, de dichter zweeg volle dertig jaar!

Geen ander dichter, geen ander kunstenaar en heeft aldus, in den vollen bloei zijner levenskrachten, het werk laten liggen. Zwaar ziek van hert en ziel moet hij deze lange jaren geweest zijn!...

Die er aan schuld hebben gedragen zouden, nu ten minste, en over zijn graf, niet moeten belofzangd worden!

Hoe moedeloos hij was en bleef staat te lezen in volgende reken, die hij mij schreef einde der jaren 70:

..... Ik ben onlangs gevraagd geweest om conferentie te houden te Thielt, te Brugge, te Oostende en te Kortrijk; dat is mij altemale, zelfs te Kortrijk, onmogelijk geweest te aanveerden. Hoe zou ik het dan te Leuven kunnen doen? En al ware het mij niet belet door mijne bezigheden, nog zou ik er twee keers op peizen eer ik te Leuven het woord voeren zou. Wat op de wereld kan ik daar komen zeggen? En zijt dan, als 't u belieft, niet kwaad op mij; ik heb al werk genoeg met de heruitgave van de nagelaten dichtwerken van den - litterariter si non litteraliter - overleden
Guido Gezelle.

Overleden! Ja zoo scheen het inderdaad: De nieuwe uitgaaf waarvan hier sprake, verscheen 1878 en 79; daartoe, in 1880, een nieuw boekdeel: Liederen, Eeredichten et Reliqua. Van de stukken in dezen nieuwen bundel verzameld, dagteekenen twee derde van vóór 1860. Daartoe komen gelegenheidsverzen, meest zonder bedied, en, als dicht uit eigen wezen gesproten, de zoo innig en diep ‘Gewijde Klok’ en drij vier andere stukken: Geheel het werk van twintig jaren!

In 1865 sticht G. Gezelle Rond den Heerd en laat in dit weekblad zijne springlevende proza vloeien. Doch, na korten tijd viel ook hier zijn penne lam.

[p. 169]

Zijne taalstudien zette hij ondertusschen onophoudelijk voort, lette op de sprake van 't volk, verzamelde duizende en duizende ongeboekte woorden en zegwijzen en legde alzoo den grondsteen tot deze heerschappij over de sprake, deze onvergelijkelijke zeggenskracht, die Tijdkrans en Rijmsnoer kenmerken en die hem alleen eigen is en blijven zal.

 

Doorloopen wij de werken van het Rousselaersch tijdvak, d.i. van den vijf en twintig- tot dertigjarigen dichter en, anderzijds, Rijmsnoer en Tijdkrans, geschreven in den ouderdom van zestig tot zeventig jaar, zoo staan wij getroffen van het grondig verschil tusschen beide.

Het eerste tijdvak loopt over van gemak en weelde, van jeugd en romantismus; 't is een wonder hoe alles

 
‘berst en bot en bloeit en vrucht draagt.’

Dit weten wij nog, die zijne leerlingen waren te Rousselaere: Dag voor dag, 's morgends, 's avonds, werden ons dichten gezonden, even de penne ontsprongen, of, haastiger nog, in potlood geschreven met dit hellend loopend naaldgeschrift, zoo zuiver als inhoud en vorm van 't gedicht zelf, De Dichtoefeningen ten deele, en geheel de Gedichten, Gezangen en Gebeden zijn alzoo tot stand gekomen, en bij meest al de stukken zou ik nu nog naam en toenaam kunnen zetten van dezen van ons wien zij gejond en toegezonden werden.

Wel is waar schrijft de dichter op het laatste blad van Gedichten, Gezangen en Gebeden:

 
O Dichten, die 'k gedregen, die 'k
 
gebaard hebbe, in de pijn
 
des dichtens, en gevoesterd aan
 
dit arem herte mijn;
 
mijn dichten die 'k zoo dikwijls her-
 
castijd heb, hergekleed,
[p. 170]
 
bedauwend met mijn tranen en
 
en besproeiend met mijn zweet,
 
.................

Maar dit is een opwellen van Romantism, een oogenblikkelijke aanloop van teerzeerige gevoeligheid; hoort liever de waarheid zoo zij te lezen staat op het eerste blad:

Ter inleidinge.
 
Weg met u, penne, over 't gladde papier,
 
uwe eigene bane en uw land is 't!
 
Vaart op het gladde papier,
 
in de hand die u voert,
 
en die zelf door een ziele gevoerd wordt!
 
Weg met u, penne, vooruit,
 
't zij de schauw van het wentlende loof
 
geplekt over 't blanke papier valt,
 
't zij dat de klimmende zon
 
mijn stappen met schaduw vooruitbeeldt,
 
't zij ze, mij, penne, en u zelf
 
van schaduw verlangende, wegzinkt!
 
Weg met u, penne,
 
over 't gladde papier,
 
en rust niet, en rust niet,
 
tot dat de ziele
 
het zwellende tij des gevoels,
 
hare eigene krachten geen meester,
 
los en heur banden haast kwijt,
 
in brekende tranen vooruitstroomt!
 
Ligt dan nutteloos hout,
 
en rust, met de hand van den dichter,
 
rust, dan kunt gij de ziele
 
een last maar geen hulpe zijn:
 
rust dan!

Gezelle was geen van die schrijvers die op gestelde uur aan 't versmaken kunnen gaan. De beelden, de woorden, de klanken rezen in zijn gemoed zonder opzettelijk uitgelokt te worden, en dán alleen kon en moest hij dichten. Dit getuigt hij menigmaal zelf:

[p. 171]
Kleengedichtjes.
 
Niet altijd heb ik vrij gezongen,
 
maar vogelvrij, waar hier waar daar,
 
als uit een aangeroerde snaar,
 
is woord en dicht en deun te gaar,
 
van 's zelfs mij uit de ziel gesprongen!
 
 
 
'k Heb reken jaren lang gemaakt
 
en dichten twee minuten;
 
'k heb op de zee mij krank gewaakt
 
en kon geen visch besluiten;
 
zei God: smijt al den rechten kant
 
en seffens had mijn vischend hand,
 
hetgeen ik, hert en garenband
 
geen meester meer, moest uiten!
 
 
 
Weêrom, weêrom, wie toomt er mij
 
wanneer ik dichten mag ...
 
 
 
Dichten is geen kunste, neen, geen kunste,
 
dichten is een gunste Gods, een gunste!
Ged., Gez. en Geb.
 
Het dichten is van God gegeven,
 
maar niet aan elk end een in 't leven;
 
de Kunste is niet gemeen.
 
..............
 
 
 
Zoo, elk ende een het zijn! Soldaten
 
het buskruid, zoo 't behoort, gelaten,
 
en Dichteren het woord!

De Kerkhofbloemen, dicht en proza, werden begonnen bij het t' huiskomen van de begrafenis van den leerling Eduard Vandenbussche en, spijts schooluren en ander belet, lagen zij 's anderdaags avonds drukveerdig! Dichten was toen voor G. Gezelle als

[p. 172]

het natuurlijk henenschieten van eene zuivere, zingende, verkwikkende bronne. Het volgende vers is als een spiegel en weêrklank een van innig genot onder het spruiten van rythmus en woord.

Kleengedichtjes.
 
De vlaamsche tale is wonder zoet,
 
voor die heur geen geweld en doet,
 
maar rusten laat in 't herte, alwaar,
 
ze onmondig leefde en sliep te gaar,
 
tot dat ze, eens wakker, vrij en vrank,
 
te monde uitgaat heur vrijen gang!
 
Wat verruw prachtig hoortooneel,
 
wat zielverrukkend zingestreel,
 
o vlaamsche tale, uw' kunste ontplooit,
 
wanneer zij 't al vol leven strooit
 
en vol onzegbaar schoonzijn, dat,
 
lijk wolken wierooks, welt
 
uit uw zoet wierookvat!

Hoe zacht loopt alles uit de penne; hoe versmelt woord en beeld in ééne harmonij; en welk genot moest hierbij de ziel van den dichter streelen! Wel zeker kon Gezelle destijds bidden:

 
Zoete lieve Dichterengel,
 
slaat uw vlerken rondom mij...!

En later nog (1877), in de zwijgende jaren, in herinnering gewis der dichtervreugden van eertijds, schreef hij, half blij, half droefgeestig:

 
O Dichtergeest, van wat al banden
 
hebt gij mij, armen knecht, verlost,
 
en, uit uw' handen,
 
Wat heeft uw dierste gunst mij weinig werks gekost!
 
 
 
Gij Godlijk wezen doet mij leven
 
waar menig andre sterven zou,
 
en ongegeven
 
is nog de groote gift waarom 'k u derven wou.
[p. 173]
 
Gij zijt genezing, en de wonden,
 
de diepe, o wondre, toen gij, teer,
 
die hebt gevonden,
 
getint en toegetast, zijn gave en zonder zeer.
 
 
 
Hoe menig werf, hoe duizend malen
 
hebt Gij, o Geest, mij dat gezeid:
 
maar hoe 't vertalen?
 
'k Gevoel 't, en zuchte, eilaas, naar uwe alsprekendheid!(1)

Weelde, gemak en overvloed kenmerken onbetwistbaar de eerste jaren van Gezelle; alles liep uit in deun en dicht.

Doch dan alreeds begon in zijnen geest de sterke en geslotene aanschouwing te rijzen die dertig jaar later, zoo machtig ontwikkeld, voor den dag treedt. Het geheugt mij dat ik eens, met hem op wandel te Rousselaere, keer op keer verstrooide antwoord kreeg op mijne reden. Hij ging, zoo het dan veelal zijn gewoonte was, ietwat voorwaarts gebogen, den kop achteruit gesmeten, de kin vooruit, het aangezicht half naar boven gewend, het vierkant hoedeken in den nek, latende de groote bulten van zijn voorhoofd bloot: ‘Ik hebbe, zeide hij mij, drij gedichten op het getouwe.’ Het eene was: van de Wilgen, namelijk de twee buitengewoon schoone wilgen, tenden hof en weide van 't kollegie, die men, ons allen te leede, voor een hoopken geld juist verkocht en geveld had.

't Ander: het Kindeke van de dood. Het beeld van den zieken jongeling praamde Gezelle's geest en liet hem niet los. - Het derde is mij ontgaan.

[p. 174]

Het gedicht ‘van de Wilgen’ gaat een stap vooruit naar de nauwer beschrijvende manier, doch staat het beeld nog in eenen overvloed van klank en verruw gekleed.

.....................

 
o Treffelijke wilgen daar stondt gij weleer
 
en schuddet uw kleed in den morgen;
 
 
 
en schuddende ruischte 't, lijk zilver en goud,
 
vol springende en klinkende vogelen;
 
 
 
en priemende boorde er de zonne toen deur,
 
langs duizend geschilderde paden;
 
 
 
vol somber en donker en duister en groen,
 
vol blauwendig pinkelend purper;
 
 
 
vol sterren en vonkels en pralend gesteent,
 
dat afviel en tinkelde in 't water.
 
 
 
Zoo stondt gij daar, treffelijke wilgen, weleer,
 
vol pracht in den blinkenden morgen,
 
 
 
den arm op den hals en den hals in den arm
 
gesteund op malkaer lijk twee vrienden;
 
 
 
alhier en aldaar, lijk een reuzengewelf,
 
gebouwd lijk een kerke op het water;
 
 
 
het water dat tusschen u beiden voorbij
 
liep, langzaam en lachend daarhenen.
 
 
 
......................

Het Kindeke van de Dood treedt het realism merkelijk nader. De zieke jongen, in zijne zachte droeve schoonheid, staat vóór den dichter; hij wendt er zijne oogen niet van af; hij volgt den lossen droom zijner gevoelens niet, gelijk hij tot nu toe veel placht te doen, maar sluit zich enger en enger aan de beelden die dáár, buiten hem, staan en gaan en leven en lijden:

[p. 175]
 
......................
 
't Kind at en drank, uit klaar bedwang,
 
en 't pramen van den nood,
 
maar wat het nutte, van spijs en drank:
 
het at en drank de Dood.
 
 
 
Het groeide alzoo de plante wast
 
die nimmer zunne 'n ziet:
 
een rijzig, een reilde kindeke was 't,
 
en derelijk als een riet.
 
 
 
................
 
Aanschouwt hem, aan zijn huis geleund,
 
hij rust en, overhand,
 
op d'een en op d'andren voet gesteund,
 
daar staat hij nu, aan den wand.
 
 
 
Hij staat daar, van als de morgen breekt,
 
en en spreekt geen enkel woord,
 
't en zij dat hij in zijn herte spreekt,
 
en God daar alleene aanhoort.
 
 
 
Aldus, verwacht hij 't noengetij,
 
hij buigt zijn hoofd, hij hijgt
 
om asem, en pijnelijk asemt hij...
 
maar klagen nooit: hij zwijgt.
 
 
 
..................
 
Toen sukkelt hij weg, en hij kijkt, wanneer
 
hij staat om in te gaan,
 
nog ennen laatsten en ach zulk eenen langen keer,
 
al zuchten.... achter de baan!

Nu ligt de jongeling in 't ziekebed, wordt berecht en sterft. In de Dichtoefeningen wordt ook een man berecht en sterft. Ofschoon hoogstens twee jaren tusschen beide dichten, welk verschil in de beschrijving en in den versgang!

Dichtoefeningen. De Berechtinge:
 
...................
 
Veel Engelen, even aangedaan
 
als hij was, kwamen meêgegaan:
 
hun oogstraal blonk als een robijn
 
en docht mij vlammend vier te zijn,
[p. 176]
 
hun kleed, dat gouden weefsel was,
 
en rimpelde lijk een waterplas,
 
omsloeg geen kranken menschen leest,
 
maar ongenaakbaren levensgeest;
 
onvatbaar als het rood en 't blauw
 
en 't purper dat den morgendauw
 
doorsprietelt, was de vlerk die sloeg
 
rondom hen en ze voorwaarts droeg,
 
................
 
Zoo ligt hier ook een kranke mensch
 
reisveerdig op de levensgrens,
 
en staart met bei zijn oogen staal
 
op iets dat lijk een zonnestraal,
 
door duizend diamanten blinkt
 
in 's Priesters hand, die rijst, die zinkt
 
en, kruisend, weg en weder gaat
 
en d'Heilig' Hostie zinken laat
 
tot reisspijze in de kranke borst....
 
................
 
Hij waakte... en, alswanneer 't gezucht
 
en 't laatste stervend keelgerucht
 
‘Heer Jesus!’ riep, toen keerde hij,
 
toen greep hij zijn bewaarling bij
 
der hand, en: ‘Proficiscere!
 
zoo sprak hij, en de ziel vloog mêe!
 
Ik zag u, ziel, de vlam gelijk
 
die, wentelende onstandvastiglijk,
 
ten langen laatsten losgegaan,
 
een wijl blijft in de dampen slaan
 
van 't vier dat uit is.... ende.... wentelt weg....
Kerkhofblommen: 't Kindeke van de dood.
 
En zeider daar eene: ‘Ei, hij lacht! hij lacht!
 
Wat heeft er med' hem geweest!
 
Wat doet hij nu, dat hij nog nooit en placht:
 
ons broeder, ai Heere, hij geneest?
 
 
 
‘Ah,’ zeider daar toen nog een andere vrouw,
 
‘dat was mij een aardige lach!
 
zoo loeg hij, wanneer hij sterven zou,
 
mijn areme man en hij... ach!’
[p. 177]
 
En de schrik kwam in huis, en elk beefde en elk sprong
 
en elk vloog, alhier, aldaar:
 
en 't klopte op den torre, en de belle klonk,
 
en 't brandede een keerse klaar.
 
 
 
En stille... zoo viel het toen, stille,... niet
 
en roerde of en leefde er meer,
 
om 't schrikken en om den eerebied,
 
en de komste van - den Heer!
 
 
 
En zeider een lijzige stemme, toen
 
zij weerom spreken dorst:
 
‘Wat gaat hij daar, kijkt, wat gaat hij doen:
 
wat maakt hij daar op zijne borst?’
 
 
 
‘Ai!’ zeider een andere vrouwe, en sprak,
 
terwijl zij naar Christus wees:
 
‘Het Crucifix! want hij maakt zijnen pak...
 
hij gaat sterven!’ En zij kreesch...
 
 
 
En 't water viel gewijd op hem,
 
het kruis ging aan zijnen mond,
 
en snikkende snokte er nog menige stemme...(1)
 
die anders geen woorden en vond.
 
 
 
Toen sprak hij, terwijl hij staal voor hem zag,
 
en - iets? - in zijne armen sloot:
 
‘Och! moeder toch, geeft mij een kruisken,’ En ach,
 
de vrouw was al lange dood!
 
 
 
En spannende toen, med' eenen langen zucht,
 
de ziele heuren band.... intweên,
 
ze vluchtte.... en, in moeder heuren schoot gevlucht,
 
zoo liet zij het lijk alleen.
 
 
 
Med' oogen half open en mond half toe,
 
zoo lag het, en loeg het, en keek;
 
en velen die 't zagen, ze zeiden: ‘Hoe!’
 
en dat het hem zóó geleek.
 
..................
[p. 178]

De dichter ziet de gebeurtenissen vóór zijne oogen, in hunne naakte eenvoudige waarheid, en hij wil en zal ze zóó schilderen. Onverkenbaar is de wending.

 

Maar - nu zwijgt op eens de wonderbare stem die in Vlaanderen was opgestegen; de springende, dag en nacht zingende bronne valt stil!

 

Kunstenaars in den hoogen zin, 't zij welker aard, - Zij die tooveren met de bonte zonnestralen, - Plastiken die het leven slaan van uit den stommen steen, - Zielen van gezang en klank doorspeeld, - Dichters, hoogste macht der kunst! - zoo Albrecht Rodenbach weleer zong - zijn echte kinderen van Gods genade en hoog genoeg en kan men hunne gaven niet schatten. Kan er toch iets vergeleken worden met het genot dat zij, jaren en eeuwen door, aan het menschdom schenken!

Zulk een godbegaafde kunstenaar was G. Gezelle. Goud en edelsteenen in overvloed moest en zoude hij over Vlaanderen strooien voor alle tijden, maar, eilaas, slag op slag werd hem tonge en tale lam geleid.

God vergeve het, - Vlaandren nooit!

Diep versluierd in den grond van 't hert, ingeslapen gelijk de natuur in heur winterarmoede, zoo lagen die wonderbare krachten roerloos neer. En kwam, na lange dagen, de koesterende zon eens weêr uit, wekte zij eenen stond het leven in de borst, bestand had zij niet, en na eenen korten ademtocht viel alles weêrom stil:

 
Mijn hert gelijkt de sterre, die
 
verschiet, en aan de hooge wanden
 
des hemels eene sparke strijkt,
 
die, eer 'k heraêm, houdt op van branden!
[p. 179]
 
Mijn herte slacht den regenboog,
 
die, hoog gebouwd dóór al de hemelen,
 
welhaast gedaan heeft rood en blauw
 
en groen en geluwe en peersch te schemelen!
 
 
 
Mijn hert... mijn hert is krank, en broos,
 
en onstandvastig in 't verblijden;
 
maar, als 't hem wel gaat eenen stond,
 
't kan dagen lang weêr honger lijden!

En later, als de krachten langzamerhand wakker schieten, gewis in 't geheugen van den langen winterslaap en in 't gevoel der naderende lente:

Tijdkrans 84.
 
'K zal mij van te dichten zwichten,
 
zoo 't mijn hert niet wel en gaat:
 
Wie kan rijpe bezen lezen
 
van 'nen tak die drooge staat?
 
 
 
Laat de lieve wonnebronne,
 
laat het leutig zonnevier,
 
laat de versche blommen kommen,
 
laat weêrom de lente, alhier!
 
 
 
Dan ja, zal 'k genezen wezen,
 
opstaan en, gespannen fel,
 
of 't een klare snare ware
 
dichten ende deunen wel!

Door eenen gelukkigen toeval kunnen wij zien hoe gedurende de lange jaren des zwijgens, het beeld van den slaanden nachtegaal niet dood, maar enkel aan 't sluimeren lag in Gezelle's gemoed.

In 1881 zond hem Dr Karel de Gheldere volgend vers:

 
Nachtegale
 
schuifelare,
 
meester van het machtig lied,
 
dat uw gorgel,
 
levende orgel,
 
uit de groene takken giet,
[p. 180]

Hij had Gezelle in het hert getroffen!

Maar hoort liever K. de Gheldere zelf: ‘Gezelle en ik, schrijft hij mij, lagen in briefwissel nopens eenige ongeboekte woorden, waaronder de naam van “Nachtegale schuifelare”. In een van mijne antwoorden laschte ik de eerste stroof in van 't gedicht, en zette er onder: “dat is de eerste stroof, maak gij de tweede”. Per keerende post ontving ik de stroof: “laat mij naderen, en de bladeren...” Ik zond de derde, hij de vierde,’....

Wij drukken het wisselgedicht af; 't is, jammer genoeg, gelijk de Landliederen(1) zelf, zoo weinig gekend.

1
 
Nachtegale
 
Schuifelare,
 
meester van het machtig lied,
 
dat uw gorgel,
 
levende orgel,
 
uit de groene takken giet,
2
 
Laat mij naderen
 
en de bladeren
 
eens doorkijken waar gij zit,
 
die zoo vreugdig,
 
jong en jeugdig
 
uw' en mijnen God aanbidt.
3
 
Wonderbare
 
kunstenare,
 
is uw macht niet overdaan
 
van te galmen
 
zulke psalmen
 
veertig dagen zonder staan!
4
 
- ‘Neen, ik uite,
 
zinge en fluite
 
lustig mijne lied'ren al,
 
tot ik leven
 
hebb' gegeven
 
aan dat na mij zingen zal.’ -
5
 
Uit de lauwe
 
zuidergauwen,
 
half April, 't zij warm of koud,
 
komt gij 't blijde
 
lentgetijde
 
groeten in het bottend hout.
6
 
- ‘'k Ben een blomme
 
die rondomme
 
bloeit in helder klankgeblaart,
 
tot dat verf en
 
klank verderve,
 
blijvende in de vrucht gespaard.’ -
[p. 181]
7
 
Uw schalmeie
 
klinkt te Meie
 
over 't koolzaad goudgekleurd,
 
klinkt als d'hagen
 
bloeien dragen
 
en de lucht jasmijnen geurt.
8
 
Heinde en verre,
 
bloeme en sterre,
 
vogel, dier en zongestraal,
 
beken, baren,
 
bosschen, blâren,
 
alles zingt één liefdetaal.
9
 
Die de kleuren
 
en de geuren
 
ons ten voetschabelle leit,
 
houdt onze oogen
 
opgetogen
 
door uw lied van dankbaarheid.
10
 
Ja! maar boven
 
alle loven
 
zal des menschen tale slaan
 
en des Heeren
 
lof vermeêren,
 
verder dan de tijden gaan.
11
 
Nachtegale
 
schuifelare,
 
hier is 't lied dat wij getween,
 
wisselzingend,
 
u zijn bringend,
 
elk zijn deel, of waar 't al één.
12
 
Zóó ook bouwden
 
eens twee ouden,
 
heilig nu, zoo dan nog niet,
 
en van vlerken
 
evensterke
 
dichters, 't schoon Te Deum lied.

Welken van de twee dichters den prijs reiken? Ik bekenne mij onbekwaam hier te beslissen, en, - niet waar, gij lezers alle, - wij bekroonen ze juichend alle twee!

‘Gezelle zaliger, schrijft mij verder Dr de Gheldere, was zeer ingenomen met ons gedichtje, want ik heb goed onthouden, als de Landliederen uitgegeven waren, dat hij mij eens met grooten ernst zei: “Ja maar, ik zal het dichtje van Nachtegale schuifelare ook met mijne dichten uitgeven.” De man heeft er waarschijnelijk nooit meer aan gedacht...’

 
Ten Paradijze geleiden hem de Engelen,
 
neemt hem als broeder, Martelaars, mede,
 
en uit Jerusalems zalige muren
 
komen de zingende Chooren hem tegen!
[p. 182]
 
Dat hij, als Lazarus arm en ellendig,
 
ruste... in alle eeuwen der eeuwen onendig!(1)

Ja, oude vriend Karel, gij omschrijft met recht, en past met recht onzen onvergeetbaren Meester deze verzen toe, die hij over meer als veertig jaar dichtte bij het graf van onzen studiemaat. Nu zijn de dagen des lijdens ook voor hem voorbij; dat hij ruste in Gods rechtveerdigheid en in de liefde van ons aller herten!

 

Het eenzaam leven te Kortrijk, in zijn bitter kleen huizeken, dáár onder de eeuwenoude broeltorens, het doodgetrouw oefenen van de dagelijksche priesterplichten, de vereering van het volk en de vaste liefde van menig trouwen vriend, en, daarbij, de schoone Leijekanten en de vruchtbare velden van Vlaanderen, brachten langzamerhand rust in hert en geest. De jaren verliepen; stillekens aan schoten de slapende botten in 't leven en hier en daar wilden en moesten zij uitbreken. 't Werd weêrom lente en, zie daar, de felle zomer stond in de verte!

Onder de rijpende jaren, in aanhoudend verkeer met het werkzaam, eerlijk volk, verre weg van leugens en leugenhandel, had zijn geest diepe veranderingen ondergaan. Het romantische was er teenemaal uit, en onoverwinbare afkeer en walg lag hem in vleesch en bloed tegen alle onwaarheid in beeld en woord, in wezen en vorm.

[p. 183]
 
Wat ook alle pedagogen
 
Staande houden, hooge en fel,
 
onbelogen,
 
onbedrogen,
 
wilde waarheid, wilde ik wel.

Ware beelden, ware taal, de ware natuur gelijk ze in vorm, verwe en klank, van eeuwen her daar is, de ware doogende en poogende ziel met haren onvergankelijken zucht naar hooger goed en genot!

Alles wat hij voortaan schrijft draagt den stempel van deze krachtige ontwikkeling; hij is man bedegen, rotsesterk, onroerbaar, zeker en vast in eigene zelfstandigheid.

Met de jaren negentig geraakt hij volop aan het dichten. In 1893 verschijnt Tijdkrans. Al te menigvuldige gelegenheidsgedichten zijn er in opgenomen, maar, deze weggelaten, staat Tijdkrans daar als een vastgevoegd gebouw, met de getrouwste natuurschilderingen steeds sluitend aan de hoogste beschouwingen der ziel.

Nog sterker treedt, 1896, het Rijmsnoer op.

Daar vroeger de dichter zijne gevoelens en indrukken, naarmate zij onder het loopen der penne verwekt wierden, vervolgde, om langs allerhand omwegen weder op zijn eerste baan te geraken, staat nu alles dicht gesloten; nooit en wijkt hij van het scherp aangeschouwd beeld en alle bijbeelden dwingt hij met meesterkracht in één en hetzelve raam. Een schilder gelijk beziet hij de natuur en teekent ze af met de strengste nauwkeurigheid en, anderzijds, breekt hij medeen de banden der zinnelijke waarneming, treedt uit de vermoeide, bestoven banen der stoffelijke wereld en, met zijn hoog en edel wezen, bezielt hij de schepping.

Wierd ooit, in 't zij welke taal, realism en idealism, stof en geest, ziel en lichaam, zóó verbonden en versmolten?

De heerschappij over de taal, alreê zoo groot in de

[p. 184]

Gedichten, Gezangen en Gebeden, nog sterker in de vertaling van Hiawatha, is nu tot onberekenbare kracht gestegen; woord en wending zijn deels van ijzer en staal, deels verrukkend van bevalligheid en innigste gemoedelijkheid.

Beziet mij die Beelden:

Tijdkr. 301.
 
Zoo spant de populier en snoert
 
zijn' taaije wortelpezen,
 
lijk touwen vast,
 
omtrent den mast,
 
met schuinsch geweld,
 
zoo scherlinge en zoo scherp gesteld,
 
dat, scheurt er iets of roert,
 
het eer de grond zal wezen,
 
 
 
Als hij!.........
 
............
Rijmsn. 304.
 
Afschuwlijk is de schurde kant
 
des jaars, en onverbidlijk is
 
uw bede, o noodsche dwingeland,
 
die grinst in 's Winters wildernis:
 
de hope alleen, zoo God mij ziet,
 
o Winter, die en doodt gij niet.
 
 
 
Ik hope in U, die middenvast,
 
onwandelbaar in 't wezen staat;
 
die, rondom U, wat waant en wast,
 
om Uwentwille, in 't leven laat:
 
ik hope in U, dien tel noch tijd
 
en tikt: die één, die eeuwig zijt!
Rijmsn. 194.
 
't Is morgen, en de zonne berst
 
alhier, aldaar, ontembaar, uit
 
den nachtelijken moederschoot:
 
‘Hier ben ik!’ roept de zonne groot.
[p. 185]
 
De Zomer grijpt al vaster nu
 
de trappen aan des luchtbouws:
 
zij giet....
 
bij geuten, vier en werkzaamheid
 
den bosche in: dweersche balken gaan,
 
vol speitend licht, den bodem slaan.
Rijmsn. 163. Eeuwelingen.
 
Gedaagde, bodemvaste boschgenooten,
 
......... die machtig zwaar,
 
die machtig diepe staat, den grond beneden
 
in de onuitroeibaarheid van uwe wortelsteden.
Rijmsn. 256. Fiat Lux.
 
Wind, waar zijt gij heengeloopen?
 
ligt ge, of ievers doodgekeid,
 
neêr gevallen, plat ter aarde?
 
Wind, waar is uw roerbaarheid?
 
 
 
Op! hervat uw' vluggen bezem,
 
vaagt des werelds wegen vrij
 
van de vale en vuile dampen:
 
dat het dage en daglicht zij!
 
 
 
Zonne, krachtig krauwt vaneen die
 
hoopen: ruimt uw ridderspeur;
 
slaat er dwers en nogmaal dwers uw
 
scherpe, sterke hoeven deur!
Rijmsnoer, 100. Het gers.
 
...........
 
Bedaart u, veerdig volk
 
met hoornen, ruwgezinden,
 
...........
 
Bedaart u: lekken moet
 
ge, menig malsche dagen,
 
dat gers, dat u verblijdt;
 
en, als gij rusten gaat,
 
den grooten uijer, zwaar
 
en zwankend, henendragen,
 
betna de vrouwenvuist,
 
die u te wachten staat.
[p. 186]
 
Dan, zingend, zal, gezond,
 
in zoete zuivelstralen,
 
het moederlijke spon
 
uit uwe spenen dalen.
 
 
 
...........
 
En gij, gedoogzaamheid,
 
in vleesch en been geborgen;
 
goedaardig moederken,
 
gemakkelijke koe,
 
...........

Hier valt er niet te denken aan ‘Weg met u, penne, over 't gladde papier!’ Zulke bewoordingen komen langzaam en onder echten barensnood in 't leven. Daarvan getuigt de lichtprent hier bijgevoegd. Meest wierd elke strofe op een kleen stukske vierkant papier geschreven, veranderd, verbeterd, deurschrabd, 't een voor 't ander gezet, tot dat het beeld dat in geest en ziel leefde, ook in het Woord gedwongen stond.

Niet al de gedichten kwamen zoo gepraamd tot stand; de Pereboom b.v. (Tijdkrans, 305), ligt hier in eersten worp voor mijne oogen en toont, in 't geheel, vier veranderingen aan.

Wij hebben reeds gezeid dat bij Gezelle de beelden en ook de rythmen, zonder opzettelijken wil in gemoed en geest stegen, 't zij onder het aanschouwen der natuur, 't zij als onbewuste herinnering van het aanschouwde. Alzoo, bijvoorbeeld, stammen meest al de gedichten waar hij de koeien schildert, uit de meerschen en verrestrekkende weiden van Zillebeke, waar zijn oude schoolvriend, Victor Huys(1), dien hij van tijd tot tijd bezoeken ging, als pastor stond. Nog kort voor zijne benaming te Brugge en vertrek uit Kortrijk sprak hij mij van eene liggende koe, die hij daar vluggelings gezien had

[p. t.o. 186]



illustratie
Fac-simile van Dr Gezelle's geschrift, verkleind op 2/3.

[p. t.o. 187]
Den ouden brevier.
 
Als zorgen mijn herte verslinden,
 
als moedheid van 's werelds getier;
 
dan zoeke ik weêrom den beminden,
 
dan grijpe ik den ouden brevier.
 
 
 
o Schat ongevalschter gebeden,
 
brevier, daar, in 't korte geboekt,
 
Gods woord, en Gods wonderlijkheden,
 
nooit een ongevonden en zoekt!
 
 
 
o 't Werk van gezetelde Pausen,
 
wat zegge ik, Gods eigen beworp;
 
o sterkte, en, als 't lijden doet flauw zijn,
 
onsterfelijk lavend geslorp!
 
 
 
o Weldaad wellustiger koelheid,
 
o schaduwomschietende troost,
 
als 't vier, en de onmachtige zwoelheid,
 
gestookt door den vijand, mij roost...
 
 
 
Dan zuchte... dan zitte ik alleene;
 
dan biede ik den booze: ‘van hier!’
 
dan buige en dan bidde ik, en weene...
 
dan grijpe ik den ouden brevier!

Overgedrukt uit Rijmsnoer.

[p. 187]

en die hem uit den zin niet en wilde. Hij moest met den naasten zomer toch eens weêr aldaar, zeide hij mij, met de hope van nogmaals eene liggende koe, daaromtrent de eerste gelijkend, te kunnen gaêslaan. Zoo ver is hij ongelukkiglijk niet meer gerocht en het onvolkomen koebeeld heeft de man meêgenomen naar den hemel!

Het is mij nog klaar indachtig hoe wij, vóór jaren, eens 's avonds gevieren ter ta